Blason  Abdij Saint-Joseph de Clairval

F-21150 Flavigny-sur-Ozerain

Frankrijk


Downloaden als pdf
[Cette lettre en français]
[This letter in English]
[Dieser Brief auf deutsch]
[Esta carta en español]
[Aquesta carta en català]
[Questa lettera in italiano]
25 april 2017
feest van Sint Marcus


Dierbare Vriend van de Abdij Saint-Joseph de Clairval,

«Zonder hen die ons zijn voorgegaan zouden wij niets zijn », zei Zita de Bourbon-Parme denkend aan haar moeder en haar tantes, voorbeeldige schitterende vrouwen, prinsessen van de koninklijke familie van Portugal. Zij hadden als principe : « Niets is blijvend in deze wereld, niets is wisselvalliger als wereldlijke macht. Wat telt is de liefde en niets anders. » Maar Zita erkende dit vooral ten opzichte van haar echtgenoot Karl van Habsburg-Lotharingen, achterneef van de keizer van Oostenrijk, Frans Jozef. Toen hij zelf keizer was geworden in de roerige Eerste Wereldoorlog, heeft Karel, trouw bijgestaan door zijn echtgenote, het onmogelijke gedaan om zijn volken en de hele wereld de vrede terug te geven. Hij stierf in ballingschap in 1922 en is door heilige Johannes Paulus II op 21 oktober 2004 zalig verklaard. Zita, laatste Europese keizerin, heeft hem zevenzestig jaar moedig overleefd.

Als vijfde van twaalf kinderen is Zita Maria de Bourbon-Parme op 9 mei 1892 in Pianore (Italië) geboren. Zij is de dochter van Robert de Parme en Maria Antonia de Bragança, echtgenote tweede huwelijk. De kwestie waar de oorsprong ligt van de familie komt vaak aan de orde : « De mensen in Pianore, vertelt Zita, beschouwden ons helemaal als bij hen horend. Onze vrienden van Schwarzau-am-Steinfeld waren van oordeel dat wij Oostenrijkers waren. In Chambord werden wij opgeëist als Fransen (de Bourbon-Parme familie stamt rechtstreeks af van Lodewijk XIV). Wij vonden het allemaal vreemd en mooi tegelijk. Maar Papa moest van tijd tot tijd onze situatie nader verklaren : wij zijn Franse prinsen die over Parma hebben geregeerd. » Politieke macht uitoefenen, wat de familie van Zita lang heeft moeten doen, staat ten dienste van het algemeen welzijn : « De politiek is een waardevolle, veeleisende uitdrukking van christelijk engagement ten dienste van de anderen. Het nastreven van het algemeen welzijn in een geest van dienstbaarheid, de bevordering van de rechtvaardigheid met een bijzondere aandacht voor situaties van armoede en lijden, respect voor de autonomie van de aardse realiteiten, het subsidiariteitsbeginsel, de bevordering van de dialoog en de vrede in de context van solidariteit : dit zijn de criteria die de christelijke leek moeten inspireren in zijn politieke activiteit » (Compendium van de Sociale Leer van de Kerk, CSLK, Nr. 565).

De beste remedie

Zita bewaart uitstekende herinneringen aan haar jeugd : « Ik heb een buitengewoon gelukkige en blijde jeugd gehad. De dubbele verhuizing van Oostenrijk naar Pianore en weer terug, in de lente, naar Schwarzau, waar wij de zomer doorbrachten, was voor onze kinderen de belangrijkste gebeurtenis. » Zo herinnert zij zich het : « Als wij tijdens de vakanties, volgens onze huisonderwijzers, te weinig studeerden, moesten wij naaien, verstellen en oplappen. En niet alleen ons linnengoed, maar ook het linnengoed van de bejaarden en de zieken van Schwarzau. » De meisjes zorgden ook voor de zieken die geen familie hadden : « ‘s Avonds gingen we vaak uitgeput naar huis en moesten ons ontsmetten, uit voorzorg, met het oog op de kleinsten. Wanneer die reiniging te lang duurde, riep onze moeder ons tot de orde : « De naastenliefde is de beste remedie tegen kansen op besmetting. »

