Blason  Abdij Saint-Joseph de Clairval

F-21150 Flavigny-sur-Ozerain

Frankrijk


[Cette lettre en français]
[This letter in English]
[Dieser Brief auf deutsch]
[Esta carta en español]
[Questa lettera in italiano]
24 januari 2014
feest van Sint-Franciscus van Sales


Dierbare Vriend van de Abdij Saint-Joseph de Clairval,

Oktober 1912. Het stormt in het studenten seminaristenhuis van Vallendar-Schoenstatt, bij Koblenz (Duitsland): de oudere leerlingen protesteren tegen een huisreglement dat ze te streng achten; muuropschriften getuigen in hun volle breedte van de onvrede. De twee priesters belast met de geestelijke leiding nemen hun ontslag. In allerijl wordt een jonge priester, Jozef Kentenich, belast met hun vervanging in de hoop het vertrouwen te herstellen. Tijdens het eerste onderhoud stelt hij zich zo aan zijn studenten voor: «Ik stel me geheel tot jullie beschikking met alles wat ik ben en alles wat ik heb: mijn kennis en mijn onwetendheid, mijn bekwaamheid en mijn onbekwaamheid, maar vooral mijn hart. Wij gaan leren ons zelf op te voeden onder de bescherming van Maria, om mannen met een standvastig, onafhankelijk en priesterlijk karakter te worden.» Het klikt onmiddellijk tussen de nieuwe geestelijke leidsman en de nog maar kort geleden in opstand gekomen seminaristen. Uit deze ontmoeting is het werk Schoenstatt voortgekomen. Wie is deze priester wiens gedachtenis tegenwoordig geëerd wordt door miljoenen katholieken?

Jozef, geboren op 18 november 1885 in Gymnich, bij Keulen, is de onechte zoon van Katharina Kentenich. Hoewel zeer arm en vroom ondanks haar buitenechtelijke relatie waaruit haar zoon is geboren, geeft ze aan Jozef haar diepgaande Mariadevotie door. Wanneer ze haar achtjarige zoon naar het weeshuis H.Vincentius van Oberhausen brengt, heeft ze een van de weinige kostbare voorwerpen die ze bezit bij zich: een gouden kettinkje waaraan een kruisje hangt. Ze maakt het vast aan de hals van een beeld van Onze-Lieve-Vrouw en vraagt aan de Moeder van Jezus voortaan voor de opvoeding van haar zoon te zorgen en hangt het vervolgens om de hals van Jozef. Die weeshuisjaren zullen het kind zwaar vallen. Hij zal twee vluchtpogingen doen en veel kattenkwaad uithalen. Maar hij zal wel goede schoolresultaten behalen en zal vooral diep worden getekend door zijn toewijding tot Maria.

In 1897 geeft Jozef voor het eerst kennis van zijn verlangen om priester te worden. Twee jaar later wordt hij toegelaten tot het klein seminarie van Ehrenbreitstein van de paters pallottijnen, leden van een missiecongregatie die in 1835 in Rome werd gesticht, door H.Vincentius Pallotti. In 1904 gaat hij naar het noviciaat van de Pallottijnen van Limburg. In zijn dagboek formuleert hij zijn geestelijke ontwikkeling aldus: «God is mijn enig doel, Hij moet ook de ster zijn die mijn leven leidt.» De novice ontmoet echter grote moeilijkheden die het gevolg zijn van zijn intellectualistisch karakter. De filosofische basisvraag: «Bestaat er een waarheid en hoe kennen we die?» kwelt zijn verstand. Hij heeft een levendig verlangen naar volmaaktheid, maar vertoont tegelijk een grote ongevoeligheid, een soort van onvermogen God en zijn naaste lief te hebben. De Mariadevotie stelt hem in staat uit deze crisis te komen en te ontdekken dat God, Jezus Christus en de Maagd Maria hem hoogst persoonlijk liefhebben en dat die liefde geen abstract idee is, maar een levende werkelijkheid.

