Blason  Abdij Saint-Joseph de Clairval

F-21150 Flavigny-sur-Ozerain

Frankrijk


[Cette lettre en français]
[This letter in English]
[Dieser Brief auf deutsch]
[Esta carta en español]
[Questa lettera in italiano]
15 oktober 2015
feest van Heilige Teresia van Avila


Dierbare Vriend van de Abdij Saint-Joseph de Clairval,

Op 3 september 2000 verklaarde heilige Johannes Paulus II de stichter van de Marianisten, Guillaume Chaminade, zalig ; in zijn preek stelde de Paus : « Deze zaligverklaring in het jubeljaar herinnert de gelovigen eraan dat het hun taak is onophoudelijk nieuwe manieren te vinden om getuigen van het geloof te zijn, met name om hen die ver van de Kerk af staan en niet over de gebruikelijke manieren beschikken om Christus te leren kennen, te bereiken. » De gelukzalige was inderdaad reeds bezorgd om de evangelisatie van de “randgebieden” waartoe Paus Franciscus ons oproept.

Als dertiende kind van in betrekkelijke welstand levende ouders (de vader is glazenmaker en lakenfabrikant), wordt Guillaume Chaminade in 1761 in Périgueux geboren. Zodra hij dat kan gaat hij met zijn moeder mee naar de naburige kathedraal, waar hij vol vuur gaat bidden. Op tienjarige leeftijd, wanneer hij het sacrament van het Vormsel ontvangt besluit hij aan zijn doopnaam die van Joseph toe te voegen, van de man die, na Jezus, het dichtst bij Maria staat. Guillaume-Joseph gaat naar school in het Collège Saint-Charles de Mussidan, waar zijn twee broers, die reeds priester zijn, verantwoordelijkheden hebben. In die tijd raakt hij ernstig gewond aan zijn voet. Na twee maanden van ondoeltreffende behandeling doet hij de gelofte dat als hij zal genezen hij op bedevaart gaat naar Notre Dame de Verdelais, een heiligdom in de buurt van Bordeaux. Weldra is Guillaume-Joseph voldoende genezen om dit traject van 80 km te voet af te leggen (het heiligdom van Verdelais wordt tegenwoordig geleid door de Marianisten, zijn geestelijke zonen). Na zijn schooljaren brengt Guillaume-Joseph twee jaar in Bordeaux door. Op zoek naar zijn roeping bezoekt hij een twaalftal kloosters, maar vindt in geen enkel klooster de bezinning waar hij naar verlangt ; in die tijd is het kloosterleven van velen verslapt en aangetast door de scepsis van de eeuw van de Verlichting. Hij gaat naar Parijs naar het sulpiciaans seminarie. Hij wordt in 1785 tot priester gewijd en als hij doctor in de theologie is geworden keert hij blij terug naar het Collège Saint-Charles dat geleid wordt door zijn twee broers Jean-Baptiste en Louis. De devotie voor de heilige Maagd Maria die speciaal geëerd wordt als de Onbevlekte Ontvangenis staat er hoog in het vaandel.

« Ga maar snel ! »

In augustus 1790 vindt in de Nationale Vergadering de stemming plaats van de Burgerlijke Grondwet van de Geestelijkheid die de Kerk van Frankrijk in een schismatieke situatie brengt. Het jaar daarop weigeren Louis en Guillaume Chaminade de eed van trouw af te leggen op deze burgerlijke Grondwet wat bij de wet wordt geëist (hun broer, Jean-Baptiste, is aan een ziekte gestorven in januari 1790). Het college van Mussidan wordt in beslag genomen en gelaïciseerd en telt weldra nog maar weinig leerlingen. Guillaume gaat dan naar Bordeaux om zo onopvallend mogelijk een apostolaat van niet beëdigd priester, dat wil zeggen die de schismatieke eed weigert af te leggen, op zich te nemen. Hij koopt er een domein dat buiten de stad is gelegen en Saint-Laurent heet. In 1792 worden de niet beëdigde priesters uit Frankrijk verbannen. Guillaume zet zijn activiteit echter voort, op gevaar af dat hij gearresteerd en ter dood wordt veroordeeld ; volop in de tijd van het Schrikbewind (1793-1794) loopt hij rond in de stad, vermomd in een kostuum en met de uitrusting van een ketellapper of koperslager. Hij draagt in het geheim de Mis op, in particuliere woningen. Op een dag wordt hij ondervraagd door gewapende patriotten : « Burger ! Heb jij de zwartrok Chaminade hier voorbij zien komen ? Hij is aangegeven. Hij moet hier in de buurt zijn ! Inderdaad, antwoordt hij met zijn uitgestreken gezicht, ga maar snel achter hem aan ! »

In 1795, na de val van Robespierre, zijn de vervolgingen even wat minder hevig en kunnen de trouw gebleven priesters uit hun onderduikplaatsen tevoorschijn komen. Guillaume-Joseph opent een huiskapel in de Sainte-Eulalie straat ; hij is als boetepriester van de bisdommen Bordeaux en Bazas belast met het ontvangen van en absolutie te verlenen aan de priesters die hun eed berouwen. In twee jaar verzoent hij er een vijftigtal weer met de Kerk. Maar weldra verklaart de regering van het Directoire de wetten tegen de opstandige priesters weer van kracht en hervat eerwaarde Chaminade zijn clandestien ambt. Op de 18e van de vruchtenmaand van het jaar V (september 1797) verschaft in Parijs een staatsgreep de macht aan de revolutionairen van de onverzettelijkste soort. Guillaume-Joseph emigreert naar Zaragossa, in Spanje. Daar neemt hij kennis van het plan van een oud-leerling van Saint-Charles, Bernard Daries, die naar Toledo is gevlucht : deze leek droomt ervan een congregatie met de naam “Sociëteit van Maria” te stichten, met als bestemming de Moeder van God bekend en geliefd te maken om voor Christus, via zijn Moeder, de vele zielen die Hem in de steek hebben gelaten weer terug te winnen. Van de leden zal worden gevraagd dat zij zich toewijden aan de Onbevlekte Maagd. Het plan van Bernard Daries (die al in 1799 zal sterven) interesseert eerwaarde Chaminade in hoge mate. Voor het altaar van Nuestra Senora del Pilar, in Zaragossa, belooft hij aan Maria alles te zullen doen om met dit werk een begin te maken.

