Brief

Blason   Abdij Saint-Joseph de Clairval

F-21150 Flavigny-sur-Ozerain

Frankrijk


Downloaden als pdf
[Cette lettre en français]
[This letter in English]
[Dieser Brief auf deutsch]
[Esta carta en español]
[Questa lettera in italiano]
5 juni 2019
feest van sint Bonifatius van Fulda


Dierbare Vriend van de Abdij Saint-Joseph de Clairval,

Vroeg in de ochtend van de 13e januari 1905 verwoest een zware aardbeving de streek Marsica, in midden Italië, terwijl in de wijde omtrek sneeuw ligt. Er vallen honderden slachtoffers. Op een ochtend, na een lange slapeloze nacht, ziet een vijftienjarige adolescent, Secondo Tranquilli, enige overlevende van zijn familie, met een van zijn broers, een priestertje in een beklagenswaardige staat, met een baard van tien dagen, rondlopen te midden van de ruïnes, omringd door een groep kinderen die geen familie meer hebben. Op dat moment komen een paar auto’s aanrijden: het is de koning die de getroffen gebieden komt bezoeken. Zodra de vorst uit de buurt is verschijnt de priester met de kinderen die hij bij elkaar heeft verzameld en laat ze in de auto’s stappen. De carabinieri verzetten zich. De koning ziet welk conflict er is ontstaan en vindt het goed dat de kinderen op deze wijze naar Rome worden gebracht om daar de nodige zorg te ontvangen. Verrast en één en al bewondering, vraagt Secondo wie deze priester is. «Een zekere don Orione, een nogal vreemde priester», antwoordt een bejaarde vrouw.

Goede benen

De priester van dit wonderbaarlijk verhaal is geboren in een nederige, arme Piemontese familie in Pontecurone in het diocees Tortone (noordwesten van Italië): de vader, Vittore Orione, die nauwelijks gelovig is, is stratenmaker, en de moeder, Carolina, zorgt voor het huishouden met een zekere hardheid, maar ook met een diep geloof. Luigi is geboren in 1872 en wordt, zoals zijn drie oudere broers streng opgevoed door zijn moeder. Twee principes wordt hun vooral ingeprent: «God is er» en «God ziet jullie». Luigi, die van zijn vriendjes de bijnaam «wilde kat» krijgt, heeft een vurig temperament. Later zal hij over zijn moeder zeggen: «Zij heeft mij gedresseerd!» Zij leert hem ook liefde voor de armoede en de armen. Op een dag komt hij kletsnat thuis, zonder de paraplu die men hem had toevertrouwd: «Ik heb hem aan een oude dakloze man gegeven, verklaart hij, omdat ik toch goede benen heb om te rennen!» Een priester, ziekenhuisaalmoezenier, die grote invloed op hem zal hebben, neemt hem graag met zich mee wanneer hij op ziekenbezoek gaat. Heel vroeg ontkiemt bij de turbulente Luigi het verlangen om priester te worden. Maar zijn vader haalt hem al gauw van school om met hem in de straten van Tortonese en Monferrato te werken. Van zijn tiende tot zijn dertiende leert de jongen het harde vak van stratenmaker, waarbij hij ervaring van de werkelijkheid opdoet door de vermoeidheid en de discipline die de handarbeid eigen is. Zijn hele leven zal don Orione zich het meest verwant voelen met de kleinsten en de arbeiders van wie hij uit ervaring weet hoe hard ze werken.

