Blason  Abdij Saint-Joseph de Clairval

F-21150 Flavigny-sur-Ozerain

Frankrijk


[Cette lettre en français]
[This letter in English]
[Dieser Brief auf deutsch]
[Questa lettera in italiano]
11 juni 2014
feest van H. Barnabas


Dierbare Vriend van de Abdij Saint-Joseph de Clairval,

Tijdens zijn reis naar Frankrijk in 1986, heeft de zalige Johannes Paulus II zich op pelgrimstocht naar Paray-le-Monial begeven. Daar overhandigde hij de Sociëteit van Jezus een boodschap waarin hij schreef: «Dichtbij het Hart van Christus leert het hart van de mens de ware en unieke zin van zijn leven en zijn bestemming kennen, zich te hoeden voor bepaalde ontaarding van het menselijk hart en zijn liefde voor God als vader te verbinden met de liefde voor de naaste. Op deze manier, en dat is tevens de ware genoegdoening die het Hart van de Verlosser van ons vraagt op de puinhopen van de haat en het geweld, kan de zo gewenste beschaving van de liefde, de heerschappij van het Hart van Christus, worden opgebouwd.» (5 oktober 1986). Deze woorden maken het ons mogelijk het belang van de Erewacht van het Heilig Hart, welke de vrucht is van een inspiratie die een religieuze van de Visitatie van Bourg-en-Bresse (Frankrijk), zuster Maria van het Heilig Hart Bernaud, op 13 maart 1863 ten deel is gevallen, met het oog op het gezelschap dat wij het Hart van Christus kunnen bieden en de eer en de troost die wij Hem kunnen betonen.

Anne-Marie Constance Bernaud zag het licht op 28 oktober 1825, in een winkeliergezin in Besançon. Het door en door christelijk gezin zal acht kinderen tellen. Daar ze gedoopt is op Allerheiligen, zal ze later zeggen «dat de hulp van het hemels hof haar zeer van node was». Van jongs af aan wordt Constance talloze malen aan het Heilig Hart van Jezus opgedragen door een tante die overloopt van liefde voor dit Hart, een devotie die destijds nog weinig is verspreid. Rond de leeftijd van vier jaar moet ze door een oogziekte, waaraan ze meerdere jaren zal lijden, verre blijven van spelletjes met haar broers en zusjes en blijft de deur naar ontwikkeling van een echt innerlijk leven gesloten. Ze gaat geheel en al op in haar gedachten en gebeden, houdt van de eenzaamheid en zingt kerkliederen. Maar Constance is er niet minder schalks en opgeruimd door; dat zal ze overigens heel haar leven blijven. Het meisje is begenadigd met een grote gevoeligheid en aarzelt niet haar vieruurtjes aan de armen te geven die haar pad kruisen en huilt tranen met tuiten wanneer ze iets hoort over een ongeluk. Wanneer ze vijf jaar is en hoort van de dood van een van haar tantes, een non van de zusters van Liefde van Besançon, roept ze uit: «Ik wil ook non worden!»

Laten we neerknielen!

Tijdens de voorbereiding op haar Eerste Communie geeft Constance al blijk van een serieuze kennis van de geloofswaarheden. Zij en haar broer Edouard bereiden zich zeer gewetensvol voor op het ontvangen van het sacrament van Boetedoening. Ze wensen bovenal niets achter te houden van de zonden die ze moeten biechten, zelfs niet van het aantal keren dat ze die zonden begingen. Op 20 april 1836 ontvangen beiden in de kerk van Onze-Lieve-Vrouw met vrome toewijding het Lichaam van Christus. Die avond zegt Constance tegen Edouard: «Laten we neerknielen om aan God de genade te vragen nooit zondig ter communie te gaan!»

