Blason  Abdij Saint-Joseph de Clairval

F-21150 Flavigny-sur-Ozerain

Frankrijk


[Cette lettre en français]
[This letter in English]
[Dieser Brief auf deutsch]
[Esta carta en español]
[Questa lettera in italiano]
7 mei 2014
MARIAmaand


Dierbare Vriend van de Abdij Saint-Joseph de Clairval,

Op 27 november 1830 is de gemeenschap van het noviciaat van de Dochters van Liefde van H. Vincentius a Paulo in de Parijse rue du Bac in de kapel in stil gebed verzonken. Een jonge novice, zuster Catharina Labouré, ziet een «afbeelding van de Heilige Maagd zoals zij gewoonlijk wordt voorgesteld onder de titel van Onbevlekte Ontvangenis, staand en met open armen... Uit haar handen komen, als in bundels, stralen van een verrukkelijke schittering.” Op hetzelfde moment hoort de zuster: «Deze stralen zijn het symbool van de genaden die Maria voor de mensen verkrijgt.» Om de afbeelding heen leest zij in gouden letters de volgende aanroeping: «O, Maria, zonder zonden ontvangen, bid voor ons die onze toevlucht tot u nemen.» Vervolgens keert de afbeelding zich om en op de achterkant onderscheidt ze de letter M met daarboven een kruisje en eronder de heilige Harten van Jezus en Maria. Nadat de zuster dit alles goed in zich had opgenomen, zei de stem tegen haar: «Er moet een medaille worden geslagen naar dit model, en zij die haar gezegend zullen dragen en die met godsvrucht dit kort gebed uitspreken, zullen een zeer bijzondere bescherming genieten van de Moeder Gods.» Op 30 juni 1831 worden er 1500 medailles geslagen en, aanvankelijk verspreid van hand tot hand. Langzaam maar zeker verspreidt zich ook het nieuws van de buitengewone weldaden die de mensen te beurt vallen en het volk gaat de medaille «wonderdadig» noemen. Vanaf 1834 komt de verspreiding in een stroomversnelling: reeds in 1839 heeft men in Frankrijk en in het buitenland tien miljoen medailles geslagen! In 1842 doet zich in Rome een opmerkelijke gebeurtenis voor die de naam van de medaille bevestigt. Laten we de hoofdrolspeler Alphonse de Ratisbonne zelf aan het woord:

«Mijn familie is tamelijk bekend, want zij is rijk en liefdadig. Op grond hiervan bekleedt ze al geruime tijd een vooraanstaande plaats in de Elzas. « Alphonse is geboren op 1 mei 1814 als laatste zoon in dit welvarend gezin van tien kinderen. Het gezinshoofd, Auguste Ratisbonne, behoort tot een generatie Israëlieten die alleen denkt aan genieten van het aardse leven; hoewel hij voorzitter is van het synagogenbestuur laat hij zich zelden en dan nog alleen fatsoenshalve in de synagoge zien. De kinderen worden overigens wel godsdienstig opgevoed, tenminste volgens de joodse tradities en zeden. Wanneer Alphonse vier jaar oud is verliest hij zijn moeder, een voorbeeldige, deugdzame vrouw aan wier voorbeeld haar kinderen hun enige morele beginselen dankten.

In 1825 begint hij zijn studie aan het Collège Royal in Straatsburg. «In die tijd, zo schrijft hij, krijgt mijn familie een harde klap te verwerken. Mijn broer Théodore (twaalf jaar ouder dan hij) maakte bekend christen te zijn; en niet lang daarna werd hij, in weerwil van de dringendste verzoeken daarvan af te zien, priester en oefende zijn ambt uit in dezelfde stad, onder de ogen van mijn familie. Ik was hier fel tegen gekant en ik haatte zijn priesterkleed en zijn karakter. Ik was opgegroeid temidden van christenen die zoals ik niet geïnteresseerd waren in godsdienst zodat de bekering van mijn broer me deed denken aan katholiek fanatisme en dat vond ik afschuwelijk.» In juli 1831 behaalt hij het middelbaar school diploma in de letteren.

Van de wereld genieten

Zijn vader was het jaar tevoren overleden. Een oom zonder kinderen wordt zijn tweede vader. «Die oom die zeer bekend was in de financiële wereld wilde mij aan de bank verbinden waar hij de baas was. Ik studeerde rechten in Parijs en ging vervolgens naar hem terug. Hij gaf me alle vrijheid. Ik dacht dat we op de wereld waren om te genieten... Ik was joods van naam; ik geloofde zelfs niet in God.» Een getuige verklaart echter dat «zijn hart zuiver was gebleven». Hij doet zijn best om «de zaak van zijn onderdrukte volk te dienen en doet er alles voor om volstrekte gelijkheid in rechten evenals een steeds grotere versmelting met de rest van de maatschappij voor zijn volk te verkrijgen».