Wanneer hij een kapucijner pater heeft ontmoet vraagt Luigi om toestemming die te mogen volgen en 14 september 1885, treedt hij toe tot de Kapucijnenorde van Voghera. Maar voor het einde van het schooljaar krijgt hij een ernstige longontsteking; de arts is van mening dat hij spoedig zal sterven. De zieke wordt echter beetje bij beetje weer gezond, maar zijn superieuren zijn van oordeel dat hij niet gezond genoeg is om hun leven te kunnen leiden. In oktober 1886 treedt hij, dankzij een bevriende priester, toe tot de Salesianen in Valdocco aan de rand van Turijn. Daar vat hij een bovennatuurlijke diepe genegenheid op voor hun heilige stichter, don Bosco, die zijn biechtvader wordt. In Turijn ontdekt Luigi ook het werk van heilige Benedictus-Josephus Cottolengo (1786-1842); la Piccola casa della divina Provvidenza. Dit buitengewoon grote tehuis ter verlichting van alle mogelijke ellende (tegenwoordig een van de grootste ziekenhuizen ter wereld), dat heel bescheiden Klein Huis van de Goddelijke Voorzienigheid wordt genoemd, zal voor Luigi een bron van inspiratie worden. Maar wanneer don Bosco in 1888 het tijdelijke met het eeuwige verwisselt heeft hij groot verdriet en is radeloos: moet hij bij de Salesianen blijven of diocesaan priester worden? Hij vraagt naïef aan de Heer om drie tekenen om te weten of hij naar het seminarie moet: als eerste, dat hij geaccepteerd wordt zonder ertoe een verzoek te hebben ingediend; ten tweede, dat hij een soutane krijgt die hem als gegoten zal zitten zonder dat hem de maat is opgenomen; ten derde zijn vader die verre van praktiserend is geworden weer naar God terugkeert. Als door de voorzienigheid beschikt worden de drie verlangens werkelijkheid en op 16 oktober 1889, gaat Luigi naar het seminarie van Tortone. Dan wordt hij zich bewust van het maatschappelijk en godsdienstig oproer van zijn tijd. Hij schrijft: «Er is behoefte aan en een opperste remedie voor de genezing van de kwetsuren van dit arme, zo mooie en zo ongelukkige land: het hart en de genegenheid van het volk veroveren en de jeugd voorlichten» door hun het dogma van de Verlossing uit te leggen en hen te winnen voor de Paus. Hij belast zich met de liefdewerken van de Maatschappij voor wederzijdse steun van San Marziano en de H. Vincentius a Paulo Conferentie.

In zijn encycliek Centisimus annus spoorde Paus H. Johannes Paulus II de christenen aan hun leefmilieu te evangeliseren en de kwaden van de maatschappij te bestrijden door de maatschappijleer van de Kerk in praktijk te brengen: «De nieuwe evangelisatie, waaraan de moderne wereld dringend behoefte heeft en waarop ik meermalen heb aangedrongen, moet onder haar wezenlijke elementen de verkondiging van de sociale leer van de Kerk tellen, geschikt zijn de juiste weg aan te wijzen om te beantwoorden aan de grote uitdagingen van het huidige tijdvak, waarin de ongeloofwaardigheid van de ideologieën toeneemt. Zoals toen moet men herhalen dat er buiten het evangelie geen werkelijke oplossing voor het sociale vraagstuk is en dat anderzijds de nieuwe dingen in het evangelie hun waarheidsgehalte en de vereiste morele aanpak kunnen vinden» (Centesimus annus, 1 mei 1991, no 5).

De deur uitgezet

In 1892 sterft de vader van Luigi een vrome dood; zonder inkomsten kan deze zijn kostgeld voor het seminarie niet meer betalen. Zijn superieuren vinden dan voor hem een baan als bewaker van de kathedraal, hetgeen hem 22 lires per maand oplevert, niet genoeg om zijn studie voort te zetten. Op een ochtend ontmoet de geestelijke een jongen die huilt omdat hij tijdens de catechismusles kabaal had gemaakt en daarom een oorvijg had gekregen en de deur was uitgezet. De volgende dag komt het kind in alle vroegte terug met een paar vrienden. Luigi geeft hen catechismusles en stelt het vertrek waarin hij woont, met de nodige boeken, te hunner beschikking. Langzaam maar zeker neemt het aantal leerlingen toe: al gauw bereikt hij een vijftigtal. Maar de kanunniken van de kathedraal die dat rumoerige clubje maar hinderlijk vinden, besluiten het traktement van de bewaker van tweeëntwintig naar twaalf lires per maand te verlagen. Luigi belooft de kinderen niet meer in zijn kamer bijeen te ontvangen en zo doende wordt zijn traktement weer hersteld; voortaan zal hij de kinderen bijeenbrengen op een klein plein waar ze kunnen spelen, bidden en studeren. Wanneer hij de jongens niet meer langs ziet komen vraagt de bisschop naar de reden van die verandering. Hij laat Luigi dan bij zich komen en biedt hem zijn eigen tuin aan. Zo ontstaat, op 3 juli 1892, het Oratorium San Luigi.

