Lettera

Blason   Abbazia San Giuseppe di Clairval

F-21150 Flavigny-sur-Ozerain

Francia


Scaricare come pdf
[Cette lettre en français]
[This letter in English]
[Dieser Brief auf deutsch]
[Esta carta en español]
22 febbraio 2021
feest van Cathedra van de H. Apostel Petrus


Carissimo Amico dell’Abbazia di San Giuseppe,

«Heilige Carolus! Hoeveel malen heb ik neergeknield voor zijn relieken in de kathedraal van Milaan! bekende Paus heilige Johannes Paulus II op 4 november, kort na zijn verkiezing om op de Zetel van Petrus plaats te nemen. Hoeveel malen heb ik teruggedacht aan zijn leven, voor mijn geestesoog de reusachtige gestalte van deze man Gods en dienaar van de Kerk aanschouwd: Carolus Borromeus, kardinaal, aartsbisschop van Milaan en man van het concilie! Hij is een van de belangrijke hoofdrolspelers in de hervorming van de Kerk in de XVIe eeuw, uitgewerkt door het concilie van Trente, dat voor altijd verbonden zal zijn aan zijn naam. Hij is eveneens een van de initiatiefnemers geweest van de instelling van kerkelijke seminaries die in hun kern weer volledig bevestigd zijn door het Vaticaans Concilie II. Hij was bovendien een dienaar der zielen die zich nooit door angst liet overmannen: dienaar van hen die lijden, van zieken, van ter-dood-veroordeelden. Mijn Leermeester!»

Carolus Borromeus is op 2 oktober 1538 geboren op kasteel Arona in Noord-Italië, in de provincie Lombardije. Zijn vader, graaf Gilberto Borromeus, bestuurder van de streek rondom het Lago Maggiore, was getrouwd met Margarita de Medici, oudste zuster van de toekomstige Paus Pius IV. Carolus is het tweede van zes kinderen. Zijn moeder sterft in 1547, wanneer Carolus negen jaar is; zijn vader hertrouwt. Dankzij gunstige bancaire- en andere handelszaken is het familiefortuin aanzienlijk toegenomen. Op twaalfjarige leeftijd wordt Carolus, als jongste zoon, bestemd om priester te worden en ontvangt hij de tonsuur. Hij wordt dan door zijn vader naar Milaan gestuurd om er Latijn te studeren bij een uitstekende leermeester. In 1552 zet hij zijn studie voort in Pavia onder de leiding van Francesco Alciato, die later kardinaal zal worden. Zijn vader kent hem slechts een bescheiden maandgeld toe en soms kost het hem moeite in zijn levensonderhoud te voorzien, zo zeer dat zijn dienaren niet altijd behoorlijk gekleed zijn. Carolus lijdt zeer onder deze vernederende toestand, maar niets in zijn brieven verraadt ongeduld of weerspannigheid.

In 1558 begeeft Carolus zich naar Milaan om er zijn oom, kardinaal de Medici, te ontmoeten. Maar een paar weken daarna moet hij naar Arona terugkeren voor de begrafenis van zijn vader. Carolus is negentien jaar en, hoewel hij niet de oudste van de jongens is, vraagt zijn hele familie dat hij de handelszaken van de familie ter hand neemt. Ondanks talloze onderbrekingen lukt het hem, dankzij zijn inzet en zijn ernst, zijn studie in 1559 te voltooien met een doctoraat in utroque jure, dit wil zeggen in twee rechten, het canoniek- en het burgerlijk recht. In de zomer van datzelfde jaar sterft Paus Paulus IV (Gian Pietro Carafa). Het conclaaf dat dan wordt geopend duurt vier maanden en, in december 1559, wordt kardinaal Giovanni Angelo de Medici, oom van Carolus, tot Paus gekozen; hij neemt de naam Pius IV aan.