Er is ook tijd ingeruimd voor ontspanning zodat de prinsenkinderen op hun gemak kunnen picknicken en tot aan de avond zich kunnen overgeven aan rondhollen, zwempartijen en spelen met de kinderen uit het dorp. De opvoeding is streng, maar ook liefdevol : « In onze ogen was het ontzeggen van het toetje, een zelden opgelegde boete, de ergste straf. Want onze maaltijden waren eenvoudig : iets zoets als extraatje was een feest. Mijn moeder was streng, maar wij waren dol op haar. Papa was de opgewektheid en goedheid zelve. Hij heeft nooit geslagen, maar als hij eens boos op ons was, waren we diep onder de indruk. » Onder elkaar lachen en babbelen de kinderen veel ; maar als er gasten zijn moet de hiërarchische orde geëerbiedigd worden en worden er reverences gemaakt. De jonge koninklijke hoogheden leren al aan de hoeveelheid stof die een paard en wagen of de stoet waarmee ze aankwamen deed opwaaien, af te meten hoe belangrijk de gasten zijn. « Natuurlijk, zo zal Zita bekennen, gaven wij vaak de voorkeur aan hen die het minste stof deden opwaaien ! »

Zita zit op kostschool in het klooster van Zangberg, in de Beierse Alpen, wanneer ze verneemt dat haar vader stervende is ; hij wordt tot God teruggeroepen op 16 november 1907, voor zij hem heeft kunnen terugzien. In 1909 stuurt haar moeder haar naar school in Ryde op het eiland Wight, bij de zusters van Solesmes die daar toen in ballingschap leefden. Haar grootmoeder van moeders kant die nadat ze weduwe werd in het klooster was gegaan is daar Priorin en haar zus Adélaïde sinds kort non. Daar ontvangt Zita onderwijs van grote waarde in de wijsbegeerte, godgeleerdheid en muziek. In haar ziel ontstond toen het verlangen naar het klooster.

Voorspelling

Zita en Karl die elkaar al vanaf hun kinderjaren kennen zien elkaar echter steeds vaker en met toenemende vreugde. In 1911 vraagt de aartshertog de jonge prinses de hand en overhandigt haar een verlovingsring. Zita stopt die in haar zak en zegt schalks « Bedankt ! » Op 24 juni worden Zita en haar moeder ontvangen door Paus Pius X. In de loop van de audiëntie verklaart deze glimlachend tegenover het jonge meisje : « U gaat dus trouwen met de troonopvolger ? » Tot driemaal toe probeert Zita hem uit de droom te helpen : « Zeer Heilige Vader, mijn verloofde is aartshertog Karl ; de aartshertog en troonopvolger is Frans Ferdinand. » De Paus blijft echter bij wat hij gezegd heeft : « Het verheugt me zeer dat Karl de beloning is die door God aan Oostenrijk wordt gegeven voor de diensten die het aan de Kerk heeft bewezen. » Als het onderhoud is afgelopen fluistert Zita in haar moeders oor : « Godzijdank is de Paus niet onfeilbaar in politieke zaken ! » « Tijdens het zaligverklaringsproces », zo zal Zita later zeggen, « heb ik in mijn getuigenis gezegd dat het uiteindelijk toch een voorspelling betrof die volledig is uitgekomen. »

Tijdens een bezoek aan een luchtvaartbasis in de buurt van Wenen worden de jonge verloofden toegejuicht. Zita trekt een somber gezicht en zegt : « Die toejuichingen lijken op kreten van een opstand ». Karl is verbaasd, maar zij verwijst dan naar de val van haar familie in Parma en die van de Bragança in Portugal : « We moeten realistisch zijn, ons leven is fragiel en de macht vergankelijk. » « Ik denk dat ik begrijp wat je bedoelt, maar in Oostenrijk gaat het er anders aan toe. Alsjeblieft, laten we er niet meer over praten ! » Zita merkt hierover op : « Jarenlang spraken we er niet meer over. Op 24 maart 1919, juist nadat we de grens over waren om de hel van de ballingschap in te gaan, zei Karl tegen me : »Je had gelijk » Ik begreep onmiddellijk wat hij wilde zeggen. Wat had ik graag ongelijk gehad !, zei ik zachtjes. Dat was het laatste woord in onze ruzie, of beter gezegd in ons grootste verschil in zienswijzen dat wij ooit hebben gehad. »

