Blason  Abdij Saint-Joseph de Clairval

F-21150 Flavigny-sur-Ozerain

Frankrijk


[Cette lettre en français]
[This letter in English]
[Dieser Brief auf deutsch]
[Esta carta en español]
16 april 2013
feest van H. Benedictus-Joseph Labre


Dierbare Vriend van de Abdij Saint-Joseph de Clairval,

«Wij kunnen de waarheid die vrij maakt niet voor ons zelf houden,  zei Paus Benedictus XVI, 18 september 2010, in Hyde Park  (Londen); zij vereist getuigenis, zij vraagt erom gehoord te worden en haar overtuigingskracht komt uiteindelijk van haar zelf en niet van de welsprekendheid van de mens noch van de argumenten waarmee zij kan worden geformuleerd. Niet ver van hier, in Tyburn, is een groot aantal van onze broeders en zusters gestorven voor hun geloof... In onze dagen is de prijs die we moeten betalen voor trouw aan het Evangelie niet meer een veroordeling tot dood door ophanging of vierendeling, maar het brengt vaak met zich mee dat men wordt buitengesloten, belachelijk gemaakt of gekarikaturiseerd. En toch mag de Kerk haar opdracht: Christus verkondigen en zijn Evangelie als heilbrengende waarheid, bron van ons hoogste individueel geluk en fundament van een rechtvaardige en menselijke samenleving niet ontlopen.» Deze woorden van de Heilige Vader zinspelen op de talrijke Engelse martelaren die, in de tijd van de Hervorming, door hun leven en door hun dood, van de waarheid getuigenis hebben afgelegd. Heilige Margaret Clitherow is een van deze getuigen.

De verboden Mis

Margaret, geboren rond 1555 uit protestantse  ouders, is de jongste van vier kinderen, twee jongens en twee meisjes. Haar vader, Thomas Middleton, ingezetene van York en kaarsenmaker, is lid van de Common Council (gemeenteraad) van York en een van de twee sheriffs (magistraten) van de stad. Margaret is nog heel jong wanneer koningin Elisabeth I, dochter van Hendrik VIII, de troon bestijgt. Die koning, aanvankelijk het katholiek geloof zeer wel toegedaan, had uiteindelijk het gezag van de Paus van zich afgeschud nadat deze had geweigerd zijn huwelijk met Catherina van Aragon nietig te verklaren. In 1534 liet Hendrik VIII het Parlement stemmen over de “Act of Supremacy” (Akte van Oppergezag) die de koning uitriep tot hoogste gezag in de Kerk van Engeland. Ondanks deze schismatieke daad die het Engelse volk afscheidde van de Zetel van H.Petrus, beweerde de koning dat hij de katholieke geloofsleer in zijn geheel naleefde. Langzaam maar zeker gleed Engeland door dit schisma echter af naar de ketterij. In 1563 zal koningin Elisabeth een “acte van uniformiteit” afkondigen waarin de leer wordt uiteengezet van de anglicaanse kerk, waarvan zij als koningin het hoofd is. Deze acte is geënt op de leer van Calvijn en die van Luther: er blijven nog maar twee sacramenten bestaan, het Doopsel en het Avondmaal; de Mis wordt beschouwd als een godslasterlijk verzinsel. In 1570 vaardigt de koningin, ten gevolge van haar excommunicatie door Paus Pius V, een reeks wetten tegen de katholieken uit. Het is voortaan verboden de katholieke Mis op te dragen of zelfs maar bij te wonen.

