Blason  Abdij Saint-Joseph de Clairval

F-21150 Flavigny-sur-Ozerain

Frankrijk


[Cette lettre en français]
[Dieser Brief auf deutsch]
[Esta carta en español]
[Questa lettera in italiano]
28 oktober 2014
feest van H.H. Simon en Judas, apostelen


Dierbare Vriend van de Abdij Saint-Joseph de Clairval,

Op 12 mei 2013 zei Paus Franciscus tijdens de heiligverklaring van de martelaren van Otrante : « Vandaag stelt de Kerk ons ter verering een menigte martelaren voor, die tezamen waren geroepen in 1480 een opperste getuigenis van het Evangelie af te leggen. Ongeveer achthonderd personen die het beleg en de invasie van Otrante hadden overleefd zijn in de omgeving van de stad onthoofd. Zij hebben geweigerd hun geloof te verloochenen en stierven terwijl ze hun geloof in de verrezen Christus beleden. Waar hebben zij de kracht gevonden om trouw te blijven? Juist in het geloof dat maakt dat wij over de grenzen van onze menselijke blik heen kunnen kijken en dat, boven de grens van het aardse gezichtsveld uit, een blik biedt op de open hemelen, zoals H.Stefanus het zegt, en op Christus aan de rechterhand van de Vader (cf. Hand 7, 55-56).»

In het laatste kwartaal van de XVe eeuw betekent de expansiedrift van het Ottomaanse Rijk voor het christendom een geduchte bedreiging. In de Xe eeuw zijn de Seldjoekidische Turken die uit Centraal Azië kwamen en de islam aanhingen het Byzantijnse rijk binnengevallen. Vanaf 1299 verenigt prins Osman, die zijn naam zal nalaten aan de Ottomaanse dynastie, de Turkse stammen onder zijn heerschappij en bedreigt het Byzantijnse rijk tot in zijn kern. In 1453 maken de Turken een glorieuze intocht in Konstantinopel, het “tweede Rome”. De Ottomaanse sultan Mehmet (Mohammed) II, maakt, nadat hij haar eerst heeft geschonden, van de oude Heilige Sofia basiliek een moskee. Heel het christelijk Oosten en reeds een deel van de Balkanstaten zijn voortaan in de handen van de mohammedanen. Maar de veroveraar wil het daar niet bij houden: hij streeft ernaar heel Europa te onderwerpen om er islamitisch gebied van te maken.

Onzalige stad!

In 1480 lijkt Mehmet II het moment gunstig om het door burgeroorlogen — waarin de koning van Napels, Ferdinand van Aragon is betrokken — verwoeste Italië binnen te vallen. De sultan voorziet twee gekoppelde offensieven: het ene richting Venetië, over land via de Balkan (dit offensief wordt tot staan gebracht door het Hongaars verzet); het andere richting Apulië, in het zuidwesten van Italië, overzee. Paus Sixtus IV waarschuwt zijn landgenoten voor de Turkse dreiging in deze bewoordingen: «Italianen, als jullie je nog christenen willen kunnen noemen, verdedig je!» Zijn oproep vindt geen weerklank; Mehmet II verklaart tegenover de Paus met sarcasme: «Ik ga mijn paarden haver te eten geven op het graf van Heilige Petrus.» Van zijn kant heeft H. Franciscus van Paola, de beroemde kluizenaar van Calabrië, meerdere malen de op handen zijnde invasie van het koninkrijk Napels door de Turken voorspeld. Begin 1480 roept de heilige, in aanwezigheid van zijn medebroeders van de Orde van de Minderbroeders en de blik gericht op Otrante uit: «Ah, onzalige stad, met hoeveel lijken zullen jouw straten worden bezaaid! Hoeveel christenbloed zal er vloeien!» Franciscus van Paola laat de koning van Napels voor het gevaar waarschuwen: hij smeekt hem zijn troepen terug te roepen die in Toscane een broederoorlog voeren en zijn koninkrijk te verdedigen. Maar Ferdinand doet of de heilige een defaitist is en legt hem het zwijgen op.