Geleid door de Goede Herder

Op 3 januari 1560 vraagt Pius IV aan Carolus onmiddellijk naar hem in Rome te komen. Een tiental dagen na zijn verkiezing had de nieuwe Paus aan zijn neef reeds het bestuur over de pauselijke staten toevertrouwd. Op 31 januari creëert hij hem tot kardinaal. Carolus vraagt om geen openbare feestelijkheden in Milaan te organiseren om zijn toetreding tot het kardinaalschap te vieren. Hij wil alleen dat er in Arona tien missen worden opgedragen ter ere van de Heilige Geest. Vervolgens wordt hij benoemd in het aartsbisdom Milaan, eerst als apostolisch administrator, vervolgens als titularis. Daar hij geen van de gewijde ordes heeft ontvangen zal hij de administratie van het bisdom moeten toevertrouwen aan een bisschop van zijn keuze. «Terwijl hij nog jong was, zo zal heilige Johannes Paulus II zeggen, werd Carolus Borromeus tot kardinaal van de heilige Roomse Kerk en aartsbisschop van Milaan benoemd; hij was geroepen herder van de Kerk te worden omdat hij zich liet leiden door de Goede Herder. Zo droeg hij zorg voor zijn Kerk door deel te nemen aan het onpeilbare mysterie van Christus, eeuwige en enige Herder van de onsterfelijke zielen, die de eeuwen en generaties omvat en haar het licht van de “toekomstige eeuw” instort» (4 november 1984). Vervolgens zal kardinaal Borromeus ook benoemd worden tot pauselijk legaat in verschillende regio’s van Italië, evenals beschermer bij de Heilige Stoel van meerdere landen en religieuze ordes. Bovendien vervult hij als “kardinaal en neef” de taak van Staatssecretaris van de Paus. Het nepotisme van Pius IV (begunstiging van zijn neef) is overduidelijk; maar de Voorzienigheid zal ervoor zorgen dat er uit dit kwaad ook iets goeds voortkomt: Carolus Borromeus, pas tweeëntwintig jaar oud, zal zich met hart en ziel gaan inzetten voor de Kerk.

Vasthoudendheid en geduldige diplomatie

Carolus zet het beheer van de zaken van zijn familie voort zonder dat zijn studie eronder lijdt. Hij vindt ook de tijd om zich over te geven aan gezond vermaak: hij speelt luit en cello en beoefent een destijds in de mode zijnde balspel. Hij sticht een letterkundige academie waarvan meerdere werken bewaard zijn gebleven onder de titel “Vaticaanse nachten”. In 1561 vestigt hij met eigen geld een college in Pavia: deze instelling is de eerste die de aanbevelingen in zake de seminaries van het Concilie van Trente opvolgt. Bijeen geroepen in 1537 door Paulus III, maar pas in 1545 in Trente geopend, werd dit concilie meerdere malen onderbroken om politieke redenen. Paus Paulus III was voornemens een algehele hervorming van de Kerk door te voeren, met name in het kader van de protestantse Hervorming die de grondvesten van het geloof zelf aantastte en misstanden in het leven van de Kerk aanklaagde. De catastrofale situatie in de katholieke wereld maakt het noodzakelijk het concilie te hervatten, maar er waren veel obstakels, in het bijzonder van de kant van de vorsten Maximiliaan van Oostenrijk, Philips II van Spanje en vooral van de koning van Frankrijk, Karel IX. Een van de eerste grote werken van kardinaal Borromeus is het opheffen van die obstakels. Met zijn inzet voor het welzijn van het christendom, zijn vasthoudendheid en zijn geduldige diplomatie bereikt hij uiteindelijk dat de sessies van het concilie hervat worden op 18 januari 1562. De briefwisseling van Carolus Borromeus, die in Rome is gebleven, met de legaten van de Paus op het concilie is aanzienlijk: het komt er bijna op neer dat hij op een afstand de debatten leidde. Ondanks grote moeilijkheden, deels te wijten aan onverenigbare eisen van de verschillende partijen, kan het concilie op 4 december 1563 afgesloten worden, achttien jaar na de opening in Trente, en wordt aan de Heilige Stoel de zorg overgelaten de hervorming van het brevier en het Missaal, het schrijven van een catechismus ten dienste van de zielenherders en de herziening van de Latijnse tekst van de Bijbel door te voeren.

Op 26 januari 1564 bevestigt Pius IV plechtig de decreten van de conciliaire vergadering, tot grote opluchting van de hele christelijke wereld. De Kerkvorst benoemt dan een commissie van drie kardinalen om te waken over de toepassing van de decreten van het concilie, onder toezicht van de kardinaal en neef. «De Paus zelf kent de verdienste van de gelukkige afloop van het concilie toe aan heilige Carolus, te meer daar hij, alvorens de eerste bewerker te zijn van de toepassing ervan, hij het hardst voor dit concilie geijverd had. Het staat buiten kijf dat dit werk zonder al zijn inspanningen en waakzaamheid niet zou zijn voltooid», zo zal heilige Pius X verklaren in de encycliek Editae saepe van 26 mei 1910. Terwijl hij de nadruk legt op het innerlijk leven van Carolus Borromeus zal deze Paus eraan toevoegen dat «de wonderbare werken van God rijpen in de stilte van de aan gebed en gehoorzaamheid gewijde ziel, en in die manier van voorbereiding liggen de kiemcellen van de toekomstige apostolische vruchten, zoals de oogst in de zaden».