Het huwelijk wordt ingezegend op 21 oktober 1911 met alle pracht en praal een van de grootse Europese hoven waardig. De huwelijksreis van de koninklijke hoogheden bestaat uit het doorkruisen per automobiel van het Oostenrijks-Hongaarse keizerrijk. Karl kan zich uitdrukken in de zeventien talen van het rijk en kent er zes perfect ; Zita brengt zich naarstig de basis bij van de talen die haar ontbreken. Op 20 november 1912 schenkt ze het licht aan Otto, de eerste van hun acht kinderen. Karl heeft zijn leven van dragonderofficier weer opgenomen en intensiveert tegelijkertijd zijn betrekkingen met zijn oom Frans Ferdinand. Reeds geruime tijd legt de aartshertog gaarne zijn politieke zienswijzen voor aan zijn neef en bereidt hem op die manier voor op zijn toekomstige verantwoordelijkheden.

« In het kader van het politiek engagement van de leken, zo staat in het Compendium, moet een bijzondere aandacht worden besteed aan de voorbereiding van de gelovigen om hun gezag uit te oefenen. Het uitoefenen van gezag moet het karakter van dienstbaarheid aannemen die altijd moet worden betoond in het kader van de morele wet ter wille van de realisatie van het algemeen welzijn : zij die het politiek gezag waarnemen, moeten erop toezien dat de energie van al de burgers gericht wordt op het algemeen welzijn ; zij moeten dit niet op een autoritaire manier doen, maar wel door gebruik te maken van moreel gezag gevoed door vrijheid » (Compendium van de Sociale Leer van de Kerk, Nr. 567).

Het ultimatum

Op een avond, tijdens een familiediner, vertrouwt Frans Ferdinand zijn neef toe : « Ik zal vermoord worden ! Karl, sommige documenten die in een kistje achter slot en grendel zijn opgeborgen zijn voor jou bestemd. Het zijn overdenkingen, plannen, ideeën die je misschien van nut zullen zijn. Maar geen woord hierover, ik wil Sophie niet bedroefd maken. » De erfgenaam was gehuwd met Sophie Chotek, een morganistisch huwelijk want de echtgenote had niet het voldoende aantal adelskwartieren om keizerin te kunnen worden ; bij gevolg konden haar kinderen geen troonopvolger worden. Zita begrijpt onmiddellijk dat Karl zijn oom wel eens veel eerder dan voorzien zou kunnen opvolgen. Op 28 juni 1914 vernemen Karl en Zita tot hun verdriet de moord op de erfprins en zijn echtgenote in Sarajevo, door een Servische nationalist. « We voelden ons heel merkwaardig gespleten, zal Zita zich herinneren. Enerzijds moest alles in het werk gesteld worden om vrede te bereiken. Dat strookte met wat de vermoorde erfprins had gewild. Anderzijds, en dat vergeet men met het verstrijken der jaren al te gemakkelijk, kon een grootmacht als Oostenrijk-Hongarije zich niet permitteren de erfgenaam van de troon die de toekomst belichaamde te laten vermoorden ! In een dergelijke situatie zou geen enkele regering hebben kunnen doen alsof er niets was gebeurd ! » Keizer Frans Jozef is dus van oordeel dat hij zijn plicht niet kan ontlopen een gerechtelijk onderzoek in te stellen en, daar hij dacht in staat te zijn het conflict als een locaal conflict te kunnen behandelen, stelde hij aan Servië het ultimatum dat in feite het raderwerk van de offensieve verbonden en de Europese oorlog in beweging zal zetten. De familie van Zita is verdeeld : drie zonen gaan strijden in het geallieerde keizerlijk leger in Duitsland terwijl de twee oudsten, Sixtus en Xavier, door de Franse Republiek verworpen als zijnde prinsen van Bourbon, dienst deden in het Belgisch leger. Zita verhult haar ontroering tijdens de laatste avond dat de familie bijeen was op het terras van Schwarzau. Xavier schrijft in zijn dagboek : « Nimmer waren wij ons zo bewust geweest van de sterkte van onze banden als op dat moment. We voeren strijd op totaal verschillende fronten en toch zitten we in het kamp van hen die Europa verdedigen tegen hen die ons werelddeel kapot willen maken. »

