Brief

Blason   Abdij Saint-Joseph de Clairval

F-21150 Flavigny-sur-Ozerain

Frankrijk


Downloaden als pdf
[Cette lettre en français]
[This letter in English]
[Dieser Brief auf deutsch]
[Esta carta en español]
[Questa lettera in italiano]
11 november 2020
feest van h. Martinus van Tours


Dierbare Vriend van de Abdij Saint-Joseph de Clairval,

Op het feest van het Heilig Hart, 3 juni 2016, de dag die speciaal is gewijd aan de priesters in het buitengewoon jubileumjaar van de Barmhartigheid, benadrukte Paus Franciscus: «De onvervangbare schatten van het Hart van Jezus zijn er twee: de Vader en wij. De dagen van Jezus waren verdeeld tussen gebed tot de Vader en het ontmoeten van mensen… Het herdershart van Christus (de priester) klopt eveneens alleen op tweeërlei wijze: voor de Heer en voor de mensen. Het hart van de priester is een uit liefde voor de Heer doorboord hart; daarom heeft hij geen oog meer voor zichzelf – hij zou geen oog meer moeten hebben voor zichzelf – maar hij is naar God gekeerd en naar de broeders en zusters. Het is geen “onstandvastig hart” meer dat zich laat aantrekken door wat het moment hem voorschotelt of dat hier en daar heen gaat op zoek naar consensus en kleine dingen die even voldoening geven. Het is, in tegendeel, een hart dat op de Heer is gevestigd, in de ban van de Heilige Geest, open en beschikbaar voor de broeders en zusters». De geschiedenis van de Kerk geeft ons talloze priesters met een voorbeeldig leven te zien. De Dienaar Gods Francisco da Cruz heeft de mensen in Portugal gesticht met zijn geheel aan God en de zielen gegeven leven.

Francisco da Cruz is geboren op 29 juli 1859 in Alcochete, bij Lissabon (Portugal). Zijn vader is baas van een bloeiende houthandel en bezit landerijen die door pachters worden ontgonnen. Zijn moeder wijdt zich aan haar gezin dat reeds Maria da Pieta, Emmanuel en José omvat wanneer Francisco wordt geboren; deze wordt gevolgd door Antonio en Isabel. In huize da Cruz wordt de godsdienst met vuur beleden en op negenjarige leeftijd vertrouwt Francisco heel natuurlijk zijn ouders zijn verlangen toe om priester te worden. Toch waait er in die tijd in Portugal een zegevierende antiklerikale wind. De sirenes van de wetenschap die de wereld voorspoed en geluk beloven zonder zich te bekommeren om God, betoveren op dat moment de mensheid. In oktober 1875 gaat Francisco naar de theologische faculteit van de universiteit van Coimbra. Terwijl hij serieus zijn studie doet, gaat zijn vroomheid niet verder dan wat de strikte eisen van de Kerk zijn: de zondagsmis, Biecht en Communie eenmaal per jaar. Zijn verlangen om priester te worden belet hem niet zich over te geven aan de geneugten des levens: hij houdt van jacht, spelen, lekker tafelen en goede sigaren en bepaald niet zuinig. Hij zingt prachtig liefdesliederen en trekt de aandacht van de meisjes. Hij vermijdt evenwel de directe gelegenheden om God ernstig te beledigen, maar heeft even goed alle slechte gedachten, zoals hij later zal toegeven. Ongerust om hem  als ze is, maakt zijn moeder het rooster van rozenhoedjes waarin hij is opgenomen, nog strakker.  

Tijdens de gezinsvakanties schiet Francisco, om te oefenen met zijn buks, op de mussen in de binnenplaats. Maar hij heeft zijn neefje die in het gras in de schaduw van een struik ligt, niet gezien.  Een kogel treft het kind in het oog en maakt hem aan dat oog blind. Ziek van verdriet, besluit Francisco de studiekosten van het kind op zich te nemen als poging de schade te vergoeden. In tussentijd ontmoet hij pater José Pires Antunes, een elf jaar oudere priester. De jongeman bewondert diens priesterlijke vroomheid, maar om zijn voorbeeld na te kunnen volgen, heeft hij de beproeving van een ernstige ziekte nodig. Nu hij beter begrijpt hoe onbestendig het leven en het zingenot zijn, komt Francisco nader tot Christus die niet teleurstelt. Pater José spreekt vaak met hem over te redden zielen en vertrouwt hem op een dag zijn besluit om jezuïet te worden toe en in de voetsporen te treden van heilige Juan de Britto, Portugese jezuïet en missionaris, martelaar geworden in India in de XVIIe eeuw. Intussen bereidt hij Francisco, als vrucht van een retraite, voor op een generale biecht en maakt dat hij besluit zich te verbinden aan een aan Maria gewijde congregatie. Voortaan behoort Francisco zichtbaar door Maria Jezus toe en geeft hij zijn wereldse leven op. 