Drie pijlers

Nadat hij in 1909 wordt toegelaten de kloostergeloften af te leggen, wordt Jozef Kentenich op 8 juli 1910 in Limburg tot priester gewijd. Een aanval van tbc belet hem zijn droom om als missionaris naar Afrika te vertrekken te verwezenlijken. In 1912 in Schoenstatt aangekomen onder de hierboven geschilderde omstandigheden, sticht hij weldra een lekenvereniging die in 1914 een “Maria-congregatie” zal worden. De drie pijlers van het Schoenstatter liefdewerk zijn de liefde voor de Maagd Maria, de persoonlijke heiliging en de apostolische verbintenis. Zijn superieuren geven hem toestemming als stichter gebruik te maken van de kleine kapel Sint-Michael, die niet meer werd gebruikt en dienst deed als gereedschapshok. Op 18 oktober 1914 brengt de stichter er een twintigtal jongemannen bijeen; op deze plek weerklinkt voor de eerste keer de liturgische aanroep die het devies van het liefdewerk zal worden: Nos cum prole pia benedicat Virgo Maria (Moge met haar Heilig Kind de Maagd Maria ons zegenen!). Pater Kentenich wil van deze kapel graag een belangrijk bedevaartsoord maken: «Mogen allen die hier komen bidden de glorie van Maria ervaren!» Deze wens gaat weldra in vervulling: de bedevaartgangers stromen toe.

In 1915 doet een leraar Pater Kentenich een ets van de Maagd Maria met Kind cadeau. Ondanks de geringe kunstzinnige waarde van het werk is de stichter gecharmeerd van de tederheid van het gebaar waarmee Maria Jezus tegen haar hart aandrukt. Hij plaatst de icoon op het altaar. Vereerd onder de naam van Mater ter admirabilis (drievoudig bewonderenswaardige Moeder), zal ze in alle stichtingen van Schoenstatt voorkomen. Midden in de oorlog wordt een tijdschrift dat onder hetzelfde beschermvrouwschap staat naar de jongeren gestuurd die op het front strijd leveren. In mei 1918 biedt een twintigjarige Schoenstattenaar, Jozef Engling, vurig seminarist, voorvechter van de vrede onder de volkeren en apostel onder zijn soldatenkameraden, aan de drievoudig bewonderenswaardige Moeder zijn leven aan voor de verdere ontwikkeling van het werk. Op 4 oktober wordt hij gedood door een granaat in het noorden van Frankrijk; de stichter zal een voorbeeld van hem maken.

Geestelijk vaderschap

In 1919 sticht Pater Kentenich een Apostolische Unie om studenten en professoren die over heel Duitsland verspreid zijn weer bijeen te brengen. Het doel van de Unie is «leken apostelen opleiden in de geest van de Kerk». De plichten van ieder lid zijn: a) een priester als geestelijk leidman kiezen; b) schriftelijk een gewetensonderzoek doen; c) een geestelijke dagindeling opstellen en de controle erover uitvoeren; d) iedere maand aan de geestelijk leidsman verslag uitbrengen. Bovendien vraagt de Schoenstatte–naar aan de Onbevlekte Maagd Maria om «een fijnzinnig gevoel voor de deugd van zuiverheid». Overal in Duitsland verrijzen kapellen die aan de drievoudig bewonderenswaardige Moeder worden toegewijd. Vanaf 1920 is de beweging ook voor vrouwen toegankelijk via de Apostolische Unie. In 1926 roept de stichter de Mariazusters van Schoenstatt, godgewijde vrouwen die in de wereld staan, in het leven. De talrijke priesters die een retraite komen doen (in 1930 zijn het er 1.100), herinneren de stichter aan de plicht als geestelijk leidsman op te treden. Volgens hem is een van de voornaamste oorzaken van de morele crisis van onze tijd de afwezigheid van de leidsman.

In de gezinnen speelt het tekortschieten van de vader waar het aankomt op opvoeding, de juiste uitoefening van het gezag en het voorbeeld van een geestelijk leven dat geloofsuitoefening inhoudt. Paus Benedictus XVI maakte hierop een toespeling in een redevoering op 23 mei 2012: «Tegenwoordig is de vaderfiguur niet voldoende aanwezig en vaak is die niet positief genoeg in het dagelijks leven. De afwezigheid van de vader, het probleem van een vader die niet aanwezig is in het leven van een kind is een groot probleem van onze tijd, omdat het moeilijk wordt in zijn diepgang te begrijpen wat het wil zeggen dat God Vader voor ons is.»

