Blason  Abdij Saint-Joseph de Clairval

F-21150 Flavigny-sur-Ozerain

Frankrijk


[Cette lettre en français]
[This letter in English]
[Dieser Brief auf deutsch]
[Deze brief in het Nederlands]
[Esta carta en español]
[Questa lettera in italiano]
19 maart 2015
feestdag van St. Jozef


Dierbare Vriend van de Abdij Saint-Joseph de Clairval,

Van 13 mei tot 13 oktober 1917 is de Heilige Maagd Maria zeven maal aan de drie Portugese herderskinderen in Fatima verschenen. Tijdens haar laatste verschijning hield de Moeder Gods twee vierkante lapjes bruine wol in de handen die met koordjes aan elkaar zijn geregen: een scapulier van de Berg Karmel. In augustus 1950 heeft zuster Lucia, één van de zienertjes, verklaard: «Dat betekent dat Onze-Lieve-Vrouw verlangt dat wij het heilig scapulier dragen.» Wat is de oorsprong van dit door Maria voorgestelde “kledingstuk”?

De profeten hebben de schoonheid van de Karmel, de berg in Galilea bezongen die zich als een voorgebergte verheft boven de Middellandse Zee. De profeet Elia roemde de berg om zijn deugden en wonderen in de IXe eeuw voor de Menswording van de Zoon Gods. Rond de IVe eeuw van ons tijdperk vindt men er byzantijnse kloosters en op de ruïnes ervan leefden tegen het einde van de XIIe eeuw Europese kluizenaars die naar Palestina waren gekomen ten tijde van de kruistochten. Die monniken bouwden op de Karmel een mooi kerkje voor Onze-Lieve-Vrouw, waar de Moeder Gods “Vorstin en Moeder van de Karmel” zal worden genoemd. Dat is de oorsprong van de religieuzen van Onze-Lieve-Vrouw van de Karmel, ofwel Karmelieten, benaming die ze later hebben gekregen. Maar in de XIIIe eeuw werden die karmelieten, vervolgd door de moslims, verjaagd uit het Heilig Land en gedwongen naar Europa terug te keren.

Wonderlijk privilege

Heilige Simon Stock, geboren in Engeland aan het eind van de XIIe eeuw, was waarschijnlijk getuige van de beginjaren van de orde van de Karmelieten op de berg Karmel. Wanneer hij weer terug in Engeland is wordt hij in het midden van de XIIIe eeuw gekozen als generaal overste van de orde. In die tijd gaan een groot aantal van haar leden over naar andere bedelorden, de Franciscanen of de Dominicanen, in zo grote getale dat het bestaan zelf van de orde der Karmelieten op het spel staat. Als het zo ver komt keert Simon Stock zich tot Maria. De Moeder Gods doet wat hij van haar verwachtte en verschijnt hem, waarschijnlijk op 16 juli 1251. Dit staat erover in een oud document: «Simon, man van grote matigheid en devotie voor Maria, bad vaak nederig en dringend tot de Maagd en glorierijke Moeder Gods, Patrones van de orde der Karmelieten, opdat zij een privilege zou verlenen aan deze orde die juist haar naam droeg. Welnu, op een dag verscheen Onze-Lieve-Vrouw hem, omgeven door een menigte engelen met een scapulier in de handen. (Het scapulier is de buitenkant van het monastiek habijt, soort van groot schort die op de schouders wordt gedragen: “scapulae” in het Latijn). De Maagd zegt tegen Simon: «Hier is een teken voor jou en een voorrecht voor alle Karmelieten: “hij die gekleed in dit habijt zal sterven zal bewaard blijven voor de eeuwige vlammen”.» De verschijning zal weldra worden erkend door Paus Innocentius IV en het nieuws van het prachtig geschenk van de Moeder Gods aan de orde der Karmelieten verspreidt zich snel. Overal vandaan ziet men mensen uit alle lagen van de bevolking toestromen, die erg graag een graantje wilden meepikken van de beloofde grote gunsten: de gave van het scapulier was inderdaad aan de hele Kerk gedaan (de Heilige Maagd had gezegd dat «eenieder die met het teken van de orde zou sterven...»). Door zich aan te sluiten bij de broederschap van het scapulier konden leken ook profiteren van de heilsboodschap die de Karmelieten hadden ontvangen. Opdat ze het onopvallend konden dragen werd het formaat van het scapulier verkleind.