Sympathie wekken

Don José wordt weldra benoemd als leraar aan het seminarie van Santarém. Nadat hij zijn licentiaat in de theologie heeft behaald wordt Francisco ook benoemd in ditzelfde seminarie om er filosofie te onderwijzen. Ondanks de hoofdpijnen die hem kwellen sinds zijn laatste examens, aanvaardt hij de opdracht als komende van de Voorzienigheid. Op 19 december 1880 ontvangt de jonge leraar de lagere geestelijke orden. Op 15 augustus 1881 sterft zijn moeder aan een voorhoofdsantrax. Met een hernieuwd elan en gerijpt door de beproeving, ontvangt Francisco de priesterwijding op 3 juni 1882. Levendig en welbespraakt als hij is, heeft hij ook de gave sympathie te wekken. Hij is geliefd om zijn geduld, zijn zachtaardigheid en zijn goedheid. Maar de strijd die hij moet voeren tegen zijn temperament van man uit één stuk putten zijn krachten uit en verergeren zijn hoofdpijnen. Begin schooljaar 1886 moet de jonge leraar toegeven dat hij niet meer bekwaam is om les te geven. Van al zijn verwachtingen blijft,  ondanks de vele inspanningen, weinig over. Hij wordt vervolgens benoemd tot directeur van een school voor weeskinderen zonder inkomsten die hopen naar het seminarie te gaan, in de stad Braga. Daar wordt hij door iedereen gerespecteerd en bewonderd om zijn nederig en rustig gezag. Nooit slaat hij de kinderen die hem zijn toevertrouwd; in geval van een ernstige fout, moet de schuldige op de knieën zitten terwijl hij zelf een voor een de kralen van zijn rozenkrans door de vingers laat gaan. Maar zelden dat het kind aarzelt de Wees Gegroeten te beantwoorden. De besten dienen met vreugde zijn Mis en velen koesteren de wens hem te begeleiden in het park wanneer hij zijn rozenkrans bidt. De “goede en heilige” Pater Cruz, zoals hij wordt genoemd, geeft gratis lessen Frans en Latijn, en wijdt een aanzienlijk deel van zijn traktement aan de beloning van leerlingen die goed hun best hebben gedaan. Maar weldra ondervindt hij moeilijkheden bij het vieren van de Mis: zijn organisme is opnieuw uitgeput en verplicht hem in 1894 zijn ontslag in te dienen.

Een onmetelijke taak

Na tien maanden van rust in Alcochete, waar hij is geboren, hervat Pater Cruz de dienst. In oktober 1895 wordt hij benoemd als geestelijk leidsman van de leerlingen van een klein seminarie bij Lissabon, dat weldra naar de stad zal verhuizen. Hij besteedt zijn vrije tijd aan de verlichting van de noden onder de armen en de zieken: van het seminarie dat uitziet over de Taag daalt hij af naar de stad met haar kleurige hellende straatjes en bezoekt de krottenwijken. Daar hij niet bij machte is alleen de ellende te verzachten die hij er aantreft, doet hij een beroep op de vrijgevigheid van de mensen die er in de buurt wonen. De Pater brengt de gevangenen ook de hoop van het Evangelie: al worden ze door iedereen verstoten, Jezus is degene die hen bemint zoals hij de Goede Moordenaar heeft bemind. Zijn reputatie breidt zich weldra uit in de stad en de gelovigen verdringen zich voor zijn biechtstoel. De taak van geestelijk leidsman op het seminarie die aanvankelijk niet veel van hem eiste wordt onmetelijk groot want de pater zet zich ook met hart en ziel in voor de noodlijdenden, zozeer dat hij in 1899 een borstvliesontsteking oploopt: hij moet terug naar Alcochete om daar verzorgd te worden. De liefde van zijn zus Isabel en de behandeling van Emmanuel, zijn broer die arts is, brengen hem langzaam weer op de been. Tijdens deze lange periode dat hij zich moet terugtrekken, leert hij zijn kwetsbaarheid te aanvaarden en maakt zich gereed zijn Goede Meester zonder spijt noch enig voorbehoud te volgen.