Eenmaal weduwe geworden in 1567, besluit de moeder van Margaret te hertrouwen. Het meisje woont bij haar tot 1 juli 1571, datum van haar huwelijk met John Clitherow, vleeshandelaar, gevestigd in York. Haar echtgenoot is een vurige protestant, geacht door zijn medeburgers die hem meerdere malen zullen kiezen om eervolle taken in de gemeente te vervullen. Uit hun huwelijk worden drie kinderen geboren: Henry, William en Anne. Ten tijde van haar huwelijk volgt Margaret, die nog protestant is, de oefeningen van de officiële godsdienst, maar lijkt vooral in beslag genomen door de zorg voor haar huishouden. In 1574 bekeert ze zich, ondanks de politieke gebeurtenissen die een dergelijke beslissing geenszins begunstigen, tot het katholicisme. Ze zal zelf de voornaamste redenen ervan uiteenzetten: de nieuwe (protestantse) godsdienst biedt haar «geen enkele concrete stof, waarheid of christelijke steun»; ze is diep onder de indruk geraakt van het voorbeeld van «zovele priesters en leken die geleden hebben voor de verdediging van het oud katholiek geloof». De invloed van haar halfbroer William Clitherow heeft waarschijnlijk bijgedragen tot deze beslissing waartegen haar man zich niet schijnt te hebben verzet. Margaret is de beoefening van haar nieuw geloof trouw en Onze-Lieve-Heer geeft haar de gave vele zielen die het geloof onder bedreiging hadden afgezworen weer terug te voeren naar de Roomse Kerk. Iedere dag brengt Margaret een aanzienlijke tijd in gebed door; ze vast veelvuldig, woont regelmatig de Mis bij en gaat vaak te biecht. Deze openlijke belijdenis van haar geloof komt haar op verschillende verblijven in de gevangenis te staan.

De nieuwe wetten zijn echter steeds strenger ten aanzien van de katholieken. In 1585 is er een wet die niet alleen de katholieke priesters, maar eveneens hen die hen helpen en hen verbergen schuldig acht aan hoogverraad. Een dergelijke misdaad heeft dood door onthoofding tot gevolg. Alle gevaar ten spijt blijft Margaret talloze priesters hulp bieden. «Met Gods genade, zegt zij, zullen alle priesters nog meer welkom zijn dan voorheen, en ik zal doen wat ik kan om de katholieke geloofsuitoefening te bevorderen.» Om haar zoon Henry te verzekeren van een katholieke opvoeding, in de hoop hem op een dag te zien verheven tot het priesterschap, stuurt Margaret hem naar Douai, destijds in de Spaanse Nederlanden en tegenwoordig in Frankrijk gelegen. Enige tijd later neemt de Raad van de stad York hier kennis van: ondanks haar woede stelt zij de wraak uit tot later.

Een medogenloze huiszoeking

In maart 1587 roept de Raad de heer Clitherow op.  Margaret die uit ervaring de listen van de raadsleden kent, beseft wat er gaat gebeuren; ze spreekt erover met de priester die diezelfde ochtend bij haar is aangekomen: «De Raad heeft mijn man opnieuw opgeroepen. God geve dat het geen nieuwe gemene valstrik van hen is en dat ze, wanneer ze hem in hun handen hebben, niet van de gelegenheid gebruik maken om hier huiszoeking te komen doen. Ze willen mij kwaad doen en zullen niet ophouden voor ze mij in hun macht hebben... Moge Gods wil geschieden!» De Raad stuurt inderdaad terstond de sheriff van York met begeleiding om het huis te doorzoeken. Ze treffen Margaret aan die bezig is met de huishouding. De priester zit in een kamer van het huis van de buurman in gezelschap van meerdere personen. Omdat ze al hebben gehoord dat de sheriff er is, hebben ze de tijd om naar elders te vluchten. Een schoolmeester geeft op hetzelfde moment les aan de kinderen Clitherow en aan twee of drie vriendjes. Hij slaagt erin tijdig te ontkomen, maar de met de huiszoeking belaste ambtenaren grijpen wel alle kinderen, het huispersoneel en Margaret. Vervolgens doorzoeken ze koffers en kisten zonder iets compromitterends te vinden.

