Blason  Abdij Saint-Joseph de Clairval

F-21150 Flavigny-sur-Ozerain

Frankrijk


[Cette lettre en français]
[Dieser Brief auf deutsch]
[Esta carta en español]
[Aquesta carta en català]
[Questa lettera in italiano]
6 januari 2015
feest van Openbaring des Heren


Dierbare Vriend van de Abdij Saint-Joseph de Clairval,

In december 1936 redigeert broeder Raphaël Arnaiz Baron in zijn klooster aan de rand van een drukke verkeersweg en een spoorweg waar de muren van trillen, een overpeinzing vol humor waarvan de titel luidt: “Vrijheid”. Zoveel reizigers komen en gaan met zulke hoge snelheden! Ze wanen zich vrij. Maar «de ware vrijheid bevindt zich vaak besloten binnen de vier muren van een klooster». De vrijheid, zo voegt de broeder eraan toe, «zit in het hart van de mens die alleen God liefheeft. Zij zit in de mens wiens ziel noch aan de geest noch aan de materie is gebonden, maar alleen aan God». Tijdens zijn heiligverklaring op 11 oktober 2009 werd broeder Raphaël door Paus Benedictus XVI voorgesteld als een jongere die “ja” heeft gezegd het voorstel van Jezus te volgen, heel direct en beslist, zonder beperkingen of voorwaarden». Hij werd aan alle jongeren van de wereld als voorbeeld gegeven en was een van de beschermheiligen van de WJD van Madrid (2011).

Raphaël is geboren op 9 april 1911 in Burgos, Spanje. Hij is de oudste in een gezin met vier kinderen. Hij is gedoopt op 21 april en ontvangt het Vormsel als hij nog geen drie jaar is en doet zijn eerste Communie op 25 oktober 1919. Op zijn negende gaat hij naar een jezuïetencollege. Weldra treden zijn grote gevoeligheid evenals zijn intellectuele en artistieke gaven aan het licht. In januari 1922 verhuist het gezin naar Oviedo en de jongen mag naar het jezuïetencollege van die stad. Zijn grote vroomheid brengt hem ertoe deel te gaan uitmaken van het bestuur van de Congregatie van H.Stanislas. De pater studieprefect zei al dat hij «als door een magneet tot Hem aangetrokken» op zoek was naar God.

Onstuimig van aard als hij is, verliest Raphaël zijn geduld als hij niet snel en efficiënt wordt bediend. Hij is zeer verstoord wanneer om hem heen een beetje lawaai wordt gemaakt. Tegenover de huisbedienden komt er echter nooit een onvriendelijk woord over zijn lippen. Angstvallig waakt hij erover dat zijn kleren altijd schoon zijn en zijn persoonlijke dingen op orde. Hij walgt van alles wat lelijk, vuil is of grof, van ordinaire verhalen of uitdrukkingen. Wanneer hij op reis gaat neemt hij zijn dozen potloden mee. Hij komt altijd terug met een grote hoeveelheid landschapstekeningen, voorstudies en schetsen die, wanneer ze eenmaal af zijn, in mappen worden opgeborgen of aangeboden als geschenk.

Een ontroering die tot nadenken stemt

In 1930 begint hij aan een studie architectuur in Madrid. Tekenen, schilderen, op een doek of op papier uitdrukken wat in zijn kunstenaarshart opkomt, daar droomt hij van. Hij is bovendien musicus. In hetzelfde jaar ontdekt hij, wanneer hij op vakantie is bij zijn oom Polin en zijn tante Maria, hertog en hertogin van Maqueda, de trappistenabdij van San Isidro de Dueñas. (In de XVIIe eeuw heeft de abt van Rancé de cisterciënzer abdij van La Trappe, in Normandië (Frankrijk) hervormd. Alle kloosters die zich hierbij aansluiten nemen de naam Trappe aan; men houdt zich met een bijzondere soberheid aan de regel van Benedictus). Wanneer hij ‘s avonds aankomt bij het klooster ervaart Raphaël meteen een intense ontroering als hij het completen officie bijwoont: «Vooral, zo zal hij aan zijn oom schrijven, heb ik een Salve Regina gehoord dat... God alleen weet wat ik daarbij heb gevoeld... Het was iets subliems.» Zes jaar later wanneer hij terugkomt op zijn eerste indrukken, zal Raphaël zeggen dat Onze-Lieve-Heer zich heeft bediend van de indruk die het op zijn gevoelige ziel maakte om hem tot nadenken te stemmen. In 1931 wordt hij lid van de Katholieke Actie, verbindt zich aan de H.Vincentius a Paulo conferenties en beoefent de nachtelijke aanbidding. Zijn grote vroomheid belet hem niet ook een fijnproever te zijn en vele restaurants te kennen, maar in het alledaagse leven is hij niet moeilijk en eet wat de pot schaft. Hij kan heel uitgelaten vrolijk en communicatief zijn en tevens niet minder op zijn tijd ook heel nadenkend.

