Carta

Blason   Abadia de São José de ​​Clairval

F-21150 Flavigny-sur-Ozerain

France


Baixar como pdf
[Cette lettre en français]
[This letter in English]
[Dieser Brief auf deutsch]
[Esta carta en español]
[Questa lettera in italiano]
7 Novembro 2018
feest van sint Willibrordus


Caro amigo da Abadia de São José

Op bepaalde momenten in haar leven is heilige Emilie de Rodat heel bang geweest voor de dood, maar tijdens haar laatste dagen is alle angst verdwenen. Toch zegt ze tegen haar biechtvader: «Ach! Pater, zeg toch tegen alle mensen in de wereld die niet aan hun laatste ogenblikken denken, dat men niet in twee dagen leert hoe te sterven!» In zijn Regel onderstreepte H. Benedictus reeds hoe belangrijk het is zijn tijd goed te benutten met het oog op het eeuwig heil: «Zolang het nog tijd is, en zolang we in dit lichaam zitten, kunnen wij in het licht van dit leven hetgeen ons is voorgeschreven volbrengen, laten wij ons haasten en handelen op een wijze die ons in de eeuwigheid ten goede komt» (Proloog). Heilige Emilie kon tevreden zijn dat ze haar tijd ten dienste van de Heer had benut.

«Even lachen!»

Emilie de Rodat is geboren in 1787 op kasteel Druelle, niet ver van Rodez, in een degelijk christelijk gezin waar iedereen genereus en bovennatuurlijk volbracht wat hem in dit leven te doen stond. Om de taak van Mevrouw de Rodat te verlichten wordt Emilie naar haar grootmoeder in Villefranche-de-Rouergue gestuurd. Een van haar tantes, een visitandinner non, woont daar ook, teruggetrokken bij haar moeder. Van hen krijgt het kind een serieuze opvoeding en leert de armen, die ze heel graag aalmoezen geeft, lief te hebben. «Toen ik nog heel klein was, zal Emilie in haar autobiografie schrijven, was mijn tekortkoming dat ik snel boos werd; ik kroop weg in een vensteropening; dan zei mijn grootmoeder: “… Kijk mij eens aan, even lachen!”… en ze ging net zo lang door tot ze me uit de plooi kreeg… Ik was een huilebalk; met zachte hand hielp ze me over die tekortkoming heen en kreeg me zo ver dat ik ervoor te biecht ging, hetgeen me de grootste moeite kostte…» Op haar elfde doet ze haar eerste Communie: «Er was niet veel voorbereiding aan vooraf kunnen gaan in die onzalige tijden, zal zij erkennen, maar ik bracht mijn onschuld in… Ik zeg dit opdat gewetensvolle personen niet denken dat alles verloren is wanneer een kind ten tijde van zijn eerste Communie nog te licht is. Als het onschuldig is zal God Zelve in het hart van het kind plaats nemen en zijn invloed doen gelden, zoals Hij in mijn geval heeft gedaan. Hij maakte zich van al mijn zielsvermogens meester en ik voelde mij dadelijk aangetrokken tot de godvruchtige beoefening van het stille gebed. God deed het zelf in mij!»

Toch laat Emilie als adolescente het stil gebed varen en laat zich bedwelmen door de roes van de wereld. Ze schept welbehagen in opschik en brengt heel wat tijd voor de spiegel door. Op een dag zegt een bediende vrijmoedig en zonder omwegen tegen haar: «U kunt kijken wat u wil, Juffrouw, u zult nooit meer zijn dan een zak aarde!» In 1803 trekt haar grootmoeder zich terug bij Madame de Saint-Cyr waar meerdere religieuzes wonen die gedwongen waren hun klooster te verlaten ten tijde van de Revolutie. Ze stuurt Emilie derhalve naar Druelle. Het jaar daarop ontvangt het meisje de genade van een plotseling licht dat bezit nam van haar ziel: «Ik was zo doordrongen van God, zal ze zeggen, dat ik altijd bij Hem zou zijn gebleven, vooral in de kerk; daar werd ik door Zijn aanwezigheid zo in beslag genomen dat ik noch zag noch hoorde wat er om me heen gebeurde.» Sindsdien gaat ze elke ochtend naar de Mis, begint armen te bezoeken, voor wie ze jam en andere heerlijkheden bereidde, gaat regelmatig de krottenwijken in en is bij de armen kind aan huis. En ze neemt zelfs de zorg voor een lepralijdster op zich. Na achttien maanden voegt Emilie zich bij haar grootmoeder en haar tante in het huis van Madame de Saint-Cyr. Pastoor Marty, de huisaalmoezenier, moedigt haar aan tot gebed, brengt haar liefde voor de psalmen bij, die ze geheugen leert, en sterkt haar in haar pogingen tot onthechting en het leiden van een leven van armoede. Emilie maakt zich vertrouwd met de geschriften van heilige Franciscus van Sales. Niet veel later wordt het meisje gevraagd kinderen voor te bereiden op de eerste Communie, vervolgens ook om aardrijkskunde en andere vakken te geven. Haar onderricht is duidelijk en levendig; haar jeugdig gehoor is enthousiast.