In november maakt Bonaparte zich van de macht meester en voert op religieus terrein een beleid in dat streeft naar herstel van de kalmte. Een consulair decreet maakt het weldra mogelijk dat priesters uit hun ballingschap kunnen terugkeren ; eerwaarde Chaminade komt weer terug naar Bordeaux waar hij een huis huurt met in het grootste vertrek een sober ingerichte kapel. Op 8 december 1800 richt hij met een paar man, priesters en leken, de congregatie van Onze- Lieve-Vrouw op, een stichting waarvan de leden beloven de Heilige Maagd onder de titel van Onbevlekte Ontvangenis te zullen eren. Wanneer een concordaat tussen Napoleon en Paus Pius VII wordt getekend (december 1801), telt de congregatie reeds een honderdtal leden. Ze verhuizen naar een grotere ruimte, maar blijven discreet om geen wantrouwen te wekken bij de politie.

In die mœilijke tijden waarin heel het Franse religieuze leven opnieuw moet worden opgebouwd wil eerwaarde Chaminade alle maatschappelijke categorieën in één enkele congregatie bijeenbrengen ter verhoging van de apostolische doelmatigheid. Binnen het geheel zijn homogene groepen te onderscheiden : jongemannen, jonge meisjes, mannen van rijpe leeftijd, de verschillende beroepsgroepen. Er worden verantwoordelijken aangesteld, de een belast met de gewijde zang, de ander met de sacristie, materiële zaken, enz. In maart 1801 wordt de vrouwelijke tak van de congregatie rondom Marie-Thérèse Lamourous, een ongehuwde dame, opgericht. De bekrachtiging van het lidmaatschap bestaat uit een “contract” tussen de gelovige en de Maagd Maria. De christen verbindt zich ertoe Maria de eer te bewijzen die haar toekomt, op de wijzen die zijn voorgeschreven in de reglementen van de congregatie. Hij zal het Klein Officie van de Onbevlekte Ontvangenis bidden en zijn best doen om Onze-Lieve-Vrouw in alle daden van zijn leven te eren. Hij weet dat de Maagd op haar beurt hem onder alle omstandigheden haar moederlijke medewerking zal verlenen. Het is een plechtige erkenning van Maria’s moederschap van iedere christen. Maar Guillaume Chaminade scheidt nooit Maria van Jezus : de Moeder van God leidt ons naar haar goddelijke Zoon.

« Randgebieden bereiken »

Direct na zijn terugkeer in Frankrijk had eerwaarde Chaminade aan de Paus de titel Apostolisch Missionaris gevraagd en van hem gekregen. Hij zal zich altijd blijven beschouwen als een apostel, belast met de taak de mensen voor Christus te winnen die het verst van Hem zijn verwijderd. Jongelui zonder christelijke vorming volgen als zogenaamde “gegadigden” een soort van catechumenaat dat hen voorbereidt op de biecht en de communie ; zij zullen dan lid van de congregatie kunnen worden.

Ook in zijn tijd heeft de zalige Chaminade, zoals Paus Franciscus nu, heel vaak gesproken over de dringende noodzaak voor de Kerk om het Evangelie in de “randgebieden” te verkondigen, dat wil zeggen in de verst verwijderde maatschappelijke omgevingen. In de apostolische exhortatie Evangelii gaudium van 24 november 2013 schrijft hij : « Evangelisatie gehoorzaamt aan de missionaire opdracht van de Heer : Gaat dus en maakt alle volkeren tot mijn leerlingen en doopt hen in de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest en leert hun te onderhouden alles wat Ik u bevolen heb (Mat. 28, 19-20)… Ieder christen en iedere gemeenschap zal onderscheiden wat de weg is die de Heer vraagt, maar wij worden allen uitgenodigd deze oproep te aanvaarden : uit de eigen gemakzucht naar buiten te treden en de moed te hebben naar alle randgebieden te gaan die behoefte hebben aan het licht van het Evangelie… Iedere particuliere Kerk is, als deel van de katholieke Kerk onder leiding van haar bisschop ook geroepen tot een missionaire nieuwe opzet… Haar vreugde Christus mee te delen komt zowel tot uitdrukking in haar zorg om Hem te verkondigen op andere meer behoeftige plaatsen, als in een voortdurend uitgaan naar de randgebieden van het eigen territorium of naar nieuwe sociaal-culturele omgevingen. Zij zet zich ervoor in altijd daar te zijn waar het licht en het leven van de Verrezene het meest ontbreken (n. 19 en 30). »

Geregeld door het geloof

De nieuwe aartsbisschop van Bordeaux, Mgr d’Aviau, prijst zich gelukkig met het reeds geslaagde werk van de congregatie van Onze-Lieve-Vrouw waaraan hij de Magdalena Kapel toevertrouwt, in het hart van de stad. De stichter woont ter plaatse ; op drieënveertigjarige leeftijd (in 1804) wordt hij al door iedereen als een heilige beschouwd. Beminnelijk, eenvoudig, met een verlegen manier van spreken, maar qua lering zeer verrijkend, is hij het toonbeeld van een man die geheel en al de dingen Gods is toegewijd. Hij herleidt alles – gedachten, besluiten, raadgevingen, daden – tot geloofsonderricht, dat bij uitstek zijn deugd is. Alles moet door het geloof worden geregeld, of zoals de Heilige Paulus het uitdrukt : De rechtvaardige zal door het geloof leven (Rom. 1, 17).

De jaren 1806 tot 1809 zijn vruchtbare jaren ; eerwaarde Chaminade is verantwoordelijk voor de terugkeer naar Bordeaux van de Frères des Ecoles Chrétiennes die menige roeping van hem krijgen toegestuurd. Talloze jonge meisjes uit de congregatie treden toe tot het religieuze leven. De beproevingen ontbreken echter niet : vroegtijdig overlijden van de broer van Guillaume-Joseph, Louis-Xavier, gezondheidsproblemen van de stichter zelf, materiële mœilijkheden ten gevolge van de Europese oorlog die door Napoleon wordt gevoerd, de consequenties van het conflict tussen de keizer en de Paus… In november 1809 vindt een huiszoeking door de politie plaats bij de stichter die er onterecht van wordt beschuldigd te “heulen met de royalisten”. Terwijl ze vanaf 24 november verboden is zet de congregatie haar activiteiten in het grootste geheim voort. Jonge meisjes van de congregatie leggen privé geloften af en dragen een ordekleed onder hun burgerkleren. In 1814 krijgt de congregatie na de nederlaag en de troonsafstand van Napoleon de vrijheid weer terug ; maar haar stichter zal worden aangehouden en gevangen genomen in 1815 gedurende de Honderd-Dagen, toen Napoleon kortstondig de macht had heroverd.