De Kaap van Otrante, of Salentijns schiereiland, “hak” en meest oosterse punt van de Italiaanse laars, staat als een schildwacht prominent voor de uitgang naar de Adriatische Zee, op minder dan 100 km van Albanië dat de Turken in hun macht hadden sinds 1478. Otrante, dat in de oudheid een Griekse stadstaat was heeft waarschijnlijk Petrus aan land zien komen die afkomstig uit Antiochië op weg was naar Rome. Het heeft lang onder het bestuur van Byzantium gestaan en is in 1095 de plek geweest waar 12.000 Normandische kruisvaarders onder leiding van Bohemond van Tarenta zich inscheepten. In 1219 is H. Franciscus van Assisi die terugkwam van het Heilig Land er met eerbetoon ontvangen. Dichtbij Otrante bevindt zich het Basiliaans klooster San Nicola waar de monniken de liturgie in de Griekse taal vieren.

In moeilijkheden gebracht op Rhodos, vanwege de verdediging van de ridders van de H.Johannes, laat de Ottomaanse vloot, meer dan 15 schepen, het beleg van dit eiland in de steek en begeeft zich naar Kaap van Otrante, met aan boord 18.000 soldaten; de kust komt op 29 juli 1480 in zicht. Het oorspronkelijk doel was de haven van Brindisi, maar tegenwind dwingt de schepen 50 mijl meer ten zuiden van Roca, een plek op enkele kilometers afstand van Otrante, aan te meren. Op het moment dat de Turken ontschepen kan de stad slechts rekenen op een garnizoen met 400 man. De Otrantse bevolking haast zich koning Ferdinand te hulp te roepen: «Indien uwe majesteit niet onmiddellijk de nodige maatregelen neemt lopen wij groot gevaar te worden ingenomen; wij zullen onze plicht doen maar onze dood zal niet het ergste zijn: wel valt de schade te vrezen die wordt toegebracht aan de godsdienst en de belangen van zijne majesteit.» Ferdinand heeft echter geen troepen ter beschikking en zal in Otrante weken lang niet tussenbeide kunnen komen.

De in zee geworpen sleutels

Op 1 augustus gaan de Turken aan wal zonder op verzet te stuiten. De bewoners hebben zich binnen de vestingwerken verschanst. De pasja, Agometh, generaal van het Turkse leger, stuurt een gezant om een voorstel van overgave op voordelige voorwaarden te doen: als ze geen enkele weerstand bieden zullen mannen en vrouwen vrij worden gelaten, hetzij om te blijven zonder schade te ondervinden, hetzij om weg te gaan. Na een levendige discussie besluiten de notabelen van de stad unaniem om weerstand te bieden aan de indringer en “voor God en vaderland” te vechten. Ze willen hun koning niet verraden, noch de ongelovigen toegang verlenen tot Italië. Een van de ouderen van de stad, Ladislao De Marco, antwoordt de Turkse tolk: «Als de pasja Otrante wil zal hij haar met geweld moeten innemen omdat achter de muren de borstkassen van de burgers zitten.» Voor alle duidelijkheid maakt De Marco zich meester van de sleutels van de stad en werpt ze ostentatief vanaf een hoge toren in de zee.

De Ottomaanse donderbussen schieten dan op Otrante een orkaan aan kogels af. In de loop van de nacht klimt een groot deel van de soldaten van het Napolitaans garnizoen met behulp van touwen over de stadsmuren en slaan op de vlucht. De inwoners blijven alleen achter om hun stad te verdedigen; de strijd is vanaf dat moment een ongelijke. Vroeg in de ochtend van de tweede dag slaan de aanvallers een bres in de stadsmuur. Daar wringen ze zich door heen, maar worden teruggedrongen door de verdedigers. Een andere aanval heeft even weinig succes: de inwoners gooien kokend water over de Turken die proberen over de vestingwerken te klauteren. Het onophoudelijk hevig bombarderen van de Ottomaanse artillerie heeft echter op 11 augustus uiteindelijk tot gevolg dat het meest fragiele deel van de stadsmuren instort; de belegeraars verschaffen zich een toegang door deze brede bres. De verdedigers van de stad, onder de leiding van Zurlo en Falconi die voetstaps hun strijd voortzetten moeten het afleggen tegen het groot aantal aanvallers. De Ottomaanse hordes slaan zich schreeuwend een weg door de straten, plunderen de huizen die ze daarna een voor een in brand steken waarbij de inwoners worden afgeslacht. Een groot aantal inwoners van Otrante heeft zijn toevlucht gezocht in de gebarricadeerde kathedraal die met de macht der wanhoop wordt verdedigd door enkele gewapende mannen. De oude aartsbisschop Stefano Pendinelli, in zijn pontificale kleren gehuld, deelt voor de laatste keer aan zijn getrouwen het brood des levens uit; vervolgens roept een Dominicaan, Fra Fruttuoso, hen op zich christelijk voor te bereiden op het martelaarschap. Zijn woorden worden onderbroken door het kabaal waarmee de grote poort door de vijandelijke stormrammen wordt neergehaald. Die leggen de predikheer definitief het zwijgen op en storten zich vervolgens op de bisschop die gezeten is op zijn bisschopszetel. Agometh vraagt hem wie hij is: «Ik ben de onwaardige herder van deze kudde van Christus.» Een van de Turken vraagt hem de naam van Christus niet meer uit te spreken, maar alleen nog die van Mohammed. De aartsbisschop roept zijn agressor op zich te bekeren indien hij niet het lot van Mohammed wil ondergaan die voor het gerecht van God is veroordeeld voor zijn godslasterlijke taal. Buiten zichzelf van woede geeft de pasja dan het bevel de bisschop te onthoofden. Deze executie is het startsignaal van een groot bloedbad. In de geschonden kathedraal vloeit overvloedig het bloed van de christenen.