Emilie bidt vaak tot haar beschermengel en kent hem speciale bescherming toe wanneer een ernstig en imminent gevaar dreigt: «Ik ging naar de kelder, zal ze eens vertellen, de armen vol flessen; we daalden erin af via een luik. Ik dacht dat het gesloten was maar het was open. Ik stap naar voren en toen de vloer onder mijn voeten verdween en ik op het punt stond te vallen, met de flessen in de handen, voelde ik hoe iemand de handen om me heen sloeg om me tegen te houden. Ik had terstond het idee mijn goede engelbewaarder te bedanken. In huis kwamen ze op me toegesneld omdat ze dachten dat ik in de kelder was gesprongen. Ik stelde ze gerust en vertelde wat me was overkomen.»

Al in de IVe eeuw verklaarde de heilige Basilius: «Naast iedere gelovige staat een engelbewaarder als beschermer en herder om hem naar het (eeuwig) leven te leiden» (cf. Catechismus van de Katholieke Kerk no. 336).

Drievoudige mislukking

Op bijeenkomsten van familie of vrienden heeft Emilie jongelieden ontmoet die haar niet onverschillig laten, maar de omstandigheden lieten het nooit toe de relatie te verdiepen. Voortaan leidt ze een arm en sober leven; haar biechtvader geeft haar toestemming de privé geloften af te leggen. Men verwijt haar vaker ernstig dan blijmoedig te zijn: dus doet ze haar best zich vrolijker voor te doen, en leest een verhandeling over de vreugde. Pastoor Marty spoort haar tevens aan haar verlangen naar stille overpeinzing te matigen en meer met de anderen te praten. Emilie denkt erover in te treden bij de Zusters van Liefde uit Nevers, die een hospitaal hebben in Figeac. Ze gaat er in 1809 heen: «Nauwelijks was ik in huis, zal ze later schrijven, of de Goede God ontnam mij zijn voelbare aanwezigheid, van alles diende zich aan. Dichte duisternis vervulde mijn ziel. Ik wist niet wat me te wachten stond. Ik zag tekortkomingen in heel mijn leven… Ik verliet het huis na een maand; het innerlijk verdriet dwong me ertoe.» Ze wendt zich dan tot de Zusters van Altijddurende Aanbidding van Picpus, in Cahors. Maar de aalmoezenier van het huis heeft snel in de gaten dat haar roeping, hoewel reëel, niet voor Picpus is. Geenszins ontmoedigd begint Emilie dan een proefperiode bij de Zusters van Barmhartigheid van Moissac. Opnieuw is ze ondergedompeld in de duisternis; zij wil doorzetten, maar de overste wil haar niet houden. Al die pogingen zonder gevolg zorgen voor heel wat gevoelens van vernedering. Ze is evenwel noch wispelturig noch onstabiel, en ze is in staat tot werkelijke volharding ten dienste van de wil van God. Ze heeft overigens niets gedaan zonder de raad in te roepen van haar geestelijk leidsman en andere verstandige lieden. Ze hervat dus het onderwijs aan de jeugd bij Madame de Saint-Cyr, en het ziekenbezoek.

