|
[Cette lettre en français] [This letter in English] [Dieser Brief auf deutsch] [Esta carta en español] [Aquesta carta en català] [Questa lettera in italiano] |
11 april 2004 Pasen |
Lou Tseng-Tsiang komt ter wereld in Sjanghai, op 12 juni 1871. Zijn vader, Lou Yong-Fong stamt uit een welgestelde familie. In 1854 is hij gehuwd met Kin-Ling en uit hun verbintenis wordt een dochtertje geboren dat kort daarna komt te overlijden. Pas zeventien jaar later krijgt het gezin een tweede kind, Tseng-Tsiang. Toen ze hem het leven schonk liep de moeder een hydropsie op waaraan ze acht jaar later is gestorven.
Een etappe
Nadat hij privé onderwijs heeft gehad over de Chinese klassieken, gaat Lou Tseng-Tsiang op dertieneneenhalfjarige leeftijd naar de School voor Vreemde Talen in Sjanghai. Hij leert er vooral het Frans. Als hij 21 is gaat hij naar een tolkenschool die is verbonden aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken. In 1893 wordt hij als tolk uitgezonden naar de Chinese Legatie in Sint-Petersburg (Rusland); daar ontmoet hij een meester die hem ervan overtuigt dat hij zich moet toeleggen op een diplomatieke loopbaan. Deze meester, Shu King-Shen, is vervuld van confuciaanse wijsheid.
«De confucianistische leer, zo zal Dom Lou in 1945 schrijven, is in wezen de overgeleverde wijsheid van de oude koningen waarmee vanaf het derde millennium voor Jezus Christus de geschiedenis van China van start is gegaan. De documenten waarin deze wijsheid is vastgelegd werden door Confucius in de VIe eeuw vóór J.C. overgenomen en openbaar gemaakt. China heeft van deze filosofie en opvoeding geleefd en leeft er nog van; het heeft er zijn evenwichtige politieke geest en regeringstradities aan te danken welke rechtstreeks zijn gegrondvest op het principe van het gezinsleven...» Confucius (551-479 vóór J.C.) liet het bestaan van God, het Opperwezen, toe en geloofde in een Voorzienigheid, in het overleven van de ziel, ofschoon hij zich in het geheel niet heeft uitgesproken over wat haar aan gene zijde van het graf te wachten stond. Hij verstrekte aan zijn volgelingen slechts praktische regels voor een maatschappelijke en politieke moraal. Daarom is het confucianisme in de loop der eeuwen ook uiteengevallen in verschillende stromingen.
De kinderlijke liefde
De Kerk leert in de Katechismus van de Katholieke Kerk, dat het «vierde gebod het bevel van naastenliefde aangeeft. God heeft gewild dat wij, na Hem, onze ouders zouden eren aan wie wij het leven danken... Wij zijn gehouden al degenen te eren en te eerbiedigen die God, voor ons welzijn, met zijn gezag heeft bekleed» (KKK, 2197). Er zijn twee redenen die ons ertoe kunnen brengen iemand te vereren: de uitnemendheid van de persoon en de weldaden die wij van hem of haar hebben ontvangen. Daarom moeten we eerst God vereren die oneindig volmaakt en weldoener van de hele wereld is. Op de tweede plaats moeten wij onze ouders vereren en hen die het wettige gezag bezitten. Vervolgens komen de andere leden van de familie en de stadstaat.
De kinderlijke liefde is voor alles een innerlijk gevoel; zij draagt niettemin uiterlijke elementen van eerbied en gehoorzaamheid in zich, normale uitdrukkingsvormen van afhankelijkheid. Zij strekt zich ook uit tot het «vaderland» wat komt van vader. Het vaderland is een morele en burgerlijke gemeenschap van mensen die met elkaar zijn verenigd door dezelfde erfenis van bloed, grond en cultuur. Meer nog dan een gevoel ergens geworteld te zijn, is het patriottisme een houding die getuigt van intelligentie en wil, een verbintenis jegens het gemeenschappelijk erfgoed, om het te bewaren, uit te breiden, door te geven en te verdedigen. Het christelijk patriottisme verwerpt het overdreven nationalisme dat is geneigd van het nationale belang iets absoluuts te maken: de vergoddelijking van het vaderland of van de staat vloeit voort uit een heidense theorie. Een gezond patriottisme is in tegendeel verbonden met het besef van universele solidariteit van de mensen onder elkaar, niet te verwarren met het valse internationalisme dat ieder onderscheid in de mensengemeenschap en dus ook het vaderland, ontkent. Jezus Christus zelf heeft een vaderland gehad (cf. Lc 4, 23-24).
