Brief

Blason   Abdij Saint-Joseph de Clairval

F-21150 Flavigny-sur-Ozerain

Frankrijk


Downloaden als pdf
[Cette lettre en français]
[This letter in English]
[Dieser Brief auf deutsch]
[Esta carta en español]
[Questa lettera in italiano]
14 mei 2018
feest van H. Mattias, apostel


Dierbare Vriend van de Abdij Saint-Joseph de Clairval,

Begin augustus 1847 zoekt de apostolisch vicaris van Ceylon (Sri Lanka) in Frankrijk naar missionarissen voor zijn bisdom. «Ga vooral naar Marseille! beveelt men hem aan. Daar zit een bisschop met een hart zo groot als dat van H. Paulus! zo groot als de wereld… Maak hem wel duidelijk dat het gaat om het redden van arme, zeer arme zielen… Aan die woorden biedt hij geen weerstand». De prelaat presenteert zich en zet zijn verzoek uiteen: «Helaas! Hoe moet ik uw verlangen beantwoorden», zegt Mgr. De Mazenod op zijn beurt. De bisschop van Ceylon aarzelt niet: «Maar, Monseigneur, het gaat om de redding van zielen, heel arme zielen, dat verzeker ik u… de ongelukkigste ter wereld… Uit medelijden, geef hun missionarissen!» In het hart getroffen, opent Mgr. De Mazenod de armen, en omhelst huilend zijn confrater: «U krijgt ze meteen!».

Als zoon van Provençaalse adel, is Eugène de Mazenod geboren in Aix op 1 augustus 1782 uit het huwelijk van Charles-Antoine, Heer van Saint-Laurent du Verdon en President van de Rekenkamer, met Marie Rose Eugénie Joannis. Vanaf zijn kinderjaren getuigt Eugène van een ongebruikelijk grote karaktervastheid. Om te krijgen wat hij wil hebben, huilt hij niet, maar hij eist het op met een krachtig «Ik wil het!». Als vierjarige woont hij met zijn ouders vanaf het balkon een toneelstuk bij. Verontwaardigd over de houding van een toeschouwer die in de parterre zonder schroom de toneelspelers uitfluit, roept hij met gebalde vuist uit: «Je zult eens wat zien, als ik beneden ben!» Hij heeft evenwel een heel goed hart en ontziet zichzelf niet als het moet. Hij is nog jong wanneer tijdens een bezoek aan vrienden van de familie, begin winter, hij geen vuur aantreft in de open haard. Men antwoordt hem dat men te arm is om iedere dag te stoken. Getroffen door compassie verlaat hij in allerijl het vertrek en komt weldra terug met een kruiwagen vol hout die hij met grote moeite voortduwt en voor de deur omkiept: «Hier hebben jullie hout, en nu stoken maar!» Een andere keer ruilt hij zijn kleren met die van een kolenboertje dat staat te bibberen. Zijn moeder berispt hem: «Het past de zoon van een President niet om gekleed te gaan als een kolenboer!». Hij heeft meteen zijn antwoord klaar: «Welnu, dan word ik een President kolenboer!»

Eindigen met een priester

In 1789 is Eugène intern op het Collège Bourbon in Aix. De Revolutie dreigt: de President vlucht naar Nice (destijds in Piemont) met zijn familie en zijn broers, de Ridder, kapitein-ter-zee, en de kanunnik Fortuné, voormalig vicaris generaal van Aix. Eugène gaat Italiaans leren. Vanaf het begin van het nieuw schooljaar in september stuurt de President zijn zoon naar het koninklijk college in Turijn. Ondanks zijn aanvankelijke taalachterstand, is Eugène de eerste van zijn klas. Weldra verdreven door de revolutionaire legers vestigen de Mazenods zich ook in Turijn. Ze nemen deel aan de verzetskringen, gevormd uit de geëmigreerde adel, in de hoop de monarchie te herstellen. Maar in 1794 moet men opnieuw vluchten naar Venetië. Om te kunnen leven worden de gebroeders Mazenod handelaars. Eugène wordt dan aan zijn lot overgelaten. Maar de Voorzienigheid ziet op hem toe: een heilige priester, don Bartolo Zinelli laat hem gratis zijn studie voortzetten en stelt hem voor aan zijn eigen ouders die hem ontvangen als hun eigen zoon. De afwisseling van studie, godvruchtige oefeningen en beschaafde ontspanning houdt de jongen ver van contact met slecht gezelschap. De priester geeft hem als parool: «Niets tegen God, niets zonder God.» Eugène krijgt ook priesterroeping. Om hem op de proef te stellen, ondervraagt zijn oom, voormalig vicaris-generaal van Marseille, hem: «Weet je niet dat je de laatste telg bent van de familie en jij er de naam van in stand moet houden?» Een beetje boos antwoordt Eugène: «Wat! Zou het voor onze familie geen eer zijn met een priester te eindigen!»