Het zout der aarde

Na zijn vrijlating in 1816 is een van de eerste zorgen van eerwaarde Chaminade, in Agen, een klooster te stichten waar, sinds 1809, een paar door Adèle de Trenquelléon bijeengebrachte meisjes vurig naar verlangden. De postulantes leggen er geen geloften af ; zij worden dus niet beschouwd als kloosterzusters en zijn evenmin gehouden aan het dragen van een ordekleed. De bisschop van Agen die hen wenst in te zetten voor extern apostolaat is tevreden met dit compromis ; maar eerwaarde Chaminade is overtuigd van de onvervangbare waarde van de geestelijke staat binnen de Kerk en de noodzaak van openbaar af te leggen geloften die laten zien dat men geheel aan God is gewijd. « Het religieuze leven, zo legt hij uit, is voor het christendom wat het christendom is voor de mensheid. Zonder de monniken en monialen zou het Evangelie nergens een volledige toepassing in de mensenmaatschappij krijgen. » In 1817 overtuigt hij de bisschop ervan dat hij de “Dochters van Maria” moet toestaan in alle discretie geloftes af te leggen.

In de apostolische exhortatie schreef H. Johannes Paulus II : « Meer dan vanwege allerlei oppervlakkige nuttigheidsoverwegingen is het godgewijd leven belangrijk omdat het een overmaat aan onbaatzuchtigheid en liefde is. Het is dat des te meer omdat de wereld verstikt dreigt te geraken in de maalstroom van het vergankelijke. Wanneer dat duidelijk zichtbaar teken verdwijnt, bestaat het gevaar dat de liefde zelf waar de gehele Kerk op teert, verkilt, dat de wonderbare en aan de menselijke opvattingen tegengestelde heilsboodschap van het Evangelie afstompt en in deze steeds meer geseculariseerde wereld het « zout » van het geloof verdwijnt. Het leven van de Kerk en van de maatschappij zelf heeft mensen nodig die zich uit liefde tot God geheel aan God en aan de anderen weten toe te wijden. “Wat zou er van de wereld worden als er geen religieuzen waren ?” (H. Teresia van Avila, Het boek van mijn leven, hfdst 32) » (Vita consecrata, 25 maart 1996, n. 105).

In 1817 vertrouwt een congregatielid van éénentwintig jaar, Jean Baptiste Lalanne de stichter toe dat hij het voornemen heeft kloosterling te worden. Eerwaarde Chaminade stemt er met de nodige voorzichtigheid mee in : « Laten we dus een religieuze stichting met de drie geloftes in het leven roepen, maar zonder naam, zonder onderscheidende kleding, zonder civiel rechterlijke grondslag. En laten we het geheel onder de bescherming brengen van Maria Onbevlekt Ontvangen aan wie haar goddelijke Zoon de laatste overwinning op de hel heeft voorbehouden. » Op 2 oktober 1817 leggen vijf jongelieden in zijn handen tijdelijke geloftes af. Op die dag is de “Sociëteit van Maria” geboren : ze wordt dan nog maar “de Kleine Sociëteit” genoemd. De nieuwe religieuzen vestigen zich in een huis naast de Magdalena kapel.

Van de werken die in die tijd zijn voortgekomen uit de Bordeauxse congregatie moet, vanaf 1820, het “Goede Boeken” werk genoemd worden. Het ging om een reactie op de invasie van antigodsdienstige en zedeloze geschriften, kenmerkend voor de tijd, door op grote schaal katholieke boeken te verspreiden, in uitleen, met behulp van rijdende bibliotheken. In het jaar 1826 worden op die manier 800.000 werken verspreid. De congregatieleden belasten zich eveneens met het bezoeken van gevangenen ; ze ontfermen zich over de kleine schoorsteenvegers uit Auvergne door deze uitgebuite en in hun eerbaarheid bedreigde kinderen te verzekeren van de nodige geestelijke en materiële steun. De congregatie die zich als een olievlek uitbreidt vanuit Bordeaux weet zich aan alle evangelisatie- en opvoedingsmissies met groot gemak aan te passen.

Zoals het Kruis

De kritiek op het werk van eerwaarde Chaminade ontbreekt niet. Deze religieuze orde waarin priesters en leken op voet van gelijkheid staan wekt verbazing. De stichter beroept zich hiervoor op de Regel van H.Benedictus die aan priesters geen bijzondere voorrang verleent boven de andere monniken. In oktober 1821 wordt in Saint-Laurent, in grote materiële armoede, het eerste noviciaat van de Sociëteit van Maria geopend, bestemd voor de arbeiders en de boeren. Nog twee noviciaten zullen weldra in Bordeaux worden geopend, een voor de studenten en de andere voor de religieuzes ; eerwaarde Chaminade steekt de novicen aan met zijn missionaire geestdrift en benadrukt dat de juiste innerlijke gesteldheid van de postulanten een eerste vereiste is. Deze mogen grote gebreken hebben, maar waar het om draait is « de vorming van de wil door het geloof en de naastenliefde… Een religieus zonder geestelijk leven is een schim en een schijnbeeld ». Hij legt de nadruk op de zelfverloochening : « De geestelijke staat is een kruis dat lijkt op het kruis van Jezus Christus, eveneens bestaande uit twee onderdelen, even hard als het hout, van de penitentie, voorwerp van de geloften van armoede en kuisheid, en van de gehoorzaamheid, voorwerp van de derde gelofte. »

De stichter heeft begrepen dat de jeugd een prioriteit is. Er worden gratis scholen geopend voor jongens en voor meisjes. Met onmiddellijk succes en de vraag is zeer groot. De meeste onderwijzers van de jongensscholen zijn Broeders die geen priester zijn. Vanaf 1821 breidt de Sociëteit zich uit in oost Frankrijk, in Saint-Rémy, in Franche-Comté. Daar ontvangen de religieuzen leken-plattelandsonderwijzers voor retraites van veertien dagen ; weldra worden daar een middelbare school en een kweekschool en vervolgens ambachtscholen geopend. Het engagement van de Broeders en de religieuzes in het onderwijs, destijds staatsmonopolie, brengt de stichter ertoe wettelijke goedkeuring te vragen voor zijn instellingen. Geen enkel religieus instituut, buiten wat kleine sociëteiten van broeders onderwijzers is sinds de Revolutie nog goedgekeurd. In de wat gunstigere context van de Restauratie verkrijgt de stichter die goedkeuring in 1825. Middels zijn verscheidene werken heeft het instituut uiteindelijk geen ander doel dan « alle mensen de wetenschap van het Heil te onderwijzen ». De wettelijke erkenning van de Dochters van Maria krijgt twee maanden later haar beslag.