«Eén zijn met Christus, verklaarde Paus Benedictus, vereist verzaking. Het impliceert dat we niet onze weg en onze wil door willen drukken. Wil niet dit of dat worden, maar laat ons aan Hem overgeven, waar en hoe Hij ons gebruiken wil. Ik leef, maar ik niet, maar Christus leeft in mij, heeft de heilige Paulus hierover gezegd (Ga 2,20). In het “ja” van de wijding hebben we deze fundamentele verzaking van het zichzelf-zijn omgezet naar het “zichzelf-verwerkelijken”. Maar dit grote “ja” moet van dag tot dag werkelijkheid worden in vele kleine ‘ja’ en in kleine verzakingen. Zonder bitterheid en zelfmedelijden kan dit “ja” van de kleine stappen, die samen het grote ‘ja’ vormen, alleen mogelijk worden als Jezus Christus werkelijk het centrum van ons leven is» (Witte Donderdag, 9 april 2009).

Antiklerikale hartstochten

In de loop van het jaar 1900 hervat Pater Cruz zijn taak als aalmoezenier, maar als hij er niet meer in slaagt al zijn verbintenissen na te komen, legt hij in 1902 die taak neer. Op 2 februari 1908 worden koning Karel I en de kroonprins in Lissabon vermoord. Prins Emmanuel wordt koning, maar twee jaar later moet hij naar Engeland vluchten ten gevolge van een militaire coup. De republiek wordt uitgeroepen en terstond breken de antiklerikale hartstochten los. De Jezuïeten worden aangewezen als de uiteindelijke oorzaak van alle ellende onder het volk. Vanaf oktober 1910 worden alle kloosters opgeheven en hun bezittingen in beslag genomen. Scheiding van Kerk en staat wordt ingevoerd. Talloze Jezuïeten worden gevangengenomen en weer anderen verbannen.  De vervolging komt met name tot uiting in het verbod voor geestelijken in het openbaar de soutane te dragen. Pater Cruz vestigt zich in Lissabon in burgerkleding en bezoekt er gevangengenomen Jezuïeten. Op een nacht, wordt hij in een pastorie waarin hij samen met confraters is gevlucht, omsingeld door een gewapend detachement. Opstandelingen lopen te hoop en roepen: «Ophoepelen!» De priesters die zich niets te verwijten hebben houden zich doof voor deze aanmaningen; de eikenhouten deur blijft stevig gesloten. De mannen Gods gaan bij elkaar te biecht. Pater Cruz is niet bang, hij bidt en steekt de belegerden een riem onder het hart. Vroeg in de ochtend zijn de soldaten vertrokken, maar de opstandelingen zijn er nog steeds. Pater Cruz werpt buiten op de drempel van de pastorie een goedmoedige blik op de mannen en gaat naar de kerk en groet hen in het voorbijgaan. Ze antwoorden zachtjes en terwijl de priester de klok luidt voor de eerste Mis, gaan allen rustig uiteen.

Don Francisco da Cruz bezoekt de gevangenen van Limoeiro. Hij heeft toestemming om hen geldelijke steun te verlenen, maar heeft niet het recht het woord tot hen te richten. Wanneer hij deze regel overschrijdt wordt hij zelf een week geïnterneerd. Hij gaat vervolgens naar de Minister van Justitie, Alfonso Costa, en krijgt van hem een vrijgeleidebrief voor zijn bezoeken aan de gevangenen. Gevangenen benaderen blijft evenwel moeilijk, want velen zijn niet katholiek en varen tegen hem uit. Maar door zijn goedheid, doorzettingsvermogen en zijn schrandere initiatieven gaan de harten tenslotte open. De Pater geeft alles wat hij heeft. Hij weigert geen enkele dienst te bewijzen, schiet nooddruftige families te hulp, neemt de nodige administratieve stappen en dient gratieverzoeken in, vindt advocaten. Hij bezet vaak het ministerie van Justitie. Op een dag voegt iemand hem toe: «Door voor dergelijke mensen op te komen loopt Uwe Eerwaarde het gevaar uw reputatie te verliezen… Mijn reputatie, antwoordt hij, is het enige persoonlijke goed waarover ik beschik: als die ertoe kan dienen een ongelukkige te redden, geef ik die van ganser harte op.» Op een dag neemt hij de verdediging op zich van een gevangene die zwaar bestraft zou worden omdat hij had geprobeerd hem lastig te vallen: tot tranen toe geroerd om zoveel goedheid, vraagt de gevangene of hij mag biechten. In vier jaar is de Pater de vriend geworden op wie elke gevangene kan rekenen; er wordt op hem gewacht en hij is overal welkom. Op een dag merkt hij, in een gemeenschappelijke ruimte, dat zijn portefeuille is verdwenen. Terwijl hij zich tot niemand in het bijzonder richt, zegt hij: «Wij gaan allemaal met het gezicht naar de muur staan, jullie aan de ene en ik aan de andere kant, tussen ons in zet ik een bank, en degene die mijn portefeuille heeft gevonden wordt verzocht hem op die bank neer te leggen.» De Pater vertrekt weer met zijn portefeuille en de volledige inhoud. Vaak spreken voormalige gedetineerden hem op straat aan; ze lopen met hem mee in wijken die niet helemaal veilig zijn, “voor het geval dat”… Driehonderd gevangen zullen aanwezig zijn op zijn begrafenis.