In de maand september 1931 schrijft hij tijdens een verblijf in La Trappe: «De Trappist leeft in God en voor God. Hij is de enige reden van zijn bestaan in deze wereld. Wat een verschil met sommige zogenaamde christenen voor wie God een tweederangs wezen is, waarmee je om acht uur ’s ochtends te maken hebt en dat om negen uur wordt achtergelaten tot de volgende dag op hetzelfde tijdstip, om opnieuw vergeten te worden!» Hij voegt er verder aan toe: «De kunstenaar die een hoge graad van gevoeligheid bezit is onder de indruk van het trappistenklooster en het leven van zijn monniken zoals hij dat is door een schilderij of een sonate. Hij die christen is, die gelovig is, ziet in het trappistenklooster iets meer dan dat. Hij ziet God op een tastbare manier. Hij komt er gesterkt in het geloof weer uit en wanneer God hem die genade verleent komt hij er met een beetje meer kennis van zichzelf uit en dan, alleen met God en zijn geweten, verandert zijn manier van denken, zijn manier van de dingen aanvoelen en, wat nog het belangrijkst is, zijn manier van zich gedragen in wat hij doet in de wereld. »

Tijdens de algemene audiëntie van 10 augustus 2011 zei Paus Benedictus XVI: «Die plaatsen (waar men monastiek leven leidt) verenigen twee zeer belangrijke elementen voor het contemplatief leven: de schoonheid van de schepping, die naar de schoonheid van de Schepper verwijst, en de stilte, gewaarborgd door de afstand van steden en grote verbindingswegen. Stilte is het kader dat stil gebed, luisteren naar God, meditatie het best bevordert... God spreekt in de stilte, maar men moet Hem weten te beluisteren. Daarom zijn kloosters oasen waar God tot de mensheid spreekt.»

Alles lukt beter

In 1932 en 1933 vervult Raphaël zijn militaire dienstplicht in de Genie en zet vervolgens zijn studie architectuur voort. Eenmaal in Madrid gevestigd stelt hij een exact tijdsschema op dat de Mis ‘s morgens vroeg en de rozenkrans ‘s avonds omvat: «Ik heb vastgesteld dat wanneer ik me aan het begin van de dag overgeef in de handen van God alles me beter lukt.» Een documentaire die over het cisterciënzer leven werd gemaakt ter gelegenheid van de achthonderdste verjaardag van de abdij van Sept-Fons, versterkt de gunstige indruk die hij heeft gehad tijdens zijn bezoek in San Isidro, en brengt hem ertoe voor het monastiek leven te kiezen. Hij brengt 24 en 25 november 1933 in het klooster door waar zijn verzoek om toelating wordt ingewilligd.

In zijn gedrevenheid zich aan Onze-Lieve-Heer toe te wijden zou hij naar het klooster willen gaan zonder afscheid te nemen van wie dan ook, zelfs van zijn ouders niet, want hij vreest voor de reacties van zijn hart. Maar de apostolisch nuntius (ambassadeur van de Paus) die hij in vertrouwen heeft genomen antwoordt hem: «Ik ben van mening dat je afscheid moet nemen van je ouders en hun zegen ontvangen.» Raphaël brengt dus, voor hij intreedt, de anderhalve maand die hem rest te midden van de zijnen door. Hij wacht, niet zonder diep innerlijk lijden, tot de kerstdagen voorbij zijn en op de middag van 7 januari 1934 verklaart hij bedaard tegenover zijn moeder die piano speelt: «Houd even op met spelen, ik moet je iets zeggen. Wat is er me jou aan de hand? Zeg het me! Moeder, zo hervat hij met tranen in de stem, God roept me..., ik wil naar de trappisten.» Ze buigt het hoofd en kan slechts zeggen: «Zoon!» Wanneer hij door zijn echtgenote op de hoogte is gebracht en na een ogenblik van onmerkbare ontroering zegent de vader van Raphaël God en vraagt vervolgens aan zijn zoon: «Wanneer wil jij weg? Ik zal je erheen brengen.» Het vertrek wordt vastgesteld op 15 januari.