Kan men regeren zonder God ?
In het begin van de XXe eeuw valt de machtige Mantsjoe-dynastie uiteen door favoritisme en onbekwaamheid. De meester van Lou Tseng-Tsiang, Shu, wenst voor zijn land een verjonging in de geest van de grondleggers van de Chinese beschaving. Het christendom en in het bijzonder de Katholieke Kerk trekken onvermijdelijk zijn achtenswaardige aandacht; hij is getroffen door het bestaan van een universele geestelijke regeringsvorm (die van de Paus) die teruggaat tot de stichter van de christelijke godsdienst. «Beziet de zeden van de meest uitgelezen ambtenaren van de Europese landen, beveelt hij zijn volgeling aan. Wanneer het ogenblik zal zijn gekomen, wees dan bereid de mensen die nu de plaatsen innemen in Peking te vervangen teneinde in China iets nieuws op te bouwen». In Peking waar hij is teruggeroepen als hoge ambtenaar bij Buitenlandse Zaken, is meneer Shu het slachtoffer van zijn vaderlandslievende onbaatzuchtigheid. Omdat hij de aandacht van de regering heeft gevraagd voor de onverwijld te ondernemen hervormingen, wordt hij in staat van beschuldiging gesteld, gevonnist en onthoofd (1900), vervolgens, zes maanden later, eervol maar nutteloos gerehabiliteerd. «Waar is het goed voor zo'n slechte regering te dienen», vraagt meneer Lou zich af... Maar aangezien hij het als zijn morele plicht beschouwt trouw te blijven aan de opdracht van zijn meester, schrijft hij: «Iedere aarzeling tegenover de plicht is een achteruitgang».
«Mijn koffers zijn gepakt!»
De heer Lou ziet verder. Hij heeft een Franstalige, katholieke Europese ontmoet en gekozen, een helderziende vrouw, moreel hoogstaand en tactvol in alle opzichten; het land waar ze vandaan komt is maar klein en geen grootmacht, hetgeen voor een diplomaat veel verschil maakt. Het huwelijk vindt plaats in Sint-Petersburg in februari 1899. De verstandhouding tussen de echtelieden is uitstekend; maar tot grote spijt van beiden schenkt God hun geen kind. In de beslotenheid van de gerieflijke huiselijke kring overdenkt meneer Lou hetgeen de kracht van Europa bepaalt, de christelijke godsdienst: «Vanuit het oogpunt van de man van de daad die op zoek is naar het goede, zo zal hij later schrijven, heb ik de Heilige kerk onderzocht en in beschouwing genomen en daarbij als regel een principe gehanteerd dat Jezus Christus zelf ons heeft gegeven: aan de vruchten kent men de boom (cf. Mt 7, 20)... Ik heb de superioriteit van de Heilige Roomse kerk heel duidelijk kunnen herkennen aan de levende schat die zij in bezit heeft: het geestelijk leven dat uit het offer van Jezus Christus aan het kruis voortvloeit, een leven dat de gelovigen wordt geopenbaard en toebedeeld door middel van de zeven sacramenten... De Mis en de sacramenten alleen al vragen erom te worden bestudeerd, bespiegeld en geëerbiedigd... Hoe heeft het christendom, dat in de westelijke wereld tot wasdom is gekomen zozeer dat het er onlosmakelijk mee is verbonden een man van het Verre Oosten in de ban gekregen? ... De eenheid, de universaliteit, de belangeloze ambitie van de katholieke Kerk vinden hun beginsel in de oorsprong van deze instelling. Tegen mijn landgenoten zou ik willen zeggen: leest het Evangelie, de Handelingen van de Apostelen, de Epistels; leest het verhaal van de vervolgingen in de eerste eeuwen van de kerkgeschiedenis en de Handelingen van de martelaren; neemt alle bladzijden van de kerkgeschiedenis. U zult ook tot de slotsom komen dat hier sprake is van een uitgesproken superieur en eenmalig maatschappelijk gebeuren. Misschien zult u zich dan de vraag stellen: «Heeft de Schepper zich geopenbaard?»... Hoezeer moet het burgerlijk gezag niet alles doen wat in zijn vermogen ligt opdat een instelling van een dergelijke vruchtbare rijkdom zal kunnen bloeien temidden van de volkeren!»