Dan pakken ze een jongen van een jaar of tien beet, kleden hem uit en bedreigen hem met hun stokken als hij geen antwoord geeft op al hun vragen. Het doodsbange kind zwicht en brengt hen naar de kamer van de priester waar hij hun een schuilplaats voor de boeken, de kleren en de liturgische voorwerpen laat zien. Margaret wordt voor de Raad gebracht: die drijft ze tot woede door haar vrolijkheid en haar trouw aan het katholiek geloof. ’s Avonds wordt ze opgesloten in het kasteel. Daar brengt ze enige uren door in strenge onthouding en onafgebroken gebed. Ze spreidt zoveel vreugde ten toon over wat haar overkomt dat ze vreest er God mee te beledigen. Iemand beweert dat de schending van de nieuwe wetten haar duur te staan zullen komen; ze schatert het uit en antwoordt hem: «Ik wou dat ik iets lekkers voor u had voor dit goede nieuws! Hier, neem deze vijg want ik heb niets beters.» Margaret krijgt slechts één keer toestemming om haar man te spreken, onder toezicht van de cipier. Ze zal hem voortaan niet meer weerzien. Hun vrienden zullen alles proberen om de genade te verkrijgen van een nieuwe ontmoeting, maar telkens zal men een voorwaarde stellen die indruist tegen het geweten van Margaret.

«U praat goed!»

Op maandag 14 maart wordt Margaret voorgeleid  voor twee rechters die door verschillende andere personen worden geassisteerd. Dan volgt lezing van de schriftelijke aanklacht inhoudend: 1. dat Margaret Clitherow kost en inwoning heeft gegeven aan jezuïeten en uit het buitenland afkomstige priesters, verraders van Hare Majesteit de koningin en haar wetten; 2. dat Margaret de Mis heeft bijgewoond. Dan staat er een rechter op en zegt: «Margaret Clitherow, wat heeft u hierop te zeggen? Erkent u zich schuldig aan deze punten van aanklacht?» Met een glimlach antwoordt ze dan vriendelijk, maar beslist: «Ik weet niet welke misdaad ik zou moeten bekennen waaraan ik me schuldig zou hebben gemaakt. – Heeft u soms geen jezuïeten en Hare Majes-teit vijandige priesters onderdak verleend! – Ik heb nooit dergelijke personen gekend noch onderdak verleend en evenmin heb ik wie dan ook te eten gegeven die een vijand van de koningin zou zijn. God beware me!» Een andere keer zal ze verklaren: «Ik heb nooit asiel noch steun verleend aan verraders van Hare Majesteit.» De rechter vervolgt: «Hoe wilt u dat wij uw zaak in behandeling nemen? – Daar ik geen enkele misdaad heb begaan, zie ik niet in waarom er een zaak tegen mij moet worden aangespannen. – U heeft de wetten naast u neergelegd; er moet bijgevolg een zaak tegen u worden aangespannen.» Een van de rechters gaat staan en vraagt haar: «In wie gelooft u? – Ik geloof in God. – In welke God? – Ik geloof in God de Vader, God de Zoon en God de Heilige Geest; in deze drie Personen en in één God geloof ik geheel en al, en ook dat ik door het Lijden, de dood en de verdiensten van Christus Jezus gered moet worden. – U praat goed!», antwoordt de rechter.

Om de draak met haar te steken roept een van de raadsheren haar toe: «Niet vanwege uw godsdienst, maar uit lichtzinnigheid van zeden verleent u onderdak aan priesters!» Nog meer van dit soort beschuldigingen zullen haar worden gemaakt en daarop is haar reactie: «God vergeve u die verzinsels!... Ik denk niet dat mijn man mij ervan beschuldigt hem ooit te hebben beledigd, tenzij om dingetjes die tussen man en vrouw wel vaker voorkomen. Wat mijn man betreft, weet dat ik hem als eerste op deze wereld na God bemin, en dat ik zorg draag voor mijn kinderen zoals een goede moeder betaamt. Ik geloof dat ik jegens hen mijn plicht heb gedaan door ze op te voeden in de vreze Gods... Ik ben eerder bereid ze vrijelijk aan God, die ze mij heeft gegeven, aan te bieden dan een jota van mijn geloof te verloochenen... Ik beken dat de dood verschrikkelijk is en het vlees zwak en toch wil ik, met Gods hulp, even graag mijn bloed vergieten als ik mijn melk heb gegeven aan mijn kinderen, en ik wens niet te zien dat mijn dood wordt uitgesteld.» Deze mooie woorden slaan terug op die van de Heer Jezus: Wie vader of moeder meer bemint dan Mij, is Mij niet waardig; wie zoon of dochter meer bemint dan Mij, is Mij niet waardig. En wie zijn kruis niet opneemt en Mij volgt, is Mij niet waardig. Wie zijn leven vindt, zal het verliezen, en wie zijn leven verliest om Mijnentwil, zal het vinden (Mat. 10, 37-39).

