Blason  Abdij Saint-Joseph de Clairval

F-21150 Flavigny-sur-Ozerain

Frankrijk


[Cette lettre en français]
[Dieser Brief auf deutsch]
[Esta carta en español]
[Questa lettera in italiano]
15 november 2013
feest van H. Albertus de Grote


Dierbare Vriend van de Abdij Saint-Joseph de Clairval,

«Van de complexe geschiedenis van Europa maakt het christendom een centraal en kenmerkend deel uit, zo verklaarde de gelukzalige Paus Johannes Paulus II op 1 oktober 1999 toen hij de heiligen Brigitha van Zweden, Catharina van Siena en Theresia-Benedicta van het Kruis... uitriep tot patroonheiligen van Europa. Het christelijk geloof heeft de cultuur van dit werelddeel gevormd en is onlosmakelijk verbonden met zijn geschiedenis... Er zijn talloze christenen die door hun rechtschapenheid en fatsoen, met de liefde voor God en de naaste als drijvende kracht, in de meest uiteenlopende gewijde alsook lekenroepingen een waarachtige en wijd verspreide heiligheid hebben bereikt, zelfs wanneer zij verborgen was. De Kerk twijfelt er niet aan dat deze schat aan heiligheid nu juist het geheim van haar verleden is en de hoop van haar toekomst... De rol van heilige Catharina van Siena in de ontwikkelingen van de Kerkgeschiedenis en zelfs in de doctrinaire verdieping van de geopenbaarde boodschap is op significante wijze erkend, zozeer dat zij de titel van kerkleraar (door Paus Paulus VI, op 4 oktober 1970) kreeg toebedeeld».

Als dochters van een wolverver, Giacomo Benincas en zijn vrouw Lapa, zijn Catharina en haar tweelingzusje Giovanna op 25 maart 1347 in Siena, Italië, geboren. Ze komen ter wereld na tweeëntwintig broers en zusjes. Giovanna sterft weldra en in 1348 adopteren de ouders Benincasa een jonge wees van tien jaar, Tommaso della Fonte. Vanaf haar vroegste jeugd voelt Catharina zich sterk aangetrokken tot God en Maria. Ze is nauwelijks vijf jaar wanneer ze met vuur het Weesgegroet bidt en ze er genoegen in schept dit op iedere trede van de trap naar boven of naar beneden te herhalen. Later zal ze voortdurend aanbevelen bij alle gelegenheden een beroep te doen op Maria: «Maria is onze pleitbezorgster, de Moeder van de genade en de barmhartigheid. Zij zal zich jegens haar dienaren niet ondankbaar betonen.» Rond haar zesde heeft ze een visioen van Christus die haar zegent. Deze ervaring versterkt Catharina’s vrome natuur. De godsdienstige opvoeding die zij ontvangt omvat het lezen van levens van heiligen, kluizenaars of woestijnvaders die zij vervolgens probeert na te volgen door een leven van ascese en eenzaamheid. De aantrekkingskracht die de orde der Dominicanen op Catharina uitoefent wordt groter als Tommaso in 1353 naar het noviciaat van H.Dominicus gaat. Op zevenjarige leeftijd legt Catharina de gelofte van kuisheid af.

Vindingrijk

Wanneer ze zo’n twaalf jaar is laat Catharina, om  haar moeder en Bonaventura, de oudste zus, tevreden te stellen, zich in elegante kleding steken. In augustus 1362 sterft Bonaventura in het kraambed. Na dit sterfgeval willen de ouders dat Catharina gaat trouwen, maar zij verzet zich categorisch. De ouders zoeken de steun van Tommaso. Door Catharina’s vastbeslotenheid zich aan God toe te wijden, overreedt hij haar het haar af te laten knippen. Haar ouders zijn er zeer boos over. Afgezien van straffen en pesterijen wordt ze ook nog van haar kamer verjaagd waar ze vaak langdurig zat te bidden en haar moeder, die haar niet begrijpt, verplicht haar het dienstmeisje in haar huishoudelijke taken te vervangen. Ze besluit dan in zichzelf een soort «kleine monnikencel» te creëren waarin ze zich tijdens het werk opsluit met Jezus. Om haar stil gebed en haar gehoorzaamheid te vergemakkelijken doet ze haar best in haar moeder de Heilige Maagd Maria te zien; terwijl ze haar vader dient houdt ze zich voor Jezus te dienen; haar broers en zussen zijn de leerlingen van Christus en de heilige vrouwen... Door steeds een beroep te doen op haar vindingrijkheid slaagt Catharina erin contemplatief midden in de wereld te staan, in de wereld te zijn zonder werelds te worden, door de omstandigheden van het gewone leven te veranderen in even zoveel gelegenheden om God te ontmoeten. Later zal ze tegenover haar leerlingen verklaren dat «alles wat uit liefde voor de naaste of voor zichzelf wordt gedaan, al die buitenwereldse werken, welke dan ook, wanneer ze met een heilige wil worden volbracht, een gebed zijn».