De weldaad die Maria met het scapulier verleent stelt alle mensen voor de vraag van hun eeuwig heil. Het herinnert eraan dat ons leven op aarde eindig is en dat we na onze dood door God zullen worden geoordeeld voor wat we dan hebben gedaan. «Wat is het bijzonder oordeel?» is de vraag in het Compendium van de Catechismus van de Katholieke Kerk. En het antwoord luidt: «Het is het oordeel van de onmiddellijke vergelding, die ieder na zijn dood in zijn onsterfelijke ziel ontvangt, overeenkomstig zijn geloof en zijn werken. Deze vergelding bestaat in de toegang tot de gelukzaligheid van de hemel, onmiddellijk dan wel na een evenredige loutering, of tot de eeuwige verdoemenis in de hel». (n.208). Deze waarheid over de vier uitersten van de mens is van kapitaal belang: ons gedrag in dit leven is de voorbereiding op onze eeuwigheid. Dat velen deze geopenbaarde waarheden ontkennen maakt ze nog niet ongeldig en verandert niets aan de werkelijkheid.

Onze-Lieve-Heer komt in zijn prediking inderdaad herhaalde malen terug op het belang van het eeuwig leven. Hij onderstreept hoe onzinnig het is zijn eeuwigheid te riskeren voor goederen die maar korte tijd meegaan: Want wat zal het een mens baten als hij de hele wereld wint, maar zichzelf schade toebrengt? (Mt 16, 26). Het is beter door de nauwe poort en over de versmalde weg te gaan die naar het eeuwig leven voeren dan door de wijde poort en over de brede weg die naar de ondergang en de hel voeren (cf. Mt 7, 13-14). Jezus spreekt vaak over het hellevuur dat nimmer dooft (cf. Mt 5, 22, 29-30), dat is voorbehouden aan hen die tot aan het eind van hun leven weigeren te geloven en zich te bekeren of hen die en ziel en lichaam kunnen ombrengen in de hel (cf. Mt 10, 28). Hij kondigt in ernstige bewoordingen aan dat wij van Hem zullen worden gescheiden als wij nalaten ons te bekommeren om de werkelijke behoeften van de armen en de geringe die zijn broeders zijn (cf. Mt 25, 31-46). Anderzijds waarschuwt Hij ons dat het voor ons onmogelijk is te weten op welk moment Hij ons rekenschap komt vragen over onze daden, want de dood komt onverwacht, als een dief in de nacht (cf. Mt 24, 42-44). De grootste vergissing is het miskennen van het belang van het eeuwig heil, zei heilige Eucher, bisschop van Lyon, in een citaat van heilige Alfons.

De eerste graad

Al in de Proloog van zijn Regel keert heilige Benedictus de blik van zijn monniken in de richting van deze krachtige waarheden: «Wij moeten dus God te allen tijde met zijn eigen gaven, die Hij ons geschonken heeft, gehoorzamen; anders zou Hij ons, zijn zonen, wel eens als een vertoornde vader kunnen onterven, of wat nog erger is: als een geducht meester, die door ons wangedrag geërgerd is, zou Hij ons kunnen overleveren aan de eeuwige straf als slechte dienaren, die Hem niet hebben willen volgen naar de heerlijkheid.» En in zijn hoofdstuk over de nederigheid, drukt de heilige zich als volgt uit: «De eerste trap van nederigheid bestaat hierin, dat men door de vreze Gods altijd voor ogen te houden, ten zeerste op zijn hoede is voor de vergetelheid en steeds in gedachten houdt wat God bevolen heeft. Men overweegt dan voortdurend in zijn hart, hoe het hellevuur omwille van hun zonden hen doet branden die God verachten, en hoe anderzijds het eeuwig leven is weggelegd voor hen die God vrezen.»