Als leerling in een pensionaat van Besançon behaalt Constance prachtige resultaten. Als adolescente rondt ze haar studie af in het klooster van de Dames de Saint-Maur van Langres en ontvangt er het Vormsel op 19 mei 1839. Zonder dat iemand er iets van weet verdiept het meisje haar gebedsleven en beoefent naar hartelust het ononderbroken gebed; iedere ochtend legt ze de Kruisweg af en overdag bidt ze talloze Weesgegroeten tot Maria. Dankzij een werkje, de “Maand van het Heilig Hart” geheten, wijdt ze zich in de devotie tot het Hart van Jezus in. «Men zal nooit weten hoe goed dit werkje mij heeft gedaan, zal ze ooit zeggen; zodra ik ze af had begon ik de oefeningen van de maand opnieuw». Haar grootse vreugde is het brengen van kleine offers voor Jezus zonder dat iemand er iets van merkt. Na iedere zondagse Communie brengt ze drie dagen door in dankzegging en de drie volgende dagen besteedt ze aan de voorbereiding op het opnieuw ontvangen van de Eucharistische Jezus. Na haar terugkeer in Besançon, in september 1840, neemt ze echter deel aan wereldse avondjes die ze verlevendigt met haar aardige stem en vrolijkheid, waarbij ze genoegen schept in de schone schijn en graag opvalt tijdens ontvangsten. Het verlangen naar het godgewijde leven blijft echter confuus in haar geest aanwezig; wanneer de stem van Onze-Lieve-Heer zich dan ook opnieuw doet horen, biecht ze haar misstappen en vertrouwt een priester haar verlangen toe om non te worden. Door haar jeugdige leeftijd aarzelt de priester en stelt zijn permissie om haar zo vroeg non te laten worden tot later uit.

Op 14 oktober 1841, kort voor haar zestiende, wordt Constance door haar ouders uitgehuwelijkt aan de heer Thieulin, een handelsman van achtentwintig. Uit respect voor haar ouders aanvaardt ze de verbintenis die zij voor haar hebben geregeld. Maar haar man is jaloers op de rijke persoonlijkheid van zijn jonge echtgenote en maakt haar niet gelukkig. Ze vlucht in de stilte en het gebed. Dankzij haar volharding en goed voorbeeld bereikt ze het dat hij tot inkeer komt en weer overgaat tot regelmatige kerkgang. Maar op 26 juli 1846, als Constance nog maar amper eenentwintig is, sterft hij en laat haar achter als kinderloze weduwe. Een van haar broers die in Parijs woont roept haar bij zich. Ze laat zich opnieuw bedwelmen door wereldse successen, maar blijft de godsdienstbeoefening trouw. In februari 1848 vinden de bloedige dagen van de revolutie plaats die de val van de Juli Monarchie en de vestiging van de IIIe Republiek met zich meebrengen. Wanneer ze zich op straat bevindt op het moment dat er een schietpartij uitbreekt, ontsnapt ze ternauwernood aan de moorddadige confrontatie die erop volgt. Ontzet keert ze terug naar Besançon.

Visitandin

Mevrouw Morel, haar nicht, die de aspiraties van Constance om non te worden kent, nodigt haar in Belley uit en brengt haar in contact met Moeder Marie-Aimée Morel, overste van de Visitatie van Bourg-en-Bresse die haar voorstelt de voorbereidende retraite op het Feest van het Heilig Hart (15 juni 1849) te volgen. Constance gaat welwillend op de uitnodiging in alsof de stem van God eindelijk doordringt. Maar aan het eind van de retraite blijft ze twijfelen: zou ze niet liever intreden bij de Dames de Saint-Maur die ze al kent vanaf haar jonge meisjesjaren? Ze vertrouwt haar twijfels toe aan Monseigneur Devie, bisschop van Belley, vriend van de heilige Pastoor van Ars, die haar aanraadt in de Visitatie in te treden. Vanaf de dag van toelating in het klooster, 28 juli 1849, valt Constance ten prooi aan pijnlijke innerlijke strijd terwijl ze tevens haar toevlucht zoekt in haar vertrouwen in God. Op 25 november hierop volgend ontvangt ze het kloosterkleed en de naam van zuster Maria van het Heilig Hart. Op de eerste vrijdag van april 1851 legt ze haar geloften af. Daarover schrijft ze: «Ik voelde levendig dat mijn Echtgenoot die dag wilde dat ik een liefdesslachtoffer zou worden (dat wil zeggen geheel aan zijn Liefde overgeleverd) ter genoegdoening van zijn goddelijk Hart.»