Op een dag ziet Catharina in een droom heilige Dominicus die haar een lelie en een dominicaans kloosterkleed aanreikt. Wanneer hij ziet hoe vastbesloten Catharina is, staat haar vader haar tenslotte toe zich bij de zusters der Penitentie van H.Dominicus (bijgenaamd de Mantellate (Italiaans voor mantel, vanwege hun zwarte mantel) aan te sluiten; deze vormen een groep die voornamelijk bestaat uit weduwen die zich aan liefdadigheidswerken wijden en bij elkaar komen om de Mis bij te wonen en godsdienstig onderricht te ontvangen. Wanneer ze door haar moeder wordt voorgesteld, wordt Catharina geweigerd door de zusters die haar te jong vinden en misschien te geëxalteerd. Maar kort daarop zijn de zusters diep onder de indruk van het vuur en de moed van Catharina die een ernstige ziekte heeft verdragen en zijn ze bereid haar toe te laten en, tegen het einde van het jaar 1364 wordt ze ingekleed.

«Als ik er niet was geweest...»

Al in het noviciaat wordt Catharina, die een zeer asce- tisch leven leidt, begunstigd met verschijningen van en samenspraken met Jezus. Deze mystieke gaven gaan echter wel gepaard met momenten van twijfel, angsten en hevige bekoringen. Na een bijzonder hevige bekoring wordt Catharina vereerd met een verschijning van Onze-Lieve-Heer: «Goede en zeer zoete Jezus, zegt ze zacht tegen Hem, waar was U toen mijn ziel die vreselijke kwellingen moest ondergaan? – Ik was in je hart, Catha-rina, want ik verwijder me alleen van hen die als eersten zich van mij verwijderen door toe te geven aan de zonde. – Wat! Zat U in mijn hart, dat zo vol was van de walgelijkste gedachten? – Zeg me eens, Catharina, bezorgden die gedachten je blijdschap of droefheid? – Oh, Lieve Heer! Een onmetelijke droefheid en walging. – En waardoor was je bedroefd terwijl ik toch midden in je hart aanwezig was? Als ik er niet was geweest zou je aan die bekoringen hebben toegegeven: ik was degene die ervoor zorgde dat jij ze verwierp en er bedroefd van werd. En ik was verrukt van de trouw die je mij bewees tijdens dit smartelijke gevecht.» In een van haar brieven zal Catharina de kostbare lering die ze uit deze beproeving trok bekend maken: «God staat de bekoring toe om onze deugden op hun waarde te testen en om zijn genade te vermeerderen; opdat wij geen overwonnenen, maar overwinnaars zullen zijn, dankzij het vertrouwen in de goddelijke bijstand die ons met de apostel Paulus de woorden: Ik vermag alles in de gekruisigde Jezus in mij die mij kracht geeft (Cf Phil 4, 13) ontlokt.»

Verscheidene figuren uit het Oud Testament – Abel, Abraham, Job, Tobias – herinneren ons eraan dat God zijn dierbaarste vrienden beproeving en bekoring laat ondergaan. Door de bekoring ervaren we inderdaad onze zwakheid en het gewicht van het kwade dat wij in ons meedragen. Deze kennis van onszelf voert ons naar de waarheid en verootmoedigt ons; zij komt ons heil zeer ten goede... «Er is geen heiligheid zonder onthechting en zonder geestelijke strijd» (CKK 2015).