Op een dag in mei 1815 ontmoet ze vrouwen die zich beklagen over de verwaarlozing van hun leerplichtige dochters. «Voor de Revolutie, leggen ze haar uit, onderwezen de Urselinnen gratis; wij zelf hebben het geluk gehad door hen onderwezen te zijn.» Emilie vraagt aan Madame de Saint-Cyr om toestemming de arme meisjes in haar kleine kamer te mogen ontvangen om hen te onderwijzen. Pastoor Marty keurt het plan goed en wijst Emilie zelfs op drie meisjes die haar zouden kunnen helpen. Zij komen sindsdien iedere dag bij elkaar om het Klein Officie van de Heilige Maagd en andere gebeden te bidden. Ze vrezen echter dat hun werk dat van Madame de Saint-Cyr zou kunnen schaden, maar deze keurt geheel onbaatzuchtig hun initiatief goed en ondersteunt het ook. Anderen daarentegen, generen zich ondanks hun vroomheid niet om zuurzoete opmerkingen te maken over Emilie en haar metgezellinnen. Bovendien weigeren de families van de meisjes hun goedkeuring; niet genoeg doordacht, vindt men deze nieuwe stichting, opgezet door jonge mensen zonder ervaring, onder leiding van iemand die tot dan toe nergens heeft kunnen aarden. Met uitzondering van Eerwaarde Marty deelt de geestelijkheid van Villefranche de algehele afkeuring. Weldra moet er echter worden gezocht naar een ruimere behuizing dan de kamer van Emilie. Men huurt een ruimte die niet veel comfort biedt, maar wel groot genoeg is. De inrichting vindt plaats op 30 april 1816. Er worden een paar geleende bedden en wat armoedige meubelen in gezet en de onderwijzeressen kleden zich in hetzelfde pakje. Buiten de lestijden wordt in huis de stilte gehandhaafd. Weldra melden zich dertien leerlingen plus een weesmeisje dat intern komt. Emilie geeft haar haar bed en slaapt zelf op de grond op een stromatras. Aalmoezen in natura, vooral afkomstig van de armen, maken het mogelijk verder te doen. Getroffen door de goede wil van de beginnende communauteit geeft de bisschop toestemming voor de aanwezigheid van het Allerheiligste in huis. De zusters beschouwen Jezus-Eucharistie als hun grote rijkdom.

Op 25 maart 1996 schreef heilige Johannes Paulus II in de apostolische exhortatie Vita consecrata: «Zij die tot het godgewijde leven zijn geroepen hebben een speciale ervaring van het licht dat van het mensgeworden Woord uitgaat. Want de beoefening van de evangelische raden maakt hen tot profetisch teken voor de gemeenschap van hun broeders en zusters en voor de wereld; vandaar dat zij op bijzondere wijze geraakt zullen worden door de enthousiaste woorden van Petrus: Het is goed dat wij hier zijn (Mt 17,4) … Hoe goed is het met U te zijn, ons aan U te geven, U geheel te maken tot het centrum van ons bestaan! Werkelijk, degene aan wie de genade is geschonken van deze speciale liefdesverbondenheid met Christus voelt zich als het ware door zijn lichtglans gegrepen: Boven mensen uit draagt gij uw schoonheid (Ps 45/44,3), die met niemand te vergelijken is» (no. 15).

Als een onweer

In 1817 kan de communauteit zich opnieuw vestigen in het huis van Madame de Saint-Cyr dat is vrijgekomen daar de bewoonsters geen eensgezinde communauteit met een zelfde Regel hadden kunnen worden. Het aantal kinderen, maar ook het aantal novices neemt toe. Op 29 juni 1819 verhuist men weer een keer om bezit te nemen van een oud klooster Les Cordeliers. Het huis wordt getroffen door ziekte. Meerdere zusters sterven; veel kinderen en postulantes worden door hun ouders teruggehaald. Langzaam maar zeker treedt echter herstel in de gezondheid van de bewoners in. Vanaf augustus 1820 wordt Emilie «plotseling, als een slag bij heldere hemel» in dichte duisternis gehuld: «De bekoring om niet meer te geloven; zozeer dat ze zich als het ware vernietigd voelt, zal ze tegen haar biechtvader zeggen. De bekoring om geen hoop meer te koesteren: alles lijkt haar ziel te bewijzen dat ze verloren is en van God verlaten. De bekoring die de liefde aantijgt: God wordt haar voorgesteld als haar vijand… Wanneer zich bij deze drievoudige bekoring ook nog eens verwijdering van de heilige menselijke natuur van Jezus Christus voegt, wordt de diepe smart nog erger: de ziel voelt zich hopeloos verloren, zonder nog maar iets om op te steunen…» Eerwaarde Marty doet zijn best om haar op te beuren, maar de beproeving duurt tweeëndertig jaar en verdwijnt pas helemaal twee maanden voor haar dood. De priorin van de karmel van Figeac schrijft Emilie ook om haar steun te bieden en licht te werpen op de liefde van God die haar niet verlaat. Bovendien is Emilies gezondheid aangetast: de doktoren stellen een neuspoliep vast. Een eerste operatie mislukt: er moet twee keer opnieuw geopereerd worden met weinig succes. De voorspraak van heilige Jozef wordt dan ingeroepen, maar de genezing zal nooit volledig zijn.