De jonge postulant past zich goed aan zijn nieuw leven aan. Hij denkt het doel van zijn aspiraties en zijn roeping te hebben bereikt: het trappistenklooster, God heeft het voor mij en mij voor het trappistenklooster gemaakt..., nu kan ik gelukkig sterven, ik ben trappist!» Maar een paar maanden later wordt hij geheel onverwacht door diabetes overvallen: in de maand mei verliest hij 24 kilo in acht dagen en wordt bijna blind. Hij is gedwongen voor zijn herstel naar de familie terug te keren en verlaat met spijt het klooster, in de hoop er te kunnen terugkomen. Na de eerste ingrepen ter behandeling van de ziekte is Raphaël weer een stuk beter. Het valt hem zwaar weer in een leven te moeten opgaan dat hij met zoveel moeite had verlaten: hij zal zichzelf bij thuiskomst beschrijven als een brompot die in zijn rust en stil gebed steeds pijnlijk wordt gestoord: «Ik dacht dat ik thuis een trappistenklooster moest maken... Hoe zeer vergiste ik mij... met het naar buiten gerichte stil gebed zocht ik mezelf.» Hij begint echter weer te roken, viool te spelen en te schilderen. Al op 3 juni schrijft hij een brief aan zijn oom Polin: «Wat er gebeurt is heel eenvoudig en dat komt uiteindelijk doordat God veel van mij houdt... In het trappistenklooster was ik gelukkig, ik beschouwde me als de gelukkigste van alle stervelingen, ik was erin geslaagd me los te maken van de schepselen en was nog alleen op zoek naar God... Maar er was nog één ding: mijn liefde voor het trappistenklooster, en Jezus die zeer veeleisend is en angstvallig waakt over de liefde van zijn zonen, heeft gewild dat ik me losmaak van mijn geliefde klooster, al is het maar tijdelijk.» Raphaël begrijpt snel dat zijn beproeving gericht is op een veel grotere vrijheid van het hart.

Het Godsoordeel is nabij

In de maand juli schrijft hij aan zijn cisterciënzer broeders: «Jullie weten niet wat jullie bezitten en jullie kunnen God nooit genoeg dank zeggen voor zo’n grote weldaad. Ik zelf wist het niet voor ik werd verplicht in deze wereld terug te keren... In hun aan zelfmoord grenzende trots roepen de mensen: “Wij hebben God niet nodig!...” Onze maatschappij is ontspoord en houdt zich overal mee bezig behalve met wat echt van belang is. Ik zeg het jullie eerlijk. Wanneer je ziet dat mensen zo verblind zijn ben je vervuld van droefenis en heb je zin hun toe te roepen: “Waar gaan jullie heen, gekken en idioten? Jullie kruisigen Jezus, de Nazarener die ons heeft gevraagd elkaar lief te hebben!... Zien jullie niet dat jullie de verkeerde weg zijn ingeslagen, dat het leven erg kort is, en je ervan moet profiteren, want het Godsoordeel is nabij?...” Maar het heeft geen nut; in de wereld hoor je niet meer over God en zijn oordelen.» Raphaël heeft begrepen dat de mensen niet anders van de duisternis van de spirituele dood kunnen worden gered dan door hun harten te openen voor Christus die het Licht der volkeren is.

In januari 1935 begeeft hij zich naar zijn broer Leopoldo aan het Franse front om er een door zijn vader gekochte auto op te halen. Hij wil de eerste zijn die hem mag besturen en op deze reis worden voor comfort en andere genoegens kosten noch moeite gespaard. Maar de aantrekkelijke wereldse genoegens beletten hem niet een paar maanden later aan zijn vader abt te schrijven: «(Mijn monnikenbroeders) denken misschien dat ik ze vergeten ben maar de zielen die men in God bemint vergeet men niet. Door hen te beminnen, bemint men God, en Hem beminnen in zijn schepselen is een grote troost die niets afdoet aan zijn heerlijkheid».