Na drie dagen onderbreekt de pasja de moordpartij en geeft de soldaten het bevel alle gezonde mannen van meer dan vijftien jaar bijeen te brengen. Er worden ongeveer 800 mannen (813 volgens een overlevering) naar hem toe gebracht. Een afvallige priester zit naast de Ottomaanse aanvoerder; terwijl hij diens woorden vertaalt probeert hij de inwoners van Otrante ertoe over te halen Christus te verloochenen. «De overwinning van de mohammedanen, zegt hij tegen hen, is een bewijs dat Mohammed machtiger is dan Christus. Als jullie je tot de islam bekeren zullen jullie je leven redden en al jullie bezittingen behouden; in het tegengestelde geval worden jullie allemaal afgeslacht.»

Een dappere kleermaker

Dan verheft zich een reeds bejaarde kleermaker, Antonio Primaldo, en richt de volgende woorden tot zijn metgezellen: «Broeders, we hebben gehoord tot welke prijs ons wordt voorgesteld het recht te kopen dit ellendig leven te verlengen. We hebben tot nu toe gestreden voor ons vaderland, ons leven en onze aardse meesters. De tijd is gekomen van nu af aan te strijden tot behoud van onze door Onze-Lieve-Heer afgekochte zielen. Daar Hij voor ons is gestorven op het Kruis, past het ons dat wij ook, vastberaden en volhardend in het geloof, voor Hem sterven. Door deze aardse dood zullen wij de heerlijkheid van het martelaarschap en het eeuwig leven verkrijgen. «Na die woorden klonk het als uit één keel en vol vuur dat ze eerder duizend maal liever welke dood dan ook sterven, dan Christus verloochenen. Ieder roept zijn metgezellen op (de een zijn zoon, de ander zijn vader) “ja” tegen Christus en “nee” tegen Mohammed te zeggen, wat ook de gevolgen ervan mogen zijn.

De voorman van de Turken belooft de gevangen christenen echter nog een keer dat ze hun vrouwen en kinderen terugkrijgen als ze de “shahada”, de rituele formule waardoor ze mohammedanen worden, uit te spreken: “Er is geen andere God dan Allah en Mohammed is de profeet van God”. Deze zin uitspreken staat in feite gelijk met geloofsverzaking. Primaldo weigert dit en hernieuwt zijn gelofte van trouw aan Christus, die door de menigte met geestdrift wordt overgenomen; zij weet inderdaad dat Jezus Christus God is en dat er onder de hemel geen andere naam dan die van Jezus aan mensen is gegeven, waardoor wij ons kunnen laten redden (Hand 4, 12).