Gewone weg

In november 1823 zal Eerwaarde Marty aan zijn pupil schrijven: «De pijnlijke staat waarin je je innerlijk bevindt moet je niet verbazen, noch alarmeren. God, in zijn barmhartigheid, meer nog dan in zijn gerechtigheid, onderwerpt je aan deze beproeving om je te waarschuwen, je iets te leren, je beter te maken… Het is een veelvoorkomende neiging en we zouden kunnen zeggen een verleiding voor vrome zielen te denken dat, wanneer het zoete samenzijn met God een tijdelijke inzinking kent, dit alleen maar een straf kan zijn. Dat de Heer hier hiermee een kans biedt tekortkomingen van gering belang uit te boeten, is mogelijk. Maar we moeten hier een verklaring van groter gewicht, die ook meer troost biedt, aanvoeren: dat verdwijnen is iets wat zielen in het algemeen mee kunnen maken. Als God altijd alle wensen zou vervullen en ieder bewijs van trouw, stuk voor stuk, zou betalen met een loon van zalige zachtheid, zou de ziel gemakkelijk egoïstisch worden; zij zou God niet meer zo zuiver om God dienen; zij zou Hem dienen met de bijgedachte dat Hij haar zou begunstigen met een impliciete tegenprestatie. God houdt van zuiver metaal. Om te zien of men Hem alleen om Hemzelf dient, houdt Hij over het algemeen na een tijd van zalig zachtheid op met die zachtheid. Daar ligt de scheidslijn voor de zielen. Velen, de meesten zelfs, weten heel goed hoe ze de Meester moeten volgen tot aan de berg Thabor; wanneer de heuvel van de Zaligheid verandert in de heuvel van Benauwenis, en de Thabor Gethsemanie wordt, legt het merendeel het bijltje erbij neer… U, lieve moeder, zit op de gewone weg waarover God de zielen voert die hij wil dwingen zich helemaal aan Hem te geven. “Weet, zo zegt heilige Franciscus van Sales dat ik weinig mensen gezien heb die vooruit zijn gekomen zonder deze beproeving.”»

In 1819 is Adèle de Trenquelléon, stichteres van de vrouwelijke tak van de Marianisten, in contact getreden met Emilie. Samen willen ze overgaan tot een fusie van hun beider werken in één. Mevrouw de Trenquelléon zou de overste worden van het geheel en Emilie zou alleen de leiding voeren over Villefranche, hetgeen haar nederigheid tevreden stemt. Maar wanneer Emilie in 1822 haar zusters voorstelt deze unie ook werkelijkheid te laten worden, weigeren ze en willen liever dat de twee instituten gescheiden blijven. Van die dag af kennen ze hun stichteres de titel van Moeder toe. Nederig schikt Emilie zich naar hun wensen. Hun instituut wordt eerst bekend onder de naam Zusters van Sint Jozef; om verwarring met andere werken te voorkomen besluiten ze zich Zusters van de Heilige Familie te noemen. De spiritualiteit van Moeder Emilie is gegrond op de kennis van Jezus. Ze doet haar best haar toevlucht tot zijn Hart te nemen. In het kleine regelement van de communauteit staat te lezen: «Om de genade te verkrijgen de arme en vernederde Jezus te leren kennen, zullen wij de deugden beoefenen die zijn goddelijk Hart zo dierbaar zijn, armoede en nederigheid, levend in volledige onthechting: ieder van ons wil met heel haar hart op de laatste plaats komen, houden van de nederigste werken en de ongemakkelijkste plaatsen.» De stichteres legt geen uiterlijke verstervingen op, noch versoberingen die niet verenigbaar zijn met de taak van leerkracht; maar het is haar verlangen dat de liefde de zusters ertoe brengt met toewijding en vreugde hun taak als religieuze te volbrengen, zonder eigenbelang noch zelfbeklag.