Deze overdenkingen van meneer Lou zijn in overeenstemming met de recente woorden van Paus Johannes Paulus II: «Mijn grootste zorg aangaande Europa is dat het zijn christelijk erfgoed zal behouden en vrucht laten dragen... Het oude continent heeft Jezus Christus nodig om zijn ziel niet te verliezen, om niet hetgeen het in het verleden groot heeft gemaakt te verliezen en dat, hierin, vandaag de dag nog de bewondering van de andere volkeren oproept» (23 februari 2002).
De invloed van het voorbeeld
Tezelfdertijd schrijdt in China de revolutie onder leiding van Dr. Sun Yat-Sen snel voort. Begin 1912 doet de keizer, die gevolg geeft aan een persoonlijke inmenging van meneer Lou, troonsafstand. Het voorlopig parlement biedt de diplomaat de portefeuille van Buitenlandse Zaken aan. Dit gegeven tekent het begin van een periode van acht jaar waarin hij, in Peking, de hoogste verantwoordelijkheden draagt, waaronder die van Eerste Minister. Hij maakt er gebruik van om tussen China en de Heilige Stoel officiële diplomatieke betrekkingen aan te knopen.
In december 1920 verlaat meneer Lou voor goed het politiek toneel. Twee jaar later maakt de gezondheidstoestand van zijn vrouw het noodzakelijk naar Europa terug te keren en vestigen zij zich in Locarno, in Zwitserland, waar mevrouw Lou enige tijd later wordt getroffen door een congestie. Al snel wordt het duidelijk dat de ziekte lang zal duren en er geen hoop is op herstel. Dewijl hij de zorg voor zijn vrouw op zich neemt, herinnert meneer Lou zich de suggestie die minister Shu King-Shen hem dertig jaar tevoren had gedaan: «Wanneer u uw loopbaan heeft afgesloten, kies dan de oudste maatschappij van de Kerk waarvan u dan lid bent geworden. Indien u dat kunt, treedt daar dan binnen; wordt een volgeling en neem het innerlijk leven in acht dat er het geheim van moet zijn...».
«Waarom niet?»
Wanneer hij zich over zijn verlangen uitlaat tegenover de biechtvader van zijn vrouw, wordt de heer Lou gewezen op het leven van regulier benedictijns oblaat. De regulier oblaat neemt in alles deel aan het gemeenschapsleven, maar is niet gebonden door de monastieke geloften. Meneer Lou gaat naar de abdij Sint-Andries van Brugge, België, waar de abt hem aanraadt volledig monnik te worden en vervolgens tot het priesterambt toe te treden.Hij wordt dan ook op 4 oktober 1927 als Benedictijn ingekleed onder de naam van broeder Pierre-Célestin. In 1932 legt hij zijn plechtige geloften af, maar daar hij zich vermoeid voelt, is hij van mening dat hij, met toestemming van zijn abt, moet afzien van de langdurige studie die de toetreding tot het priesterambt verlangt. Op 3 mei 1933 komt een van zijn vrienden uit Sjanghai hem echter een kelk aanbieden als geschenk van twintig voormalige collega's uit het corps diplomatique, allen niet-christenen. «Maar ik heb ervan afgezien priester te worden! Dat zal ons zeer teleurstellen, antwoordt de vriend». Daar hij de vingerwijzing van God hierin ontwaart zet hij zich aan de studie, niet voor zichzelf, maar voor de Kerk en voor zijn land.Op 29 juni 1935 ontvangt hij de priesterwijding.