Ondanks haar broze gezondheid leidt zuster Maria van het Heilig Hart een twaalftal jaren het leven van een eenvoudige Visitandin en voert met haar natuurlijke vrolijkheid de taken uit die men haar toevertrouwt. Haar pientere verstand en haar muzikale gaven zorgen ervoor dat ze wordt aangewezen om in het aan het klooster aangrenzende pensionaat les te gaan geven. Haar leerlingen die zijn getroffen door haar bovennatuurlijke geest geven haar de bijnaam “zuster van de Pure Liefde”. Maar deze taak is haar te zwaar en wordt haar weer ontnomen en ze krijgt de missie van secretaresse toevertrouwd, met name om de correspondentie van het klooster te beantwoorden: «Oh, wat moet het heerlijk zijn te sterven wanneer men voortdurend en teder de Echtgenoot bemind en gediend heeft die ons moet oordelen, schrijft ze in haar dagboek. Trachten in alle dingen mijn hemelse Echtgenoot te behagen, slechts zijn goddelijke blik, zijn liefde alleen te verlangen; dat is wat ik voel dat Jezus met klem van mij vraagt voor de loop van mijn religieus leven, want hij zal voor mij een zeer jaloerse Echtgenoot zijn. Oh, mijn God, zou U mij niet genoeg zijn?... Jezus alleen in mijn oefeningen, Jezus alleen in mijn werken, in mijn recreatie-uurtjes, in de kinderen, en niet alleen trachten mijn Echtgenoot te behagen, maar ook onderzoeken hoe ik in alle dingen zijn goddelijk Hart dat ik bestemd ben als trouwe geliefde te dienen kan verblijden.»

Een geheimzinnige wijzerplaat

In die tijd werd de zaligverklaring voorbereid van de eerbiedwaardige Marguerite-Marie Alacoque die twee eeuwen eerder de genade te beurt was gevallen van talloze verschijningen van het Heilig Hart in het klooster van Paray-le-Monial. Die gebeurtenis raakt de vrome ziel van zuster Maria van het Heilig Hart die graag met alle kracht van haar geloof de verzuchtingen van Onze-Lieve-Heer tegenover Marguerite-Marie zou willen beantwoorden met: «Ziehier het Hart dat de mensen zozeer heeft liefgehad dat Hij niets heeft gespaard en zich geheel en al heeft gegeven om hun Zijn liefde te betuigen; en als erkentelijkheid ontvang Ik van het merendeel slechts ondank en misprijzen...» Op 7 juni 1862 wordt de communauteit van Bourg-en-Bresse plechtig toegewijd aan het Heilig Hart. Aan het eind van dat jaar tekent een groot aantal van de zusters een acte van overgave aan het Hart van Jezus; met Driekoningen 1863 wordt het Heilig Hart gekozen tot “Koning van het jaar”. Een paar weken later ziet zuster Maria van het Heilig Hart voor haar geestesoog een wijzerplaat met de verschillende tijden van de dag en de nacht. Nadat ze die heeft nagetekend schrijft ze eronder de woorden «heerlijkheid, liefde, herstel»; ze krijgt tevens door dat ze er de benaming: «Erewacht van het Heilig Hart» aan moet toevoegen. In het midden van de wijzerplaat brengt ze vervolgens de beeltenis van het Heilig Hart aan. Op 13 maart, derde vrijdag van de Vasten, feest van de Vijf Wonden van Onze-Lieve-Heer, brengt ze deze eerste wijzerplaat van de Erewacht van Onze-Lieve-Heer naar haar Overste die hem zegent en met genoegen aanvaardt dat de namen van alle zusters van de communauteit erin worden gegraveerd.

De mensen die zich willen aansluiten bij dit werk van genoegdoening dat op deze manier van start is gegaan zullen iedere dag zich een uur eraan kunnen wijden als ‘erewacht’; hun naam zal op een wijzerplaat worden gegraveerd op de plek die overeenkomt met het gekozen tijdstip. Tijdens dat uur zullen ze zich, zonder iets in hun dagelijkse bezigheden te veranderen, in gedachte kunnen verenigen met het offer van Christus op het Kruis, waarbij ze Jezus hetgeen ze aan het doen zijn aanbieden: op school, op het werk, of men nu leest of een maaltijd bereidt, boodschappen doet, reist, studeert, een dienst bewijst, bidt... Zij zullen trachten een beetje meer aan Jezus te denken en op zijn minst een daad van liefde te stellen, en eventueel een klein offer te brengen. Maar geen enkel werk in het bijzonder is voorgeschreven: alleen goede wil is vereist. De “aangeslotenen” zullen elkaar door de hele wereld opvolgen om “de wacht te houden”, in gezelschap van de Heilige Maagd, Heilige Maria Magdalena en de Heilige Johannes aan de voet van het Kruis; Jezus zal geen enkel uur van de dag vergeten worden.