Van deze jongeren willen er meerderen priester worden, maar zij kunnen het kostgeld voor het seminarie niet betalen; don Luigi krijgt van de bisschop toestemming een college voor hen op te richten. «De roepingen van arme kinderen tot het priesterschap zijn, na de liefde voor de Paus en de Kerk, mijn dierbaarste streven, de heilige liefde van mijn leven», zal hij op een dag zeggen. Hij gaat op zoek naar een plek; onderweg ontmoet hij een leerling van de Salesianen die hem vraagt: «Don Luigi, waar gaat u met zo’n gezwinde pas naartoe – Ik moet heel snel een college openen! – Dan schrijf ik me in, antwoordt de leerling enthousiast. Maar waar moet ik me inschrijven? – Ik ben juist op zoek naar een plek.» De vader van de jongen beschikt net over een huis dat hij probeert te verhuren voor 400 lires. Luigi schrikt even van het bedrag: zoveel heeft hij niet, maar vertrouwend op de Voorzienigheid sluit hij toch het contract af. Op straat stelt een dame die hij kent hem de vraag: «Don Orione, wat een verrassing! Wat doet u nou hier? – Ik wil een college openen… – Dan verzoek ik u mijn neef op te nemen. Hoeveel schoolgeld vraagt u voor hem? – O, heel weinig, wat u wilt… – Als ik u 400 lires geef, hoe lang houdt u hem dan? – De duur van de gehele studie!», antwoordt hij met humor, maar niet onaangedaan. De vrouw overhandigt hem meteen de som. Kort daarna wordt Luigi bij de bisschop geroepen: «Ik trek mijn zegen terug, zegt de prelaat tegen hem, ik wil niets meer horen over je college.» Perplex antwoord Luigi eerbiedig: «Monseigneur, wat spijt me dat! Want alles was zo goed geregeld…» En hij legt in alle eenvoud uit wat er is gebeurd. De bisschop is op zijn beurt stomverbaasd en komt terug op zijn beslissing: «Vooruit, op je knieën, ik geef je mijn zegen terug!» Zo opent don Luigi, op 16 oktober 1893, wanneer hij nog seminarist is, een college dat dienst zal doen als klein seminarie voor de roepingen van arme kinderen in de wijk San Bernardino. Hij krijgt heel wat laster over zich heen, maar zijn bisschop steunt hem en geeft hem toestemming in alle kerken van het bisdom te preken ten gunste van zijn werk.

Brood, vrede, paradijs

Op 13 april 1895 wordt Luigi priester gewijd. Hij draagt zijn eerste Mis op te midden van zijn jongeren en overhandigt, met speciale toestemming van de bisschop, aan zes leerlingen van zijn college het klerikale habijt, pril begin van de congregatie waarvan hij de grondlegger wordt, het Kleine Werk van de goddelijke Voorzienigheid. Tijdens zijn eerste Mis heeft hij de Heer gevraagd om drie genaden voor hen die belangstelling voor hem en zijn werk zouden tonen: «Brood, vrede en het paradijs». Luigi herkent in zichzelf dezelfde dorst als Jezus had om de zielen te verlossen. Hij kent het gevaar dat zijn tijdgenoten lopen voor eeuwig verdoemd te worden; zijn religieuzen houdt hij herhaaldelijk voor: «Altijd redden, iedereen redden; redden op gevaar af van welk offer dan ook, met verlossende passie en verlossende zelfopoffering». Hij richt tot de Heer dit gebed: «Kom, o Heer Jezus! Verrijs in alle harten, in alle gezinnen Luister naar de angstkreet van de menigten die opstijgt naar U, o Heer. Zij behoren U toe, zij zijn uw verovering, o Jezus, mijn God die ik bemin!»

