Blason  Abdij Saint-Joseph de Clairval

F-21150 Flavigny-sur-Ozerain

Frankrijk


[Cette lettre en français]
[This letter in English]
[Dieser Brief auf deutsch]
[Esta carta en español]
[Questa lettera in italiano]
22 augustus 2014
feest van MARIA Koningin


Dierbare Vriend van de Abdij Saint-Joseph de Clairval,

September 1903. De jonge pater Daniël Brottier, 27 jaar, schrijft aan Monseigneur Le Roy, Superieur Generaal van de Paters van de Heilige Geest: « Dat missionarisleven, daar heb ik al sinds mijn twaalfde over gedacht, als het leven van een man die zich wil opofferen en zijn leven geven voor het heil van de zielen, snel of druppelsgewijs, wat maakt het uit? Zou het mij echter vergund zijn een voorkeur uit te spreken, dan zou het zijn voor de eerste mogelijkheid. Ik wil maar zeggen, Monseigneur, dat ik niet echt met beide benen op de grond sta. Daar heb ik overigens goede redenen voor. Niet dat ik verbeelding zou hebben, maar als u een gevaarlijkere baan zou hebben waarin iemand zijn leven riskeert, zeg ik u in alle eenvoud: ik ben uw man.» Die laatste woorden geven al aan wat de houding is van de jonge missiebroeder. Het is een antwoord van liefde op de liefdeskreet van het Kruis: Ik heb dorst!, een onvoorwaardelijke en blijmoedige gave om tot het einde toe lief te hebben.

Als tweede in een eenvoudig en oprecht christelijk gezin is Daniël op 7 september 1876 geboren in La Ferté-Saint-Cyr, dichtbij Orléans. Hij is begenadigd met een levendige intelligentie, een rechtvaardig oordeel en een liefhebbend hart en men kent hem al snel als doortastend, onstuimig en een echte vechtersbaas. Op zijn vijfde verklaart hij tegenover zijn moeder dat hij Paus wordt. «Je moet eerst priester worden, legt zij uit. Ik zal priester worden!» Op school hoort Daniël bij de besten. Op zijn elfde, 11 april 1887, doet hij zijn Eerste Communie: dit eerste van-hart-tot-hart contact met Jezus maakt diepe indruk. Hij vat het op als de bevestiging van zijn roeping om priester te worden. «De Hemel, zo zal hij later schrijven, is een Eerste Communiedag zonder einde!» In oktober hierop volgend gaat de jongen naar het klein seminarie van Blois. Vanaf die tijd denkt hij erover broeder en missionaris te worden, maar men geeft hem de wijze raad eerst maar zijn studie te volbrengen. Hij maakt zich geliefd door zijn vrolijk karakter, zijn enthousiasme, maar ook door zijn verering van de Heilige Maagd. Op 8 december 1892 ontvangt hij op het groot seminarie de soutane. Ondanks hevige hoofdpijnen waar hij zijn hele leven last van zal hebben zet hij manmoedig zijn studie voort. Op 22 oktober 1899 wordt eerwaarde Brottier priester gewijd en naar het College van Pontlevoy gestuurd. «Je bent een geboren opvoeder», zegt zijn bisschop. Hij heeft inderdaad niets van zijn schwung, zijn humor en enthousiasme verloren. Hij weet de jeugd met buitengewoon overwicht mee te slepen. De missionarisroeping houdt hem echter nog altijd bezig.

Op aanraden van zijn geestelijk leidsman vraagt Daniël in 1901 om te worden toegelaten tot de Congregatie van de Heilige Geest die Zwart Afrika evangeliseert. Hij wil zo snel mogelijk gaan werken op de zo weidse akker van God de Vader: «Ik verlang ernaar mijn leven, mijn bloed te geven voor de verspreiding van de Blijde Boodschap... Het is nogal wat, die wens om martelaar te worden; maar zonder die wens lijkt het me onmogelijk een waarachtige missionaris te zijn», zal hij later schrijven. Zijn roeping gaat met de nodige obstakels gepaard: verzet van de bisschop die deze zo gewaardeerde priester ongaarne laat gaan, en van zijn familie. «Als het geluk op aarde het doel was waarop al onze inspanningen moeten gericht zijn, zou mijn plan onzinnig zijn, schrijft hij aan zijn broer, maar de opofferingen die wij ons nu getroosten zijn de kiem van heerlijkheid en geluk voor de Hemel, en dat moeten we voor alles in aanmerking nemen. Dat wil niet zeggen dat de opofferingen geen pijn doen maar, wanneer de Goede God ons roept, moeten we er koste wat kost op uit. En God weet wat het me heeft gekost en wat het me nog zal kosten. Maar die last zou niets voorstellen als ik niet al degenen die ik lief heb, en vooral onze goede ouders, zou doen lijden.»