Jezus Christus is inderdaad de enige Verlosser van de mensen, zoals de Congregatie voor de Geloofsleer ons in herinnering bracht in een document dat is goedgekeurd door de gelukzalige Johannes Paulus II: «Hij alleen, als mens geworden, gekruisigde en verrezen Zoon van God, door de van de Vader ontvangen zending en in de kracht van de heilige Geest aan heel de mensheid en aan iedere mens de openbaring (Mt 11, 27) en het goddelijk leven schenkt. In die zin kan en moet men zeggen dat Jezus Christus’ betekenis voor het mensengeslacht en zijn geschiedenis uniek en eenmalig is, Hem alleen eigen, exclusief, universeel en absoluut. Jezus is immers het Woord van God dat voor het heil van alle mensen is mens geworden. In het bewustzijn van dit geloof leert het Tweede Vaticaans Concilie: “Het Woord van God, waardoor alles is gemaakt, is zelf mens geworden, zodat Het als de volmaakte Mens allen kon redden en alles in zich recapituleren. De Heer is het doel van de mensengeschiedenis, het punt waarnaar alle verlangens van de geschiedenis en de beschaving convergeren het centrum van de mensheid, de vreugde van alle harten en de vervulling van hun verlangens. Hij is het die de Vader van de doden deed opstaan, verhief en aan zijn rechterhand deed plaatsnemen, Hem aanstellend tot Rechter over levenden en doden.” (Gaudium et spes, 45) Het is juist deze unieke bijzonderheid van Christus die Hem een absolute en universele betekenis verleent, waardoor Hij, terwijl Hij in de geschiedenis staat, het centrum en het doel van deze geschiedenis is: Ik ben de Alfa en de Omega, de Eerste en de Laatste, de Oorsprong en het Einde (Apok. 22, 13)» (Verklaring Dominus Jesus, 6 augustus 2000, n.15).

Geërgerd over de standvastigheid van de 800 gevangenen in hun geloofsbelijdenis, geeft Agometh de opdracht hen ter dood te veroordelen. In de ochtend van 14 augustus worden ze met de strop om de hals en de armen op de rug vastgebonden naar de Minerva heuvel, op enkele honderden meters van de stad, gebracht. De afvallige calabrische priester draait om hen heen en houdt hun een bord voor waarop in Latijnse lettertekens de “shahada” staat geschreven: «Spreek deze eenvoudige zin uit en je leven is gered.» Maar alle veroordeelden zeggen onder het aanroepen van Jezus en Maria dat ze bereid zijn te sterven. De pasja beveelt dat Antonio Primaldo het eerst wordt geëxecuteerd. Voor hij het hoofd op het blok van het schavot legt roept de oude man zijn metgezellen op sterk te zijn in het geloof en naar de Hemel te kijken die op hen wacht. Zijn zelfverzekerdheid komt voort uit de zekerheid van zijn geloof:

Het geloof is zeker, zekerder dan elke menselijke kennis, omdat het steunt op het woord zelf van God, die geen onwaarheid kan spreken. Zeker, de geopenbaarde waarheden kunnen het menselijk verstand en de menselijke ervaring duister voorkomen, maar “de zekerheid die het goddelijk licht schenkt, is groter dan de zekerheid die het menselijk verstand schenkt” (Catechismus van de Katholieke Kerk, 157).

Zekere tekenen

Primaldo grijpt terug naar de woorden van H. Stefanus en roept uit dat hij de geopende hemel en de troostende engelen ziet. Hij wordt met één klap van het kromzwaard onthoofd, maar tot ieders stomme verbazing neemt hij weer plaats op zijn stoel; zijn lichaam zonder hoofd zal ondanks de verwoede pogingen van de beulen die met touwen aan hem trekken en rukken, overeind blijven tot aan het eind van de terechtstelling. Geconfronteerd met dit wonder verklaart een van de beulen, Berlabei genaamd, dat hij christen is geworden. Deze bekering illustreert de bewering van de Catechismus van de Katholieke Kerk: Zo zijn de wonderen van Christus en de heiligen, de profetieën, de verbreiding en de heiligheid van de Kerk, haar vruchtbaarheid en haar stabiliteit “zekere tekenen van de openbaring, aangepast aan het begrip van ieder” (CKK, 156). De pasja is woedend en de nieuwe bekeerling wordt op zijn bevel aan de paal geregen en Berlabei wordt zodoende in zijn eigen bloed gedoopt. Vier ooggetuigen (kinderen nog of jongelingen in 1480) hebben in 1539 verslag gedaan, tijdens het zaligverklaringproces, van het wonder van het onthoofde lichaam van Antonio dat maar steeds overeind bleef, en van de bekering van Berlabei. De zo met bloed doordrenkte Minerva- heuvel zal voortaan de “Heuvel der Martelaren” worden genoemd en de minderbroeders zullen er weldra een klooster vestigen.