Tijdens de oorlog is Zita belast met de inspectie van de hospitalen en moet er een uitvoerig verslag van uitbrengen. De omstandigheden zijn al snel erbarmelijk. Terwijl hij een rampzalige afloop van de oorlog had voorspeld, zoekt keizer Frans Jozef naar een middel om de vrede te herstellen, maar zijn raadgevers en de publieke opinie, beïnvloed door de Duitse propaganda, verzetten zich hiertegen. Hij werkt nog aan dit plan wanneer hij op zesentachtigjarige leeftijd, op 21 november 1916, overlijdt. Karl wordt dan keizer. Zita is bezield van dezelfde geloofsgeest als haar echtgenoot : « Duizend machthebbers, een enkele macht ! Zal ze zeggen. Al die krachten die om ons heen in beweging zijn, duwen en afremmen, zijn niets vergeleken bij de Enige Macht (God) die ons overheerst. In zijn dienst is Keizer Karl geweest. » De kroning als vorsten van Hongarije, in Boedapest, op 23 december 1916, doet denken aan de Gedaanteverwisseling van Jezus op de Berg Thabor voor de kruisdood. De kroon van de koninginnen van Hongarije wordt op het hoofd van Zita gezet, vervolgens de kroon van heilige Stefanus, eerste koning van Hongarije, waarmee Karl zojuist is gekroond, wordt op haar rechter schouder gezet door de primaat aartsbisschop die zegt : « Ontvang de kroon van soevereiniteit opdat gij wete dat gij de echtgenote van de koning zijt en dat gij altijd zorg moet dragen voor het volk van God. Hoe hoger gij geplaatst zijt des te nederiger in Jezus Christus moet gij zijn en blijven. » Ondanks deze luisterrijke ceremonies vergeet het koninklijk paar het leed van het door de oorlog beproefde volk niet : de achttien schotels van het banket van die dag worden de tafelgenoten alleen maar getoond waarna ze naar de gewonden in het oorlogshospitaal van Boedapest worden gestuurd ; het traditioneel bal is geannuleerd.

Zita beurt haar volk op

De nieuwe keizer neemt snel het daadwerkelijk bevel over het leger op zich ; door zijn voorzichtig optreden spaart hij het leven van honderdduizenden. Van haar kant beurt Zita haar volk op en verleent het alle materiële steun die in haar vermogen ligt. Vanaf 1917 probeert de keizer een afzonderlijke vrede te sluiten met Oostenrijk en de geallieerden (Frankrijk, Engeland, Italië). Voor dit doeleinde vaardigt hij herhaalde malen de prinsen Sixtus en Xavier af naar de regeringsleiders van Frankrijk en Engeland. Jammer genoeg lopen deze pogingen, die zovele levens hadden kunnen redden, door allerlei politiek gekonkel op niets uit.

« Het vijfde gebod verbiedt de opzettelijke vernietiging van het menselijk leven. Omwille van de rampen en de ongerechtigheden die elke oorlog met zich meebrengt, vraagt de Kerk met aandrang aan iedereen te bidden en zich in te zetten, opdat God in zijn goedheid ons moge bevrijden van de oude slavernij van de oorlog. Alle burgers en alle bestuurders moeten zich inspannen om oorlogen te vermijden. Maar « zolang het oorlogsgevaar nog zal bestaan en er nog geen internationale autoriteit is met eigen competentie en passende uitrusting, zal men de regeringen het recht niet kunnen ontzeggen om zich wettig te verdedigen, indien alle mogelijkheden van vreedzame onderhandelingen zijn uitgeput » » (CKK n. 2307-2308).