In 1368 wordt de vader van Catharina ziek en sterft, ondanks de gebeden van zijn dochter. In dat zelfde jaar wordt ze door de Heilige Maagd, in een visioen dat Catharina voor altijd in haar hart en haar geest bewaart, aan Jezus aangeboden die haar een prachtige ring geeft en zegt: «Ik, uw Schepper en Verlosser, Ik huw u in het geloof, dat gij altijd zuiver zult bewaren tot ge uw eeuwig bruidsmaal met Mij zult vieren».

Catharina is zich voortdurend bewust van de aanwezigheid van deze ring die alleen voor haar zichtbaar bleef. Van die tijd af brengt Catharina haar liefde voor God meer in praktijk door een grotere aandacht voor de zieken en de armen. Ze doet wonderen ten gunste van hen. Maar zij is eveneens het voorwerp van spotternijen en lasterpraat: sommigen beschuldigen haar ervan een vrouw van slechte zeden te zijn.

Catharina wordt begunstigd met de gave der tranen. Deze zijn de uitdrukking van diepe gevoeligheid, van de bekwaamheid ontroerd te zijn en tederheid te gevoelen. Vele heiligen hebben de gave van tranen, en hernieuwen de ontroering van Jezus zelf, die Zijn tranen niet heeft weerhouden en verborgen aan het graf van Zijn vriend Lazarus en tegenover het verdriet van Maria en Martha, en bij het zien van Jeruzalem tijdens Zijn laatste dagen op aarde. «Herinner u de gekruisigde Christus, God en mens (...), zo schrijft Catharina aan een briefrelatie... Laat de gekruisigde Christus uw doel zijn, verberg u in de wonden van de gekruisigde Christus, dompel u onder in het Bloed van de gekruisigde Christus.»

«De leer van Maria»

Door bemiddeling van haar broer Tommaso maakt  Catharina kennis met Bartolomeo di Domenico, een jonge dominicaan. Er ontstaat een grote geestelijke vriendschap tussen beiden: Bartolomeo onderwijst haar in de godgeleerdheid en zij bemoedigt hem waar zij maar kan. Catharina’s faam verspreidt zich en zij ontwikkelt een intensieve actitiviteit als geestelijke raadsvrouwe voor de meest uiteenlopende lieden: adel, politici, kunstenaars en volksmensen, godgewijde personen en leden van de clerus. Er vormt zich om haar heen een groep van volgelingen die zij aanspoort voor het heil van de naaste te werken. De ijver voor de zielen noemt zij «de leer van Maria» want, zo legt ze uit, «als mens was de Zoon van God bekleed met het verlangen de eer van zijn Vader en ons heil te dienen; en dit verlangen was zo groot dat Hij in zijn hartstocht – door de pijn, de schaamte en de grove beledigingen heen – op de schandelijke dood aan het kruis afstevende. Welnu, hetzelfde verlangen kende Maria want zij kon niets anders verlangen dan de eer van God en het heil van de schepselen.» Catharina begint ook te reizen. Maar haar activiteit wekt verwondering in Siena en ook in de dominicaner orde en in 1374 verschijnt ze voor het generaal kapittel van de dominicanen in Florence. Ze krijgt als geestelijk leidsman een ontwikkelde, nederige priester, Raimondo da Capua, toekomstig Generaal-Meester van de Orde die haar biechtvader wordt en ook haar geestelijke zoon (hij wordt tegenwoordig geëerd als gelukzalige).