Pater Kentenich wil de ontwikkeling van een “organisch” en “mechanisch” menselijk denken bevorderen; hij bedoelt daarmee te onderstrepen dat godsdienst niet moet worden beschouwd als een abstract systeem, maar als een levende werkelijkheid die is verankerd in het hart van de mens. Ten tijde van de opkomst van de rode (communisme) en bruine (nationaal-socialisme) totalitarismen komt hij in opstand tegen de depersonalisatie van de mens: «Tegenover de dominantie van de materie en de massa strijden wij voor de pracht en de macht van God en van de van God vervulde persoonlijkheid.»

Vanaf het moment dat Hitler aan de macht is (januari 1933) houdt de politie Schoenstatt in de gaten en vooral de stichter ervan die door de Gestapo als zeer gevaarlijk wordt beschouwd omdat zij streven naar geestelijke vernieuwing van Duitsland. Vanaf 1935 zijn het echter bepaalde kerkelijke kringen die pater Kentenich de grootste moeilijkheden bezorgen door diens “vreemde ideeën” te bestrijden: zijn mariologie vinden ze maar extravagant. De stichter zegt vaak dat de verdiensten van de toegewijde zielen moeten worden aangeboden aan de Heilige Maagd van wie zij het “genadekapitaal” zullen worden dat zij vrucht zal laten dragen. Achter dit concept dat is ontleend aan de moderne economie schuilt een klassieke spiritualiteitleer: reeds in het begin van de XVIIIe eeuw sprak de heilige Louis-Marie Grignion de Montfort van de dienaren van Maria als van het “kapitaal” waarover de Moeder Gods beschikt om te werken aan «de grootste heerlijkheid Gods in de tijd en in de eeuwigheid». De kritieken op Schoenstatt gaan echter door en worden gekenmerkt door jammerlijk onbegrip. «Zelfs als de moeilijkheden alleen maar groter worden, zo zegt Pater Kentenich, hebben wij ons klein devies dat wonderen doet: Mater habebit curam (de Moeder zal ervoor zorgen).»

De leegte laten zien

Vanaf 1940 wordt de vervolging van de katholieke geestelijkheid door de nazi’s alleen maar heviger; op 20 september 1941 wordt Pater Kentenich door de Gestapo opgeroepen; ze leggen hem een van zijn uitspraken voor die hij binnenshuis heeft gedaan, maar door een aangeefster zijn gerapporteerd: «Mijn missie is het de innerlijke leegte van het nationaal-socialisme te laten zien teneinde het op die manier te kunnen overmeesteren.» De politie zet de man Gods een maand vast in een vertrek zonder luchtverversing teneinde diens wilskracht te breken. Hij wordt vervolgens naar de gevangenis van Koblenz overgebracht. Dankzij de medewerking van twee bewakers ontvangt hij daar het nodige om de Mis te vieren, en wisselt brieven met Schoenstatt. Zijn zelfgave is totaal, hij geeft de Moeder Gods «een onbeperkte blanco volmacht» om met hem te doen wat zij wil, en vraagt aan ieder aan zijn offer deel te nemen om voor zijn geestelijke familie «duurzaamheid, vruchtbaarheid en heiligheid» te verkrijgen.

In maart 1942 vertrekt Pater Kentenich naar Dachau, een concentratiekamp dichtbij München, op een moment dat de levensomstandigheden zich daar verergeren. Onder de 12.000 gedetineerden telt men 2.600 priesters. De Duitsers zijn gehergroepeerd in een barak waar ze het recht hebben iedere dag de Mis bij te wonen die door een van hen wordt opgedragen; pas op 19 maart 1943 zal Pater Kentenich zijn eerste Mis in het kamp kunnen opdragen. Iedere avond verzorgt hij een geestelijke lezing voor zijn medegevangenen dankzij de bescherming van de “kapo” Guttmann (kapo: gedetineerde en barakhoofd), een communist met een zeer gewelddadig karakter, maar gefascineerd door het gedrag van de Pater: hij heeft hem zijn dagelijks brood en zijn soep zien delen met een nog meer behoeftige gedetineerde. Guttmann zal het leven van de stichter van Schoenstatt, dat was gedoemd te worden uitgeroeid in de gaskamer, vanwege diens slechte gezondheid redden: op de dag van het selectiebezoek van een SS arts, verbergt de kapo Pater Kentenich; ingezet in het desinfecteringscommando, kan deze voortaan vrij rondlopen in het kamp.