In 1841 is Alphonse zevenentwintig jaar. Zijn familie besluit, in overeenstemming met wat hij graag wil, tot het huwelijk met een van zijn nichtjes. «Ik zag hoe mijn familie volmaakt gelukkig was want ik moet zeggen dat er weinig zijn waarin men meer van elkaar houdt dan in de mijne... Maar één lid verfoeide ik: mijn broer Théodore. Zijn serieuze manier van spreken wekte mijn woede. Ik voelde bittere haat jegens priesters, kerken, kloosters en vooral jegens jezuïeten. Gelukkig verliet mijn broer Straatsburg. Hij werd naar Notre-Dame-Des-Victoires in Parijs geroepen. Zijn vertrek was een grote opluchting voor mij». Alphonse viert zijn verloving in Nice, maar in zijn ziel blijft een leegte: «Met het ontkennen van ieder geloof verkeerde ik in volmaakte harmonie met mijn vrienden die allemaal onverschillige katholieken of protestanten waren; maar de aanblik van mijn verloofde maakte iets in mij wakker dat me ertoe bracht dat ik ging geloven in de onsterfelijkheid van de ziel; nog sterker, ik begon instinctief te bidden tot God; ik bedankte Hem voor mijn geluk en toch was ik niet gelukkig.» Het meisje is pas zestien jaar en men acht het goed het huwelijk uit te stellen. Alphonse onderneemt dan een reis die hem naar de Oost voert.

Een plotselinge antipathie

Op 9 december gaat hij in Napels aan land. «Ik bracht er een maand door om alles te zien en alles te schrijven. Oh! Wat een godslasterlijke taal in mijn dagboek!... Ik had helemaal geen zin naar Rome te gaan ondanks de uitnodiging van twee vrienden... Hoe ben ik naar Rome gegaan? Ik begrijp het zelf niet.» Hij vertrekt naar de eeuwige stad met de bedoeling 20 januari terug te keren. Na aankomst op 6 januari begint hij koortsachtig alle monumenten van de stad te bezoeken. De 8e roept een stem in de straat hem bij zijn naam: het is die van Gustave de Bussierre, een vroegere medestudent uit Straatsburg, een piëtistische protestant. Hij wordt uitgenodigd te gaan eten bij de vader van zijn vriend en daar ziet Alphonse de oudste broer van Gustave, Théodore de Bussierre, die katholiek was geworden: «Dat was voor mij genoeg om een diepe antipathie voor hem op te vatten; maar omdat Théodore bekend was geworden door de publicatie van zijn reizen door de Oost, gaf ik hem mijn voornemen te kennen hem een bezoek te brengen. « Een paar dagen later gaat hij de Aracoeli kerk binnen, in het Capitool. Men staat op het punt er twee Israëlieten te dopen. De gids stelt hem in alle onschuld voor de ceremonie bij te wonen: Alphonse wijst de uitnodiging af en loopt naar buiten. De ellende van het Getto, de nabijgelegen joodse buurt, wekt zijn verontwaardiging.

Het bezoek dat hij zou brengen aan Théodore de Bussierre schiet hem weer te binnen «als een ongelukkige verplichting». Hij besluit het toch te doen. Er ontspint zich een beleefde conversatie: «Ik spreek met hem over zijn tochten door Rome, vertelt de heer de Bussierre; hij maakt me deelgenoot van verschillende indrukken... Hij spreekt over het Getto, dat zijn haat weer had doen oplaaien tegen het katholicisme. Ik probeerde hem tot rede te brengen; en hij antwoordde dat hij als jood was geboren en als jood zou sterven... Toen kwam ik op deze uitzonderlijke gedachte, een idee van de hemel, want de wijzen der wereld zouden het een dwaasheid hebben genoemd: «Omdat je zo’n krachtige geest bent, beloof me dat je hetgeen ik je wil geven bij je zult dragen. Wat is het? Eenvoudig deze medaille.» En ik liet hem een wonderdadige medaille zien... Hij deinst meteen terug. «Maar, in jouw zienswijze moet jou dat volledig onverschillig laten en mij doe je er een groot genoegen mee. Dat is geen bezwaar, riep hij schaterend van de lach uit: ik wil je op zijn minst bewijzen dat men de Joden onterecht van stijfhoofdigheid beschuldigt.» En hij vervolgde met grapjes die voor mij godslasteringen waren. Toch had ik hem een lint om de hals gedaan waaraan mijn dochtertjes zojuist de gewijde medaille hadden bevestigd; ik wilde dat hij het Memorare bad, het gebed van de heilige Bernard dat zo begint: «Gedenk, o allermildste Maagd Maria». Toen was hij niet meer te houden. Maar door een innerlijke kracht gedreven ging ik door en ik streed met een zekere verbetenheid tegen zijn herhaalde weigeringen. Ik reikte hem het gebed aan en smeekte hem het mee te nemen, maar ook zo goed te zijn het te kopiëren omdat ik er geen ander exemplaar van had. Geprikkeld en licht spottend reageert hij dan: «Vooruit dan maar, ik zal het overschrijven; jij krijgt mijn kopie en ik bewaar de jouwe!».