Op Pinksterdag 1374 ontvangt Catharina de stigmata van Christus: de wonden aan de handen, de voeten en de zijde van de gekruisigde Jezus staan in haar vlees gedrukt, maar op een onzichtbare wijze, zoals zij dit uitdrukkelijk aan Christus had gevraagd. Het geestelijk leven bestaat voor haar uit vereniging met God die een «weg van waarheid» is, en op deze weg is het Lijden van Christus de beste gids: dit is «te verkiezen boven alle boeken». De liefde leidt Catharina van Siena tot navolging van Christus en zijn Kruisoffer, door een leven van ascese, penitentie, gebed en dienstbaarheid aan de anderen. Zo wordt ze een “alter Christus” (andere Christus). Haar liefde voor de naaste vervult haar zozeer dat ze op een dag niet aarzelt de cel van een ter dood veroordeelde te betreden om hem te bezweren dat hij zich met God moest verzoenen. Nicola di Toldo was om politieke redenen tot de doodstraf veroordeeld. Het bezoek van Catharina in zijn cachot verandert de jongeman die te biecht gaat, de Mis bijwoont en de Heilige Communie ontvangt. Op de dag van de executie is Catharina tot grote vreugde van de veroordeelde aanwezig. Voortdurend mompelt hij de namen van “Jezus” en “Catharina”. Na de executie ziet de heilige zijn ziel Gods rijk binnengaan «als de bruid die over de drempel van de woning van de bruidegom schrijdt». Later zal God aan Catharina openbaren hoe deze veroordeling het mogelijk had gemaakt dat Nicola di Toldo de staat van genade, de vriendschap van God kon hervinden en aldus het heil en het eeuwig leven kon verkrijgen.

Onontbeerlijke ambtsbekleder

Vanaf 1375 zet Catharina zich in voor de terugkeer  van de Pausen uit Avignon naar Rome (sinds 1309 verbleef de pauselijke regering om politieke redenen in Avignon) alsook voor de eenheid en de onafhankelijkheid van de Kerk die misschien geen enkele heilige zo zeer heeft bemind als zij. «De Kerk, zo schrijft ze, is niets anders dan Christus zelf», de hoedster van de liefde van God voor de mensen; en de hiërarchische Kerk is de onontbeerlijke ambtsbekleder voor het heil van de wereld. Daaruit vloeien de eerbied en hartstochtelijke liefde van Catharina voor de Heilige Vader voort, in wie zij de «zoete Christus van de aarde « ziet en aan wie kinderlijke genegenheid en gehoorzaamheid verschuldigd zijn: «Hij die Christus op aarde (dat wil zeggen de Paus), die de Christus in de hemel vertegenwoordigt, niet gehoorzaamt, zal geen deel hebben aan de vrucht van de Zoon van God.»

De heilige onderwees reeds op haar manier de leer aangaande het primaatschap van de Heilige Vader de Paus dat door het eerste Vaticaans Concilie, in 1870, zou worden gedefinieerd: allen, herders en gelovigen, «zijn tot de plicht van hiërarchische onderwerping en waarachtige gehoorzaamheid (aan de Paus in Rome) gehouden, niet alleen in vraagstukken die het geloof en de zeden betreffen, maar ook in zaken die de ordening en het bestuur betreffen van de over heel het rond der aarde verbreide Kerk. Door het bewaren van deze eenheid met de Bisschop van Rome in de gemeenschap en in het belijden van hetzelfde geloof is zo de Kerk van Christus een kudde onder een opperste herder. Dat is de leer van de katholieke waarheid, van welke niemand kan afwijken, zonder schade te lijden aan dit geloof en aan zijn heil» (Dogmatische constitutie over de Kerk, hfdst. 3, DS 3060).

De aansporingen van Catharina zijn de uitvoering van de missie die zij van God heeft ontvangen. Het gaat haar niet om grondige wijzigingen in de wezenlijke structuren van de Kerk of om een protest tegen de Herders of om vernieuwingen op het gebied van de eredienst en de tucht, maar om de oorspronkelijke roeping die zij Christus’ Bruid wil teruggeven. «Hoewel de Kerk door de kracht van de Heilige Geest de getrouwe bruid van haar Heer is gebleven en nooit heeft opgehouden in de wereld het teken van het heil te zijn, is het haar wel degelijk bekend, dat er onder haar leden, geestelijken en leken, in de lange rij der eeuwen mensen zijn geweest die ontrouw waren aan de Geest van God. Geleid door de Heilige Geest, spoort de Kerk als een moeder onophoudelijk haar kinderen aan tot uitzuivering en vernieuwing, zodat het teken van Christus op het gelaat van de Kerk steeds duidelijker mag schitteren.» (II° Vaticaans Concilie, Gaudium et spes, n. 43)