«Jezuïet!»

Pater Cruz geeft ook blijk van zijn barmhartigheid tegenover arme straatkinderen. Daar hij niet meer de moeite neemt zijn soutane te verbergen, wordt hij op een dag belaagd door een groep opgewonden kinderen die om hem heen komen staan en hem uitschelden met het ergste woord dat ze kennen: «Jezuïet,  jezuïet!» waarna ze weer uiteengaan. Hij roept ze terug om brood voor hen te kopen. «Ik vind het fijn om jezuïet genoemd te worden», verklaart hij tegenover de boefjes die eerder honger hebben dan dat ze schrik willen aanjagen… In 1915 zet de Patriarch van Lissabon een vereniging op ter versteviging van de priesterlijke geest, en benoemt Pater Francisco tot directeur ervan. Deze geeft zijn bezielende leiding aan maandelijkse vergaderingen waar zijn confraters de oproep krijgen te horen: «Laten we werken, laten we werken zonder onderbreking! Zie satan, die rust noch overdag, noch ’s nachts! Ziehier onze missie: biecht horen en preken zo lang er trouwe toehoorders in de kerk zijn, en bidden tot we niet meer kunnen!» Hij zelf geeft het goede voorbeeld. 

Het priesterambt is van wezenlijk belang voor de Kerk bracht Paus Benedictus XVI ons in herinnering: «Als Kerk en als priesters verkondigen wij Jezus van Nazareth, Heer en Christus, gekruisigd en verrezen, meester van tijd en geschiedenis, in de vreugdevolle wetenschap dat deze waarheid samenvalt met de diepste verwachtingen van het menselijk hart… De centrale plaats van Christus brengt de juiste waardering met zich mee voor het ambtelijk priesterschap, zonder welk er geen Eucharistie, ja, geen missie en geen Kerk zou zijn. Aldus is het noodzakelijk om ervoor te waken dat “nieuwe” structuren of pastorale organisaties niet een situatie voor ogen hebben waar men het “met minder” gewijd ambt “moet doen” (ambt van diakens, priesters en bisschoppen), uitgaande van een onjuiste interpretatie van een rechtvaardige bevordering van de leken» (Toespraak voor de plenaire vergadering van de Congregatie voor de Clerus, 16 maart 2009).

In 1917 komt Sidónio Pais aan de macht. Hoewel vrijmetselaar, werkt hij toch aan de verzoening van het volk met de Kerk, maakt een eind aan de willekeurige arrestaties en stelt orde op zaken in het land. Hetzelfde jaar wachten, op de schaapsweide Cova da Iria in Fatima, dichtbij een waterput drie kinderen, die beweren de Heilige Maagd te hebben gezien. Ze hebben een afspraak met een priester die, zoals tegen hen was gezegd, in de harten kan lezen: het zou geen zin hebben tegen hem te liegen, en het is hun eigen belang hem meteen de waarheid te zeggen. «Prima dat hij kan raden, fluistert de kleine Jacinta haar nicht Lucia in het oor, dan zal hij zien dat we de waarheid spreken.» Twee geestelijken komen langzaam naar voren: een oude priester, gezeten op een ezel, stapt uit het zadel en met zijn door zijn goedmoedige glimlach stralende gezicht, vraagt Pater Cruz: «Kinderen, willen jullie mij naar de plek van de verschijningen brengen?». De zienertjes krijgen weer een beetje hoop. Aan de voet van de groene eik bidt de priester langzaam zijn rozenkrans, vervolgens stelt hij de kinderen gerust: «Weest niet bang; niet de duivel is voor jullie verschenen, maar de Heilige Maagd!» Lucia en Francisco ontspannen en Jacinta roept enthousiast uit: «U bent een vriendelijke oude man, u!» De Pater die pas achtenvijftig is, lacht van harte. Hij zal voor Jacinta voortaan «de Pater die kan raden» zijn. Wanneer men hem vraagt of hij de zon heeft zien dansen, antwoordt hij: «Nee, ik heb de zon niet zien dansen. Ik was er niet op de dag van het mirakel, maar ik heb zoveel tranen zien dansen in de ogen van zovele tot inkeer gekomen zondaren dankzij het mirakel van Fatima, dat het me niet veel uitmaakt!»