Daarom richt het IIe Vaticaans Concilie deze aansporing tot allen: « Omdat wij echter dag noch uur kennen, moeten wij, volgens de vermaning van de Heer, voortdurend waakzaam zijn om, na het voleinden van onze enige aardse levensloop, met Hem te mogen binnentreden om bruiloft te vieren en te mogen behoren tot de gezegende en niet, als slechte en luie dienaars te worden verwezen naar het eeuwig vuur, naar de duisternis daarbuiten, waar geween zal zijn en tandengeknars» (Lumen gentium, 48). De weg die naar het eeuwige leidt is allereerst die van het geloof: Trek heel de wereld door, vraagt Jezus aan zijn apostelen, om aan elk schepsel de goede boodschap te verkondigen. Wie tot geloof komt en gedoopt wordt, zal gered worden, maar wie niet tot geloof komt, zal veroordeeld worden (Mc 16, 15-16). Maar het ware geloof vertaalt zich in goede werken en op de eerste plaats door zich te houden aan Gods geboden: Iemand komt tot Jezus en zegt: «Meester, wat voor goeds moet ik doen om het eeuwig leven te krijgen?» Maar Hij zei: «Waarom stelt u Mij die vraag over het goede? Eén is er goed. Als u het leven wilt binnengaan, houd u dan aan de geboden.» “Welke?”, vroeg hij. Jezus zei daarop: “Niet doden, geen echtbreuk plegen, niet stelen, niet vals getuigen, uw vader en uw moeder eren, en uw naaste beminnen als uzelf» (Mt 19, 16-19). Omgekeerd leiden de slechte werken naar de hel. Heilige Paulus herinnert er ons aan: Weet u niet dat zij die onrecht plegen, geen deel zullen hebben aan het koninkrijk van God? Maak uzelf niets wijs! Hoerenlopers, afgodendienaren, echtbrekers, schandknapen, knapenschenders, dieven, uitbuiters, dronkaards, lasteraars, oplichters, zij zullen geen deel hebben aan het koninkrijk van God (1 Kor 6, 9-10).

Op 6 augustus 1950 verklaarde Paus Pius XII: «Hoeveel zielen hebben onder menselijk gesproken wanhopige omstandigheden hun uiteindelijke bekering en hun eeuwig heil te danken gehad aan het scapulier waarmee ze waren bekleed! Hoeveel ook hebben, in de gevaren van lichaam en ziel, dankzij het scapulier de moederlijke bescherming van Maria ondervonden!» Oude verhalen doen verslag van het eerste wonder van het scapulier: de bekering, op zijn sterfbed, van een Engelse edelman waar de streek van geschokt was. Heilige Simon Stock had die verkregen door zijn scapulier op de stervende te gooien; hij zag in dit wonder een aanmoediging om het geheim aan zijn broeders te openbaren en hun het kostbare kledingstukje te laten zien dat hij uit de eigen handen van Maria had ontvangen. Talloze heiligen en beroemde personages hebben het scapulier gedragen, bij voorbeeld h. Robert Bellarmin, h. Carolus Borromeus, h. Alfons van Liguori, h. Don Bosco, h. Bernadette Soubirous, en de meeste Pausen van de drie laatste eeuwen, in het bijzonder de heilige Johannes Paulus II.

De natuurmoraal

In het begin van de XXe eeuw is een jonge Afrikaan trouw gebleven aan het scapulier dat hij heeft gedragen tot aan zijn bloederige dood. Isidoor Bakanja is omstreeks 1885 geboren in Bokendela in de huidige Democratische Republiek Congo. Zijn vader, Iyonzwa, is afkomstig uit een familie van boeren; de familie van zijn moeder, Inyuka, leeft van de visserij. Bakanja heeft een oudere broer en een jongere zus. De familie is niet gelovig, maar de waarden van de natuurmoraal, welke door de beste Afrikaanse tradities worden doorgegeven, worden in ere gehouden. Iyonzwa doet niet aan polygamie. Bakanja is een toonbeeld van gehoorzaamheid aan zijn ouders. Veel later zal zijn beul proberen het geweld dat hij tegen de jongeman gebruikt te rechtvaardigen door hem te beschuldigen van diefstal van flessen wijn, maar alle getuigen zullen tegen deze laster in opstand komen, daar niemand ooit Isidoor Bakanja op de geringste diefstal heeft betrapt.