«Heilige Catharina, zo merkte Paus Paulus VI op, heeft de Kerk liefgehad in haar alledaagse werkelijkheid die, zoals wij weten, twee kanten heeft: de eerste, mystiek geestelijk, onzichtbaar, de wezenlijke kant die niet is los te zien van Christus, de herrezen Verlosser... ; de tweede kant is menselijk, historisch, institutioneel, concreet, maar nooit gescheiden van het goddelijke. Het is goed ons af te vragen of onze huidige kritiek op het institutionele aspect van de Kerk oog heeft voor die gelijktijdigheid... Catharina bemint de Kerk zoals zij is... Catharina bemint de Kerk niet om haar menselijke verdiensten van wie haar toebehoort of haar vertegenwoordigt. Wanneer we bedenken hoe de Kerk er destijds voor stond begrijpen we goed dat haar liefde door heel andere motieven werd ingegeven... Heilige Catharina verhult de fouten van de Kerkdienaren niet, maar terwijl ze zich verheft tegen die decadentie beschouwt ze die als een reden te meer en een noodzaak nog meer lief te hebben» (Audiëntie van 30 april 1969).

In zijn armen

De hervorming van de Kerk betreft allereerst de clerus  voor wie Catharina groot respect heeft. Ze schrijft inderdaad in haar Dialogen deze woorden die God haar heeft geopenbaard: «Ik heb mijn bedienaars gekozen voor uw heil opdat u van hen het Bloed van het enig, nederig en onbevlekt Lam, mijn Zoon, moge ontvangen.» Maar ze werkt tevens aan de hervorming van de leken. Aan een man die zich heeft overgeven aan vleselijke hartstochten schrijft ze: «Ach, mijn dierbare broeder, slaap niet langer in de dood van de doodzonde! Ik zeg u dat de bijl reeds de wortel van de boom raakt. Neem de schop van de vreze Gods op en moge de hand van liefde zich ervan bedienen. Verwijder de verrotting uit uw ziel en uw lichaam. Wees toch niet zo wreed, wees niet uw eigen beul door u zelf te beroven van dat zo lieflijke Hoofd, Christus Jezus!... Maak een eind aan uw losbandigheid. Ik heb het u gezegd en zeg het u nogmaals: God zal u straffen als u zich niet betert; maar ik beloof u ook, als u zich wilt bekeren en profiteren van de tijd die u nog wacht, dat God zo goed, zo barmhartig is dat Hij u zal vergeven, u in zijn armen zal nemen, u zal laten delen in het Bloed van het Lam, met zoveel liefde vergoten dat er geen zondaar is die geen barmhartigheid kan verkrijgen; want de barmhartigheid van God is groter dan onze ongerechtigheid, zodra wij van leven willen veranderen.»

Catharina weet dat heiliging tot stand komt dankzij de sacramenten van de Biecht en de Eucharistie, zoals ze het schrijft aan een van haar volgelingen: «U moet vaak uw ziel zuiveren van de smetten van de zonde door een goede en heilige biecht, en haar voeden met het Engelenbrood, dat wil zeggen met het zoete sacrament van het Lichaam en het Bloed van Jezus Christus, God en mens.» Ze laat onder haar volgelingen de gewoonte herleven veelvuldig ter communie te gaan, iets wat destijds zeer zeldzaam was geworden, en leert ook dat de beste voorbereiding op de sacramentele communie de spirituele communie is. Deze bestaat uit het streven de Eucharistie te ontvangen met een waarlijk vurig verlangen; en dit verlangen moet er niet alleen zijn op het moment van de communie, maar te allen tijde en hier en overal.

De verantwoordelijken van de stad Florence vragen haar bij de Paus tussenbeide te komen om de verzoening van de pauselijke regering met hun stad te bewerkstelligen. Catharina vertrekt in april 1376 naar Avignon. Ze ontmoet de Paus en vraagt hem drie dingen: weer naar Rome te gaan, een nieuwe grote kruistocht te organiseren, en tenslotte de strijd aan te binden tegen de slechte gewoonten en de zonden binnen de Kerk. In de stad Avignon wordt Catharina het voorwerp van een zeker wantrouwen vanwege haar groeiende invloed op de Paus, maar ook vanwege haar extases die soms in het openbaar plaats vinden. De Paus laat haar in het geheim in de gaten houden door theologen die, na de zaak te hebben onderzocht, haar niets te verwijten hebben.