Stemmingswisselingen

Met al zijn stralende blijdschap, geeft de Pater keer op keer blijk van zijn aandacht voor de medemens. Hij heeft echter nog stemmingswisselingen en de uitbarstingen van zijn temperament brengen hem soms ertoe zich kwetsend uit te laten. Zodra hij zich er rekenschap van geeft vraagt hij om vergeving. Ondanks een broze gezondheid (in 1927, 1945 en 1947 krijgt hij ontstekingen aan de longen) en een staat van aanhoudende cerebrale vermoeidheid, blijft Pater Cruz buitengewoon actief. Zijn energie put hij uit ononderbroken gebed, en hij doorkruist het land om religieuzes en gevangenen van dienst te zijn, op zoek naar zondaren, vooral de meest verstokte. Op een dag leidt hij een echte missionaire Kruisweg in een wagon van de spoorwegen. Sommige reizigers beantwoorden de gebeden. Tijdens een andere reis bidt hij zijn rozenkrans: twee vrouwen vragen hem of hij niet moe is van altijd te bidden. «En u, dames, bent u niet moe van altijd maar babbelen?» Wanneer hij een keer ziek is laat de Pater een arts komen. Na een uur verlaat deze diep aangedaan de kamer: «Ik kwam voor een prik en ik heb mijn eerste biecht afgelegd!» Bij Pater Mateo Crowley Boevey, de onvermoeibare apostel van het Heilig Hart, kunnen we lezen: «Nadat ik de hele wereld ben doorgereisd, kan ik zonder aarzelen verklaren dat,  van de vele uitmuntende priesters die ik heb ontmoet, er geen is die zo volmaakt in overeenstemming is met het aanbiddelijke Voorbeeld, een andere Christus, als de dierbare Pater Cruz.»

«Laten we onszelf de vraag stellen wat barmhartigheid betekent voor een priester, zei Paus Franciscus, het zij me vergund te zeggen voor “ons” priesters; voor ons, voor ons allen! Priesters worden bewogen door hun lammeren, zoals Jezus toen hij vermoeide, uitgeputte mensen zag als lammeren zonder herder. Jezus heeft de “ingewanden” van God, Jesaja spreekt er veel over: hij is vol liefde voor mensen, vooral voor hen die worden uitgesloten, dat wil zeggen voor de zondaren, voor de zieken waar niemand voor zorgt… Op die manier is de priester, naar het voorbeeld van de Goede Herder, een man van barmhartigheid en compassie, dichtbij zijn volk en dienaar van allen. Een pastoraal criterium waarop ik graag de nadruk zou willen leggen: nabijheid. Nabijheid en dienstbetoon, maar nabijheid, nabij zijn!» (Toespraak voor priesters, 6 maart 2019).

«Ik heb alles al gegeven!»