In oktober 1918 breekt een communistisch geïnspireerde revolutie uit in Boedapest en het keizerrijk valt snel uiteen. Op 3 november wordt een wapenstilstand getekend tussen Oostenrijk-Hongarije en de mogendheden van de Entente. Terwijl de revolutie de Oostenrijkse hoofdstad bereikt laat de meerderheid van de keizerlijke gardes hun posten in de steek. De cadetten van de militaire academie dienen zich spontaan aan om de bescherming van het keizerlijk paleis Schönbrunn te verzekeren, tot grote opluchting van Zita, ontroerd door al die jonge lieden wier trouwe moed groter is dan die van de oudere soldaten. Een paar duizend socialistische arbeiders, behendig gemanipuleerd door republikeinse oproerkraaiers eisen “in naam van het volk” het vertrek van de Habsburgers. De keizer weigert nog meer bloedvergieten onder zijn volk dat al zoveel bloed had vergoten en op 11 november 1918 trekt hij zich terug uit zijn functies, zonder evenwel te abdiceren. De keizerlijke familie trekt zich terug in een jachtpaviljoen waar zij is blootgesteld aan onveiligheid, kou, slechte voeding en ziekte. Luitenant-kolonel Strutt die door de Britse regering is belast met de taak de levensomstandigheden van Karl en Zita te verbeteren, wordt een dierbare vriend. Met het oog op de revolutionaire dreigingen raadt hij de vorsten aan hun land te verlaten. Karl legt zich erbij neer op 24 maart 1919. De ballingschap begint in Zwitserland. Daar probeert hij tot twee maal toe, met de morele steun van Paus Benedictus XV, de monarchie in Hongarije te herstellen, maar tevergeefs. De geallieerden voeren Karl en Zita dan af naar het eiland Madeira. Daar vestigen zij zich op 19 november 1921 met een paar man personeel, maar zonder hun kinderen die zich pas later bij hen zullen voegen. Persoonlijke bezittingen zijn hun ontnomen en ze ontvangen geen van de financiële compensaties die hun waren toegezegd. Het klimaat in de winter is koud en vochtig, het huis is slecht verwarmd. Op 9 maart 1922 loopt de keizer een longontsteking op ; hij sterft op 1 april, eerste zaterdag van de maand, dag gewijd aan het Onbevlekt Hart van Maria.

Een grote plicht

Op 13 mei, verjaardag van de eerste verschijning van de Maagd Maria in Fatima, wijdt Zita haar gezin toe aan het Onbevlekt Hart van Maria, alvorens Madeira te verlaten voor Spanje. Voortaan is zij regentes voor haar zoon Otto : « Ik heb een grote politieke plicht en misschien alleen die. Ik moet mijn kinderen opvoeden in de geest van de keizer, er goede mensen van maken die God vrezen. De geschiedenis van de volken en dynastieën, die de tijd niet afmeet aan een mensenleven, maar qua tijdsduur veel ruimere maatstaven hanteert, moet ons vertrouwen inboezemen. » In augustus 1922 vestigt de keizerlijke familie zich in Lekeitio in Spaans Baskenland, tamelijk dichtbij Lourdes waar Zita veel van houdt. In 1929 kiest Zita domicilie in België, dichtbij Leuven. Daar leidt ze een landelijk leven waarin een vereenvoudigde etiquette geldt, kweekt rozen en zorgt soms zelf voor de vijfentwintig geiten en schapen. Voor haar kinderen kiest ze Franstalige katholieke scholen. Otto haalt in 1935 aan de universiteit van Leuven een doctoraat in de politieke en sociale wetenschap. Op 20 november 1930, wanneer hij de meerderjarige leeftijd bereikt, wordt hij hoofd van het Huis Habsburg.

In 1938 valt Hitler Oostenrijk binnen om er de Anschluss (annexatie met het oog op politieke eenwording van de volken van het “Grote Duitsland” te verwezenlijken). De in Oostenrijk geboren dictator heeft de Habsburgers altijd gehaat. Op 22 april wordt Otto ter dood veroordeeld voor hoogverraad vanwege zijn vijandige houding tegenover het Reich. Op 9 mei 1940, verjaardag van de keizerin, vallen de Duitsers België aan. Op 10 mei vliegen de bommenwerpers van de Luftwaffe over de keizerlijke residentie. De zeventien bewoners vertrekken in allerijl in drie auto’s naar Frankrijk. Twee uur later staat het huis in brand ; voor Otto betreft het « een kleine attentie van Hitler. » De familie scheept in naar New York en vestigt zich vervolgens in de buurt van Québec, waar de vier jongsten hun studie afmaken aan de katholieke universiteit. De vier oudsten voorzien in eigen levensonderhoud en verdedigen de belangen van hun volken in de Verenigde Staten of in Engeland. De keizerin vertegenwoordigt Otto bij president Roosevelt ; op 11 september 1943 ontvangt deze haar in Hyde Park. Zita houdt een pleidooi ten gunste van Oostenrijk en overlegt een plan voor een federatie van Donau volken. Anderzijds zet ze zich in voor de inzameling van fondsen ter ondersteuning van haar onderdanen door middel van allerlei vormen van hulp. Kerstmis 1948 vestigt ze zich dichtbij New York en bewijst Oostenrijk een laatste politieke dienst. Toen ze vernam dat de Senaat haar land wilde uitsluiten van de Marshall Hulp op grond van het verondersteld enthousiast onthaal dat het Hitler zou hebben geboden in 1938, overtuigt de keizerin een vijftigtal vrouwen van senatoren van de noodzaak bij hun echtgenoten aan te dringen op herstel van de waarheid. Dankzij deze vrouwen wordt er gestemd voor geldelijke steunverlening aan Oostenrijk.