Weldra wordt don Orione verzocht nieuwe huizen in Italië en op Sicilië te openen. Op den duur bestrijken de apostolische activiteiten van zijn Klein Liefdewerk een steeds groter gebied. In het begin ging het om de opvang van in de steek gelaten kinderen, oprichting van colleges voor jongeren zonder geldelijke middelen, maar al snel komen daar nog instituten voor weeskinderen, mensen die aan zichzelf zijn overgelaten, ambachtslieden, verzorgingstehuizen en armenhuizen, «dorpen van liefdewerk», «naschoolse werken», leprozenhuizen, dienstverlening aan parochies en heiligdommen, missionair apostolaat bij… Er ontstaat in zijn congregatie dringend behoefte aan opleidingscentra. Op 21 maart 1903 kent de bisschop van Tortone canonieke erkenning toe aan de religieuzen van het Klein Liefdewerk, de Zonen van de Goddelijke Voorzienigheid genoemd. Deze hebben als missie «de kleinen, de armen en het volk naar de Kerk en naar de Paus te brengen door middel van werken van liefde». Zij leggen een vierde gelofte van «trouw aan de Paus» af. Bovendien staat in de eerste constituties van 1904 aangegeven dat een van de doelstellingen van de congregatie het werken aan en het verkrijgen van eenwording der gescheiden Kerken is. Zoals bij een «unieke jonge plant met meerdere takken», voegt men aan de priesters Broeders medewerkers toe en vervolgens, in de loop der jaren, kluizenaars waarvan er sommigen blind zijn, de Kleine Missiezusters van Liefde, en de Zusters Sacramentinen, religieuzes die voor de altijddurende aanbidding van de Heer in het Heilig Sacrament en het gebed bestemd zijn waarop vervolgens de Contemplatie Zusters van de gekruisigde Jezus worden geënt. Voor de leken organiseert don Luigi de verenigingen van de Vrouwen van de Goddelijke Voorzienigheid, van Oud-leerlingen en Vrienden. Zo krijgen het seculiere Instituut don Orione en de Lekenbeweging don Orione vorm.

Sympathie voor de arbeiders

Luigi Orione houdt zich zoveel mogelijk beschikbaar voor hen die hem willen spreken. Zijn uitzonderlijk goede geheugen maakt het hem mogelijk niemand te vergeten. Hij is speels, bezit veel humor, hij houdt ook van muziek en van de poëzie van Dante en Manzoni, de twee grote katholieke schrijvers van Italië. Hij leest veelvuldig heiligenlevens en wil dat in al zijn huizen de Bijbel, de Summa van H. Thomas van Aquino en De navolging van Jezus Christus een ereplaats krijgen. Vervuld als hij is van een grote liefde voor de Kerk en voor het heil der zielen, stelt hij een levendig belang in de grote problemen van zijn tijd, zoals de vrijheid van de Kerk, het wereldlijk gezag van de Pausen, het socialisme, de evangelisatie van de arbeidersmassa’s. Doordat hij zo goed is doet hij zijn best om priesters die door de dwalingen van hun tijd zijn beïnvloed weer op het pad van de waarheid te brengen. Het stratenmakerswerk heeft in zijn ziel een scherp gevoel voor gerechtigheid gegrift die in opstand komt tegen de uitbuiting van de arbeiders.

Don Orione heeft het talent een wijze helderziendheid te combineren met de naaste dienstbaar zijn ter bevordering van de menselijke waardigheid. Na de eerste wereldoorlog richt hij de ene school na het andere college, de ene landbouwkolonie na het andere liefdewerk en hulpverleningsinstantie op. Luigi organiseert met name Kleine Cottolengo, speciaal in Genua en in Milaan. Deze instellingen die zijn bedoeld voor de meest noodlijdenden en verwaarloosde mensen, worden gebouwd rondom de grote steden. Als even zovele «nieuwe preekgestoelten» van waaraf over Christus en de Kerk wordt gesproken zijn zij «lichtbakens van geloof en beschaving». «Aan degene die bij ons binnenkomt, zo zegt hij, wordt niet gevraagd of hij een naam heeft, maar alleen of hij ergens pijn heeft.» Hij heeft als lijfspreuk «Caritas Christi urget nos» (De liefde van Christus laat ons geen rust! 2 Cor 5,14) aangenomen. Daar levert hij het volgende commentaar op: «Ik wil van liefde voor God en de naaste, maar vooral voor de armen en de verwaarloosden verteren. Ik wil verborgen zitten in het Hart van de gekruisigde Jezus, maar de wegen en pleinen opgaan met het vuur van de naastenliefde.»