De gedachte iedere dag het Heilig Misoffer te moeten opdragen boezemt hem echter schrik in: «Zelf iedere dag de Almachtige durven nader te komen! ... Dat zal mijn dood worden...» Maar na een ziekte die hem tot nadenken heeft aangezet, doet Dom Lou deze bekentenis: «Onze Vader H. Benedictus zegt in de Regel dat God een Meester is en een Vader. Ik heb onthouden dat hij Meester is; ik ben vergeten dat hij Vader is. Tijdens die ziekte heeft God zich verwaardigd mijn verstand te verlichten. Aangezien ik de Mis aan God de Vader aanbied, zal ik niet meer bang zijn deze te vieren!» Mogen de monniken gedenken, zegt H. Benedictus inderdaad, H.Paulus citerend, dat zij de geest van kindschap hebben ontvangen die ons doet uitroepen: Abba, dat wil zeggen Vader! (Rom 8, 15; cf. Regel, hfdst. 2).
Meneer Lou was ingetreden in een benedictijns klooster in België, het vaderland van zijn echtgenote, met het doel voor ogen voor zijn volk een nieuwe weg te onsluiten die dit volk verbond met de Kerk die was gesticht door de mens geworden Zoon van God. Het bijzondere belang van zijn loopbaan en zijn roeping geven Paus Pius XII aanleiding hem op 19 mei 1946 als eretitel de abtelijke waardigheid te verlenen. Deze verheffing is het startsein van een intensiever apostolaat. Volgens Dom Lou lijdt het Oosten omdat het voor een groot deel de Messias nog niet kent; het Westen lijdt omdat, na Hem te hebben gekend, velen zich van hem hebben verwijderd. «Het probleem van de internationale betrekkingen is niet in de eerste plaats van politieke orde: het is voor alles van intellectuele en morele orde, schrijft hij. In diepste wezen is het een probleem van verbintenissen en scheidingen waarvoor de verwantschap tussen hun beschavingen of juist hun ongelijksoortigheid verantwoordelijk zijn». Daarom pleit hij voor werken ten gunste van de ontmoeting van de christelijke en de Chinese cultuur.
Ontmoeting van het Oosten en het Westen
Eind 1948 komt Dom Lou door een ernstige ziekte op sterven te liggen. Kort voor zijn dood zegt hij: «Een paar uur nog maar...en dan zie ik Onze-Lieve-Heer! Onze-Lieve-Heer zien! Wat een geluk!» Zijn biechtvader stelt hem voor: «De tijd is gekomen om uw lijden met Jezus aan het Kruis aan te bieden»: hij knikt instemmend, een laatste blijk van zijn denken, voor het begin van een lange doodsstrijd. Op 15 januari 1949, 78 jaar oud, blaast hij om 11.50 u, dag en tijdstip van de twintigste verjaardag van zijn professie, zijn laatste adem uit.Maar voor hen die God liefhebben bestaat de dood niet: er bestaat slechts een overgang van het leven hier op aarde naar het eeuwig leven.
In zijn postuum uitgebracht boek, waarvan hij een eenvoudige getypte versie had achtergelaten, «La rencontre des humanités et la découverte de l'Evangile», lezen we een passage waarin de kinderlijke liefde die Confucius zo dierbaar was op grootse wijze is verheven door de zienswijzen van het geloof: «Op het tijdstip van de grootste kwelling komt de zielskracht van Jezus prachtig tot uiting in zijn kinderlijke liefde voor zijn Vader en ook voor de Maagd Maria die hem onder haar hart had gedragen en wier Kind hij was gebleven. De wilsbeschikking waarmee hij zijn Moeder toevertrouwt aan de leerling die hij liefhad is een wilsbeschikking van kinderlijke liefde. Is het Maria mogelijk al degenen die in het bloed van haar Zoon nieuw leven hebben ontvangen niet te beschouwen als haar kinderen?»
Moge Onze-Lieve-Vrouw ons ook de genade verlenen van een kinderlijke houding jegens onze Vader in de Hemel! Deze houding zal blijken uit een gerechte verering van de ouderen en de meerderen en zal de bron zijn van goddelijke zegeningen, volgens de belofte van God aan Mozes: «Eert uw vader en uw moeder... Dan zult ge lang leven en gelukkig zijn op de grond die Hij u schenkt.» (Dt 5, 16).