Ten tijde van Bakanja’s geboorte had de conferentie van Berlijn de soevereiniteit van de koning der Belgen, Leopold II over wat later de onafhankelijke Staat Congo zou worden, erkend. Vanaf dat moment heeft de streek de missionarissen zien toestromen, maar ook de avonturiers die op zoek zijn naar een gemakkelijke manier om rijk te worden. Sindsdien vergaren diverse exploitanten voor rekening van de koning de bodemschatten van het Congolees bekken, met name rubber en ivoor, en voeren die door naar de kust van de Atlantische Oceaan. De plaatselijke bevolking levert voor dit werk goedkope arbeidskrachten. Zoals vele jongeren van zijn dorp droomt Bakanja ervan in Mbandaka, een zuidelijke, niet veraf gelegen stad, te gaan werken. Even voor hij meerderjarig wordt vaart hij de rivier af en gaat in dienst als metselaar in Mbandaka. Daar ontmoet hij trappisten monniken (cisterciënzers) op de missiepost Bolokwa-Nsimba. Hij ontdekt met verwondering het christelijk geloof. Onder de indruk van de ontvangst, de goedheid en de liefdevolle aandacht van de missionarissen tegenover de armen en zieken, vraagt hij het Doopsel aan. Nadat hij door de trappisten paters is onderricht wordt hij op 6 mei 1906 in de parochie van Saint-Eugène in Bolokwa-Nsimba, onder de naam Isidoor, gedoopt. Op de dag zelf ontvangt hij het scapulier van de Berg Karmel. Op 25 november hierop volgend ontvangt hij het Vormsel en op 8 augustus 1907 doet hij naar de gewoonten van die tijd zijn eerste Communie. Isidoor koestert een grote devotie voor de rozenkrans en het scapulier, dat hij altijd om de hals draagt want hij wil op die manier getuigen van zijn geloof. Hij is de apostel van zijn vrienden en compagnons op het werk die hij door zijn woorden en zijn voorbeeld voor het christelijk geloof interesseert.

Achtergelaten amuletten

Wanneer het arbeidscontract afloopt keert Isidoor terug naar zijn dorp. Zijn vader vraagt hem waar de amuletten zijn gebleven die hij hem voor zijn vertrek had toevertrouwd. Hij antwoordt kalm dat hij die heeft achtergelaten omdat hij voortaan een veel efficiëntere bescherming geniet: die van Christus, de Zoon van God, en die van zijn Moeder, de Maagd Maria. Ondanks de waarschuwingen van zijn vrienden die beducht zijn voor de Europeanen accepteert Isidoor een baan als huisbediende in Busira, in het huis van een plantagebewaker, Reynders genaamd, van de S.A.B. (Société Anonyme Belge) die rubber en ivoor exploiteert. Daar krijgt hij erkenning als voorbeeldig arbeider, die ijver en plichtsbesef aan de dag legt; hij valt op door zijn wijsheid waardoor velen hem uitkiezen als catecheet. Wanneer hij wordt overgeplaatst naar Ikili neemt Reynders Isidoor die hij waardeert om zijn menselijke eigenschappen mee. Van de plaatselijke bedrijfsleider van de S.A.B., Van Cauter, is bekend dat hij hardvochtig is en fel gekant tegen het christendom en de christelijke missionarissen. Reynders spoort Isidoor aan zijn christelijk geloof voor zich te houden om last te voorkomen. In Ikili is Isidoor echter de enige christen en hij kan de vreugde die in hem woont omdat hij Christus kent niet voor zich alleen bewaren. Van Cauter merkt het en verbiedt hem zijn collega’s te leren bidden.

Op 1 februari 1909 beveelt Van Cauter Isidoor, die hem aan tafel bedient, op grove wijze zijn scapulier af te doen. De jongeman antwoordt: «Meester, u verlangt dat ik me ontdoe van het kleed van de Heilige Maagd. Dat doe ik niet. Als christen heb ik het recht het scapulier te dragen.» Woedend geeft de plantagedirecteur de opdracht dat men hem vijfentwintig “chicotte”-slagen (leren zweep) geeft. Isidoor aanvaardt de onrechtvaardige straf met engelengeduld waarbij hij zich in de geest verenigt met Jezus in diens Lijden. Een onderzoek toont later aan dat Isidoor’s geval verre van alleen stond: er was sprake van een ware georganiseerde vervolging van de katholieke missies door kaderleden van de S.A.B. Het consigne was met alle middelen de Afrikaanse werknemers te beletten een scapulier of een rozenkrans bij zich te dragen.