De legers van de Republiek onder leiding van generaal Bonaparte rukken nog verder op. In 1797 worden de Mazenods gedwongen naar Napels en vervolgens naar Palermo te vluchten. Voor Eugène is het leven heel aangenaam bij de Siciliaanse adel. Tussen de feesten en andere bezigheden op het werelds vermaak door hervat hij zijn studie letterkunde en geschiedenis; maar aan het eind van zijn verblijf op Sicilië hebben de romantische literaire werken zijn geloof merkbaar verflauwd. In 1801 wordt een concordaat gesloten tussen Napoleon en Paus Pius VII. Eugène keert het jaar daarna naar Frankrijk terug. Luidruchtig mondain vermaak zorgt daar alleen voor verergering van de malaise waarin hij verkeert. Hij doet een poging om te trouwen, maar dat plan loopt op niets uit. In 1807 leest Eugène het boek “Génie du Christianisme” van Chateaubriand. Dit werk vindt hij maar oppervlakkig: «Het christelijk geloof moet niet rusten op het drijfzand van gevoelsmatige indrukken, schrijft hij, maar op de stevige rots van de rationele klassieke bewijzen». In dit perspectief zet hij zich aan een studie om met name op de jansenistische argumenten van een familielid te reageren. Op een Goede Vrijdag wordt hem de genade van een bekering geschonken: «Ik heb het geluk tot mijn ongeluk buiten God gezocht, zal hij in aantekeningen tijdens een retraite schrijven. Hoeveel malen in mijn voorbije leven richtte mijn gekwelde hart zich tot God van wie het zich had afgewend!… Tijdens deze plechtigheid richtte mijn ziel zich op de dood, op God die het voelbaar had verloren.» Na rijp beraad denkt hij aan het seminarie Saint-Sulpice in Parijs en schrijft aan zijn moeder: «De Heer wil dat ik afstand doe van een wereld waarin het bijna onmogelijk is gered te worden, zo groot is de geloofsafval die daar heerst; laat ik me inzetten voor de herleving van het geloof dat stervende is onder de armen, voor zijn eer en het heil der zielen die Hij met zijn kostbaar Bloed heeft afgekocht».

Onoplosbaar vraagstuk

Onder de leiding van Eerwaarde Emery, superieur van de Sociëteit van priesters van Saint-Sulpice, maakt Eugène snel vorderingen in de kerkelijke wetenschappen en in zijn innerlijk leven. Hij legt zichzelf een strenge ascese op, en opent zijn hart voor de maatschappelijke klassen die hij gisteren nog als minderwaardig beschouwde, en waaruit een groot deel van zijn medeleerlingen zijn voortgekomen. Zijn ijver voor de missie ontvlamt door het contact met gedreven metgezellen zoals Forbin-Janson, toekomstig bisschop van Nancy en stichter van het werk van de Heilige Kindsheid. Door tijdgebrek wordt de studie beperkt tot drie jaar en wordt het accent gelegd op de apologetica (uiteenzetting van de rationele grondbeginselen van het geloof) en op de moraal. Daar hij gericht is op zijn toekomstig ambt probeert Eugène niet de wetenschap om haar zelve zich eigen te maken. In de kantlijn van zijn aantekeningen van een les over aktes schrijft hij: «Allemaal vervelend»; en over een controverse aangaande de werkzaamheid van de sacramenten: «Onoplosbaar en volstrekt nutteloos (geen enkel nut dienend) vraagstuk».