Op de ochtend van Palmzondag 1863 wordt zuster Maria van het Heilig Hart tijdens de Heilige Mis geraakt door de woorden van de offerande-antifoon: Hun honen brak mij het hart, doodziek ben ik achtergebleven. Op medeleven hoopte ik. Niets. Op troost die ik niet heb gevonden (Ps 68, 21). De Erewacht heeft juist tot voornaamste doel het Hart van Jezus te troosten. Op de woensdagavond in de Goede Week krijgt zuster Maria van het Heilig Hart een hemotysis-aanval (bloedspuwing); zij die zo van zingen houdt mag meerdere maanden niet in het koor. Ze biedt dit offer aan «om het welslagen van de Erewacht» mogelijk te maken, en maakt van de dagen van de Goede Week gebruik om de organisatie van het werk dat nog in de kinderschoenen staat te vervolmaken. Op Goede Vrijdag maakt ze het gebedje “Offerande van het wachtuur” dat door duizenden zielen zal worden overgenomen om zich tijdens het gekozen uur aan het Hart van Jezus te wijden: «Heer Jezus, aanwezig in het tabernakel, ik bied u dit uur aan met al mijn doen, mijn vreugde- en verdrietmomenten, om uw hart te verheerlijken door dit getuigenis van liefde en genoegdoening. Moge deze offerande ten goede komen aan mijn broeders en zusters en van mij een instrument maken van uw liefdesplan. Met U, voor U en in U, en omwille van hen wijd Ik Mij aan U, opdat ook zij in waarheid aan U toegewijd mogen zijn (Joh 17, 19). Heilig Hart van Jezus, uw rijk kome!»

De doorboorde zijde

Op 13 juni daaropvolgend, het feest van het Heilig Hart, schrijft zuster Maria van het Heilig Hart: «Ik heb meer dan ooit gevoeld wat het Hart van Jezus is: een afgrond van onbegrepen liefde, afgewezen, verdrongen naar haar bron; hoeveel heeft dit arme Hart geleden en lijdt nog iedere dag door onze ontzaglijke ondankbaarheid! Ik bezwoer hem mij de genade te verlenen hem een weinig bekend en bemind te maken.» De verering van het Heilig Hart «veronderstelt voor alles dat wij die goddelijke Liefde met even veel liefde beantwoorden», zal Paus Pius XII verklaren (Haurietis aquas, 4). Op zondag 15 juni worden de woorden “cujus latus perforatum” (“wiens doorboorde zijde”) van het eucharistisch gezang Ave Verum Corpus (“Gegroet, waarachtig Lichaam”) diep in de ziel van zuster Maria van het Heilig Hart gedrukt. De Erewacht komt haar dan voor als het door de Voorzienigheid bedachte middel om bijzondere eer te brengen aan de wonde die het Hart van Jezus op het Kruis is toegebracht. Men zal echter vijftien jaar moeten wachten voor de lans die het Hart van Jezus doorboorde op de wijzerplaat mag worden afgebeeld: bisschop de Belley was er niet voor.

In de encycliek Haurietis aquas, van 15 mei 1956, schreef Paus Pius XII: «Zonder enig bezwaar kunnen wij dus het Allerheiligst Hart van Jezus Christus aanbidden, omdat het deel heeft aan en tevens het natuurlijk en meest sprekend symbool is van de onuitputtelijke liefde, waarvan onze goddelijke Verlosser nu nog gloeit voor de mensen. Want ofschoon het niet meer onderhevig is aan de stoornissen en opwindingen van ons sterfelijk leven, leeft het nochtans en klopt.... Daarom is ook Christus Hart, dat overvloeit van menselijke en goddelijke liefde en rijk is aan alle genadeschatten, die onze Verlosser door Zijn lijden en Zijn dood heeft verworven, de bron van die eeuwig blijvende liefde, die Zijn Geest uitstort over al de ledematen van Zijn mystiek lichaam.... De gelovigen moeten weer terug naar de verering van het Heilig Hart van Jezus als zij in de eigen aard van de verering van het Allerheiligst Hart van Jezus willen doordringen en daaruit in vrome overweging voedsel willen opdoen, om het vuur van hun godsvrucht te voeden en aan te wakkeren. Het is wel onmogelijk, dat een gelovig gemoed, dat deze verering trouw, met juiste kennis en dieper inzicht beoefent niet komt tot die kennis van de liefde van Christus, die het hoogtepunt is van het christelijk leven» (42, 55).