Een intens verdriet

Gregorius XI, de Franse Paus met de slechte gezond- heid en bange geest verlaat Avignon op 13 september 1376 en gaat naar Italië dat ten prooi is gevallen aan hevige onlusten. Hij bereikt Rome op 16 januari 1377. Catharina gaat op haar beurt naar Siena alvorens door de Paus naar Florence te worden gestuurd, de stad die nog altijd tegen de Paus is gekeerd. Catharina trekt de blik van de Florentijnen naar «de gekruisigde Christus en de zoete Maagd Maria», en verzekert hen dat er voor een maatschappij die zich laat inspireren door christelijke waarden nooit een reden mag zijn die zo ernstig is dat men liever zijn toevlucht zoekt tot de rede van de wapenen dan tot de wapenen van de rede. In 1378 vallen haar de talrijke extases ten deel die ten grondslag liggen aan de Dialogen, spirituele verhandelingen die zij aan vijf secretarissen dicteert.

Op 27 maart 1378 sterft Paus Gregorius XI. Kort daarna wordt Urbanus VI gekozen om hem op te volgen. Maar, voornamelijk Franse, kardinalen die ontevreden zijn over het autoritair gedrag van de nieuwe Kerkvader komen in Fondi bijeen op 18 september 1378 en kiezen als Paus Robert van Genève die de anti-paus Clemens VII wordt. Deze scheiding van de rechtmatige Paus is voor Catharina van Siena een zeer ernstige daad in die zin dat deze leidt tot een schisma (dat veertig jaar zal duren). Catharina verlaat Siena en komt op 28 november 1378 in Rome aan. Zij wordt ontvangen door Paus Urbanus VI die in haar aanwezigheid een grote steun ziet. Daar ze de verdeeldheid in de Kerk voelt als een intens verdriet, begint ze een kruistocht van gebeden en beveelt naastenliefde aan als handelwijze om tot oplossing van de problemen van het christendom te komen. Ze roept vorsten en steden op tot gehoorzaamheid aan de Paus en vraagt religieuzen en kluizenaars haar te steunen. Op 29 januari 1380 ziet Catharina, in extase in gebed verzonken, Jezus die naderbij komt en op haar zwakke schouders het zware en op woelige baren dobberende schip van de Kerk legt; onder de druk van een dergelijk zwaar gewicht bezwijkt ze en valt. Korte tijd later zegt zij, ziek en uitgeput, ongetwijfeld van de talrijke penitenties, haar vrienden vaarwel. Wanneer de zieke op 29 april haar einde voelt naderen bidt ze in het bijzonder voor de katholieke Kerk en voor de Heilige Vader. Alvorens te sterven verklaart ze: «Ik heb mijn leven opgebruikt en gegeven in de Kerk en voor de Heilige Kerk, hetgeen ik beschouw als een zeer bijzondere genade.» Vervolgens spreekt ze met stralend gezicht de woorden van de Verlosser uit, Vader, in uw handen beveel ik mijn geest (Lc 23, 46), en, zacht het hoofd neigend, slaapt ze op 33-jarige leeftijd in.

«Het offer van Catharina lijkt historisch gezien een echec, erkende Paus Paulus VI. Maar wie kan zeggen dat haar brandende liefde nutteloos is uitgedoofd wanneer tienduizendtallen van zielen en maagden en hele menigten van priesters en trouwe, actieve leken zich het eigen hebben gemaakt? Het brandt nog altijd, met de woorden van Catharina: «Zoete Jezus, Jezus lief!» Moge dit vuur het onze blijven, moge het ons de kracht geven het woord en de zelfgave van Catharina te herhalen: «Ik heb mijn leven gegeven voor de Heilige Kerk.»

Dom Antoine Marie osb

Om het Blad van de Abdij Saint-Joseph de Clairval te publiceren in een tijdschrift, blad... of on het internetsite of een website te plaatsen, is een toelating vereist. Deze dient te worden aangevraagd per E-Mail or bij http://www.clairval.com.

Index der Briefe  - Home Page

Webmaster © 1996-2017 Traditions Monastiques