De Heilige Maagd zal je genezen

In mei 1935 wordt Mercedes, de zus van Raphaël, door een acute buikvliesontsteking getroffen waarvoor geen genezing mogelijk is. Raphaël houdt zich veel met haar bezig, maar hij lijdt er intens onder haar in deze staat te zien. Op 9 juni is de zieke aan het eind van haar krachten en haar lijden. «Maak je niet ongerust, zusje, zegt hij tegen haar, ik ga dadelijk naar de kerk de Heilige Maagd alles vertellen zodat zij jullie van je lijden verlost, mamma en jij; je zult een goede nacht hebben, dat zul je zien.» Een kwartier later komt hij glimlachend terug: «Ik heb het gedaan. Ik heb met de Heilige Maagd gesproken: “Kijk, Moeder, wat u voor mamma kunt doen; genees mijn zus.” Nu zul je zien hoe de Heilige Maagd je zal genezen.» Na een laatste morfineprik slaapt de zieke een nacht lang in. De pijnen houden volledig op en een maand later krijgt ze tegen iedere verwachting in de vijfentwintig kilo die ze was kwijtgeraakt terug.

Maar het verlangen van de jongeman naar het trappistenleven blijft zeer levendig. Sprekend over zichzelf schrijft hij aan zijn oom, in december 1935: «Roeping is vergeten willen worden door de wereld en zijn schepselen om je in stilte en nederigheid in je hoedanigheid van oblaat aan God aan te bieden. Je wil een offergave zijn voor God, maar zonder dat de wereld het bemerkt; een lichte schaduw zijn die zijn leven lang God zonder ruchtbaarheid heeft liefgehad; de zielen van de hele wereld helpen God lief te hebben en wel zonder dat zij er weet van hebben.»

Dankzij zijn herstelde gezondheid kan Raphaël opnieuw intreden in het Trappistenklooster, op 11 januari 1936. Omdat zijn suikerziekte hem belet de Regel na te volgen wordt hij opgenomen als oblaat, dat wil zeggen iemand die geen openlijke geloften aflegt zoals de anderen. Dat is voor hem des te vernederend daar zijn ziel zo sterk verlangt naar het trappistenleven met zijn penitenties, zijn werk, het gewetensvol naleven van de Regel. Maar hij beschouwt het oblaatschap als een onthechting van de trappistenroeping: «Ik verdien het niet monnik te zijn... De Heilige Mis lezen?... Lieve Heer, als ik u zeer binnenkort zal zien, wat maakt het dan nog uit?... De geloften?... Heb ik God niet lief met al mijn krachten? Waarvoor dan nog geloften? Niets belet mij aan Zijn zijde te verkeren, Hem, in stilte, nederig, in de eenvoud van het oblaatschap lief te hebben.» Hij ziet zijn staat van oblaat niet los van het mysterie van het Lijdensverhaal van Christus. Dat hij zich overal van onthecht maakt hem echter nog niet onverschillig voor de anderen; aan zijn vader schrijft hij: «Ik wil een zeer nederige heilige zijn» «en de liefde voor God sluit die voor zijn schepselen niet uit». Om hem beter te kunnen verzorgen wordt Raphaël overgebracht naar de ziekenafdeling. De vorige novicemeester is overleden en de relatie met de nieuwe vindt hij niet gemakkelijk. Hij krijgt te maken met eenzaamheid en onbegrip, want sommige broeders nemen aanstoot aan de manier waarop hij omgaat met de Regel. Gelukkig kan hij rekenen op de steun van de abt en zijn biechtvader. In het begin gaat alles goed met de ziekenbroeder Tescelino, maar vanaf herfst 1936 zal de broeder, gemobiliseerd vanwege de oorlog, het klooster verlaten en zijn opvolger zal minder begripvol zijn. Raphaël zelf zal verklaren dat de verpleger hem niet genoeg te eten gaf.

In juli 1936 begint de Spaanse Burgeroorlog. Raphaël erkent dat hij niet veel weet van wat er in Spanje gebeurt. Wanneer hij op 29 september wordt gemobiliseerd, wordt hij afgekeurd voor de militaire dienst. Veel jonge monniken zijn in het leger ingedeeld. Broeder Raphaël lijdt eronder zijn medebroeders te zien vertrekken terwijl hij is afgekeurd. Na een verblijf bij zijn familie die naar een klein en zeer rustig Castiliaans dorp is gevlucht, keert broeder Raphaël op 6 december voor de derde keer terug naar het trappistenklooster.