Alphonse gaat naar de schouwburg. Terug in zijn hotel begint hij met het overschrijven van het gebed, en valt vervolgens doodmoe in slaap. Tezelfdertijd zit Théodore de Bussierre met zijn vrienden te waken voor Jezus in het Allerheiligste. De volgende dag, 17 januari, gaat Alphonse opnieuw langs bij Théodore die hem dat had gevraagd: «Hoewel hij geërgerd was door mijn aandringen, zo zei deze, las en herlas hij het gebed om te ontdekken wat het zo waardevol maakte in mijn ogen.» Alphonse voelt zich niet op zijn gemak en geeft zijn gast een uitbrander: «Duivelskunstenaar! Tovenaar!...Je kent me amper vierentwintig uur en dwingt me dingen aan te horen die mijn broer niet eens tegen mij zou durven zeggen!» Getergd staat hij op om definitief afscheid te nemen. «Je gaat niet weg, zei de heer de Bussierre. «Onmogelijk, mijn plaats is gereserveerd bij de pakketvaartmaatschappij. Je gaat niet weg, al moest ik je in mijn kamer opsluiten!» En ik houd hem voor dat hij Rome niet kan verlaten zonder een ceremonie op het Sint-Pietersplein te hebben gezien; dat er een over een paar dagen is. Ik krijg hem zover dat hij tot zijn stomme verbazing zijn reservering annuleert.»

Twee wonderen zijn er nodig

Alphonse gaat dus voort met Romeinse monumenten bezoeken in gezelschap van Théodore: «De heer de Bussierre bracht de godsdienstige kwesties zo naïef ter sprake en benadrukte die met zoveel vuur dat ik bij mezelf zei: “Als er iets is dat een man van godsdienst kan afhouden is het de nadruk waarmee men hem probeert te bekeren.” Wanneer ze voorbij de Scala Santa komen, de trap die Jezus volgens de Overlevering in zijn Lijdensverhaal heeft beklommen, werd de baron door geestdrift bevangen: hij staat op in zijn auto en roept uit: «Gegroet, heilige trap! Ziehier een man die jou op een dag op zijn knieën zal beklimmen! « Ik lachte erom en zei tegen mijn apostel dat hij van mij niets hoefde te verwachten. Waarop hij antwoordde dat mijn bekering voor hem vaststond. «In dat geval zouden er twee wonderen nodig zijn: één om mij te overtuigen, het ander om mijn besluit te nemen!»

Op 20 januari gaat Alphonse rond het middaguur naar een café op de Piazza di Spagna om er de kranten te lezen; daar ontmoet hij twee Elzassers, de ene joods, de ander protestants. «We spraken over Parijs, kunst, politiek en onbeduidende dingen. Ik nodigde die twee vrienden uit naar de feesten voor mijn huwelijk te komen... Indien op dat moment een derde gesprekspartner tegen mij had gezegd: «Alphonse, over een kwartier zul je Jezus Christus aanbidden, je God en je Verlosser, en je zult je op de borst slaan aan de voeten van een priester, in een jezuïetenhuis, waar je de carnavalsdagen zult doorbrengen ter voorbereiding op het Doopsel, geheel bereid je voor het katholiek geloof op te offeren... zou ik die man voor volslagen gek hebben gehouden!»