Het antwoord

In zijn boodschap voor de eerste Dag van de Armen, schrijft Paus Franciscus: «Kinderen, laten we niet met woorden noch met leuzen, maar met daden en in waarheid liefhebben (1 Joh 3,18). Deze woorden van de apostel Johannes drukken een voorschrift uit waar geen enkele christen omheen kan… Voor de liefde bestaat geen excuus: degene die wil liefhebben zoals Jezus heeft liefgehad moet zijn voorbeeld tot het zijne maken; vooral wanneer men geroepen is de armen lief te hebben. De wijze van liefhebben van de Zoon van God is overigens wel bekend en Johannes herinnert ons eraan in duidelijke bewoordingen. Zij berust op twee hoekstenen: God heeft als eerste liefgehad (cf. 1 Joh 4,10,19); en hij heeft liefgehad door zich geheel en al weg te geven, met inbegrip van zijn eigen leven cf.1 Joh 3,16). Een dergelijke grote liefde kan niet onbeantwoord blijven. Wij zijn bijgevolg geroepen onze hand uit te steken naar de armen, ze te ontmoeten, ze in de ogen te kijken, ze te omhelzen, om hen de warmte van de liefde te laten voelen die de kringloop van de eenzaamheid doorbreekt. Hun naar ons uitgestrekte hand is ook een uitnodiging om uit onze zekerheden en ons comfort te stappen, en de waarde te erkennen die de armoede eigen is… Armoede is een houding van het hart die ons belet te denken aan geld, carrière en weelde als levensdoel en voorwaarde voor ons geluk. Armoede schept juist eerder de voorwaarden om de persoonlijke en maatschappelijke verantwoordelijkheden te aanvaarden, ondanks de beperkingen van eenieder, maar rekenend op de nabijheid van God en gesteund door zijn genade. Aldus begrepen armoede is de maat ter beoordeling van het juiste gebruik van materiële goederen en eveneens om op niet zelfzuchtige en bezitterige wijze onze banden met en genegenheid voor anderen te beleven» (19 november 2017).

Het oog gericht op de liefde voor de gekruisigde en verrezen Jezus, zet don Orione zich op heldhaftige wijze in bij natuurrampen zoals aardbevingen die zich vaak voordoen in het midden en zuiden van Italië: hij komt de getroffen bevolking van Reggio, Messina en Marsica te hulp. Hij is de vastbesloten en efficiënte hoofdrolspeler bij het bieden van de eerste hulp en de wederopbouw die volgt op bevingen die te boek staan als de ergste die Italië heeft gekend in de jaren 1900. Maar zijn priesterlijke ijver, die reeds aan het licht is getreden door de religieuzen die hij heeft uitgezonden naar Brazilië, strekt zich vervolgens uit tot Argentinië en Uruguay, Palestina, Polen, Rhodos, Verenigde Staten, Engeland en Albanië. Zelf legt hij van 1921 tot 1922 en van 1934 tot 1937 twee missionaire reizen af naar Latijns-Amerika tot in Chili.

Het werk van don Orione berust op een intens innerlijk leven. «Zonder gebed kom je tot niets goeds», is hij gewoon op te merken. «De werken van God worden gedaan met gevouwen handen en op de knieën. Zelfs wanneer je “rent” moet je spiritueel voor Hem op de knieën blijven zitten.» De Pausen van zijn tijd hebben persoonlijk grote achting voor hem en vertrouwen hem talrijke missies toe. Er wordt beroep op hem gedaan om delicate problemen, evenzeer ten aanzien van de burgermaatschappij als binnen de Kerk zelf, op te lossen. Omdat heilige Pius X het wilde, wordt hij voor drie jaar benoemd tot vicaris-generaal van het bisdom Messina. Hij is niet alleen een erkende predikheer, een biechtvader die altijd beschikbaar is, maar zijn onvermoeibare ijver komt ook tot uiting in de organisatie van missies, bedevaarten, processies of ander blijken van volkse godsvrucht zoals de levende kerststallen.