Gods hand

Op 7 februari verlaat Raphaël een derde maal het klooster vanwege de verslechtering van zijn gezondheidstoestand. De oorlog maakt het onmogelijk hem in het klooster behoorlijk te verzorgen. Bij gelegenheid van dit derde vertrek verklaart hij: «Ik zie zo duidelijk Gods hand dat het mij om het even is.» Hij keert weer naar het Castiliaans dorp waar zijn ouders nog altijd zijn en neemt schildersdoek en penseel weer ter hand. Hij wandelt door de velden, praat met de pachters, geeft blijk van zijn belangstelling voor de boerenhoeve van zijn vader, brengt geruime tijd in de tuin door met kijken naar de hemel., luistert naar muziek, bidt de rozenkrans. Maar in deze redelijk comfortabele omgeving lukt het hem toch in talloze kleine dingen versterving te doen. Zijn moeder is in al die tijd zijn enige verpleegster. Beetje bij beetje verbetert Raphaëls gezondheidstoestand; de ziekte is echter niet genezen. Het is echter het begin van een nieuwe etappe: hij aanvaardt de realiteit niet alleen, maar heeft haar lief zoals zij is.

Raphaël voelt hoe de liefhebbende blik van Jezus die hem naar het klooster roept op hem rust, en een innerlijke strijd vindt plaats in zijn ziel vanwege het lijden dat hem te wachten staat. «Onze-Lieve-Heer, zo geeft hij toe, stelt me zwaar op de proef met de ziekte die ik heb die me van hot naar her voert zonder een plaats te hebben waar ik me kan ophouden, nu eens in de wereld, dan weer in het klooster, dat is iets wat je zelf moet kennen om het te begrijpen...» Een paar dagen later zegt Raphaël tegen zijn moeder: «Moeder, ik moet weg. Nu al, mijn zoon?», antwoordt deze met een angstig bedrukt hart. Het is de vierde keer dat zij haar zoon moet weggeven en de smart is steeds even hevig. «Ik moet weg... Morgen ga ik naar de Trappisten», verklaart Raphaël. Hij keert op 15 december terug naar San Isidro. Het afscheid van zijn moeder is eenvoudig, maar smartelijk. Wanneer ze ziet dat haar echtgenoot zich niet gereed maakt, stelt ze de vraag: «Gaat je vader niet met je mee? Nee. Deze keer ga ik alleen.»

Raphaël schrijft in zijn dagboek: «Mijn roeping is God alleen lief hebben, in opoffering en zelfverloochening, zonder enige andere Regel dan de blinde gehoorzaamheid aan zijn Goddelijke Wil. Ik denk die vandaag te volbrengen door te gehoorzamen, zonder geloften als oblaat, aan de superieuren van de cisterciënzer abdij van San Isidro de Dueñas...» Terwijl hij lichamelijk en geestelijk lijdt schrijft hij: «Zij kennen mijn roeping niet. Als de mensen wisten welk martelaarschap ik voortdurend doormaak... Als mijn familie eens wist dat voor mij de kern van mijn bestaan niet het klooster, noch de wereld, noch enig schepsel, maar God, en de gekruisigde God is... Het is mijn roeping te lijden.» Voortaan heeft hij al zijn verlangens laten varen en afgezien van iedere officiële roeping: «Mijn roeping is tot mij doorgedrongen. Ik ben geen religieus..., ik ben niet van de wereld..., ik ben niets... God zij gezegend, ik ben slechts een op Christus verliefde ziel.»