Terwijl de kringen die het christendom vijandig gezind zijn ervan dromen een jeugd zonder God te vormen, spant eerwaarde Chaminade er zich voor in overal kweekscholen op te richten en goede christelijke schoolmeesters te vormen die voor hem een absolute prioriteit zijn.

De Catechismus van de Katholieke Kerk bevestigt in 1992 opnieuw het natuurlijk recht van ouders op het kiezen van een school voor hun kinderen : « Omdat de ouders de eerste verantwoordelijken zijn voor de opvoeding van hun kinderen hebben ze ook het recht, voor hen een school te kiezen die beantwoordt aan hun eigen overtuiging. Dit is een fundamenteel recht. De ouders hebben als plicht – voor zover mogelijk – díe scholen te kiezen die hen optimaal bijstaan in hun taak als christelijke opvoeders. De overheid heeft de plicht dit recht van de ouders te waarborgen en de nodige voorwaarden voor de uitoefening ervan te verzekeren » (CKK 2229).

Juli 1830 : in Parijs wordt tijdens een volksoproer koning Karel X afgezet ; deze politieke revolutie gaat gepaard met antiklerikale gewelddadigheden. Guillaume-Joseph Chaminade wacht kalm de gebeurtenissen af : « Ik heb geen andere politiek dan iedere dag mijn toevlucht te nemen tot de Heilige Maagd. » In februari 1831 proberen opstandelingen de deuren van het Magdalena Huis met ijzeren staven in te slaan ; een andere groep gooit stenen op het noviciaat van Saint-Laurent ; de stichter van de Marianisten wordt bedreigd en moet weer burgerkleding aan zoals in 1793 en de wijk nemen naar Agen ; hij zal er vijf jaar blijven. De noviciaten van zijn twee instituten gaan over naar deze stad die niet zo onrustig is als Bordeaux.

Uit naam van de scheiding van kerk en staat in het onderwijs trekt het regime van Louis-Philippe de subsidies voor de katholieke scholen in ; die zijn vanaf dat moment bedreigd in hun eigen bestaan. Nog ernstiger zijn de interne mœilijkheden die in de Sociëteit van Maria aan het licht komen. Men beschuldigt eerwaarde Chaminade van onbekwaamheid en onvoorzichtigheid in zijn financieel beheer. De constituties die hij voor de Sociëteit heeft uitgewerkt worden door sommigen van zijn medewerkers van het eerste uur verworpen, in het bijzonder door Pater Lalanne, superieur van Saint-Rémy in de Haute-Saône, een intelligent man, maar individualistisch en warhoofdig. Sommige leden van de Sociëteit laten zich ontheffen van hun geloften. De aartsbisschop van Bordeaux en de bisschop van Agen zelf zijn de stichter niet al te welgezind ; de tweede verbiedt hem zelfs, in 1832, de toegang tot het huis van de religieuzes.

Smartelijke afwijzing

Vanaf 1834 hervat eerwaarde Chaminade, dankzij de hervonden vrede, de redactie van de constituties van de Sociëteit van Maria. In 1839 ontvangt hij van de Paus een “Lofdecreet” voor de twee instituten, voor de mannen en voor de vrouwen. Als tachtigjarige denkt hij na over zijn opvolging aan het hoofd van de Sociëteit. Maar de langdurige intriges van een jonge ambitieuze religieus zetten de drie assistenten op tegen de stichter. Een memorandum dat naar de Heilige Stoel is verzonden heeft tot resultaat dat deze in 1845 wordt uitgeschakeld en zijn opvolger ontzegt hem iedere activiteit binnen het instituut. De laatste jaren van Guillaume-Joseph Chaminade worden gekenmerkt door de smartelijke ervaring afgewezen te zijn door de Sociëteit waarvan hij de stichter was. Op 6 januari 1850 wordt hij door een beroerte beroofd van zijn spraakvermogen. Met gebaren getuigt hij de dagen daarna van de vergeving van de ondergane beledigingen, en van zijn gehoorzaamheid aan zijn superieur. Op 22 januari gaat Guillaume-Joseph met het kruisbeeld in de hand naar God in de Hemel die hij nooit iets heeft geweigerd. Twintig jaar later zullen de religieuzen van de Sociëteit van Maria, die weldra “Marianisten” worden genoemd, al met meer dan duizend zijn, verspreid over vier werelddelen. De Marianisten moeten niet verward worden met de Maristen, leden van een in 1816 door eerwaarde Jean-Claude Colin gesticht instituut.

Toen hij Guillaume-Joseph Chaminade zalig verklaarde heeft heilige Johannes Paulus II zijn boodschap aldus samengevat : « Hij nodigt iedere christen uit zich te wortelen in zijn Doopsel dat hem conformeert aan de Heer Jezus en waardoor hij de Heilige Geest ontvangt… Zijn kinderlijke gehechtheid aan Maria heeft ervoor gezorgd dat hij onder alle omstandigheden zijn innerlijke rust heeft bewaard en heeft hem geholpen de wil van Christus te doen. Zijn zorg voor de humanistische, morele en godsdienstige opvoeding is voor de gehele Kerk een oproep opnieuw aandacht te besteden aan de jeugd die behoefte heeft aan zowel opvoeders als getuigen om zich op de Heer te richten en zelf deel te nemen aan de opdracht van de Kerk. »

Eerwaarde Chaminade placht graag te zeggen : « Wat is het een machtig middel om te komen tot gelijkenis met Jezus Christus, met een Moeder die de Moeder van Jezus Christus zelve is ! » Laten wij in navolging van hem ons zonder voorbehoud toewijden aan Maria opdat zij voor ons de genade moge verkrijgen alles te doen wat haar Zoon ons moge ingeven.