Nadat hij is benoemd tot vicaris generaal in 1823, woont Eerwaarde Marty voortaan in Rodez. Hij is nog steeds de overste van de congregatie, maar doordat hij zo veraf is moeten de Moeder zijn kostbare raadgevingen, en de zusters zijn intelligente en betrouwbare leiding ontberen. Als hij uit Villefranche vertrekt laat hij de stichteres achter in een staat van precaire gezondheid veroorzaakt door langdurige slapeloosheid en maagzweren; bovendien is het gehoor van de Moeder afgenomen en een spraakgebrek bemoeilijkt het gesproken woord. Toch spreekt ze haar communauteit toe met het enthousiasme, de helderheid en de warmte van de bevlogen redenaar. In de begindagen van de stichting heeft Moeder Emilie haar metgezellinnen slechts een bescheiden reglement gegeven, maar nu moeten er echte Regels worden opgesteld. Eerwaarde Marty gaat ze uitschrijven met de Regel van Heilige Augustinus als voorbeeld, voor hij komt te overlijden in november 1835.

Een eigenaardigheid

In de praktijk komt evenwel een eigenaardigheid naar voren die de eenheid in de congregatie lijkt te verbreken. Deze telt slotzusters die zich aan het onderwijs wijden, evenals zusters voor wie de clausuur niet geldt en die liefdewerk in de stad bedrijven voor de armen, de zieken en de gevangenen en, een tijd later, gevallen vrouwen, of weer anderen die in groepjes de dorpen ingaan om er schooltjes op te zetten. Is het verstandig in eenzelfde instituut zusters met en zusters zonder clausuur te laten samenleven? De geesten zijn inderdaad verdeeld. Moeder Emilie die niet weet hoe ze dit probleem moet oplossen zinkt de moed in de schoenen. Ze besluit aan de zusters zonder clausuur een opleiding te geven die is aangepast aan hun missie en richt voor hen een apart noviciaat in.

Op 1 september 1846 worden de constituties uitgevaardigd die de Regel aanpassen aan de werkelijkheid zoals die in de praktijk wordt ervaren: sommige zusters leiden een leven binnen het slot, anderen dragen de zorg voor de zieken en de armen en weer anderen zijn belast met het onderwijs aan scholen voor niet-inwonenende kinderen. Deze constituties bezorgen de stichteres echter veel ellende voor zover ze in het beheer van de wereldse zaken minder plaats bieden aan de volledige overgave aan de Voorzienigheid. Aan een zuster vertrouwt Moeder Emilie toe: «Al de tijd dat we op de goddelijke Voorzienigheid hebben vertrouwd en we de armen volop ondersteuning hebben geboden, heeft het ons aan niets ontbroken; maar sinds er menselijke middelen voor in de plaats zijn gekomen, ontbreekt het ons aan van alles».

Moeder Emilie koestert een diepgaande devotie tot de Heilige Maagd, en speciaal, na 1846, voor Onze-Lieve-Vrouw van La Salette. Twee dagen voor haar dood zal ze in vertrouwen meedelen: «Ik heb veel troost ondervonden als ik aan de herderskinderen van La Salette dacht: de Allerheiligste Maagd huilde toen ze hun verscheen; en ik heb het vaste vertrouwen dat, wanneer ik haar zal zien, haar heel blij zal aantreffen!» Op zaterdag 19 september 1846 hadden twee jonge herderskinderen op een berg dichtbij het dorp La Salette, in de Dauphiné, in een schitterend licht de verschijning gehad van de Maagd Maria in tranen, die hun de oorzaak had onthuld van haar smart: de goddeloosheid van de mensen, en heel in het bijzonder het werken op zondag en de godslasteringen.