Een niet te voorzien succes

Weldra worden andere kloosters ook uitgenodigd zich bij deze spirituele stroming aan te sluiten en van mond tot mond verbreidt zich de devotie onder de gelovigen die zich tot dit spiritueel program aangetrokken voelen. In het klooster van Paray-le-Monial is de verrassing groot wanneer men de wijzerplaat van de Erewacht ontvangt, want ter plekke is een exact gelijksoortige wijzerplaat ontworpen. Een jaar later, 9 maart 1864, wordt de Erewacht door Paus Pius IX goedgekeurd en verheven tot Broederschap, en zal vervolgens op 26 november 1878 onder Leo XIII Aartsbroederschap worden. De zeer snelle verbreiding van de Erewacht door de wereld gaat gepaard met de nodige moeilijkheden en leed, met de daarbij behorende weerslag op de broze gezondheid van de stichteres. Als slachtoffer van dit providentieel, maar onvoorzien succes onderneemt zuster Maria van het Heilig Hart onder de godsdienstige gezagsdragers een initiatief na het ander en werkt, zonder een stap buiten haar cel te zetten, een indrukwekkende correspondentie af. Haar tijd verstrijkt tussen de ziekenafdeling, waar ze meerdere malen op de drempel van de dood verkeert, en haar cel in de wat gunstigere perioden; dan legt ze tweemaal zoveel ijver aan de dag bij haar werk, want daarin ziet zij de wil van God. Haar nederigheid en haar wil om zichzelf steeds weg te cijferen gaan gepaard met een uitzonderlijke fijngevoeligheid die maakt dat ze open staat voor ieders ellende. In de handen van Onze-Lieve-Heer is zij geheel en al onderworpen aan de dienstvaardigheid die zij anderen kan betonen en voelt zich met name verantwoordelijk voor iedere “aangeslotene”, alsof zij allemaal haar kinderen waren. In haar ononderbroken gebed ontstaat er in haar een innerlijke overtuiging die ze graag uitdraagt: het Barmhartig Hart van Jezus zal haar bede verhoren dat geen enkele ‘wacht’ verloren zal gaan voor de Hemel, dat wil zeggen dat alle ingeschrevenen voor de Erewacht ook zijn ingeschreven in het grote Boek des Levens (cf. Ap 21, 27). Op 19 maart 1865 schrijft ze over de ambtsdragers van God: «Ik heb begrepen dat het Heilig Hart de priesters hartstochtelijk bemint, en zal de onuitwisbare herinnering hieraan altijd bij me dragen.»

Ze is ervan overtuigd dat anderen er beter in zouden slagen het voortbestaan van de Erewacht zeker te stellen en doet een niet succesvolle poging die aan verscheidene communauteiten toe te vertrouwen. Dan blijkt duidelijk dat het werk binnen de Orde van de Visitatie moet blijven. Zoals alle door God geïnspireerde initiatieven is de geschiedenis van de Aartsbroederschap van de Erewacht getekend door tranen, offers, nederigheid en een volledige onderdanigheid van de stichteres. Zuster Maria van het Heilig Hart ontmoet echter niet alleen obstakels wanneer het gaat om haar stichting: ze ontvangt van vele kanten ook steun, met name van Marie Deluil-Martiny, stichteres van de « Dochters van Jezus’ H. Hart » die door Paus Johannes Paulus op 29 oktober 1989 is zalig verklaard. «De Wacht slaat onmiddellijk aan! « stelt zuster Maria van het Heilig Hart vast.

Met de Heilige Franciscus van Sales, stichter van de Orde van de Visitatie, kan ze zeggen: «Ik zou voor het Heilig Hart, in plaats van de doornenkroon een kroon willen van de harten van alle mensen!»