Op 3 september 2000 verklaarde heilige Johannes Paulus II de stichter van de Marianisten, Guillaume Chaminade, zalig ; in zijn preek stelde de Paus : « Deze zaligverklaring in het jubeljaar herinnert de gelovigen eraan dat het hun taak is onophoudelijk nieuwe manieren te vinden om getuigen van het geloof te zijn, met name om hen die ver van de Kerk af staan en niet over de gebruikelijke manieren beschikken om Christus te leren kennen, te bereiken. » De gelukzalige was inderdaad reeds bezorgd om de evangelisatie van de “randgebieden” waartoe Paus Franciscus ons oproept.

Als dertiende kind van in betrekkelijke welstand levende ouders (de vader is glazenmaker en lakenfabrikant), wordt Guillaume Chaminade in 1761 in Périgueux geboren. Zodra hij dat kan gaat hij met zijn moeder mee naar de naburige kathedraal, waar hij vol vuur gaat bidden. Op tienjarige leeftijd, wanneer hij het sacrament van het Vormsel ontvangt besluit hij aan zijn doopnaam die van Joseph toe te voegen, van de man die, na Jezus, het dichtst bij Maria staat. Guillaume-Joseph gaat naar school in het Collège Saint-Charles de Mussidan, waar zijn twee broers, die reeds priester zijn, verantwoordelijkheden hebben. In die tijd raakt hij ernstig gewond aan zijn voet. Na twee maanden van ondoeltreffende behandeling doet hij de gelofte dat als hij zal genezen hij op bedevaart gaat naar Notre Dame de Verdelais, een heiligdom in de buurt van Bordeaux. Weldra is Guillaume-Joseph voldoende genezen om dit traject van 80 km te voet af te leggen (het heiligdom van Verdelais wordt tegenwoordig geleid door de Marianisten, zijn geestelijke zonen). Na zijn schooljaren brengt Guillaume-Joseph twee jaar in Bordeaux door. Op zoek naar zijn roeping bezoekt hij een twaalftal kloosters, maar vindt in geen enkel klooster de bezinning waar hij naar verlangt ; in die tijd is het kloosterleven van velen verslapt en aangetast door de scepsis van de eeuw van de Verlichting. Hij gaat naar Parijs naar het sulpiciaans seminarie. Hij wordt in 1785 tot priester gewijd en als hij doctor in de theologie is geworden keert hij blij terug naar het Collège Saint-Charles dat geleid wordt door zijn twee broers Jean-Baptiste en Louis. De devotie voor de heilige Maagd Maria die speciaal geëerd wordt als de Onbevlekte Ontvangenis staat er hoog in het vaandel.

« Ga maar snel ! »

In augustus 1790 vindt in de Nationale Vergadering de stemming plaats van de Burgerlijke Grondwet van de Geestelijkheid die de Kerk van Frankrijk in een schismatieke situatie brengt. Het jaar daarop weigeren Louis en Guillaume Chaminade de eed van trouw af te leggen op deze burgerlijke Grondwet wat bij de wet wordt geëist (hun broer, Jean-Baptiste, is aan een ziekte gestorven in januari 1790). Het college van Mussidan wordt in beslag genomen en gelaïciseerd en telt weldra nog maar weinig leerlingen. Guillaume gaat dan naar Bordeaux om zo onopvallend mogelijk een apostolaat van niet beëdigd priester, dat wil zeggen die de schismatieke eed weigert af te leggen, op zich te nemen. Hij koopt er een domein dat buiten de stad is gelegen en Saint-Laurent heet. In 1792 worden de niet beëdigde priesters uit Frankrijk verbannen. Guillaume zet zijn activiteit echter voort, op gevaar af dat hij gearresteerd en ter dood wordt veroordeeld ; volop in de tijd van het Schrikbewind (1793-1794) loopt hij rond in de stad, vermomd in een kostuum en met de uitrusting van een ketellapper of koperslager. Hij draagt in het geheim de Mis op, in particuliere woningen. Op een dag wordt hij ondervraagd door gewapende patriotten : « Burger ! Heb jij de zwartrok Chaminade hier voorbij zien komen ? Hij is aangegeven. Hij moet hier in de buurt zijn ! Inderdaad, antwoordt hij met zijn uitgestreken gezicht, ga maar snel achter hem aan ! »

In 1795, na de val van Robespierre, zijn de vervolgingen even wat minder hevig en kunnen de trouw gebleven priesters uit hun onderduikplaatsen tevoorschijn komen. Guillaume-Joseph opent een huiskapel in de Sainte-Eulalie straat ; hij is als boetepriester van de bisdommen Bordeaux en Bazas belast met het ontvangen van en absolutie te verlenen aan de priesters die hun eed berouwen. In twee jaar verzoent hij er een vijftigtal weer met de Kerk. Maar weldra verklaart de regering van het Directoire de wetten tegen de opstandige priesters weer van kracht en hervat eerwaarde Chaminade zijn clandestien ambt. Op de 18e van de vruchtenmaand van het jaar V (september 1797) verschaft in Parijs een staatsgreep de macht aan de revolutionairen van de onverzettelijkste soort. Guillaume-Joseph emigreert naar Zaragossa, in Spanje. Daar neemt hij kennis van het plan van een oud-leerling van Saint-Charles, Bernard Daries, die naar Toledo is gevlucht : deze leek droomt ervan een congregatie met de naam “Sociëteit van Maria” te stichten, met als bestemming de Moeder van God bekend en geliefd te maken om voor Christus, via zijn Moeder, de vele zielen die Hem in de steek hebben gelaten weer terug te winnen. Van de leden zal worden gevraagd dat zij zich toewijden aan de Onbevlekte Maagd. Het plan van Bernard Daries (die al in 1799 zal sterven) interesseert eerwaarde Chaminade in hoge mate. Voor het altaar van Nuestra Senora del Pilar, in Zaragossa, belooft hij aan Maria alles te zullen doen om met dit werk een begin te maken.