In tussentijd is de broer van Carolus, pas zeventwintig jaar, overleden. Nu hij het hoofd van de familie is geworden bevindt Carolus zich in een paradoxale situatie: hoewel hij het invloedrijkst lid van de pauselijke Curie is, heeft hij nog altijd geen gewijde Orde ontvangen: hij zou dus, als hij zijn kardinaalstitel zou opgeven, terug kunnen keren in de wereld en trouwen en een leven in weelde kunnen leiden. Meerdere mensen sporen hem aan in die richting, voor het welzijn van de familie en het hertogdom Milaan. De Paus zelf, zijn oom, staat niet vijandig tegenover deze eventualiteit, voor de tijd die zal volgen op zijn dood waarvan hij denkt dat die niet lang meer op zich zal laten wachten. Maar tegen deze raadgevingen in, neemt Carolus het ferme besluit zich geheel en al aan de Heer en aan de Kerk te geven. Hij bereidt zich voor op de gewijde Ordes en intensiveert zijn gebedsleven. Wanneer hij tot priester wordt gewijd door kardinaal Federico Cesi in de basiliek Santa Maria Maggiore, op 17 juli 1563, verklaart hij tegenover de Heilige Vader, enigszins ontstemd over de ceremonie: «Weest u niet teleurgesteld, want ik heb de echtgenote gekozen die ik al heel lang wilde.» Op 7 december wordt hij bisschop gewijd in de Sixtijnse kapel.

Het verlangen zich terug te trekken

Door de taak waarmee hij is belast, is Carolus het aan zichzelf verplicht dicht bij de Paus te blijven; hij hoedt zich er echter voor zijn bisdom Milaan te vergeten dat hij achtereenvolgens aan meerdere bisschoppen toevertrouwt om het volgens zijn aanwijzingen te leiden. In 1565 gaat hij naar Milaan en roept een provinciaal concilie bijeen waarover hij persoonlijk de leiding neemt (de provincie omvatte destijds zestien bisdommen). Maar in die tijd ontstaat het verlangen zich uit alle zaken terug te trekken om in een klooster te gaan leven. Eerwaardige Bartolomeu de Braga (dominicaan, aartsbisschop van Braga, in Portugal), die hij beschouwt als een “vriend van God”, slaagt erin hem van dit voornemen af te brengen en ervan te overtuigen dat hij precies op de plaats zit waar God hem wil hebben. De volgende jaren in Rome worden vooral in beslag genomen met de voorbereiding van de vernieuwingen van het Missaal en het Brevier, evenals met het schrijven van de door de Concilievaders gevraagde catechismus. Carolus is ook lid van een commissie die is belast met de herziening van de kerkmuziek.

Wanneer het bericht hem bereikt dat de Paus, zijn oom, ziek is, snelt hij naar zijn ziekbed; maar de toestand van de Heilige Vader is hopeloos. Geholpen door heilige Felipe Neri, doet Carolus zijn best hem op de dood voor te bereiden. Deze treedt in op 10 december 1565. Op 7 januari 1566 kiest het conclaaf kardinaal Michele Ghislieri. Carolus speelde in deze verkiezing een rol van de eerste orde en op zijn voorstel neemt de nieuw Kerkvader de naam Pius V aan. De nieuwe Paus geeft te kennen Carolus graag bij zich te houden; maar na de maatregelen te hebben genomen die het bestuur van de Romeinse Curie zeker stellen krijgt kardinaal Borromeus uiteindelijk de toestemming in zijn diocees te wonen om er persoonlijk leiding aan te geven.