Tijdens de door Napoleon opgelegde gevangenschap van Paus Pius VII en de romeinse Curie (1809-1814), dient Eugène als verbindingsofficier voor Eerwaarde Emery, de ziel van het katholiek verzet. Eugène zal een bevriende bisschop toevertrouwen: «Toen ik nog diaken was, en vervolgens jonge priester, is het me gegeven geweest, ondanks de zeer intensieve bewaking van nauwelijks zichtbare politie, mij in dagelijkse rapporten de Romeinse kardinalen van dienst te zijn, die toen in Parijs zaten en spoedig daarna vervolgd werden wegens trouw aan de Heilige Stoel. De gevaren waaraan ik me onophoudelijk blootstelde werden in mijn ziel gecompenseerd met het geluk deze illustere bannelingen van dienst te kunnen zijn en mij meer en meer door hen te laten inspireren». De sulpiciaanse meesters die zich openlijk verzetten tegen de daden van de keizer worden uit het seminarie verdreven. Ze gaan niet eerder weg voor ze in het geheim vervangers hebben benoemd: onder hen bevond zich Eugène die de functie van directeur zal vervullen. De jonge diaken weigert echter tot priester gewijd te worden door de aartsbisschop van Parijs die door Napoleon was benoemd zonder toestemming van de Paus, en wendt zich tot een vriend van zijn oudoom, de oude bisschop van Amiens. Na de wijding op 21 december 1811 stelt deze prelaat hem voor zijn vicaris generaal te worden met successierecht, maar de nieuwe priester slaat het aanbod af om een jaar lang de taak die zijn meesters hem hadden toevertrouwd te kunnen uitoefenen, en vooral om de vrijheid te bewaren de armen te evangeliseren, volgens de lijfspreuk die hij later zal aannemen: Pauperes evangelizare (cf. Luc 4,18).

«Mijn eerbiedwaardige broeder»

Eerwaarde de Mazenod gaat een jaar later naar Aix-en-Provence. Hij spreekt zijn eerste preek uit in het Provençaals om door de aller-nederigste begrepen te worden. Zijn woorden zijn hartverwarmend: «Wat zijn jullie volgens de mensen in de wereld? Geminachte lieden… Broeders, dierbare broeders, zeer eerbiedwaardige broeders, in de ogen van het geloof zijn jullie kinderen van God, broeders van Jezus Christus, erfgenamen van het eeuwig koninkrijk.» De jonge priester neemt de opvoeding van de kinderen ter harte want hij ziet een generatie opstaan die zelfs de naam van God niet kennen. «De onderneming is niet gemakkelijk, bekent hij, dat zal ik niet ontkennen. Zij is zelfs niet zonder gevaar, aangezien ik niets minder van plan ben dan uit alle macht in te gaan tegen de duistere denkbeelden van een regering die alles wat haar niet steunt vervolgt en vernietigt. Maar ik vrees niets want ik stel al mijn vertrouwen in God.» Hij bevindt zich weldra aan het hoofd van een twintigtal jongeren die hij vormt in vroomheid onder de dekmantel van spelletjes, en van wie hij houdt als een vader. Door zijn toegewijde zorg voor de gevangenen loopt hij de tyfus op. Veertig dagen lang verkeert hij op de rand van de dood; maar dankzij de gebeden van zijn “kinderen” die met hun spaargeld Missen laten opdragen en een uur vroeger opstaan om die bij te wonen zonder dat de studie eronder lijdt, wordt hij weer gezond.

In 1814 stort het napoleontische keizerrijk in. Eugène kan eindelijk zijn werk voor de jeugd uitbreiden en missies verzorgen in de plattelandsparochies. In zijn hart ontkiemt het plan een communauteit op te richten die zich aan volksmissies zou wijden evenals aan de opleiding van de geestelijkheid. Op 25 januari 1816 sticht hij met vier medebroeders de Missionnaires de Provence en installeert ze in een oud karmelietessenklooster. De nieuwe communauteit staat niet onder de pastoorsjurisdictie, hetgeen een reactie opwekt onder een deel van hen: ze beschuldigen eerwaarde Mazenod van belangenverstrengeling want de jongeren die zij evangeliseren en in aantal nu meer dan driehonderd zijn, zijn afkomstig uit alle parochies. Maar de eerwaarde heeft de bedoeling zijn jongens te beschermen tegen de losbandigheid en ongeregeldheden die elders schering en inslag zijn.

Er komen steeds meer parochiemissies: ze variëren in duur van vier tot vijf weken. ’s Morgens wordt het Credo, de sacramenten, de geboden van God, het Onze Vader onderwezen. ’s Avonds wordt gepreekt over de dood, het laatste oordeel, de hel, het vagevuur, de hemel. Zeven priesters zijn er nodig voor de biecht, van vijf uur ’s ochtends tot middernacht. In acht jaar worden veertig parochies hernieuwd. «De godsdienst, zo verklaart hij, triomfeert in deze streek waar ze zonder de missie verloren zou zijn».