De stortvloed aan banden leggen

In september 1902 wordt Daniël toegelaten tot het noviciaat. In november 1903 legt hij zijn geloften af en ontvangt zijn obediëntie. Enigszins teleurgesteld hoort hij dat hij niet naar de rimboe, maar als kapelaan naar een parochie in Saint-Louis in Senegal wordt gestuurd. Heel snel is hij gewend aan het klimaat en de inwoners. De jonge missionaris wordt gewaardeerd want hij weet grapjes te maken en poetsen te bakken. In die tijd werden de katholieke scholen verplicht gedeconfessionaliseerd en de broeders en zusters uit het onderwijs verdreven. Eerwaarde Jalabert, zijn pastoor, doet een beroep op pater Brottier om de jeugd te redden. Met bijzonder grote ijver wijdt deze zich aan de geestelijke vorming van de jongeren: de katholieke kring, de broederschap van de kinderen van Maria, het patronaat waar ook veelvuldig jonge mohammedanen komen. Voor de volwassenen organiseert hij met succes apologetische lezingen over de godsdienst. «Het goede is moeilijk, maar toch doen we het, schrijft hij. Is het niet onze plicht te proberen de stortvloed van goddeloosheid die de jeugd dreigt te verzwelgen aan banden te leggen?» In 1911, echter, houdt hij aan een ongeluk een knieletsel over en een hoofdwond die vele maanden verzorging vraagt. Zijn hoofdpijnen zijn bovendien zo ondraaglijk geworden dat de doktoren terugkeer naar Frankrijk eisen. Ontmoedigd denkt hij erover trappisten monnik te worden; maar een retraite in de abdij van Lérins bevestigt hem in zijn roeping van Spiritijn. Hij zal Afrika nooit meer terugzien, maar zal er tot aan zijn dood voor blijven werken. Hij ontvangt van Mgr. Jalabert, zijn voormalige pastoor die bisschop van Dakar is geworden, een dringende oproep geld in te zamelen voor de bouw van de Afrikaanse Gedachtenis, de kathedraal van Dakar. Aan de verwezenlijking ervan zal hij tot 1936 werken.

De geluksaalmoezenier

Op 2 augustus 1914 verklaart Duitsland de oorlog aan Frankrijk. Daniël Brottier is niet mobiliseerbaar, maar het onheil dat zijn land treft kan hem niet onberoerd laten. Hij voegt zich bij het corps Aalmoezenier-Vrijwilligers dat zojuist met toestemming van de regering is opgericht en wordt een voorbeeldige aalmoezenier: altijd in de eerste linies tijdens de vier jaren van oorlog, biedt hulp aan gewonden en stervenden, ongeacht of ze Fransen of Duitsers zijn. Per correspondentie zet hij zich tevens in ten dienste van oorlogsweduwen of moeders die een zoon hebben verloren. Wanneer het tijd is voor ontspanning voegt hij zich bij de officieren en soldaten voor een spelletje kaart, hoewel hij voorheen nooit had gespeeld; het is voor hem een middel om de harten te winnen en de zielen te raken. Voor het Paasfeest van 1915 krijgt hij het voor elkaar dat een hele compagnie, officiers en soldaten, te biecht gaat. Aan de vooravond van een offensief dat geen enkele kans van slagen heeft gaat hij op eigen houtje naar de chef-staf en dwingt de officieren in te zien dat een rechtstreekse aanval onmogelijk is; op die manier redt hij honderden levens. Zijn houding is van grote invloed op het moreel van de soldaten. «En toch knijp ik hem net zo zeer als de anderen!», zegt hij. Hij is uitgeput van de kou en het slaapgebrek; om hem heen zijn er veel die niet overeind blijven. “De geluksaalmoezenier”, zoals zijn bijnaam luidt want hij staat duidelijk onder de bijzondere bescherming van de Hemel en zal uit de oorlog komen met zes eervolle vermeldingen, Oorlogskruis en Legioen van Eer. Terwijl hij honderden malen zou moeten zijn gedood, werd hij niet eens ooit gewond of met gifgas bewerkt. Mgr. Jalabert zal daarvoor als verklaring aanvoeren dat hij zijn foto in een dubbellijstje had gedaan met de beeltenis van H. Theresia van het Kindje Jezus waarop hij had geschreven: «Spaar pater Brottier want die heb ik nodig». Vanaf die tijd vat de pater een zeer levendige verering op voor zijn beschermvrouwe. «Wanneer ze wordt zalig verklaard, beloof ik voor haar een mooie kapel te bouwen», verklaart hij om haar zijn erkentelijkheid te bewijzen.