Onder de nonnen

De huwelijken van drie van haar kinderen brengen de familie weer bijeen in Europa. In 1953 besluit Zita zich te vestigen op kasteel Berg, eigendom van de groothertogen van Luxemburg. Als oblate van het benedictinessenklooster Sainte Cécile in Solesmes – sinds 1926 – voelt ze zich opnieuw aangetrokken tot het kloosterleven. De abt van Saint Pierre de Solesmes raadt haar echter af de wereld te verlaten vanwege haar maatschappelijke positie die het haar mogelijk maakt zich in te zetten ten gunste van een Europa waarvan de identiteit niet te begrijpen is zonder het christendom. Dankzij een speciale vergunning van Paus Pius XII zal Zita evenwel meerdere malen langere tijd in het klooster mogen doorbrengen, totaal meer dan drie jaar. Haar kleindochter Catherine, die haar op een dag achter de tralies van de spreekkamer ziet roept uit : « Grootmoeder, zit u nu in de gevangenis ? ! Mijn kind, antwoordt de keizerin, zit ik in de gevangenis of jij ? » In 1959 wordt ze geconfronteerd met de weigering van de politieke autoriteiten om de begrafenis bij te wonen van haar moeder in Boven-Oostenrijk, op een landgoed van de Bourbon-Parma’s. In die tijd verblijft Zita afwisselend bij haar kinderen in Beieren en in Brussel. In 1962 vestigt zij zich in Zizers, in het Zwitserse kanton Grisons.

Iedere ochtend staat de keizerin om vijf uur op, woont meerdere missen bij, overpeinst het Lijdensverhaal van Jezus met de hulp van vijftien gebeden van de heilige Birgitta en bidt trouw de rozenkrans. In 1982 erkent een arrest van het Hoog Administratief Gerechtshof dat de anti-Habsburgers ballingschapswet niet van toepassing had moeten zijn op Zita als aanverwant lid van deze dynastie. Haar zegerijke terugkeer naar Oostenrijk in hetzelfde jaar, na drieënzestig jaar ballingschap, wordt gerekend tot haar grootste vreugden. Op 13 november wonen meer dan 20.000 mensen de Mis bij die in haar aanwezigheid wordt gevierd in de H. Stefanus kathedraal in Wenen. Daar ze van oordeel is dat gedwongen ballingschap geen toestemming inhoudt om af te zien van de van God ontvangen opdracht, heeft ze haar aanspraken nooit opgegeven. Haar gezondheid verslechtert echter : ze verliest het gezichtsvermogen en verplaatst zich met mœite. Maar zij die haar omringen getuigen van haar groot geduld, in serene afwachting van de dood die haar in staat zal stellen haar echtgenoot terug te zien. Overleden op 14 maart 1989, op zesennegentigjarige leeftijd, wordt ze bijgezet in de crypte van de Kapucijnen in Wenen, met de luister van het aan haar rang verplichte keizerlijk ritueel. Haar hart rust met dat van Karl in de abdij van Muri, in het bisdom Basel. Het zaligmakingsproces van de keizerin is geopend in 2009. De verkregen genaden door haar bemiddeling kunnen gemeld worden aan de Association pour la béatification de l’impératrice Zita, Abbaye Saint Pierre, 1 place Dom Guéranger, 72300 Solesmes.

Mogen wij, naar haar voorbeeld, God en zijn rijk leren dienen voor het welzijn van ons land en van Europa, onder de menselijk gesproken ongunstigste omstandigheden !


Dom Antoine Marie osb

Om het Blad van de Abdij Saint-Joseph de Clairval te publiceren in een tijdschrift, blad... of on het internetsite of een website te plaatsen, is een toelating vereist. Deze dient te worden aangevraagd per E-Mail or bij http://www.clairval.com.

Index der Briefe  - Home Page

Webmaster © 1996-2018 Traditions Monastiques