Niets zonder haar

Als leerling van heilige don Bosco, leeft Luigi in de intimiteit van de Maagd Maria, zoals een kind met zijn moeder, dat niets onderneemt zonder haar ervan in kennis te hebben gesteld in het gebed. Uit haar put hij zijn ijver voor het goede voor zijn naaste: «O Heilige Maagd; U roep ik aan! U behoor ik toe, u bemin ik! Draag mij, O Heilige Maagd, te midden van de menigten, op de pleinen en in de straten; help mij de wezen en de armen op te vangen. Gegroet, o aller zuiverste, onbevlekte Moeder van God. Gegroet, Moeder van Barmhartigheid!» Hij moedigt met alle mogelijke middelen de verering van de Heilige Maagd aan. Dankzij de handenarbeid van de seminaristen richt hij de heiligdommen Onze-Lieve-Vrouw van de Wacht in Tortone, en Onze-Lieve-Vrouw van Caravaggio in Fumo (Noord Italië) op. Maar in zijn ogen moet Maria vooral hem zelf en zijn medewerkers inspireren de geest van de naaste volledig toegewijd te zijn: «Geef ons, Maria, zo vraagt hij, een grote ziel, een grootmoedig hart dat open staat voor alle smart en tranen. Maak dat wij werkelijk worden wat u wil: priesters van de armen. Moge ons hele leven gewijd zijn aan het doorgeven van Christus aan het volk, en het volk aan de Kerk van Christus!»

Op 8 maart 1940, uitgeput van vermoeidheid doordat hij zich steeds maar weer heeft gegeven zonder met zichzelf rekening te houden, wordt hij door de artsen gedwongen zijn dierbare stad Tortone te verlaten om te gaan uitrusten in San Remo, aan de Middellandse Zee: «Ik wil niet leven en sterven te midden van de palmbomen, protesteert hij, maar te midden van de armen die Jezus Christus zijn voor mij!». Er wordt niet naar hem geluisterd, want men hoopt op een verbetering van zijn gezondheid. Maar het uur van de eeuwigheidsbeloning heeft geslagen en op 12 maart 1940 slaapt hij ‘s avonds vredig in terwijl hij deze woorden mompelt: «Ik ga weg! Jezus! Jezus! Ik kom naar u toe!»

De adolescent die don Luigi kinderen uit de puinhopen van de aardbeving van Marsica had zien opnemen en die hem vervolgens goed heeft gekend, zal verklaren: «Wat het meest in hem indruk op mij heeft gemaakt is de kalme beminnelijkheid in zijn blik. De lichtheid van zijn ogen straalde de goedheid en helderziendheid uit als die je wel aantreft bij oude boerinnen die geduldig allerlei beproevingen hebben ondergaan en die daardoor de heimelijkste smarten begrijpen of voorvoelen. Op sommige momenten had ik de indruk dat hij duidelijker in mij kon zien dan ik zelf; maar dat was geen onaangename gewaarwording.»

Tijdens zijn eerste opgraving, in 1965, is het lichaam van don Orione in ongeschonden staat teruggevonden. De zaligverklaring van deze priester door heilige Johannes Paulus II op 26 oktober 1980 heeft een stroom van bedevaartgangers op gang gebracht die in Tortone komen neerknielen en bidden aan de voet van de schrijn waarin zijn lichaam een ereplaats heeft gevonden, in het heiligdom Onze-Lieve-Vrouw van de Wacht. Tijdens zijn heiligverklaring op 16 mei 2004 verklaarde dezelfde Paus: «Zijn getuigenis is tot op vandaag nog levend. De wereld die al te vaak wordt overheerst door onverschilligheid en geweld, heeft behoefte aan mensen zoals hij die de met egoïsme en haat gevulde sporen in de aarde opvullen met liefde». Tegenwoordig telt het Klein Liefdewerk van de goddelijke Voorzienigheid meer dan 1000 religieuzen, 950 zusters en ongeveer 200 godgewijde personen in het seculiere orionse Instituut. De orionse Familie is verspreid over vier werelddelen en in vierendertig landen.

«Luigi Orione, zo zei Paus Johannes Paulus II, heeft zich altijd en alleen door de logica van de liefde laten leiden!… Hij had het kaliber en het hart van de Apostel Paulus». Laten wij deze heilige vragen ons mee te trekken in zijn spoor van bovennatuurlijke liefde voor de naaste en ijver voor het heil der zielen.

Dom Antoine Marie osb

Om het Blad van de Abdij Saint-Joseph de Clairval te publiceren in een tijdschrift, blad... of on het internetsite of een website te plaatsen, is een toelating vereist. Deze dient te worden aangevraagd per E-Mail or bij https://www.clairval.com.