«Als we het café uitlopen zie ik de heer de Bussierre die me voorstelt in zijn auto te stappen. Het weer was schitterend, ik aanvaardde het voorstel met genoegen. Hij vraagt me om toestemming een paar minuten te mogen stoppen bij San Andrea delle Fratte en stelt me voor in de auto op hem te wachten; ik stapte liever uit om de kerk te bekijken. Er werden voorbereidingen getroffen voor een begrafenisdienst: «Het is een vriend van mij, graaf van Lafferonnays; zijn plotseling overlijden is de oorzaak van de droefheid die je gisteren in mij hebt opgemerkt. Dan laat hij me alleen: «Over twee minuten ben ik terug». De kerk San Andrea is klein, arm en verlaten... Geen enkel kunstvoorwerp trok er mijn aandacht. Werktuiglijk keek ik om me heen zonder bij enige gedachte stil te staan; ik herinner me alleen een zwarte hond die me huppelend en springend voor de voeten liep. Weldra zag ik niets meer... of liever gezegd, o, mijn God, zag ik nog maar één ding!!!... Zal het mogelijk zijn hierover te spreken? O, neen! Het menselijk spraakvermogen moet niet trachten uit te drukken wat niet uit te drukken is... Daar lag ik op de grond, badend in mijn tranen, het hart niet meer van mezelf.»

Wat is God goed!

«Toen ik de kerk weer inliep, zo verhaalt de heer de Bussierre, ontdek ik meneer Ratisbonne neergeknield voor de kapel van H.Michael en H.Raphael, in een als in diep gebed verzonken houding. Ik loop naar hem toe, schud hem meerdere malen door elkaar, zonder dat hij zich van mijn aanwezigheid rekenschap geeft. Tenslotte heft hij zijn in tranen badende gezicht naar mij op, vouwt de handen en zegt tegen mij: «O, wat heeft die meneer voor mij gebeden!» Het betrof de overledene aan wie ik drie dagen tevoren de intentie had toevertrouwd die mij ter harte ging; hij had me geantwoord: «Als hij het Memorare bidt, is hij gewonnen en velen met hem». «Waar wil je heen? zeg ik tegen Alphonse. Waar je maar heen wil. Na wat ik gezien heb, gehoorzaam ik... Wat ben ik gelukkig! Wat een volheid van genade en geluk voor mij! Wat is God goed! En wat zijn zij die onwetend zijn ongelukkig!» Hij overdekte de medaille die hij bij zich droeg met kussen en hete tranen. Vervolgens omarmde hij me en zei met een stralend gezicht: «Breng me naar een biechtvader. Wanneer kan ik het Doopsel ontvangen, zonder hetwelk ik niet meer kan leven?» Ik bracht hem naar de Gesù, de kerk van de jezuïeten, dichtbij pater de Villefort; als hij hem aanspreekt laat hij hem zijn medaille zien en roept uit: «Ik heb hem gezien!! Ik heb hem gezien!!!» Vervolgens zegt hij: «Ik zat al even in de kerk toen ik me plotseling gegrepen voelde door een onuitsprekelijke verwarring. Heel het gebouw was als het ware voor mijn ogen versluierd; een enkele kapel had zogezegd al het licht in zich geconcentreerd en temidden van de lichtstralen is, staand voor het altaar, groot, schitterend, vol van majesteit en liefde, de Maagd Maria verschenen, zoals ze staat afgebeeld op mijn medaille; een onweerstaanbare kracht heeft me naar Haar toe gedreven. De H.Maagd gaf me een teken met haar hand dat ik moest neerknielen. Het leek of ze me zei: mooi zo! Ze heeft nauwelijks tegen me gesproken maar ik heb alles begrepen.» Toen hij alleen was met de pater verklaarde hij dat hij christen wilde worden. «Ik voorzie dat ik veel te lijden krijg; maar ik ben tot veel lijden bereid en ik verdien het want ik heb veel gezondigd.»

Een maand later, op 19 februari, laat hij bij de notaris het volgende vastleggen: «Ik probeerde meerdere malen op te zien naar de Heilige Maagd, maar door de straling en door de eerbied keek ik omlaag zonder dat dit mij belette zeker te zijn van haar aanwezigheid. Ik vestigde mijn blik op haar handen en zag hoe die vergeving en barmhartigheid uitdrukten. In haar aanwezigheid heb ik, hoewel Zij geen woord met mij heeft gesproken, begrepen in welk een afschuwelijke staat ik me bevond, hoe zeer de zonde ons misvormt, hoe mooi de katholieke Kerk is: in één woord, de schellen vielen mij van de ogen... Doordrongen van een gevoel van dankbaarheid jegens de Heilige Maagd Maria, dacht ik met een onuitsprekelijke vreugde aan mijn broer. Ik ervoer een hevige compassie met mijn familie die nog diep in de duisternis van het jodendom was gedompeld, en met de ketters en de zondaren.»