Op 16 juli 1942 zijn in Dachau twee nieuwe takken van Schoenstatt gecreëerd, onder de verantwoordelijkheid van twee leken gedeporteerden: de Gezinnengemeenschap en de Broedergemeenschap. Telkens als hij naar een andere blok wordt overgebracht begint de stichter opnieuw zijn apostolaat ondanks het persoonlijk risico dat hij daarbij loopt. In de loop van de drie laatste maanden van 1944 veroorzaken de verharding van het nazi regime en de verschillende epidemieën de dood van tienduizend gedetineerden in Dachau. Op dat moment sticht Pater Kentenich met een groep volgelingen door een verbazingwekkende, van hoop vervulde, daad van geloof, gesteld in een helse omgeving, het internationaal liefdewerk die de stichting van Schoenstatt over de hele wereld verbreidt. In december wijdt Monseigneur Piguet, een gevangen Franse bisschop, in het grootste geheim, een Schoenstatter seminarist, de gelukzalige Karl Leisner, tot priester. Deze zal, lijdend aan tbc en zeer verzwakt, slechts één Mis kunnen opdragen alvorens te sterven. Hij werd op 23 juni 1996 door Johannes Paulus II zalig verklaard.

Op 6 april 1945 komen de Amerikanen en worden de gevangenen bevrijd. Op 20 mei, Pinksterendag, is Pater Kentenich terug in Schoenstatt. Hij gaat onmiddellijk weer aan het werk. Er moet een dam worden opgeworpen tegen een dubbel gevaar dat de lucide stichter heeft waargenomen: het communisme in het Oosten, het praktisch materialisme in het Westen. Door zijn ervaring als gedeporteerde kan hij zijn volgelingen leren hoe ze hun innerlijke vrijheid moeten bewaren. De Paters Reinisch en Eise, twee Schoenstatter martelaren, de eerste onthoofd door de nazi’s, de tweede gestorven door ziekte in Dachau, zullen worden aangeroepen als hemelse beschermers door alle leden van de Beweging.

De seculiere Instituten

In maart 1947 bedankt Pater Kentenich, die in privé audiëntie wordt ontvangen door Paus Pius XII, de Kerkvorst voor de publicatie, twee dagen eerder, van de constitutie Provida Mater Ecclesia, die de “Seculiere Instituten” in het leven roept. Met deze term wordt een groep christenen bedoeld, leken en diocesane priesters, die in de wereld leven en met elkaar een godgewijde gemeenschap vormen. Deze Instituten hebben tot doel hun leden te helpen naar volmaakte naastenliefde te streven. Zonder religieuzen te zijn in de strikte zin van het woord, kunnen de leden van de seculiere Instituten privé geloften afleggen. In oktober 1948 verheft de Heilige Stoel de Schoenstatter Zusters van Maria tot seculier Instituut. Tegelijkertijd gaat de stichter naar Latijns Amerika, vervolgens naar Afrika en de Verenigde Staten om ook daar zijn liefdewerk te vestigen.

Er blijft echter verzet bestaan tegen de beweging die jaloezie wekt omdat ze zo gedegen blijkt te zijn en zich zo gemakkelijk uitbreidt. Het verzet is niet gericht tegen onderdelen in de leer, maar voornamelijk tegen uitdrukkingen in bepaalde gebeden en tegen de rol van de stichter die te overheersend wordt gevonden. De bisschop van Trier in het diocees waar Schoenstatt onder valt geeft bevel tot een canoniek bezoek. Hoewel in grote lijnen lovend, formuleert het verslag van de Visitator echter ook enige kritiek op details waarop Pater Kentenich wordt uitgenodigd te reageren. Deze meent het debat te moeten verheffen door een lang document op te stellen over het werk Schoenstatt dat wordt gepresenteerd als een remedie voor de ziekte van het westelijk denken, het idealisme.