De gedachte aan het einde der tijden helpt ons de impact te begrijpen van de daden die wij in vrijheid in deze wereld stellen. Het is nu tijd een keuze te maken tussen de weg naar het leven en die naar de eeuwige teloorgang of zoals Paulus het uitdrukt: Maak u niets wijs: God laat niet met zich spotten. Wat een mens zaait zal hij ook oogsten. Wie zaait op de akker van zijn zelfzucht, zal verderf oogsten; wie zaait op de akker van de Geest, zal van de Geest eeuwig leven oogsten… Laten we dus, zolang we tijd hebben, goed doen aan allen, maar vooral aan onze geloofsgenoten (Gal 6, 7-8,10). Paus Paulus VI verklaarde dan ook: «Een van de grondbeginselen van het christelijk leven is dat het in dienst staat van zijn toekomstige en eeuwige bestemming» (Audiëntie van 28 april 1971).

Smartelijk nietsdoen

D

e jonge priester heeft, ondanks zijn nederigheid, zijn gedistingeerde manieren en een zekere doortastendheid behouden, hetgeen hem komt te staan op onverzettelijke vijandige reacties. Hij maakt zich evenwel meer bezorgd om zijn werk dat hij nog vastere grond in de aarde wil verschaffen en dat slechts kan voortbestaan bij de gratie van een vicaris generaal. Hij tracht dus koninklijke goedkeuring te verwerven, maar tevergeefs. Hij denkt er dan over zijn Parijse relaties in te zetten opdat zijn oom Fortuné zou worden benoemd op een van de bisschopszetels in de Provence, en steun zal kunnen bieden. Eenmaal voor het voldongen feit geplaatst zou deze de koning niet durven beledigen door te weigeren. Terwijl alle andere pogingen tevergeefs schenen te zijn wordt Fortuné uiteindelijk benoemd in het bisdom Marseille. Vijf jaar lang zal hij echter in het klooster van de karmelietessen van Aix-en-Provence moeten blijven wonen, want de regering overweegt opheffing van de bisschoppelijke zetel van Marseille.

Op 16 augustus 1818 doet de bisschop van Digne een beroep op de Missionarissen van de Provence om de leiding over het Mariaheiligdom Notre-Dame de Laus op zich te nemen. Deze nieuwe missie heeft als gevolg dat de Sociëteit wordt verheven tot Congregatie waaraan geloften zijn verbonden, teneinde de eenheid van de twee huizen te garanderen. Eerwaarde Mazenod stelt er de Regels voor op. Daarin staat te lezen: «De Kerk, deze prachtige erfenis van de Verlosser, die deze had verworven ten koste van al zijn bloed, wordt tegenwoordig op wrede wijze verwoest… Behalve de heilige schat die altijd behouden zal blijven tot het einde der tijden, zijn er van het christendom nog maar enkele sporen over van wat het geweest is. Wat heeft Onze Heer Jezus Christus gedaan? Hij koos een aantal apostels en leerlingen die hij vervulde van zijn geest… en Hij zond ze uit op verovering van de wereld die ze weldra hadden onderworpen aan hun heilige wetten. Wat moeten wij op onze beurt doen om erin te slagen al die zielen terug te winnen voor Jezus Christus wiens juk ze van zich af hadden geschud? Serieus eraan werken heiligen te worden… uitsluitend met het oog op de glorie van God, de stichting van de Kerk, het heil der zielen… en vervolgens, vol vertrouwen op God, het strijdperk betreden en vechten tot aan de dood voor de grootste heerlijkheid van God. Welk een edele onderneming!»