In november maakt Bonaparte zich van de macht meester en voert op religieus terrein een beleid in dat streeft naar herstel van de kalmte. Een consulair decreet maakt het weldra mogelijk dat priesters uit hun ballingschap kunnen terugkeren ; eerwaarde Chaminade komt weer terug naar Bordeaux waar hij een huis huurt met in het grootste vertrek een sober ingerichte kapel. Op 8 december 1800 richt hij met een paar man, priesters en leken, de congregatie van Onze- Lieve-Vrouw op, een stichting waarvan de leden beloven de Heilige Maagd onder de titel van Onbevlekte Ontvangenis te zullen eren. Wanneer een concordaat tussen Napoleon en Paus Pius VII wordt getekend (december 1801), telt de congregatie reeds een honderdtal leden. Ze verhuizen naar een grotere ruimte, maar blijven discreet om geen wantrouwen te wekken bij de politie.

In die mœilijke tijden waarin heel het Franse religieuze leven opnieuw moet worden opgebouwd wil eerwaarde Chaminade alle maatschappelijke categorieën in één enkele congregatie bijeenbrengen ter verhoging van de apostolische doelmatigheid. Binnen het geheel zijn homogene groepen te onderscheiden : jongemannen, jonge meisjes, mannen van rijpe leeftijd, de verschillende beroepsgroepen. Er worden verantwoordelijken aangesteld, de een belast met de gewijde zang, de ander met de sacristie, materiële zaken, enz. In maart 1801 wordt de vrouwelijke tak van de congregatie rondom Marie-Thérèse Lamourous, een ongehuwde dame, opgericht. De bekrachtiging van het lidmaatschap bestaat uit een “contract” tussen de gelovige en de Maagd Maria. De christen verbindt zich ertoe Maria de eer te bewijzen die haar toekomt, op de wijzen die zijn voorgeschreven in de reglementen van de congregatie. Hij zal het Klein Officie van de Onbevlekte Ontvangenis bidden en zijn best doen om Onze-Lieve-Vrouw in alle daden van zijn leven te eren. Hij weet dat de Maagd op haar beurt hem onder alle omstandigheden haar moederlijke medewerking zal verlenen. Het is een plechtige erkenning van Maria’s moederschap van iedere christen. Maar Guillaume Chaminade scheidt nooit Maria van Jezus : de Moeder van God leidt ons naar haar goddelijke Zoon.

« Randgebieden bereiken »

Direct na zijn terugkeer in Frankrijk had eerwaarde Chaminade aan de Paus de titel Apostolisch Missionaris gevraagd en van hem gekregen. Hij zal zich altijd blijven beschouwen als een apostel, belast met de taak de mensen voor Christus te winnen die het verst van Hem zijn verwijderd. Jongelui zonder christelijke vorming volgen als zogenaamde “gegadigden” een soort van catechumenaat dat hen voorbereidt op de biecht en de communie ; zij zullen dan lid van de congregatie kunnen worden.

Ook in zijn tijd heeft de zalige Chaminade, zoals Paus Franciscus nu, heel vaak gesproken over de dringende noodzaak voor de Kerk om het Evangelie in de “randgebieden” te verkondigen, dat wil zeggen in de verst verwijderde maatschappelijke omgevingen. In de apostolische exhortatie Evangelii gaudium van 24 november 2013 schrijft hij : « Evangelisatie gehoorzaamt aan de missionaire opdracht van de Heer : Gaat dus en maakt alle volkeren tot mijn leerlingen en doopt hen in de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest en leert hun te onderhouden alles wat Ik u bevolen heb (Mat. 28, 19-20)… Ieder christen en iedere gemeenschap zal onderscheiden wat de weg is die de Heer vraagt, maar wij worden allen uitgenodigd deze oproep te aanvaarden : uit de eigen gemakzucht naar buiten te treden en de moed te hebben naar alle randgebieden te gaan die behoefte hebben aan het licht van het Evangelie… Iedere particuliere Kerk is, als deel van de katholieke Kerk onder leiding van haar bisschop ook geroepen tot een missionaire nieuwe opzet… Haar vreugde Christus mee te delen komt zowel tot uitdrukking in haar zorg om Hem te verkondigen op andere meer behoeftige plaatsen, als in een voortdurend uitgaan naar de randgebieden van het eigen territorium of naar nieuwe sociaal-culturele omgevingen. Zij zet zich ervoor in altijd daar te zijn waar het licht en het leven van de Verrezene het meest ontbreken (n. 19 en 30). »

Geregeld door het geloof

De nieuwe aartsbisschop van Bordeaux, Mgr d’Aviau, prijst zich gelukkig met het reeds geslaagde werk van de congregatie van Onze-Lieve-Vrouw waaraan hij de Magdalena Kapel toevertrouwt, in het hart van de stad. De stichter woont ter plaatse ; op drieënveertigjarige leeftijd (in 1804) wordt hij al door iedereen als een heilige beschouwd. Beminnelijk, eenvoudig, met een verlegen manier van spreken, maar qua lering zeer verrijkend, is hij het toonbeeld van een man die geheel en al de dingen Gods is toegewijd. Hij herleidt alles – gedachten, besluiten, raadgevingen, daden – tot geloofsonderricht, dat bij uitstek zijn deugd is. Alles moet door het geloof worden geregeld, of zoals de Heilige Paulus het uitdrukt : De rechtvaardige zal door het geloof leven (Rom. 1, 17).

De jaren 1806 tot 1809 zijn vruchtbare jaren ; eerwaarde Chaminade is verantwoordelijk voor de terugkeer naar Bordeaux van de Frères des Ecoles Chrétiennes die menige roeping van hem krijgen toegestuurd. Talloze jonge meisjes uit de congregatie treden toe tot het religieuze leven. De beproevingen ontbreken echter niet : vroegtijdig overlijden van de broer van Guillaume-Joseph, Louis-Xavier, gezondheidsproblemen van de stichter zelf, materiële mœilijkheden ten gevolge van de Europese oorlog die door Napoleon wordt gevoerd, de consequenties van het conflict tussen de keizer en de Paus… In november 1809 vindt een huiszoeking door de politie plaats bij de stichter die er onterecht van wordt beschuldigd te “heulen met de royalisten”. Terwijl ze vanaf 24 november verboden is zet de congregatie haar activiteiten in het grootste geheim voort. Jonge meisjes van de congregatie leggen privé geloften af en dragen een ordekleed onder hun burgerkleren. In 1814 krijgt de congregatie na de nederlaag en de troonsafstand van Napoleon de vrijheid weer terug ; maar haar stichter zal worden aangehouden en gevangen genomen in 1815 gedurende de Honderd-Dagen, toen Napoleon kortstondig de macht had heroverd.