In de loop van de XVIIIe eeuw heeft die stroming die is voortgekomen uit de filosofie van de Verlichting radicaal het denken en de concrete werkelijkheid van elkaar gescheiden. Men treft dit vandaag de dag nog aan, met name in de vorm van het relativisme, een stelsel dat geen absolute waarheid erkent: «Ieder zijn waarheid.» In de loop van de Mis voor de opening van het conclaaf van 2005, vestigde kardinaal Ratzinger de aandacht van de kardinalen op dit gevaar: «Een duidelijk geloof bezitten, volgens het Credo van de Kerk, wordt vaak als fundamentalisme betiteld; terwijl het relativisme, dat wil zeggen het “zich laten meevoeren op de golven van de strijd der meningen” wordt beschouwd als de enige houding die met de huidige tijd in overeenstemming is. Er dient zich een dictatuur van het relativisme aan, dat van geen definitieve waarheid wil weten en het ik en zijn behoeften als de maat van alle dingen ziet. Maar onze maatstaf is een andere: de Zoon van God, de ware mens. Hij is de maatstaf van het ware humanisme. Een geloof dat de golfslag van de mode en de laatste nieuwigheid volgt, is niet volwassen. Volwassen en rijp is een geloof dat diep geworteld is in de vriendschap met Christus. Het is deze vriendschap die ons opent voor al wat goed is en ons het criterium geeft om te kunnen onderscheiden tussen waar en vals, tussen bedrog en waarheid» (homilie 18 april 2005).

God spreekt

Voor de stichter kan Schoenstatt een antidosis vormen voor dit gif omdat het geen abstracte theorie is, maar in praktijk gebrachte christelijke leer. Zijn lang pleidooi heeft de Apostolisch Visitator echter ontstemd en deze stuurt het dossier naar het Heilig Officie in Rome. In 1951 wordt Pater Tromp, Nederlandse jezuïet, benoemd tot apostolisch inspecteur met uitgebreide volmachten. Onthutst over de weinig klassieke terminologie die Pater Kentenich gebruikt, houdt hij deze voor een geëxalteerde en zelfs sektarische vernieuwer. Na hem te hebben ontheven uit al zijn functies aan het hoofd van het werk, legt hij hem ook huisarrest op in het klooster van de Pallottijnen van Milwaukee (Verenigde Staten). Iedere briefwisseling met de verantwoordelijken van het werk is hem verboden. De banneling schrijft echter in alle rust en onderworpen aan de Voorzienigheid die ook via het kerkelijk gezag zijn werk doet: «Spreekt God ook niet duidelijk door gebeurtenissen? De Kerk wil onze gehoorzaamheid beproeven om op die manier te weten te komen of het werk en de drager van het werk het merkteken van God bezitten.» In 1959 wordt Pater Kentenich benoemd tot pastoor van de Duitse parochie van Milwaukee, dat veel emigranten uit Duitsland telt. «Hij sprak ons over de Vader in de Hemelen, zullen enkele parochianen rapporteren, zoals wij dat nog nooit iemand hadden horen doen.»

In 1953 weigert Paus Pius XII, die men deze maatregel had voorgesteld, Schoenstatt op te heffen. De vraag wordt gesteld welk statuut het werk heeft: moet het worden geïntegreerd in de congregatie van de Pallottijnen ofwel zelfstandig worden? De superieuren van de Orde zijn voor de eerste oplossing, maar andere pallottijnse religieuzen denken met Pater Kentenich dat Schoenstatt volledig zelfstandig moet zijn, om te kunnen overleven. In 1962 vertrouwt de gelukzalige Johannes XXIII, dankzij bemiddeling van meerdere bisschoppen, het dossier toe aan de Congregatie voor de Religieuzen. In december 1963 benoemt Paus Paulus VI Monseigneur Höffner, moderator en beschermheer van Schoenstatt, tot bisschop van Münster. Er wordt een nieuwe Apostolisch Visitator aangewezen, die een gunstig rapport uitbrengt. In 1964 spreekt een pauselijk decreet, op unaniem advies van de Duitse bisschoppen, zich uit voor de scheiding van Schoenstatt en de Pallottijnen; deze komt in vrede tot stand. Er rest de leden van het werk niets meer te doen dan van Rome de terugkeer van de stichter onder de zijnen te verkrijgen. In oktober 1965 wordt Pater Kentenich hersteld in zijn functies aan het hoofd van het werk. De dan tachtigjarige wordt ontvangen door Paulus VI, een paar dagen na de afsluiting van het IIe Vaticaans Concilie. Hij zal over het concilie voorspellen dat «het zijn vruchten zal dragen, maar eerst negatieve uitwerkingen zal hebben, vanwege de onzekerheid in brede lagen van de hiërarchie, van de geestelijkheid en van de leken in zake het beeld van de Kerk, deze onzekerheid kan worden overwonnen door de blik te richten op Maria, het eerste beeld en Moeder van de Kerk».