In 1821 neemt de communauteit de drie geloften van armoede, kuisheid en gehoorzaamheid aan en, ondanks een voorbijgaande crisis, komt ze er sterker uit tevoorschijn. Er wordt een derde huis gesticht in Marseille waarvoor zich ook novicen melden. In 1823 wordt besloten tot handhaving van de bisschoppelijke zetel van de stad en wordt de benoeming van Fortuné de Mazenod bevestigd. Eugène en zijn naaste medewerker worden vicaris generaals van het bisdom. Deze taak verplicht hem tot veel kantoorwerk waar hij een hekel aan heeft, maar dat hij de Heer aanbiedt ter genoegdoening voor zijn zonden, met bitterheid zich verre van de missies te bevinden. Op 17 februari 1826 ontvangen de Regels de goedkeuring van Paus Leo XII die de nieuwe naam van de Sociëteit ook officieel maakt: “Oblaten van Maria-Onbevlekt Ontvangen”. «Deze naam bevredigt het hart en het oor, schrijft de superieur aan zijn zonen… Laten wij blij zijn de naam van Maria te dragen en haar te zijn toegewijd… In de naam van God, laten we heiligen zijn!» In 1829 voert een ernstige ziekte hem op de rand van de dood. Hij herstelt zich, maar moet weer op krachten komen in Zwitserland waar de Parijse Revolutie van 1830 hem dwingt zijn verblijf te verlengen. Daar de parochiemissies dan volledig verboden zijn door de nieuwe regering van Frankrijk, neemt hij het besluit de Oblaten naar missies in verre landen te sturen want, zo verklaart hij, «een beginnende Congregatie heeft een element van ijver nodig, niets doen zou dodelijk zijn.»

«Mijn geluk en mijn vreugde»

In mei 1831 stemmen de gemeenteraad van Marseille en de departementsraad voor opheffing van de bisschopszetel zodra deze vacant is. Om deze maatregel te voorkomen verkrijgt Mgr. Fortuné de Mazenod van Paus Gregorius XVI de verheffing van zijn neef tot de bisschoppelijke waardigheid, met successierecht. Eugène begeeft zich naar Rome waar hij tot bisschop wordt gewijd op 1 oktober 1832. Hij keert zich tot God: «Er zal mij niets overkomen dat u niet gewild zult hebben, en mijn geluk en mijn vreugde zullen altijd het doen van uw wil zijn». Terug in Frankrijk oefent hij zijn ambt uit zonder benoemd te zijn door koning Louis-Philippe; vanaf dan wordt hij aangevallen door de overheid. Onverschrokken gaat hij in de verdediging tegenover de tribunalen; de Heilige Stoel acht het evenwel beter en vraagt hem voorlopig een teruggetrokken leven te leiden. Het is een zware klap: hij schikt zich echter, al doet het pijn, en geeft zich over aan de Voorzienigheid. In 1837 neemt Mgr. Fortuné de Mazenod ontslag en Eugène volgt hem op als bisschop van Marseille.

Tijdens zijn episcopaat dat drieëntwintig jaar zal duren, zet Mgr. Eugène de Mazenod zich met hart en ziel in voor zijn volk dat hij rechtstreeks onderricht in het Provençaals, en voor zijn geestelijken op wier opleiding hij persoonlijk toeziet. Hij nodigt de priesters met klem uit in kleine communauteiten te leven. Van 171 in het begin van zijn episcopaat groeit hun aantal uit tot 378 een twintigtal jaar later. De prelaat sticht tweeëntwintig nieuwe parochies, bouwt of renoveert veertig kerken, bouwt een nieuwe kathedraal evenals de spectaculaire basiliek Notre-Dame de la Garde die de hele stad overziet. Tien religieuze communauteiten voor mannen en zestien voor vrouwen worden in het bisdom verwelkomd of opgericht. «Mijn systeem is de ijver ondersteunen van allen die zich willen wijden aan een leven van vervolmaking… Mochten die diverse stichtingen slechts de levensduur kennen van hen die zich daarin aan God wijden, zou dat nog altijd een groot voordeel zijn».

Hij bevordert de Aanbidding van het Allerheiligste en herstelt de Romeinse liturgie in haar geheel. Mgr. De Mazenod neemt eveneens actief deel aan de strijd voor de vrijheid van middelbaar onderwijs. Dat wordt sinds de Franse Revolutie gemonopoliseerd door de Universiteit die neutraal is en gedomineerd door antiklerikalen. De bisschop is van oordeel «dat als de Franse jeugd alleen nog door de Universiteit wordt opgevoed, er een dag zal komen dat het geloof bijna volledig ten onder zal zijn gegaan in Frankrijk». Wat er op het spel staat is van het grootste belang. Daarom schrijft hij zich in bij de beweging voor de vrijheid van onderwijs, aan de zijde van bisschoppen zoals Mgr. Pie en Mgr. Dupanloup, journalisten als Louis Veuillot de Montalembert. Hij probeert de bisschoppen in een verbond te verenigen teneinde ze minder terughoudend te maken en ze zo ver te krijgen dat ze gemeenschappelijk actie ondernemen: «Geen afzonderlijke protesten; alle protesten tegelijk openbaar maken! Alleen de publiekelijke steun van alle bisschoppen» kan de aandacht van de autoriteiten trekken en hen dwingen zich definitief uit te spreken. De kranten zijn meer dan ooit «tegenwoordig het grote middel om gehoord te worden». Hij benadrukt dat de bisschoppen geen «ondergeschikten zijn die nederig de machthebbers verzoeken om een gunst», maar «verdedigers» en «hoeders, tegen alles en iedereen in, van de rechten en belangen van de Kerk».