Na de oorlog voert pater Brottier de Nationale Unie van Frontsoldaten aan en hervat de geldinzamelingen voor de bouw van de kathedraal van Dakar. De moeilijke economische conjunctuur van het land verplicht hem al zijn vindingrijkheid aan te boren. Al die jaren voelt hij zich nutteloos en nergens goed voor; zijn hoofdpijnen verergeren zich opnieuw en hij maakt een innerlijke zuivering mee waarin de kleine Theresia zijn steun en voorbeeld is. God bereidt het hart van een heilige voor om blijk te geven van zijn oneindige liefde voor zijn bevoorrechte kinderen, zij die door de beproeving zijn getekend, zij die niet bemind zijn.

Weldra wordt pater Brottier inderdaad gevraagd om de leiding op zich te nemen over het Wezenwerk van Auteuil, rue La Fontaine, in Parijs. Dit werk dat is opgezet in 1866 door eerwaarde Roussel bracht in de beginjaren de zogenoemde kinderen “van de Eerste Communie” bijeen: om de vier maanden een nieuwe groep straatkinderen die werden voorbereid op hun Eerste Communie. Langzaam maar zeker had deze oorspronkelijke opdracht een humanitaire dimensie gekregen doordat de kinderen ook een vak werd bijgebracht. In 1895 had de Congregatie van H.Vincentius a Paulo het werk van eerwaarde Roussel overgenomen. Het Werk had zich tijdens de oorlog staande weten te houden, maar door diezelfde oorlog slonken de giften zo zeer dat men overwoog het huis te sluiten. In 1923 biedt Kardinaal Dubois, aartsbisschop van Parijs, de Spiritijnen aan Auteuil over te nemen; hun Generaal Overste, Mgr. Le Hunsec, benoemt daarvoor pater Brottier. Op 19 november belast deze zich met het Werk van Auteuil dat 175 leerlingen telt. Twee dagen later besluit hij zijn belofte na te komen die hij ter ere van haar die hem had beschermd tijdens de oorlog had gedaan. Op de bewuste plek wordt de kapel gebouwd ter vervanging van een veel te kleine kapel die in een loods was ingericht. De pater heeft geen cent, maar hij deelt het volledig blinde vertrouwen van Theresia die overigens had gebeden voor dit werk dat zij kende; de heer Castel, vader van een van haar novices, was een trouw medewerker van eerwaarde Roussel.

Hun moedertje

De wezen worden uitgenodigd een gebedsnovene te houden en de pater zet zijn beschermvrouwe voor het blok: «Ik heb de kardinaal om een onderhoud gevraagd aangaande onze toekomstige kapel. Wanneer ons plan u ter harte gaat, geef me een teken: dat ik vóór dit bezoek 10.000 francs ontvang. Anders laat ik het varen.» De novene loopt ten einde en het tijdstip van het onderhoud staat voor de deur. Niets. Maar op het moment dat hij in de taxi stapt om zich naar het aartsbisdom te begeven overhandigt men hem een omslag die de gewenste som bevat! De kardinaal geeft hem toestemming voor de bouw van de kapel, maar werpt tegelijkertijd tegen: «Gelooft u niet dat voor jongens een mannelijke jonge heilige geschikter zou zijn dan een vrouwelijke? Nee, Eminentie: deze kinderen die zo jong de liefde van een moeder hebben moeten ontberen, ervaren zo’n grote leegte in hun hart dat ze zich zeker zullen hechten aan deze jonge heilige aan wie ze alles te danken zullen hebben. Zij zal hun moedertje zijn.»