De eenheid versterken

In 1850 stelt de Moeder een geestelijk testament op: «Dierbare zusters, wat ik het liefste wil, schrijft ze, is dat jullie vaak diep in jullie harten zouden luisteren naar de woorden van Onze-Lieve-Heer: Zalig de barmhartigen, want zij zullen barmhartigheid ondervinden (Mt 5,7). Overpeinzing van deze goddelijke woorden zal het jullie gemakkelijk maken artikel 86 van onze constituties (die ik jullie aanraad vaak te lezen en zelfs van buiten te leren) te onderhouden. [“Daar ze in de geest van het instituut in alles de Heilige Familie proberen na te volgen, moeten de zusters hun best doen samen te leven in de grootst mogelijke eenheid. Zusters in en zusters buiten het slot zijn leden van eenzelfde lichaam; zij moeten iedere gelegenheid gretig aangrijpen om hun onderlinge eenheid te versterken door wederzijds dienstbetoon; voortdurend voor elkaar klaar staan; met zorg alles voorkomen dat deze zusterlijke liefde zou kunnen verstoren”]. De trouw waarmee jullie deze regel in acht zullen nemen zal jullie zeer overvloedige genaden opleveren om al jullie plichten te vervullen en je te laten ervaren dat het juk van Onze-Lieve-Heer zacht en zijn last licht zijn.

Ik smeek jullie niet te vergeten dat arme meisjes een christelijke opvoeding geven de enige gedachte was die ten grondslag heeft gelegen aan de oprichting van de congregatie van de Heilige Familie: schoolgeld laten betalen is altijd een bijkomstigheid geweest en nooit het voornaamste doel… [Mijn metgezellinnen en ik] wij schaarden ons in vertrouwen onder de vleugels van de Voorzienigheid. Wij herhaalden met liefde deze woorden van onze goede Meester: Zoekt eerst het Koninkrijk en zijn gerechtigheid: dan zal dat alles u erbij gegeven worden. (Mt 6,33) Laten wij, Dierbare Zusters, alles doen dat van ons afhangt om het te verdienen onze goddelijke Echtgenoot deze troostende woorden te horen uitspreken: Komt, gezegenden van mijn Vader, en ontvangt het Rijk dat voor u gereed is vanaf de grondvesting der wereld. Want Ik had honger en gij hebt Mij te eten gegeven, Ik had dorst en gij hebt Mij te drinken gegeven, Ik was vreemdeling en gij hebt Mij opgenomen, Ik was naakt en gij hebt Mij gekleed, Ik was ziek en gij hebt Mij bezocht, Ik was in de gevangenis en gij hebt Mij bezocht (Mt 25,34-36). Denkt vaak aan deze bewonderenswaardige woorden en jullie harten zullen overlopen van naastenliefde.»

Met haar laatste krachten spant de Moeder zich in om het missionaire elan om haar heen aan te wakkeren om de verre landen te gaan evangeliseren: «Onze naastenliefde moet de zeeën overschrijden», verklaart ze. In de maand juli 1852 verdwijnt plotseling de geestelijke eenzaamheid die ze meer dan dertig jaar had gekend, om plaats te maken voor een diepe rust; toen ze voorvoelde dat haar einde nabij was droeg de Moeder het bestuur van de congregatie over aan haar assistente. Moeder Emilie overlijdt op 19 september; de dag en het tijdstip vallen samen met de dag en het tijdstip van de verschijning van La Salette. De congregatie telt dan 36 huizen. Tegenwoordig is de congregatie aanwezig in twaalf landen verspreid over vier werelddelen.

Tijdens het generaal kapittel van de congregatie in 1968 is de tak van slotzusters opgeheven; er kwamen huizen die speciaal gewijd werden aan gebed opdat de zusters zich er geestelijk zouden komen herbronnen. Ze krijgen de aanbeveling de eenwording met God in hun hele apostolische leven na te streven en te bevorderen.

Tijdens de heiligverklaring van Moeder Emilie op 23 april 1950 drukt Paus Pius XII deze wens uit: «Mogen alle christenen de sporen volgen van deze blijde en moedige ziel. En daar huiselijk samenleven als een “school voor het openbaar leven” (Cicero) is, als kinderen, gezinsmoeders en vaders Jezus, Maria en haar kuise echtgenoot navolgen, dan zal, zonder enige twijfel, de menselijke samenleving volledig genezen kunnen worden en zullen er betere en gelukkigere tijden aanbreken. Moge heilige Emilie de Rodat dit in de Hemel vragen en voor ons verkrijgen van de Goddelijke Verlosser!»

Dom Antoine Marie osb