Het IIe Vaticaans Concilie heeft herinnerd aan de noodzaak voor onze tijd van het recht op een gerechtvaardigde vrijheid van onderwijs: «De ouders, die het eerste en onvervreemdbare recht en de plicht hebben hun kinderen op te voeden, moeten werkelijk vrij zijn in de keuze van de school. Daarom dient de publieke overheid, die immers de vrijheden van de burgers heeft te beschermen en te verdedigen, met inachtneming van de verdelende rechtvaardigheid ervoor te zorgen, dat de overheidssubsidies zó worden besteed, dat de ouders volgens hun geweten werkelijk vrij de scholen kunnen kiezen voor hun kinderen… De staat moet in het algemeen heel het onderwijs bevorderen. Hij moet hierbij het subsidiariteitsbeginsel voor ogen houden en dus elke vorm van onderwijsmonopolie uitsluiten, omdat dit in strijd is met de natuurlijke rechten van de menselijke persoon, een belemmering vormt voor de ontwikkeling en de verbreiding van de cultuur en het vreedzaam samenleven van de burgers» (Verklaring Gravissimum educationis, 6).

De moeilijkste missies

Via geduldig werken aan zichzelf, doet de bisschop van Marseille zijn best zijn moeilijke karakter in toom te houden en hij bestuurt zijn diocees met verlichte wijsheid, goedheid en gezag. Omdat hij nog altijd de overste is van de Oblaten van Maria Onbevlekt Ontvangen, grijpt hij iedere gelegenheid die zich voordoet aan om de bestaande instellingen in Frankrijk, Groot-Brittannië en Ierland te vermeerderen. Tussen 1841 en 1847 stuurt hij zijn zonen naar Noord-Amerika, in het bijzonder naar de nog niet geëxploreerde streken van Canada, naar Azië (Ceylon) en naar Afrika (Natal), terwijl zijn ijver om zich in te zetten voor het heil der zielen hem ertoe drijft de moeilijkste missies te aanvaarden. Overal maken de Oblaten het Werk van hun Vader bekend, in de parochies alsook in de seminaries. De kandidaten stromen toe: voor het jaar 1847-1848 telt men honderdvijftien postulanten. In 1861 telt Mgr. De Mazenod 414 oblaten waaronder 6 bisschoppen, werkzaam op vier continenten, ondanks de 69 die zijn overleden. De stichter heeft zijn prachtige congregatie begeesterd en niet vergeten haar tevens te voorzien van de noodzakelijke juridische en menselijke kaders opdat zij ook zonder hem kon voortbestaan. Hij blijft zijn zonen nabij door middel van briefwisselingen en vooral voor het Allerheiligste: «Daar ontmoeten wij elkaar», schrijft hij hun, vervuld van erkentelijkheid voor hun toewijding. Hij houdt van ieder van hen met een onmetelijk grote liefde die hij alleen kan verklaren met een wonder van het liefdevolle Hart van Jezus. Door de lange jaren en het harde werk geveld, verdraagt de bisschop van Marseille zijn laatste ziekbed met moed, alvorens te sterven op 21 mei 1861. Hij is door heilige Johannes Paulus II heiligverklaard op 3 december 1995.

Het testament dat door heilige Eugène de Mazenod aan zijn geestelijke zonen is nagelaten is ook een licht voor ons levenspad: «Beoefen goed de naastenliefde, de naastenliefde, de naastenliefde, en, daarbuiten, zet u met ijver in voor het heil der zielen!»

Dom Antoine Marie osb

Om het Blad van de Abdij Saint-Joseph de Clairval te publiceren in een tijdschrift, blad... of on het internetsite of een website te plaatsen, is een toelating vereist. Deze dient te worden aangevraagd per E-Mail or bij https://www.clairval.com.