«Evenals nu het ambt blijft voortduren, dat de Heer aan Petrus, de eerste der Apostelen, afzonderlijk had geschonken en dat deze aan zijn opvolgers moet overdragen, zo blijft ook het ambt van de Apostelen als herders van de Kerk voortduren in de bestendige ambtsuitoefening van de gewijde orde der Bisschoppen… De Bisschopswijding nu geeft samen met de heiligingsmacht, ook het leergezag en de bestuursmacht, die nochtans uiteraard alleen in de hiërarchische gemeenschap met het Hoofd en de leden van het College kunnen worden uitgeoefend» (Constitutie Lumen gentium, n° 20 en 21).

«De handoplegging en de wijdingswoorden verlenen de genade van de heilige Geest en drukken een heilig merkteken in, en wel zo dat de bisschoppen op eminente en zichtbare wijze de rol van Christus zelf, als leraar, herder en hogepriester, vervullen en in zijn persoon optreden (in Eius persona agant)… Voor de bisschop is dit allereerst een genade van kracht (de Geest van leiderschap): de genade om zijn Kerk met kracht en wijsheid te leiden en te verdedigen, als een vader en herder, met onbaatzuchtige liefde voor allen en een voorliefde voor armen, zieken en noodlijdenden. Deze genade zet hem aan, het evangelie te verkondigen aan allen, het voorbeeld te zijn voor zijn kudde, haar voor te gaan op de weg naar de heiligheid door zich in de Eucharistie te vereenzelvigen met Christus, priester en slachtoffer, zonder te vrezen dat hij zijn leven moet geven voor zijn schapen» (CKK, n° 1558 en 1586).

Het voogdijschap van Maria

Carolus begint met een bedevaart naar Loreto om zijn bisschoppelijke ambtsuitoefening onder voogdijschap van Maria te plaatsen, vervolgens maakt hij zijn intrede in Milaan op 5 april 1566. Dan zet hij zich aan het werk met het hervormen van zijn uitgestrekt diocees. Hij begint met zichzelf en zijn bisschoppelijk paleis: hij geeft een groot deel van zijn persoonlijke bezittingen aan de armen en ziet erop toe in eenvoud te leven. Carolus lengte ligt ver boven het gemiddelde en hij is tamelijk zwaarlijvig. Toch doet hij veel aan versterving waarbij hij God vraagt zijn zonden en die van zijn diocesanen te vergeven. De onthoudingen die hij zich oplegt bestaan uit het zich ontzeggen van ieder voedsel buiten die ene maaltijd die, naar oud kerkelijk gebruik, aan het eind van de namiddag, na de Vespers, wordt genuttigd; volgens de aanbevelingen van H. Augustinus en H. Ambrosius is hetgeen op tafel wordt uitgespaard bestemd voor de behoeftige armen. Hij draagt eveneens zorg voor de gevangenen. 

Kardinaal Borromeus kiest met grote zorg de priesters uit die hij benoemt voor de verschillende taken binnen het diocees. Zijn vicaris-generaal is een man van grote wetenschap, met name in de Rechten, en voorbeeldig qua levenswijze. Het beheer van Justitie wordt toevertrouwd aan rechters die naar behoren worden beloond ten einde iedere verleiding tot omkoopbaarheid te voorkomen. Hij hervormt het kapittel van de kathedraal en voorziet in een vorming in de leer van zijn kanunniken die hij graag vaak in de biechtstoel ziet. In 1577 spoort hij hen aan het gemeenschapsleven te hervatten en gezamenlijk heel het Officie te bidden. Door zijn diplomatiek optreden en zijn goedheid krijgt hij het voor elkaar dat zijn hervormingen goed worden ontvangen. Paus heilige Pius V zal hem er in het bijzonder voor prijzen Van het diocesaan seminarie maakt hij een toonbeeld van conformiteit aan de decreten van het Concilie van Trente.

Zijn zorgen gelden eveneens de confraters van de Christelijke Geloofsleer met het oog op goed catechismusonderwijs van de kinderen. Zijn voorbeeld vindt weerklank in veel andere diocesen. Tot vijfmaal toe bezoekt hij het hele diocees waarbij hij soms te voet de weg aflegt naar bepaalde plekken in de bergen die bijna ontoegankelijk zijn. In 1567 begint hij aan zijn bezoek aan de drie valleien van de Valtellina die onder zijn rechterlijke bevoegdheid vallen maar heel afgelegen zijn. Daar moet alles worden hervormd. De geestelijkheid leidt een werelds, zelfs aanstootgevend leven waarin de herderlijke plichten nog maar weinig aandacht krijgen. De zeden van het volk komen overeen met dit slechte voorbeeld. Het bisschoppelijk bezoek werpt veel vruchten af en door de geestelijkheid als door de gelovigen waait een nieuwe wind. In een ander deel van het diocees is Mgr. Borromeus het voorwerp van een gewapende aanval door dienaren van een kapittel van kanunniken die beweren niets met zijn rechterlijke bevoegdheid en dus ook niet met zijn herderlijk bezoek te maken te hebben: het kruis dat voor hem uit wordt gedragen wordt door kogels geraakt, maar hij blijft ongeschonden.