Kort daarna beveelt Van Cauter Isidoor niet langer «de vuiligheid die hij bij de Paters had geleerd» om zich heen te verspreiden, en daar voegt hij nog aan toe: «Ik wil hier geen christenen meer! Begrepen?» Vervolgens trekt hij het scapulier van de hals van de jongeman en gooit het naar zijn hond. Daarna gaat hij zelf een chicotte van olifantenhuid, voorzien van twee spijkers, halen en laat er Isidoor tot bloedens toe mee slaan. Aanvankelijk willen de bedienden die met die taak belast worden niet gehoorzamen, maar wanneer ze met dezelfde lijfstraf bedreigd worden geven ze uiteindelijk toe terwijl Isidoor door Van Cauter geschopt wordt. De jonge christen blijft echter open en bloot zijn geloof belijden en zich terugtrekken om de rozenkrans te bidden en te mediteren, alleen of in gezelschap van enkele arbeiders die graag de catechismus willen leren. Op een dag ziet Van Cauter hem tijdens een pauze in gebedshouding zitten. Woedend beveelt hij dat hij terstond gegeseld moet worden. Isidoor krijgt talloze klappen met een van spijkers voorziene zweep van hippopotamushuid, die zijn huid openrijt en in het vlees snijdt. Tijdens het zaligmakingproces in 1913 zullen de getuigen spreken van ten minste tweehonderd klappen. Hij wordt vervolgens bewusteloos naar de gevangenis gesleept waar hij vier dagen blijft, zonder verzorging en zonder voeding, de voeten vastgeklemd in twee metalen ringen die met een slot zijn vergrendeld en aan een zwaar gewicht zijn bevestigd.

Wat heb je gedaan?

Op dat moment bereikt Ikili het nieuws van de komst van een inspecteur van de S.A.B. Door paniek overvallen laat Van Cauter Isidoor naar Isako vervoeren om hem daar verborgen te houden. Maar Isidoor ontsnapt aan zijn beul en wordt weldra ontdekt door een Afrikaan die hem naar zijn eigen dorp brengt. Daar treft een Duitse geoloog in dienst van de S.A.B., dokter Dörpinghaus, hem aan en probeert hem te verzorgen. Het lichaam van Isidoor is één grote wond; zijn beenderen die bloot liggen doen overal erge pijn. «Ik zag een man, zo zal Dörpinghaus getuigen, met een rug die was doorploegd met diepe wonden... die steunde op twee stokken om, eerder kruipend dan lopend, naar me toe te komen. Ik ondervraag de arme drommel: “Wat heb je gedaan dat je een dergelijke straf hebt verdiend?” Hij antwoordt dat hij als catecheet van de katholieke missie van de Trappisten van Bamanya de arbeiders van de factorij had willen bekeren en dat de Blanke hem daarom had laten geselen met een zware en van puntige spijkers voorziene karwats.»

Maar de infectie valt niet meer te bestrijden: er treedt een bloedvergiftiging op en Isidoor wordt naar een neef in Busira gebracht om daar medische zorg te krijgen. Op 24 en 25 juli komen twee paters trappisten hem de laatste sacramenten toedienen: Biecht, Ziekenzalving en Communie. Isidoor vergeeft zijn beulen en bidt voor hen. «Pater, zegt hij tegen een van de missionarissen, ik ben niet boos. De Blanke heeft me geslagen, dat is zijn zaak. Hij moet weten wat hij doet. Natuurlijk zal ik in de Hemel voor hem bidden.» Op 15 augustus komen de christenen ter plaatse bijeen voor het huis waar de stervende ligt opgebaard; deze straalt van vreugde dat hij zich met de gemeenschap kan verenigen om Maria lof te brengen in het geheimenis van haar Tenhemelopneming. Tot grote verbazing van iedereen staat hij op en doet een paar stappen, in stilte, de rozenkrans in de hand; daarna gaat hij weer liggen, begint de doodsstrijd en overlijdt met het scapulier om de hals.

Op 7 juni 1917 wordt zijn stoffelijk overschot naar de parochiekerk van de Onbevlekte Ontvangenis van Bokote overgebracht. Op 24 april 1994 wordt Isidoor Bakanja, tijdens de bijzondere zitting van de bisschoppensynode voor Afrika, door Paus Johannes Paulus II zalig verklaard en in 1999 uitgeroepen tot Patroonheilige van de leken van de Democratische Republiek Congo.