Pater Cruz is overvloedig goedgeefs zonder iets voor zichzelf te bewaren. Aan het eind van een triduüm komt aan het licht dat zijn honorarium is verwisseld met de tienmaal hogere honoraria van de musici. Men vervoegt zich bij hem om de situatie recht te zetten. «Helaas, de vergissing kan niet meer hersteld worden, ik heb alles al aan de armen gegeven!» Een kapper die hem zojuist heeft geknipt, ziet hoe hij iets zoekt onder zijn schoudermantel, in zijn zwarte tas waarin door elkaar stool, superplie, wijwater, draad en naalden, papier, potlood, proviand en geld zijn opgeborgen. «Beste man, ik vrees dat ik vandaag al alles heb gegeven, ik heb niets over om jou te betalen. De Goede God zal het je vergoeden.» De kapper heeft zo zijn twijfels, maar protesteert niet. De volgende dag gaat hij naar de parochie en doet de pastoor verslag van het incident. «Ik ga je betalen, zegt deze tegen hem, ik ken Pater Cruz. – Nee, nee, zeg tegen hem dat hij altijd bij mij moet terugkomen! Nauwelijks was hij vertrokken of de klanten stroomden toe. Ik heb nog nooit zoveel geld verdiend!» Omdat hij naar Bragança moet om te preken stapt de Pater in de trein zonder vervoersbewijs. Onderweg legt hij aan de controleur uit dat hij geen geld heeft, maar wel naar het eindstation moet. De spoorwegbeambte is niet te vermurwen en verplicht hem bij het volgende station uit te stappen. Daar blijft de Pater op het perron staan, maar de trein ook: er is een onverklaarbare stoornis opgetreden. Niemand lukt het te achterhalen wat het probleem is. De controleur gaat dan naar de monteur en zegt: «Ik heb Pater Cruz weggestuurd omdat hij geen vervoersbewijs had, misschien was dat geen goed idee?» De Pater wordt verzocht weer in te stappen en de trein zet zich onmiddellijk weer in beweging!

In 1925 had Don Francisco, tijdens een bedevaart naar Rome, aan Pater Ledochowski, de generaal der Jezuïeten, gevraagd zo vriendelijk te zijn hem tot de Sociëteit van Jezus toe te laten, maar deze had geweigerd een novice van zesenzestig jaar met broze gezondheid op te nemen. Vier jaar later, echter, had de Pater generaal van Pius XI een zelden toegestane toestemming verkregen: Pater Cruz zal op zijn sterfbed zijn geloften mogen afleggen. In 1940, wanneer hij de leeftijd van eenentachtig jaar heeft bereikt, vraagt en krijgt hij van Paus Pius XII de genade zijn geloften onverwijld af te leggen want hij weet niet of hij niet plotseling zal sterven zonder die te kunnen uitspreken: het is zijn laatste grote troost. Langzaam maar zeker nemen zijn krachten af: zijn verpleegster getuigt er aldus van: «Allen waren ervan overtuigd dat hij een heilige was. Ik voelde van binnen iets ondefinieerbaars dat ik bij andere zieken nog niet had ervaren: ik probeerde altijd in hen Christus te zien, maar bij hem, zo nederig en zo eenvoudig, en geheel wegkwijnend in God, voelde ook ik in het diepst van mezelf een groot verlangen de Heer lief te hebben.» Pater Cruz sterft op 1 oktober 1948, eerste vrijdag van de maand van de Rozenkrans. Hij wordt ter aarde besteld op de dag van het feest (destijds 3 oktober) van heilige Teresia van het Kind Jezus van wie hij zoveel hield. Kardinaal Cerejeira schreef: «Heilige Pater Cruz zal een van de zuiverste luisterrijke voorbeelden van ons patriarchaat blijven. De geestelijkheid van Lissabon zal hem altijd vereren als een perfect toonbeeld van apostolische ambtsuitoefening, van priesterschap dat geheel is gewijd aan de heerlijkheid van God en het heil van de zielen. In hem zullen ze een model en een pleitbezorger zoeken en vinden.» Het zaligverklaringsproces van Pater Francisco da Cruz is geopend op 10 maart 1951. 

«De priester is een gave van het Hart van Christus: een gave voor de Kerk en voor de wereld, zei Paus Benedictus XVI. Uit het Hart van de Zoon van God, dat overloopt van liefde, wellen alle goede dingen van de Kerk op en in het bijzonder daarin ligt de oorsprong van de roeping van die mannen die, in de ban van de Heer Jezus, alles achterlaten om zich geheel en al in dienst te stellen van het christenvolk, naar het voorbeeld van de Goede Herder. De priester wordt juist gevormd door de liefde voor Christus, die liefde die hem ertoe drijft zijn leven te geven voor zijn vrienden alsook vergiffenis te schenken aan zijn vijanden. Om die reden zijn priesters de eersten om te werken aan de beschaving van de liefde.» (Toespraak tijdens het Angelus van 13 juni 2010).

Dom Antoine Marie osb

Om het Blad van de Abdij Saint-Joseph de Clairval te publiceren in een tijdschrift, blad... of on het internetsite of een website te plaatsen, is een toelating vereist. Deze dient te worden aangevraagd per E-Mail or bij https://www.clairval.com.