Een pistoolschot

Carolus Borromeus is ook de bemoedigende kracht achter de stichting van verscheidene broederschappen die de armen en de zondaren te hulp willen komen. Hij sticht zelf de Oblaten van H. Ambrosius, een vereniging van seculiere priesters die hem in zijn ambtsuitoefening moeten ondersteunen. Hetzelfde idee is nu overgenomen onder de naam “Priesterlijke Broederschap van de Missionarissen van Heilige Carolus”, opgericht in 1995 door don Massimo Camisasca. In de loop van zijn episcopaat houdt de kardinaal verscheidene, zowel diocesane als provinciale synodes. Die bijeenkomsten duren ongeveer drie dagen. Iedere werkdag wordt door Carolus met een rede geopend en afgesloten.  Hij maakt van die dagen gebruik om zoveel mogelijk contacten op te bouwen met zijn priesters en zijn bisschoppelijke confraters. Vanaf 1567 zet hij zich op verzoek van de Paus in voor het herstel van de reguliere discipline van de Orde van de “Vernederden”. Sommige Broeders accepteren de maatregelen die hij neemt, maar anderen verzetten zich en beramen zelfs een aanslag op hem. In oktober 1569 lost een Broeder, terwijl de aartsbisschop een officie zingt, een pistoolschot op hem. Carolus denkt ernstig geraakt te zijn, maar hij gebaart dat het officie door moet gaan. Wanneer het is beëindigd ontdekt men dat de kogel wonderbaarlijk op zijn huid is afgeketst. Ondanks zijn tussenkomst bij de gouverneur van Milaan worden vier van de samenzweerders aangehouden, veroordeeld en ter dood gebracht. In 1571 zal de Orde van de Umiliati (Vernederden) door Paus heilige Pius V worden opgeheven. 

De akkerbouwoogsten van 1570 zijn catastrofaal; in de daaropvolgende winter heerst er hongersnood in het land. Carolus is niets te veel om de armen te eten te geven, op bepaalde dagen voorziet hij zelfs in de behoeften van drieduizend armen. Zijn voorbeeld wordt opgevolgd door andere rijke en machtige personen, onder wie de gouverneur van Milaan, de hertog van Albuquerque. Datzelfde jaar profiteert Carolus van de «gebedskruistocht» die op verzoek van de Paus heilige Pius V was georganiseerd tegen het Turkse gevaar, om zijn volk aan te moedigen tot inkeer te komen en boete te doen, en hij spoort zichzelf en zijn priesters aan met de woorden: «Weet dat het uur om uit de slaap te ontwaken reeds is aangebroken! (Rom 13,11). Ook tot ons, priesters van Jezus Christus die gehouden zijn over de anderen te waken, is de aansporing van de Apostel gericht. Wij zijn de schildwachten die God ter bewaking van zijn volk heeft aangesteld: wee ons als wij ons aan de slaap overgeven! De Heer heeft ons gewaarschuwd: Als de wachter het gevaar ziet aankomen en niet op de bazuin blaast, dan wordt het volk niet gewaarschuwd; komt het zwaard en velt het iemand neer, dan eis Ik zijn bloed van de wachter op (Ez. 33,6).» De zege bij Lepanto, behaald door de christenen op de vloot van de Ottomaanse indringers en toegekend aan de tussenkomst van de Heilige Maagd, wordt ter dankzegging in Milaan gevierd met grote feestelijkheden.