De val van Otrante en de moord op een groot deel van haar bevolking slaan Italië en zelfs heel het christelijk Westen met verbijstering en verschrikking. Paus Sixtus IV overweegt even het bedreigde Rome te ontvluchten en doet een oproep voor een kruistocht. Door schrik bevangen, leggen de Italiaanse potentaten en de koning van Frankrijk hun onenigheden het zwijgen op. Koning Ferdinand haast zich in enkele dagen vrede te sluiten met Lorenzo de Medici; een internationaal leger van kruisvaarders afkomstig uit meerdere Europese landen gaat onmiddellijk op weg naar Kaap Otrante, onder het bevel van hertog Alfonso van Calabrië, zoon van de koning van Napels. De Turken hebben de vestingwerken van de stad echter weer snel opgebouwd. De kruisvaarders moeten de hele winter pas op de plaats maken terwijl de mohammedanen van overzee levensmiddelen en munitie krijgen aangevoerd met het oog op een groot lenteoffensief tegen Apulië. Maar op 3 mei 1481 sterft sultan Mehmet II onverwacht en de strijd om de macht tussen zijn zonen Bajazet en Diem houdt de aandacht van de Ottomanen af van Italië. Deze door de Voorzienigheid beschikte gebeurtenis stelt Alfonso van Calabrië in staat, na een beleg van drie maanden, op 10 september 1481, als bevrijder de zwaar beproefde stad in te trekken. Men heeft de hertog weten te overtuigen een bestorming van de stad die veel bloedvergieten met zich mee zou brengen te vermijden. De Turkse bezetters zijn gecapituleerd op voorwaarde dat hun leven gespaard zou worden en ze het recht kregen zich op vier schepen terug te trekken; Alfonso dwingt hen hun christelijke gevangenen die ze van plan waren als slaven mee te nemen vrij te laten.

Heilzaam verzet

Nauwelijks voor de kust van Otrante aangekomen hebben de kruisvaarders de lichamen ontdekt van achthonderd martelaren, nog onaangetast hoewel al een jaar nog niet begraven. Alfonso laat ze voorlopig begraven in de buurt van de stad. Op 13 oktober wordt een groot deel van de stoffelijke resten naar de kathedraal van Otrante overgebracht. Rond het Maria-altaar kan men tegenwoordig een grafkelder zien waarin de resten van 560 lichamen liggen; de overige resten zijn naar Napels overgebracht. De tragedie heeft een zware tol geëist: van de 22.000 inwoners van Otrante hebben er 12.000 tijdens en na het beleg het leven gelaten; 813 mensen zijn onthoofd (de martelaren die zo pas zijn heilig verklaard); de meeste overige inwoners, vrouwen en kinderen, zijn als slaven weggevoerd. Slechts een zeer klein deel van de inwoners van Otrante is het gelukt aan de moordpartij of de slavernij te ontsnappen. Maar de twee weken van verzet van de belegerde inwoners en het offer van hun martelaren hebben Italië gered door de christelijke vorsten in staat te stellen zichzelf weer meester te worden en de heilzame expeditie te organiseren. De kroniekschrijvers van die tijd hebben terecht opgemerkt dat het verzet van Otrante het heil van Zuid-Italië en misschien zelfs van Rome heeft mogelijk gemaakt.