Het zout der aarde

Na zijn vrijlating in 1816 is een van de eerste zorgen van eerwaarde Chaminade, in Agen, een klooster te stichten waar, sinds 1809, een paar door Adèle de Trenquelléon bijeengebrachte meisjes vurig naar verlangden. De postulantes leggen er geen geloften af ; zij worden dus niet beschouwd als kloosterzusters en zijn evenmin gehouden aan het dragen van een ordekleed. De bisschop van Agen die hen wenst in te zetten voor extern apostolaat is tevreden met dit compromis ; maar eerwaarde Chaminade is overtuigd van de onvervangbare waarde van de geestelijke staat binnen de Kerk en de noodzaak van openbaar af te leggen geloften die laten zien dat men geheel aan God is gewijd. « Het religieuze leven, zo legt hij uit, is voor het christendom wat het christendom is voor de mensheid. Zonder de monniken en monialen zou het Evangelie nergens een volledige toepassing in de mensenmaatschappij krijgen. » In 1817 overtuigt hij de bisschop ervan dat hij de “Dochters van Maria” moet toestaan in alle discretie geloftes af te leggen.

In de apostolische exhortatie schreef H. Johannes Paulus II : « Meer dan vanwege allerlei oppervlakkige nuttigheidsoverwegingen is het godgewijd leven belangrijk omdat het een overmaat aan onbaatzuchtigheid en liefde is. Het is dat des te meer omdat de wereld verstikt dreigt te geraken in de maalstroom van het vergankelijke. Wanneer dat duidelijk zichtbaar teken verdwijnt, bestaat het gevaar dat de liefde zelf waar de gehele Kerk op teert, verkilt, dat de wonderbare en aan de menselijke opvattingen tegengestelde heilsboodschap van het Evangelie afstompt en in deze steeds meer geseculariseerde wereld het « zout » van het geloof verdwijnt. Het leven van de Kerk en van de maatschappij zelf heeft mensen nodig die zich uit liefde tot God geheel aan God en aan de anderen weten toe te wijden. “Wat zou er van de wereld worden als er geen religieuzen waren ?” (H. Teresia van Avila, Het boek van mijn leven, hfdst 32) » (Vita consecrata, 25 maart 1996, n. 105).

In 1817 vertrouwt een congregatielid van éénentwintig jaar, Jean Baptiste Lalanne de stichter toe dat hij het voornemen heeft kloosterling te worden. Eerwaarde Chaminade stemt er met de nodige voorzichtigheid mee in : « Laten we dus een religieuze stichting met de drie geloftes in het leven roepen, maar zonder naam, zonder onderscheidende kleding, zonder civiel rechterlijke grondslag. En laten we het geheel onder de bescherming brengen van Maria Onbevlekt Ontvangen aan wie haar goddelijke Zoon de laatste overwinning op de hel heeft voorbehouden. » Op 2 oktober 1817 leggen vijf jongelieden in zijn handen tijdelijke geloftes af. Op die dag is de “Sociëteit van Maria” geboren : ze wordt dan nog maar “de Kleine Sociëteit” genoemd. De nieuwe religieuzen vestigen zich in een huis naast de Magdalena kapel.

Van de werken die in die tijd zijn voortgekomen uit de Bordeauxse congregatie moet, vanaf 1820, het “Goede Boeken” werk genoemd worden. Het ging om een reactie op de invasie van antigodsdienstige en zedeloze geschriften, kenmerkend voor de tijd, door op grote schaal katholieke boeken te verspreiden, in uitleen, met behulp van rijdende bibliotheken. In het jaar 1826 worden op die manier 800.000 werken verspreid. De congregatieleden belasten zich eveneens met het bezoeken van gevangenen ; ze ontfermen zich over de kleine schoorsteenvegers uit Auvergne door deze uitgebuite en in hun eerbaarheid bedreigde kinderen te verzekeren van de nodige geestelijke en materiële steun. De congregatie die zich als een olievlek uitbreidt vanuit Bordeaux weet zich aan alle evangelisatie- en opvoedingsmissies met groot gemak aan te passen.

Zoals het Kruis

De kritiek op het werk van eerwaarde Chaminade ontbreekt niet. Deze religieuze orde waarin priesters en leken op voet van gelijkheid staan wekt verbazing. De stichter beroept zich hiervoor op de Regel van H.Benedictus die aan priesters geen bijzondere voorrang verleent boven de andere monniken. In oktober 1821 wordt in Saint-Laurent, in grote materiële armoede, het eerste noviciaat van de Sociëteit van Maria geopend, bestemd voor de arbeiders en de boeren. Nog twee noviciaten zullen weldra in Bordeaux worden geopend, een voor de studenten en de andere voor de religieuzes ; eerwaarde Chaminade steekt de novicen aan met zijn missionaire geestdrift en benadrukt dat de juiste innerlijke gesteldheid van de postulanten een eerste vereiste is. Deze mogen grote gebreken hebben, maar waar het om draait is « de vorming van de wil door het geloof en de naastenliefde… Een religieus zonder geestelijk leven is een schim en een schijnbeeld ». Hij legt de nadruk op de zelfverloochening : « De geestelijke staat is een kruis dat lijkt op het kruis van Jezus Christus, eveneens bestaande uit twee onderdelen, even hard als het hout, van de penitentie, voorwerp van de geloften van armoede en kuisheid, en van de gehoorzaamheid, voorwerp van de derde gelofte. »

De stichter heeft begrepen dat de jeugd een prioriteit is. Er worden gratis scholen geopend voor jongens en voor meisjes. Met onmiddellijk succes en de vraag is zeer groot. De meeste onderwijzers van de jongensscholen zijn Broeders die geen priester zijn. Vanaf 1821 breidt de Sociëteit zich uit in oost Frankrijk, in Saint-Rémy, in Franche-Comté. Daar ontvangen de religieuzen leken-plattelandsonderwijzers voor retraites van veertien dagen ; weldra worden daar een middelbare school en een kweekschool en vervolgens ambachtscholen geopend. Het engagement van de Broeders en de religieuzes in het onderwijs, destijds staatsmonopolie, brengt de stichter ertoe wettelijke goedkeuring te vragen voor zijn instellingen. Geen enkel religieus instituut, buiten wat kleine sociëteiten van broeders onderwijzers is sinds de Revolutie nog goedgekeurd. In de wat gunstigere context van de Restauratie verkrijgt de stichter die goedkeuring in 1825. Middels zijn verscheidene werken heeft het instituut uiteindelijk geen ander doel dan « alle mensen de wetenschap van het Heil te onderwijzen ». De wettelijke erkenning van de Dochters van Maria krijgt twee maanden later haar beslag.