Wat biedt het Geloof u ?

Het vurig verlangen naar het Doopsel, ingegeven door de afschuw van de erfzonde, vervult de ziel van de bekeerling. Sommigen stellen hem voor te wachten: «Maar waarom, antwoordt hij hun: de Joden die de Apostelen hoorden werden onmiddellijk gedoopt (cf. Hnd 2, 41); en jullie willen mij tot uitstel aanmanen nadat ik de Koningin van de Apostelen heb gehoord?» Zoals de zeer eerwaarde pater Roothan, Generaal van de jezuïeten, het zei: «De geloofszin kwam in hem zo intens en zo daadwerkelijk tot uiting dat hij alles wat hem werd aangeboden aannam, er zich van doordrong en onthield.» Al na een paar dagen acht men hem voldoende onderricht, zo zeer dat de kardinaalvicaris van de Paus voor de stad Rome, de dag van de Doop op 31 januari vastlegt. Alphonse brengt de drie voorafgaande dagen in de Gesù door; hij mag graag de woorden van het Doopritueel herhalen: Gelijk het hert dat reikt naar waar het water stroomt, zo in verlangen reikt mijn ziel naar U, o God (Ps 41, 2). Wanneer de dag is gekomen schrijdt de kardinaal, bekleed met de pauselijke ornamenten, naar het achterste deel van de kerk waar de catechumeen, in de albe gehuld, zit neergeknield. «Wat vraagt u aan de Kerk van God? Het Geloof! Wat biedt het Geloof u? Het Eeuwig Leven! Welke naam wilt u dragen? Maria! Gelooft u in Jezus Christus? Ik geloof in Hem!» Wanneer hij het hoofd weer opheft, nat van het doopwater, overweldigt een onbenoembaar geluksgevoel het hart van Marie-Alphonse Ratisbonne. Hij heeft een kloof overbrugd: hij is christen! Het sacrament van het Vormsel bezegelt onmiddellijk deze uitstorting van genaden. Daarna begint het Heilig Misoffer; wanneer de kardinaal de heilige Hostie op zijn lippen legt barst de nieuwe christen in snikken uit: «Op dat moment had ik geen visioen, maar een heel sterk gevoel dat Onze-Lieve-Heer werkelijk aanwezig was.»

Zijn familie had geprobeerd de Doop te verhinderen: «Het is iets afschuwelijks het geloof van je voorvaderen af te zweren! Ach! antwoordt Alphonse, ik zweer het geloof van Abraham en van Mozes niet af, ik zweer de profetieën van Jesaja, Maleachi niet af, ik zweer David of Salomon niet af... maar ik zweer Judas af.» Denkt niet dat Ik gekomen ben om Wet en Profeten op te heffen; Ik ben niet gekomen om op te heffen, maar om de vervulling te brengen (Mt 5, 17); de ongelovige leerlingen op de weg naar Emmaus houdt Hij wat in al de Schriften op Hem betrekking had voor (Luc 24, 27). Rond 1880 zullen twee Israëlieten, bloedbroeders die katholiek en priester zijn geworden, Augustin en Joseph Lémann, de vrucht publiceren van hun minutieuze studie van de Heilige Schriften: «De Israëliet verandert door katholiek te worden niet van godsdienst: hij is bij uitnemendheid de godsdienstige mens die zijn volheid heeft verkregen, zoals de steel zijn bloem krijgt... De Nieuwe Wet is slechts de vervulling en de vervolmaking van die haar is voorafgegaan: overal dezelfde wetgevende God, overal Jezus Christus, middel- en eindpunt van de Wet.» Door de katholieke Kerk in te gaan vindt het kind van Israël alles terug wat Israël heeft verloren: «Hij vindt overal de Tempel, het Altaar en de eeuwigdurende offergave terug; hij vindt het manna terug of, liever gezegd, hetgeen er de voorafbeelding van was: het levend brood dat uit de Hemel is neergedaald om ons er weer naar terug te voeren.» Een nieuw door Christus gesticht priesterschap komt in de plaats van het volledig verdwenen levieten priesterschap... «Ons Jeruzalem, stad van David, is nog maar een schaduw. Maar een ander Jeruzalem is opgestaan. De liefde is de lucht die men er inademt; de waarheid ervan is de zon; de Romeinse eenheid is er de samenhang in... Het heil, dat wil zeggen het bezit van de Hemel, is zijn voornaamste zorg en doel; één enkel almachtig Offer wordt er aan de goddelijke Majesteit aangeboden, van de opkomst van de zon tot aan haar ondergang (Mal 1, 11): de blanke en zeer zuivere Hostie!» De continuïteit in de relatie tussen het oude Israël en de Kerk wordt eveneens door het Tweede Vaticaans Concilie bevestigd:

«De Kerk van Christus erkent immers dat haar geloof en haar uitverkiezing, overeenkomstig het heilsmysterie van God, reeds een aanvang namen bij de aartsvaders, Mozes en de profeten. Zij belijdt dat alle christengelovigen, zonen van Abraham naar het geloof, besloten liggen in de roeping van deze aartsvader en dat het heil van de Kerk op geheimenisvolle wijze wordt voorafgebeeld in de uittocht van het uitverkoren volk uit het land der slavernij» (Nostra aetate, 4).

Alphonse komt begin maart in Parijs aan. Het nieuws van het wonder van 20 januari verspreidt zich tot in de protestantse landen waar het een heropleving van de Mariadevotie en talrijke bekeringen veroorzaakt. Vijfenzeventig jaar later zal Onze-Lieve-Vrouw op 20 januari 1917 de toekomstige martelaar Maximilien Kolbe inspireren tot het stichten van de Militia Immaculatae waarvan de “ridders” het bekeren van de vijanden van de Kerk als doel hebben en de “wonderdadige medaille” als herkenningsteken dragen. Op 12 april 1842 kondigt Marie-Alphonse de pastoor van Notre-Dame-des-Victoires aan: «Mijn familie geeft mij de volledige vrijheid terug. Die vrijheid wijd ik aan God toe.» Op 14 juni gaat hij naar het noviciaat in Toulouse: hij zou er tien jaar doorbrengen in de Sociëteit van Jezus.

Naar de schapen van Israël

Intussen was zijn broer, de eerwaarde Théodore, naar Rome vertrokken. Toen hij door Paus Gregorius XVI werd ontvangen had hij hem deelgenoot gemaakt van het verlangen dat hij al lange tijd koesterde: «O! Wat zou ik gelukkig zijn als mij op een dag werd gezegd: Gaat u veeleer naar de verloren schapen van het huis van Israël ! (Mt 10, 6).» Dat is de oorsprong van de stichtingen van eerwaarde Théodore: de “catechisatie van de Israëlitische kinderen”, de Zusters van Sion, vervolgens vanaf 1847, de Priester-congregatie van Onze-Lieve-Vrouw van Sion. Marie-Alphonse volgt de werken van zijn broer van nabij, en verleent er zijn volledige medewerking aan voor zover de gehoorzaamheid hem dit toestaat. Weldra maakt hij bekend dat hij het idee heeft opgevat de Sociëteit van Jezus te verlaten om zich bij hem te voegen. In december 1852 wordt pater Marie-Alphonse van zijn geloften, welke nog maar de tijdelijke waren, door de Zeer Eerwaarde Pater Roothan ontslagen; hij treedt toe tot Onze-Lieve-Vrouw van Sion.

Voor hun broeders Israëlieten, uit wie de Christus naar het vlees is voortgekomen, vervloekt te zijn (Rom 9, 3-5), dat was de wens van de twee broers. Théodore sterft in Parijs op 7 januari 1884, Marie-Alphonse in Jeruzalem op 6 mei daaropvolgend. Zijn laatste woord «God is mijn getuige dat ik mijn leven opoffer voor het heil van Israël» is de weerklank van wat H.Paulus zei: Het is mijn vurige wens en ik bid tot God, dat zij gered worden! (ibid. 10, 1).

Moge zijn opzienbarende bekering, bewerkstelligd door de wonderdadige medaille, ons aansporen in de hulp van de Onbevlekte Maagd Maria een stevig schild te zien voor de stormaanvallen van de duivel en het uitgekozen middel om de zielen te winnen voor God. O, Maria, zonder zonden ontvangen, bid voor ons, die onze toevlucht tot u nemen!

Dom Antoine Marie osb

Om het Blad van de Abdij Saint-Joseph de Clairval te publiceren in een tijdschrift, blad... of on het internetsite of een website te plaatsen, is een toelating vereist. Deze dient te worden aangevraagd per E-Mail or bij http://www.clairval.com.

Index der Briefe  - Home Page

Webmaster © 1996-2017 Traditions Monastiques