«Als u ze zou kennen»

Het Hof heft de zitting op en Margaret wordt naar een  huis geleid waar men haar voor de nacht in een smalle kamer opsluit. Op weg erheen blijft ze glimlachen en deelt ze geld uit onder de armen aan weerszijden van de straat. De volgende ochtend brengt men haar weer terug naar de rechtbank. «Gisteravond, zegt de rechter, hebben we u zonder berechting naar huis gestuurd, maar als we dat hadden gewild hadden we u wel berecht... Het is overduidelijk dat u priesters in huis had. – Ik zie, antwoordt Margaret, geen enkele reden waarom ik me mijn leven lang zou moeten ontzeggen goede katholieke priesters te ontvangen. – Het zijn allemaal verraders, schurken, bedriegers. – God vergeve u; U zou zo niet over hen praten als u ze zou kennen.» Alle aanwezigen beschouwen haar als een halsstarrige gekkin omdat ze niet opgeeft. Dan beschrijft de rechter haar de dood door verplettering waartoe het vonnis haar zal veroordelen. Rechtop staand, zonder vertoon van enige vrees, antwoordt Margaret zachtmoedig: «Als dit oordeel in overeenstemming is met uw geweten, bid ik God dat Hij u minder streng moge oordelen wanneer u voor zijn rechtbank moet verschijnen; maar ik dank God uit de grond van mijn hart hiervoor... Al wat Hij voor mij in petto heeft zal ik welkom heten. Ik ben een dood zo goed als deze niet waardig. Ik heb de dood verdiend voor de zonden die ik heb begaan tegen God, maar niet voor de dingen waarvan ik word beschuldigd » De rechter gebiedt dan de sheriff haar in de boeien te slaan. Margaret geeft dan door een glimlach blijk van haar vreugde boeien te dragen uit liefde voor Christus.

Twee dagen later vragen twee afgevaardigden van de rechtbank haar of ze denkt in verwachting te zijn. Haar ouders zien hierin een middel om haar te redden want indien dit het geval is, kan men niet tot executie overgaan vóór het kind geboren is. Margaret antwoordt: «Ik kan noch ja noch nee antwoorden daar ik me bij vorige keren in hetzelfde geval al eerder vergist heb; daarom kan ik u geen bevestigend antwoord geven; maar ik ben geneigd te denken dat ik in verwachting ben.» Er worden dan vier vrouwen ingeschakeld die de gevangene onderzoeken en de rechters mededelen dat ze inderdaad in verwachting lijkt te zijn. Op dezelfde avond verklaart een van de rechters ten overstaan van een groep raadsheren en geestelijken die vurig haar dood wensen: «God behoede ons haar ter dood te brengen terwijl ze in verwachting is! Hoewel ze een misdadigster is, is het kind dat ze in zich draagt dat niet. Al kreeg ik duizend pond, ik zou niet instemmen met haar dood vóór ze opnieuw onderzocht is.» Hij draagt de hele zaak niettemin over aan de Raad die Margaret veroordeelt tot de straf die is voorzien voor verraders: verplettering. Na de gerechtelijke uitspraak vlucht Margaret in intens gebed en laat haar geestelijke vader vragen vurig voor haar te bidden want grote angst bekruipt haar bij de gedachte dat ze niet waardig zou zijn voor de Heer te sterven Wanneer hij de veroordeling van zijn echtgenote verneemt roept de heer Clitherow, als een man die de waanzin nabij is, huilend uit: «Wat erg! Gaan ze mijn vrouw doden? Laten ze alles nemen wat ik heb en haar het leven sparen! Ze is de beste echtgenote van heel Engeland en ook de beste katholiek!»