Een tweede privilege

Onder de talloze geestelijke gunsten die worden verleend aan hen die het scapulier dragen, neemt het “sabbatijns privilege” een opmerkelijke plaats in. De oorsprong ervan ligt in de “sabbatijnse bul” die Paus Johannes XXII in 1317 zou hebben uitgevaardigd nadat hij was begunstigd met een visioen van de Heilige Koningin van de Karmel. De Heilige Maagd beloofde de Heilige Vader hen die haar scapulier zouden dragen de zaterdag na hun dood gevrijwaard zouden worden van het vagevuur. Aan deze nieuwe belofte waren twee voorwaarden verbonden: de confraters van het scapulier moesten de kuisheid van hun staat in acht nemen (de volledige in het celibatair leven en de echtelijke kuisheid in de huwelijkse staat) en het brevier (of het klein Officie van de Heilige Maagd) bidden. Wanneer ze het scapulier opleggen hebben de priesters de macht de enigszins moeilijke plicht van het brevier bidden om te zetten in, bijvoorbeeld, het dagelijks bidden van de rozenkrans. Het kerkelijk gezag heeft herhaalde malen en zeer uitdrukkelijk de inhoud van deze bul, te weten het “sabbatijns privilege”, bevestigd. Weinig aflaten hebben zo veelvuldig en zo plechtig pauselijke goedkeuring ontvangen.

Aan de vooravond van zijn dood, op een vrijdagavond, herinnerde heilige Johannes van het Kruis met voldoening eraan «hoe de Moeder Gods van de Karmel, op een zaterdag, zich naar het vagevuur spoedde om hulp te bieden en gunsten te verlenen, en hoe Zij de zielen van de religieuzen of van de mensen die haar heilige scapulier hadden gedragen, eruit haalde». Het scapulier is echter geen “heilsverzekering” die zou vrijstellen van een heilig leven en gehoorzaamheid aan de geboden van God, alsof de zondaar, nadat hij het scapulier had ontvangen, zich in alle rust kon overgeven aan iedere zonde en bij zichzelf zeggen: «Daar ik het scapulier draag ben ik er zeker van niet te worden verdoemd.» Hij die op deze wijze misbruik zou maken van de devotie voor de Heilige Maagd zou onwaardig zijn haar gunsten te ontvangen; hij zou zeer ten onrechte op zijn scapulier rekenen om in nog grotere vrijheid te zondigen, want met God spot men niet (Ga 6, 7). Door haar verlangen haar kinderen het hemels geluk te zien bereiken heeft de Heilige Maagd hun het scapulier geschonken, als een heilskleed, een geestelijk pantser en schild, een toog van onschuld waarmee zij hen bekleedde om hen te helpen zonder zonde te leven en Jezus te volgen onder de leiding van de Heilige Geest.

Het scapulier laat zien dat wij Maria zijn toegewijd en haar vrijwillig toebehoren: «Door middel van het scapulier, verklaarde Paus Johannes Paulus II, drukken de aanhangers van de Madonna van de Karmel hun wil uit hun bestaan af te stemmen op het voorbeeld van Maria, de Moeder, de Patrones, de Zuster, de zeer zuivere Maagd, en daarbij met een gezuiverd hart het Woord Gods te ontvangen en zich met ijver in dienst te stellen van de broeders en zusters» (Osservatore Romano van 26 juli 1988). Op haar beurt heeft Onze-Lieve-Vrouw toegezegd hem die dit kleed draagt, bij iedere gelegenheid, maar in het bijzonder in het uur van de dood, te zullen beschermen. Laten wij ons dus volledig toevertrouwen aan Maria die ons in de liefde voor God en de naaste zal bewaren.

Dom Antoine Marie osb

Om het Blad van de Abdij Saint-Joseph de Clairval te publiceren in een tijdschrift, blad... of on het internetsite of een website te plaatsen, is een toelating vereist. Deze dient te worden aangevraagd per E-Mail or bij http://www.clairval.com.

Index der Briefe  - Home Page

Webmaster © 1996-2017 Traditions Monastiques