«Eerste Erewacht»

Paus Pius IX zelf zal vragen om ook te mogen meedoen met de Erewacht op 25 maart 1872 en, op 21 juli 1875, tijdens een audiëntie van een belangrijke delegatie van de Aartsbroederschap, zal hij als een van zijn dierbaarste wapenfeiten zijn titel van “eerste Erewachter van het Heilig Hart van Jezus” in herinnering brengen. Weldra doen ook meer dan dertig Franse of buitenlandse bisschoppen officieel mee. Aan iedere “aangeslotene” wil zuster Maria van het Heilig Hart via haar geschriften de liefde van het Hart van Jezus die haar ziel verteert meegeven; ze bedenkt energiek en met gezond verstand een ware catechese van het Hart van Jezus opdat er «geen enkele verloren zal gaan voor de Hemel». Terwijl zij in het geheim van het ommuurde klooster, verborgen voor de wereld, haar werk verricht, laat ze God de zorg het werk naar zijn goeddunken te beheren. Aan haar correspondentie komt pas bij haar dood op 3 augustus 1903 een einde.

«Het Hart van Christus, schreef Paus Pius XII, houdt ons heel de liefde, waarmee Hij ons heeft omgeven en nog omgeeft, voor ogen. Daarom moeten wij de verering van het Allerheiligst Hart zo hoogschatten, dat wij haar, als waarlijk beleefd en beoefend wordt, zien als de meest volledige belijdenis van het christelijk geloof. We kunnen niet anders naar het Hart van God dan via het Hart van Christus, die zelf heeft gezegd: Niemand komt tot de Vader tenzij door Mij (Joh 14, 6)» (Haurietis aquas, 60). De Paus waarschuwde er echter voor dat «zij, die deze edele vorm van vroomheid verkeerd begrijpen en in praktijk brengen, er soms niet ten onrechte van worden beschuldigd, dat zij een te grote eigenliefde hebben en te bezorgd zijn voor zichzelf. Allen moeten er dus van overtuigd zijn, dat in de verering van het Allerheiligst Hart van Jezus uitwendige werken van vroomheid niet de eerste en voornaamste plaats innemen en dat de reden waarom zij wordt beoefend niet op de eerste plaats mag steunen op de beloften, die Christus, de Heer, in private openbaringen heeft gedaan, met de bedoeling de mensen ertoe te brengen de voornaamste verplichtingen van het christelijk leven namelijk die van liefde en uitboeting met grotere ijver te vervullen.» (Ibid. 63). Paus Benedictus XVI die dit onderricht weer aanhaalt ter gelegenheid van de 50e verjaardag van de encycliek Haurietis aquas verklaarde: «De doorboorde zijde van de Verlosser is de bron waaruit wij moeten putten om tot de ware kennis over Jezus Christus te komen en om nog vollediger zijn liefde te mogen ervaren... Christen zijn is slechts mogelijk door de blik op het Kruis van onze Verlosser, op Hem die zij hebben doorboord, gericht te houden (Joh 19, 3)... De wonde in de zijde van Christus en de wonden die door de nagels zijn veroorzaakt zijn voor talloze zielen de tekenen van een liefde die hun leven op steeds indringendere wijze heeft vorm gegeven.»

Onder de miljoenen mensen die zich bij het werk hebben aangesloten bevinden zich, behalve de zalige Pius IX, Leo XIII, H.Pius X, Benedictus XV en Pius XI, H. Dom Bosco, Zalige Edouard Poppe, H.Madeleine-Sophie Barat, H.Daniel Comboni, Pater Ratisbonne, de zalige Marcel Callo... In 2007 kreeg de Erewacht een nieuwe impuls toen ze op 24 januari op de feestdag van H.Franciscus in Paray-le-Monial werd opgericht. De Visitatie Sainte Marie van deze stad is er voortaan de internationale zetel van. Op 4 oktober 2011 verleende Benedictus XVI «van ganser harte zijn apostolische zegen aan ieder der aangeslotenen en hun familie». In maart 2013 werd de 150e verjaardag van het werk gevierd.

«O, zoete Jezus, trek me steeds dieper uw Hart in, opdat ik in de greep kome van uw liefde en geheel moge opgaan in haar zachtheid!» Laten wij ons deze vurige bede van H.Franciscus van Sales eigen maken om het oneindig liefhebbende Hart van de Verlosser, dat te vaak is vergeten, misprezen of door onze zonden gekwetst, herstel te bieden.

Dom Antoine Marie osb

Om het Blad van de Abdij Saint-Joseph de Clairval te publiceren in een tijdschrift, blad... of on het internetsite of een website te plaatsen, is een toelating vereist. Deze dient te worden aangevraagd per E-Mail or bij http://www.clairval.com.

Index der Briefe  - Home Page

Webmaster © 1996-2017 Traditions Monastiques