De wonderen die worden toegeschreven aan de hulp van de aangeroepen martelaren van Otrante, wier namen onbekend zijn gebleven, behalve die van Primaldo, of aan hun heilige relieken, zijn tot op de dag van vandaag niet te tellen: lichtschijn rondom de gebeenten, plotselinge genezingen, bescherming van de stad Otrante tegen nieuwe belegeringen van de islam of tegen aardbevingen... Op 4 augustus 1980 is de gelukzalige Johannes Paulus II ter gelegenheid van de 500e verjaardag van het drama, naar Otrante gegaan om haar martelaren te vereren. Tegen de jeugd die naar hem kwam kijken heeft hij gezegd: «Bewaar in jullie hart, als een kostbaar erfstuk, het bewonderenswaardig voorbeeld van de inwoners van Otrante die, op 14 augustus 1480, aan de vooravond van de moderne tijd, liever hun leven hebben willen opgeven dan het christelijk geloof af te zweren. Het is een lichtgevende en luisterrijke pagina in de burgerlijke en godsdienstige geschiedenis van Italië, maar in het bijzonder voor de geschiedenis van de Kerk die in deze wereld op doortocht is. Zij moet door de eeuwen heen haar tol aan lijden en vervolgingen betalen om haar trouw aan haar Echtgenoot, Christus, God en Mens, Verlosser en Bevrijder van de Mens...in ongeschonden en onbevlekte staat te handhaven. Jullie zijn de nakomelingen van dit edele, sterke ras dat na eerst op moedige wijze en met alle mogelijke middelen zijn geliefde stad te hebben verdedigd, eveneens op sublieme wijze de schat van het geloof, ontvangen via het Doopsel..., heeft weten te verdedigen. Verkeerden deze mensen in een staat van zinsbegoocheling, waren ze niet van hun tijd? Nee, beste jongeren! Het waren authentieke, logisch denkende mensen. Onder hen waren jongeren die, zoals jullie, ernaar verlangden te leven, gelukkig te zijn, lief te hebben. Maar met een helder oordeel en vastberaden hebben ze hun keuze gemaakt en die was voor Christus! Tegenover de hedendaagse ideologieën die het theoretisch en praktisch atheïsme verkondigen en verheerlijken, vraag ik jullie: zijn jullie bereid de woorden van de gelukzalige martelaren na te zeggen: “Wij kiezen ervoor liever voor Jezus Christus te sterven dan Hem te verloochenen”?... Bereid zijn voor Christus te sterven houdt in dat men zich ertoe verbindt edelmoedig en coherent de eisen van het christelijk leven te onderschrijven, dat wil zeggen te leven voor Christus.»

Het in Otrante in 1539 gehouden diocesaan proces heeft het mogelijk gemaakt tien ooggetuigen van de marteldood te horen. Dat heeft de details opgeleverd waarover wij nu beschikken, in het bijzonder wat betreft de wezenlijke rol die Antonio Primaldo heeft gespeeld. De verering die de achthonderd martelaren sinds “mensenheugenis” ten deel is gevallen is officieel in 1771 door de Heilige Stoel gelegaliseerd, hetgeen neerkwam op een zaligverklaring. Met het oog op hun heiligverklaring is de echtheid van een wonder erkend in 2012 door Paus Benedictus XVI: het betrof de onverwachte en medisch onverklaarbare genezing van een Italiaanse non, zuster Francesca Levote, die een vergevorderde en ongeneeslijke vorm van kanker had; dit wonder is van Onze-Lieve-Heer in 1980 verkregen door het gebed van de zieke, op voorspraak van de martelaren van Otrante.

Bedorven waarden weigeren

Op 24 juni 2013 wendde Paus Franciscus zich tot de gelovigen in deze bewoordingen: «In twee duizend jaar hebben zovele mannen en vrouwen hun leven opgeofferd om Jezus Christus en zijn Evangelie trouw te blijven. En tegenwoordig zijn er ongeveer overal ter wereld zoveel martelaren, zelfs nog meer dan in de eerste eeuwen, die hun leven geven voor Christus, die naar de dood worden gevoerd omdat ze hebben geweigerd Jezus Christus te verloochenen. Dat is nu onze Kerk... Maar er zijn ook martelaren van alledag waarbij het niet gaat om te sterven, maar om uit plichtsbetrachting en met liefde het leven te verliezen voor Christus, volgens de logica van Jezus, de logica van het geven, van het offer... Alledaagse martelaren, martelaren van alledag! En er zijn nog zoveel meer mensen die hun leven verliezen voor de waarheid.» In zijn slotwoord richtte de Paus zich tot de jongeren: «Wees niet bang tegen de stroom in te gaan wanneer men jullie je hoop wil ontnemen, wanneer men jullie waarden voorhoudt die reeds door bederf zijn aangetast. Loop vooruit, wees moedig en ga tegen de stroom in.»

Laten we God, op voorspraak van de martelaren van Otrante, vragen om de genade, trouw te zijn aan Jezus Christus in het “alledaags martelaarschap”, en, indien nodig, tot aan het met bloed bezegeld martelaarschap. Dan zullen we op een dag de open hemelen zien en Christus aan de rechterhand van de Vader.

Dom Antoine Marie osb

Om het Blad van de Abdij Saint-Joseph de Clairval te publiceren in een tijdschrift, blad... of on het internetsite of een website te plaatsen, is een toelating vereist. Deze dient te worden aangevraagd per E-Mail or bij http://www.clairval.com.

Index der Briefe  - Home Page

Webmaster © 1996-2017 Traditions Monastiques