Op 8 december 1923 wordt een inschrijving geopend. Men ontvangt de ene offergave na de andere; elke dag ontvangt pater Brottier, vaak anoniem, een briefje van 1.000 francs. Vanaf 1925, het jaar van de heiligverklaring van Theresia, zijn de werkzaamheden voldoende gevorderd om het Mgr. Le Hunsec mogelijk te maken in de kapel een eerste pontificale mis op Kerstdag te vieren. Tenslotte wordt op 5 oktober 1930 het gebouw ingewijd door kardinaal Verdier. Deze blijde gebeurtenis verhindert de pater niet dat hij wordt achtervolgd door zorgen om het lot van de weeskinderen. Er moet meer ruimte komen om meer kinderen te onttrekken aan de gevaren van de straat, de lichamelijke en morele ellende. «Die kinderen zijn mijn kleine wilden!», zegt hij. Hij wil ze naar God voeren en klaagt dat hij ze niet allemaal kan opnemen en moet er zelfs van huilen: «Ziet u, vandaag was ik weer genoodzaakt tien weeskinderen te weigeren; ik weet niet meer waar ik ze moet stoppen.» Hij wordt bedelaar en in vier jaar lukt het hem de opnamecapaciteit te verdubbelen. Bij zijn dood in 1936 zijn er 1.425 leerlingen. Daar hij ze niet allemaal in Auteuil kan ontvangen bedenkt hij het “Tehuis op het platteland” om kinderen aan betrouwbare boerengezinnen toe te vertrouwen. De doelstelling is de jonge generatie het gevoel voor het platteland weer terug te geven. In maart 1932 worden Mgr. Le Hunsec en Pater Brottier in audiëntie ontvangen door Paus Pius XI die de pater met liefde de zegen geeft: «We moeten de plekken uitbreiden waar de naastenliefde wordt beoefend voor onze dierbare kinderen», zegt hij; en hij overhandigt een substantiële gift die het begin betekent van de uitbreiding van het werk in de provincie met de opening van een of twee huizen per jaar. Ondanks de maatschappelijke problemen van die tijd aarzelt de pater niet om op de deur van de harten van de Fransen te kloppen die op gulle wijze antwoord geven.

De bliksemafleider

Pater Brottier verliest het zo belangrijke Eerste Communie Werk niet uit het oog. «Het is, zo zegt hij, de bliksemafleider van het huis. God kan geen huis treffen dat zoveel zielen van arme kinderen redt.» Tijdens de voorbereidingsdagen krijgen de kinderen gratis onderdak en voedsel; als tegenprestatie vraagt de pater hun voor de wezen te bidden. Deze laatste, jongens van 13 tot 18 jaar, hebben meestal noch opvoeding, noch godsdienst, noch onderricht gekregen; er zijn dus een hoop vooroordelen te overwinnen en weerbarstig gedrag aan banden te leggen. De methode van de pater komt neer op het scheppen van vertrouwen, met zachte maar ferme hand, zonder uitzonderlijke strengheid noch te veel vrijheid. Het voorlezen van de behaalde cijfers zijn voor hem een gelegenheid om de leerlingen te complimenteren, aanmerkingen of zelfs verwijten te maken. Hoewel de strenge blaam soms noodzakelijk is wordt deze ook gevolgd door aanmoedigingen en de pater geeft altijd blijk van zijn vertrouwen in de toekomst; de kinderen houden van hem en vereren hem. Deze pater, begeesterd van een vurige ijver voor het heil der zielen, leert hun zich te bekommeren om de zuiverheid van de ziel en nooit een doodzonde op het geweten te laten voor wat zij is.