God ieder ogenblik liefhebben

In het begin van de Vasten van 1938 kondigt Vader Abt aan dat hij hem de monnikspij (het monastieke kleed bij uitstek, dat normaal is voorbehouden aan monniken die hun geloften hebben afgelegd) zal geven en het zwarte scapulier (tot dan droeg hij de koorkap en het witte scapulier van de novices). Op het moment zelf is hij gek van blijdschap, maar heel snel is hij weer meester over zichzelf: «Ik heb duidelijk gezien dat het in mij ijdelheid is». Zijn biechtvader zal later zeggen dat hij op dat moment van zijn leven hele uren doorbracht voor het tabernakel. Vervolgens was hij van gedaante veranderd en weerspiegelde zijn heldere blik de vlam van het vuur der liefde die hem verteerde. Soms geeft men hem, ter afwisseling van de lange uren van eenzaamheid die hem ondanks alles zwaar vallen, aardappelen te schillen, werk te verrichten in de chocoladefabriek, kaarten en tekeningen te maken waar Vader Abt hem om heeft gevraagd, of Latijn te studeren. Niets kan hem er echter van af houden constant te denken aan God lief te hebben. Maar de diepgang van zijn geestelijk leven is in de ogen van de anderen duidelijker dan in de zijne. Hij heeft inderdaad de indruk dat hij geen vooruitgang boekt: «Allerbeste Jezus, mijn God, schrijft hij op 13 april; ik zie, Heer, dat ik niets doe te uwen dienste. Ik ben bang mijn tijd te verliezen... Wanneer zal ik eindelijk eens beginnen u echt te dienen?... Ik ben nutteloos en ziek.» Gericht aan zichzelf voegt hij eraan toe: «Arme broeder Raphaël!... Moge het voor jou volstaan dat je jouw bedoeling ieder ogenblik zuivert en je ieder ogenblik God lief hebt. Alles doen uit en met liefde.»

Op Paaszondag, 17 april 1938, hangt Vader Abt broeder Raphaël het zwarte scapulier om en trekt hem de monnikspij aan. In zijn overweging schrijft hij die dag: «Ik zou liegen als ik zei dat ik me vandaag niet door ijdelheid heb laten meeslepen... Jezus alleen vervult het hart en de ziel. Kort daarvoor had hij aan een broeder in zijn klooster geschreven: «Heel weinig geeft degene die alles opgeeft op, want hij geeft slechts op wat hij op een dag (de dag van zijn dood) moet opgeven, of hij het wil of niet.» Op 22 april komt zijn vader een dagje naar hem toe. Broeder Raphaël lijkt het goed te maken. Maar de 23e moet hij het bed houden en ondergaat aanvallen van geestverwarring die gepaard gaan met hevige pijnen. Hij sterft op de ochtend van 26 april 1938, op 27-jarige leeftijd.

Tijdens zijn tweede bezoek aan het trappistenklooster heeft Raphaël de diepe betekenis van de monastieke stilte die zich omzet in gebed ontdekt: «De mensen zeggen dat de stilte in het klooster triest is, zo zal hij schrijven... Er bestaat geen grotere misvatting... De stilte in het trappistenklooster is de vreugdevolste taal die je jezelf maar kan voorstellen... Uit de ziel van de ogenschijnlijk deerniswekkende trappist stijgt rijkelijk en zonder ophouden een glorieus lied van blijdschap, vol liefde en vreugde naar zijn Schepper op, naar zijn God, naar een liefhebbende Vader die zorg voor hem draagt en hem troost...» Op 18 september 2010 herinnerde Paus Benedictus XVI de jongeren in de kathedraal van Westminster aan de weldaad van de stilte: «Ik nodig jullie uit iedere dag in jullie harten de bron van de ware liefde te zoeken. Jezus is er altijd, in stilte wachtend tot wij bij Hem komen en zijn stem horen. In de intimiteit van jullie harten roept hij jullie op tijd met Hem in gebed door te brengen. Maar dit soort van gebed, het ware gebed, vereist discipline; het vereist dat je dagelijks voor momenten van stilte zorgt... Zelfs te midden van de talloze activiteiten en zorgen van ons dagelijks bestaan, hebben wij het nodig een ruimte van stilte te scheppen, omdat wij juist in de stilte God vinden en wij in de stilte onze ware ik ontdekken.» Laten we de Allerheiligste Maagd Maria vragen ons te leren God in de stilte van ons hart te zoeken.

Dom Antoine Marie osb

Om het Blad van de Abdij Saint-Joseph de Clairval te publiceren in een tijdschrift, blad... of on het internetsite of een website te plaatsen, is een toelating vereist. Deze dient te worden aangevraagd per E-Mail or bij http://www.clairval.com.

Index der Briefe  - Home Page

Webmaster © 1996-2017 Traditions Monastiques