Terwijl de kringen die het christendom vijandig gezind zijn ervan dromen een jeugd zonder God te vormen, spant eerwaarde Chaminade er zich voor in overal kweekscholen op te richten en goede christelijke schoolmeesters te vormen die voor hem een absolute prioriteit zijn.

De Catechismus van de Katholieke Kerk bevestigt in 1992 opnieuw het natuurlijk recht van ouders op het kiezen van een school voor hun kinderen : « Omdat de ouders de eerste verantwoordelijken zijn voor de opvoeding van hun kinderen hebben ze ook het recht, voor hen een school te kiezen die beantwoordt aan hun eigen overtuiging. Dit is een fundamenteel recht. De ouders hebben als plicht – voor zover mogelijk – díe scholen te kiezen die hen optimaal bijstaan in hun taak als christelijke opvoeders. De overheid heeft de plicht dit recht van de ouders te waarborgen en de nodige voorwaarden voor de uitoefening ervan te verzekeren » (CKK 2229).

Juli 1830 : in Parijs wordt tijdens een volksoproer koning Karel X afgezet ; deze politieke revolutie gaat gepaard met antiklerikale gewelddadigheden. Guillaume-Joseph Chaminade wacht kalm de gebeurtenissen af : « Ik heb geen andere politiek dan iedere dag mijn toevlucht te nemen tot de Heilige Maagd. » In februari 1831 proberen opstandelingen de deuren van het Magdalena Huis met ijzeren staven in te slaan ; een andere groep gooit stenen op het noviciaat van Saint-Laurent ; de stichter van de Marianisten wordt bedreigd en moet weer burgerkleding aan zoals in 1793 en de wijk nemen naar Agen ; hij zal er vijf jaar blijven. De noviciaten van zijn twee instituten gaan over naar deze stad die niet zo onrustig is als Bordeaux.

Uit naam van de scheiding van kerk en staat in het onderwijs trekt het regime van Louis-Philippe de subsidies voor de katholieke scholen in ; die zijn vanaf dat moment bedreigd in hun eigen bestaan. Nog ernstiger zijn de interne mœilijkheden die in de Sociëteit van Maria aan het licht komen. Men beschuldigt eerwaarde Chaminade van onbekwaamheid en onvoorzichtigheid in zijn financieel beheer. De constituties die hij voor de Sociëteit heeft uitgewerkt worden door sommigen van zijn medewerkers van het eerste uur verworpen, in het bijzonder door Pater Lalanne, superieur van Saint-Rémy in de Haute-Saône, een intelligent man, maar individualistisch en warhoofdig. Sommige leden van de Sociëteit laten zich ontheffen van hun geloften. De aartsbisschop van Bordeaux en de bisschop van Agen zelf zijn de stichter niet al te welgezind ; de tweede verbiedt hem zelfs, in 1832, de toegang tot het huis van de religieuzes.

Smartelijke afwijzing

Vanaf 1834 hervat eerwaarde Chaminade, dankzij de hervonden vrede, de redactie van de constituties van de Sociëteit van Maria. In 1839 ontvangt hij van de Paus een “Lofdecreet” voor de twee instituten, voor de mannen en voor de vrouwen. Als tachtigjarige denkt hij na over zijn opvolging aan het hoofd van de Sociëteit. Maar de langdurige intriges van een jonge ambitieuze religieus zetten de drie assistenten op tegen de stichter. Een memorandum dat naar de Heilige Stoel is verzonden heeft tot resultaat dat deze in 1845 wordt uitgeschakeld en zijn opvolger ontzegt hem iedere activiteit binnen het instituut. De laatste jaren van Guillaume-Joseph Chaminade worden gekenmerkt door de smartelijke ervaring afgewezen te zijn door de Sociëteit waarvan hij de stichter was. Op 6 januari 1850 wordt hij door een beroerte beroofd van zijn spraakvermogen. Met gebaren getuigt hij de dagen daarna van de vergeving van de ondergane beledigingen, en van zijn gehoorzaamheid aan zijn superieur. Op 22 januari gaat Guillaume-Joseph met het kruisbeeld in de hand naar God in de Hemel die hij nooit iets heeft geweigerd. Twintig jaar later zullen de religieuzen van de Sociëteit van Maria, die weldra “Marianisten” worden genoemd, al met meer dan duizend zijn, verspreid over vier werelddelen. De Marianisten moeten niet verward worden met de Maristen, leden van een in 1816 door eerwaarde Jean-Claude Colin gesticht instituut.

Toen hij Guillaume-Joseph Chaminade zalig verklaarde heeft heilige Johannes Paulus II zijn boodschap aldus samengevat : « Hij nodigt iedere christen uit zich te wortelen in zijn Doopsel dat hem conformeert aan de Heer Jezus en waardoor hij de Heilige Geest ontvangt… Zijn kinderlijke gehechtheid aan Maria heeft ervoor gezorgd dat hij onder alle omstandigheden zijn innerlijke rust heeft bewaard en heeft hem geholpen de wil van Christus te doen. Zijn zorg voor de humanistische, morele en godsdienstige opvoeding is voor de gehele Kerk een oproep opnieuw aandacht te besteden aan de jeugd die behoefte heeft aan zowel opvoeders als getuigen om zich op de Heer te richten en zelf deel te nemen aan de opdracht van de Kerk. »

Eerwaarde Chaminade placht graag te zeggen : « Wat is het een machtig middel om te komen tot gelijkenis met Jezus Christus, met een Moeder die de Moeder van Jezus Christus zelve is ! » Laten wij in navolging van hem ons zonder voorbehoud toewijden aan Maria opdat zij voor ons de genade moge verkrijgen alles te doen wat haar Zoon ons moge ingeven.

Dom Antoine Marie osb

Om het Blad van de Abdij Saint-Joseph de Clairval te publiceren in een tijdschrift, blad... of on het internetsite of een website te plaatsen, is een toelating vereist. Deze dient te worden aangevraagd per E-Mail or bij http://www.clairval.com.

Index der Briefe  - Home Page

Webmaster © 1996-2017 Traditions Monastiques