Om zijn werk te ontwikkelen gaat pater Brottier ook publiceren. Behalve het bulletin van het Werk van de Afrikaanse Gedachtenis en de Auteuil Koerier richt hij La France illustrée op en twee publicaties voor de jeugd: Missions en L’Ami des jeunes. Hij is zich bewust van het gevaar van het activisme en zit ’s morgens als eerste in de kapel voor het stil gebed, voor het begin van de mis; hij brengt de rest van de dag in zijn kantoor door met schrijven van artikelen en brieven (soms een honderdtal; maar het gebeurt ook dat hij 600 brieven op een dag ontvangt), met het ontvangen van en met buitengewoon groot geduld luisteren naar jongeren of zielen in nood die hij weer op de rechte weg zet. Louis Delage, groot industrieel in de automobielwereld, verdeelt zijn dagen tussen werken en alle genoegens die aan fortuin en bekendheid zijn te danken. Van christelijk leven is geen sprake. Maar in 1934 deed een financiële catastrofe zijn firma op zijn grondvesten schudden en maakte hem zwaar moedeloos. Een vriend stelt hem dan voor pater Brottier eens te ontmoeten. Dit onderhoud van een half uur verandert hem radicaal en maakt een ware christen van hem. «Toen ik afscheid van hem nam, pakte de pater mijn handen vast en zei: “Heb vertrouwen en ga door met strijden. Ik weet niet of uw firma gered zal worden; maar zeg tegen uzelf dat wat de goede God ook zal willen, het voor uw bestwil zal zijn. En iedere keer als u voelt dat u zwak wordt, wanneer u weer voelt dat uw gedachten weer teruggaan naar wat u uw dwalingen noemt, houdt ermee op en bidt een groot ‘Onze Vader’, met heel uw hart. Heb vertrouwen in Hem.” En ik, die zo ver van de Kerk af stond, heb zonder de geringste spijt alle wereldse betrekkingen en evenementen opgegeven, terwijl ik gelukkig ben zoals ik nog nooit geweest ben, zelfs op de eervolle momenten van mijn industrieel bestaan, als ik op bedevaart ga naar Chartres, Lisieux en Lourdes. De bescherming van pater Brottier is voor mij verbonden met dit gevoel van vrijheid en welzijn dat ik nu ervaar en waardoor ik zeg dat ik misschien een groot fortuin heb verloren, maar een veel groter heb teruggevonden: het geloof !»

«God heeft het geopenbaard...»

In het hart van pater Brottier leeft een alles omvattend geloof, zonder aarzeling, eenvoudig en standvastig in die zin dat hij bereid is zijn leven ervoor te geven. De bronnen van zijn geloof zijn de oneindige waarachtigheid van God en van Christus, de standvastigheid en onfeilbaarheid van de Kerk. «Wie zijn wij, verklaart hij, om met God in discussie te gaan? Als God het heeft geopenbaard, waarom zouden wij er ons niet nederig aan onderwerpen?»

«Geloven is slechts mogelijk door de genade en de innerlijke bijstand van de Heilige Geest, brengt de Catechismus van de Katholieke Kerk ons in herinnering. Het is niet minder waar dat geloven een authentiek menselijke daad is. Het is noch in strijd met de vrijheid noch met het denken van de mens om op God te vertrouwen en zich te bekennen tot de door Hem geopenbaarde waarheden. In menselijke verhoudingen is het al niet in strijd met onze waardigheid te geloven wat anderen ons over zichzelf en hun bedoelingen vertellen, en ons te verlaten op hun beloften (bijv. wanneer man en vrouw huwen) om zo deel te krijgen aan een wederzijdse gemeenschap. Daarom is het nog veel minder in strijd met onze waardigheid “door geloof de volkomen onderwerping van ons verstand en onze wil aan de God die openbaart, te tonen” (CKK 154).

Tijdens het Jaar van het Geloof, dat is ingeluid in oktober 2012 en werd voortgezet tot het feest van Christus Koning op 24 november 2013, nodigde de Kerk ons uit de Catechismus van de Katholieke Kerk, waarvan Benedictus XVI een verkorte versie heeft gepubliceerd in 2005 (het Compendium), in het begin van zijn pontificaat, te herlezen en te overdenken. Het zijn kostbare gidsen om het geloof te verdiepen en ervan te leven. De Geloofsbelijdenis van Paulus VI is eveneens een referentie als document dat een kort en precies geformuleerd commentaar is op het Credo. Deze tekst is indirect een antwoord op nog altijd actuele vergissingen.

Pater Brottier is nooit beïnvloed geraakt door de vergissingen van het modernisme, de grote dwaalleer die de Kerk in zijn eerste priesterjaren teisterde. Hij beklaagt openlijk «deze zogenaamde doctors die op het gebied van het geloof geleerder willen zijn dan de Paus». Tevens geeft hij blijk van een grenzeloos vertrouwen in de goddelijke Voorzienigheid: «Aan haar moeten we niet twijfelen. Bidden en handelen: daarmee kunnen bergen verzet worden.» Het dogma van de gemeenschap der heiligen is eveneens vast in zijn ziel verankerd: «Gelooft u mij, de doden leiden de levenden. Wij denken dat wij helemaal alleen ons leven leiden en in werkelijkheid worden we geleid door die menigte van bemiddelaars en vrienden die wij in de Hemel hebben. De start van iedere campagne ter verbreiding van het geloof heb ik aan de zielen in het Vagevuur toevertrouwd en dat heb ik nooit berouwd. Weet u, onze doden zijn niet alleen maar onzichtbare wezens: ze blijven heel dichtbij ons en wanneer het ogenblik is gekomen, wanneer het doek valt, zullen we voor altijd bij elkaar zijn.»