Hoewel hij sinds de zomer van 1571 lijdt onder koorts en voortdurende hoest, gaat kardinaal Borromeus het jaar daarop naar Rome voor het conclaaf dat volgt op de dood van heilige Pius V. De nieuwe Paus neemt de naam Gregorius XIII aan. Carolus neemt de gelegenheid te baat om zich te laten ontslaan van de functies die hij nog binnen de Romeinse Curie uitoefent. Maar weldra publiceert de gouverneur van Milaan vervalste brieven die moeten bewijzen dat de aartsbisschop inbreuk heeft gemaakt op de koninklijke prerogatieven (Lombardije was destijds onderworpen aan de koning van Spanje). Wanneer hij de andere hulpmiddelen heeft uitgeput, is Carolus genoodzaakt een uitdrukkelijke excommunicatie uit te spreken van de kanselier, een maatregel die ook de gouverneur raakt. Het conflict sleept zich meerdere maanden voort; de gouverneur die maatregelen heeft genomen tegen de Kerk van Milaan en de familie Borromeus, moet uiteindelijk inbinden en vragen of de excommunicatie ongedaan kan worden gemaakt. Carolus stemt daar van harte mee in.

Voor het jubileum van 1575 begeeft de aartsbisschop van Milaan zich naar Rome. Het volgende jaar wordt het jubileum gevierd in het diocees Milaan en Carolus viert er de vierde provinciale synode. Maar in diezelfde tijd breekt de pest uit. De aartsbisschop doet wat hij kan en gaat zelfs op bezoek bij de pestlijders thuis of in de hospitalen. Vanaf het begin van de epidemie heeft hij geaccepteerd dat hij wel eens zou kunnen sterven door de diensten die hij verleent aan de zieken, maar op die manier zou hij zich in geestelijke zin vrijer voelen om voor hen te zorgen. Niet zonder begrijpelijke terughoudendheid die weldra is overwonnen, volgen zijn priesters manmoedig het voorbeeld dat hij geeft. In de jaren 1577 en 1578 komt langzaam maar zeker een einde aan de epidemie.

«Ik kom eraan!»

In de herfst van 1584 wordt de aartsbisschop door belroos in het been gedwongen het bed te houden. Hij roept evenwel een bijeenkomst van de dekens van de regio uit om de zaken van het diocees te behandelen waarbij hij van de gelegenheid gebruik maakt zijn steun te verlenen aan de stichting van een hospies voor het herstel van armlastige zieken. Het gevoel dat zijn dood nakende was maakt dat hij op 15 oktober op persoonlijke retraite gaat in het heiligdom van Varallo en alle zonden van zijn leven gaat biechten. Ondanks hoge koorts blijft hij iedere dag de mis opdragen. Wanneer hij weer terug is in Milaan wordt zijn toestand als zeer ernstig beschouwd door de artsen. Hij ontvangt het Sacrament der Stervenden en vervolgens de Heilige Communie als teerspijze. De gelovigen die rondom het aartsbisschoppelijk paleis in gebed bij elkaar waren gekomen vormen zo’n dichte menigte dat de hertog van Terra Nova, destijds gouverneur van Milaan, zich maar met moeite een weg kon banen om binnen te komen. Op 3 november 1584 sterft de kardinaal op zesenveertigjarige leeftijd, na de woorden: «Ecce venio!Ik kom eraan!»  (cf. Ap 3,11). De uitvaart vindt plaats op 7 november, onder leiding van kardinaal Nicola Sfondrati, de toekomstige paus Gregorius XIV. De faam van heiligheid van kardinaal Borromeus verspreidt zich onmiddellijk en is alleen maar groter geworden. Paus Paulus V zal hem op 1 november 1610 heilig verklaren.

«Beminde broeders, zei heilige Carolus, in een preek over de bruiloft van Kana, in 1584, moge Maria onze patrones, onze pleitbezorgster, onze moeder zijn! Wanneer zij zich over onze zaak ontfermt, valt er niets te vrezen, dan zijn we van haar hulp verzekerd. “O, goedertieren Moeder, zie vanuit de hemel op ons neer en zie onze noden! Zie hoe het ons ontbreekt aan wijn van naastenliefde… Maria, laat door uw smeekbede water in wijn veranderen!” De Heilige Maagd vraagt ons evenwel ons bij haar gebeden aan te sluiten en onverwijld op te volgen wat haar goddelijke Zoon ons voorschrijft, opdat wij mogen ervaren hoe zijn almacht in ons werkzaam is.»

Dom Antoine Marie osb

Per pubblicare la lettera dell’Abbazia San Giuseppe di Clairval su una rivista, giornale, ecc., o per inserirla su un sito internet o una home page, è necessaria un’autorizzazione. Questa deve essere richiesta a noi per E-Mail o attraverso https://www.clairval.com.