Kerstmis 1965 wordt Pater Kentenich, wiens gezicht van een aartsvader, gesierd met een witte baard, met geestdrift verwelkomd in Schoenstatt. Zijn werk omvat voortaan vijf seculiere instituten: de Paters van Schoenstatt, de verenigde diocesane priesters, de Broeders van Maria, de Zusters van Maria en het Instituut Onze-Lieve-Vrouw voor de godgewijde leken; daarnaast zijn er ook nog Unies en Liga’s die priesters, leken en gezinnen verenigen. De stichter wijdt voortaan zijn krachten aan de uitoefening van zijn spiritueel vaderschap voor allen. Een invloedrijke theologie in die jaren na het concilie eiste een volwassen geloof, autonomie van het individu, toepassing van het democratisch principe in de Kerk; tegenover deze in zwang zijnde ideeën legt Pater Kentenich de nadruk op het vaderschap van God en het vaderschap dat de geestelijkheid moet uitoefenen in de Kerk, in het bijzonder de bisschoppen. Voortkomend uit naastenliefde is dit vaderschap ook een beginsel van gezag en houdt gehoorzaamheid in. De moederlijke begeleiding van Maria is het andere wezenlijke charisma van het werk; het praktisch middel om ervan te leven is de liefdesverbintenis met de drievoudig bewonderenswaardige Moeder.

In een redevoering voor het jaarlijks Congres van de Duitse katholieken in 1967, verklaart Pater Kentenich: «Wij beleven apocalyptische tijden. Hemelse en duivelse machten staan op deze aarde tegenover elkaar. Deze confrontatie heeft als inzet de heerschappij over de wereld; tegenwoordig is dat goed te zien. De oplossing ligt in de toevlucht tot de Maagd Maria, bevoorrecht wapen in de hand van de levende God». In de loop van zijn laatste jaar op aarde, het jaar 1968 dat werd getekend door de geest van protest zowel binnen de Kerk als in de wereld, komt de Pater voortdurend terug op dit thema: «De taak van Maria is Christus naar de wereld te leiden en de wereld naar Christus, wij zijn ervan overtuigd dat de grote crises van de huidige tijd niet overwonnen kunnen worden zonder Maria (12 september 1968).

Dilexit Ecclesiam

Drie dagen later viert Pater Kentenich de Mis in het splinternieuwe heiligdom van de Aanbidding, dat kort tevoren is ingewijd op de heuvels van Schoenstatt. Zeshonderd Zusters van Maria wonen de plechtigheid bij. Bij terugkomst in de sacristie voor het dankgebed krijgt de celebrant plotseling een hartaanval; hij ontvangt de laatste sacramenten en blaast enkele minuten later de laatste adem uit. Zijn stoffelijke resten rusten op de plek van zijn laatste ademtocht. Op zijn grafsteen staat, in overeenstemming met zijn laatste wens, geschreven: «Dilexit Ecclesiam» (Hij heeft de Kerk liefgehad; Ef 5, 25). Tegenwoordig omvat de beweging van Schoenstatt, aanwezig in meer dan honderd landen (waaronder Frankrijk), ongeveer 100.000 leden en heeft zijn uitstraling op meerdere miljoenen buitengewone leden. Het zaligverklaringproces van de stichter is van start gegaan in 1975.

Moge het voorbeeld van Pater Jozef Kentenich ons aanmoedigen met de Allerheiligste Maagd Maria een liefdesverbintenis aan te gaan die van ons vrije instrumenten zal maken in de handen van deze drievoudig bewonderenswaardige Moeder. Moge door Haar alle mensen naar Jezus Christus, enige Verlosser, gaan, en door Hem, naar zijn Vader in de Hemelen!

Dom Antoine Marie osb

Om het Blad van de Abdij Saint-Joseph de Clairval te publiceren in een tijdschrift, blad... of on het internetsite of een website te plaatsen, is een toelating vereist. Deze dient te worden aangevraagd per E-Mail or bij http://www.clairval.com.

Index der Briefe  - Home Page

Webmaster © 1996-2017 Traditions Monastiques