Laten we geen tijd verliezen

In 1933 wordt pater Brottier door een ernstige hartaanval gedwongen twee jaar lang de leiding over het Werk los te laten. Vervolgens gaat zijn gezondheidstoestand verder achteruit, hetgeen hem niet belet eind 1935 te verklaren: «Mijn hoofd zit vol grootse plannen... God zal beslissen wat ervan komt. Laten we werken en geen tijd verliezen, maar flink aanpakken: we hebben de hele eeuwigheid om uit te rusten.» Voorvoelt hij zijn einde? «Ik kan van de ene dag op de andere verdwijnen. De toekomst kan echter zonder al te veel zorgen tegemoet worden gezien want ik heb om onze wezen heen een net van vriendschap en toewijding geschapen dat ik onverwoestbaar acht» (het Werk telt dan 150.000 weldoeners). Op 2 februari 1936 organiseren de wezen een feestje om de pater als het ware een tegemoetkoming te bieden voor het feit dat hij niet in Dakar kan zijn voor de bouw van de kathedraal waar hij zich zo zeer voor heeft ingezet. Hij is er zeer door geroerd en voor de laatste keer richt hij zich tot hen: «Mijn geluk, zo zegt hij hun, vind ik in jullie midden. Sommigen hebben zich erover verbaasd dat ik niet naar Dakar ben gegaan, op zoek naar enige lauweren. Ik ben niet meer op een leeftijd voor menselijk eerbetoon. En wat Dakar betreft, kan ik u zeggen, geen moment heb ik eraan gedacht me te laten huldigen. In alles moeten we de liefde van God zien die de ene gebeurtenis met de andere laat samenvallen ter verwezenlijking van zijn grootste gelukzaligheid.» De volgende dag krijgt hij een dubbele longcongestie. «Zoekt u niet naar de oorzaak van mijn kwaal, zegt hij. Als men alle ellende zou zien die zich bij mij aandient, als men mijn onvermogen zou kunnen meten om die te verlichten, dan zou men maar al te goed weten wat mij te gronde richt vandaag.» Onafgebroken wordt in Auteuil gebeden voor zijn genezing. Op 12 februari ontvangt hij de sacramenten der stervenden. Hij wordt overgebracht naar het Saint-Joseph ziekenhuis; daar geeft hij de geest op de ochtend van de 28e februari 1936, zestig jaar. Op 2 maart gaat kardinaal Verdier voor tijdens de uitvaartmis in de kapel van Auteuil, te klein voor de gelegenheid.

Na zijn dood blijft zijn werk zich voortdurend uitbreiden; in 1939 telt men er 2.000 wezen. Pater Brottier verricht genezings- en bekeringswonderen enz. Johannes Paulus II heeft hem in 1984 zalig verklaard: «Daniël Brottier, zo zei de Paus, werkte alsof alles van hem afhing, maar ook in de wetenschap dat alles van God afhangt. Hij had de kinderen van Auteuil aan H. Theresia van het Kindje Jezus toevertrouwd en riep haar vertrouwelijk te hulp in de zekerheid dat ze ook daadwerkelijk steun zou bieden aan allen voor wie ze haar eigen leven had gegeven.»

Laten we, naar het voorbeeld van pater Brottier, deze gedachte van de kleine Theresia ons eigen maken: «We hebben nooit te veel vertrouwen in de Goede God die zo goed en zo barmhartig is. We verkrijgen van Hem net zoveel als we hopen.»

Dom Antoine Marie osb

Om het Blad van de Abdij Saint-Joseph de Clairval te publiceren in een tijdschrift, blad... of on het internetsite of een website te plaatsen, is een toelating vereist. Deze dient te worden aangevraagd per E-Mail or bij http://www.clairval.com.

Index der Briefe  - Home Page

Webmaster © 1996-2017 Traditions Monastiques