Wanneer het vonnis eenmaal is geveld is het nog niet gedaan met de verhoren want men wil Margaret tot iedere prijs op andere gedachten brengen. Protestantse geestelijken komen haar lastig vallen, maar zij antwoordt: «Sinds twaalf jaar belijd ik het katholiek geloof, godzijdank En als ik nu zou zwichten uit vrees of uit zwakheid, zou dat alles wat ik tot nu toe heb gedaan nutteloos maken. Ik ga liever dood. – Wat is de Kerk? – Dat is de gemeenschap waarin het ware woord van God wordt gepreekt dat door Christus aan zijn apostelen en hun opvolgers die de zeven sacramenten toedienen is nagelaten. Het is het woord dat de Kerk altijd heeft bewaard, dat door de kerkleraren is verkondigd, waarvan haar martelaren en haar belijders getuigenis hebben afgelegd. Dat is de Kerk die naar mijn overtuiging de waarachtige is... Jezus Christus heeft beloofd bij haar te blijven tot het einde der tijden en dat de poorten van de hel daar niets aan kunnen veranderen. Bij de gratie Gods wil ik leven en sterven in dit geloof... Ik verzoek u het voorgaande als mijn antwoord te willen beschouwen en mijn geweten verder met rust te laten.»

«Het is één geheel»

«Jezus Christus en de Kerk, zo ben ik van mening, zijn één geheel», zei Jeanne d’Arc, van wie we dit jaar (2012) de zeshonderdste geboortedag vieren. Het Decreet aangaande de Oecumene, van het Tweede Vaticaans Concilie werkt deze waarheid verder uit: «Immers, alleen door de katholieke Kerk van Christus, die het “algemeen heilsmiddel” is, kan men toegang hebben tot de gehele volheid van de heilsmiddelen. Wij geloven namelijk, dat de Heer aan het ene apostelcollege, waarvan Petrus het hoofd is, alle goederen van het Nieuw Verbond heeft toevertrouwd, en wel om op aarde één lichaam van Christus te vormen, waarbij allen die reeds op enigerlei wijze tot het volk van God behoren, volledig moeten worden ingelijfd». De Catechismus van de Katholieke Kerk voegt daaraan toe: «Zij die nu in gemeenschappen worden geboren die voortgekomen zijn uit dergelijke breuken (van de protestante Reformatie) en die er het geloof in Christus in zich opnemen, kan men de zonde van afscheiding niet aanrekenen en de katholieke Kerk begroet hen dan ook met broederlijke eerbied en liefde... Bovendien bestaan er verscheidene elementen van heiliging en waarheid buiten de zichtbare grenzen van de katholieke Kerk: «het geschreven woord van God, het leven van de genade, geloof, hoop en liefde, en andere innerlijke gaven van de heilige Geest en ook zichtbare elementen... Al deze weldaden komen van en leiden naar Christus en roepen op zich al op tot katholieke eenheid» (n 816, 818, 819).

Een puriteinse geestelijke vraagt aan Margaret: «Op welke manier denkt u gered te worden? – Door het bitter Lijden en de dood van Christus Jezus. – Dat is aardig gezegd, maar u gelooft in heel veel andere dingen, zoals: afbeeldingen, ceremonies, duivelbezweringen, sacramenten en meer van die dingen; dus gelooft u niet alleen in Christus. – Ik geloof, zoals de katholieke Kerk me het leert, dat er zeven sacramenten zijn, en in dat geloof wil ik leven en sterven. Wat al de ceremonies betreffen, ik geloof dat die zijn ingesteld ter ere van God, om zijn heerlijkheid en zijn eredienst te bevorderen. Wat de afbeeldingen betreffen, die geven slechts een beeld van goede en deugdzame mensen die op aarde hebben geleefd en die nu de heerlijkheid in de Hemel genieten; zij dienen er ook voor onze lome, luie hersenen te prikkelen tot grotere godsvrucht wanneer wij ze bekijken.»

De daarop volgende dagen komen geestelijken of familieleden, mannen zowel als vrouwen, Margaret smeken medelijden te hebben met haar man en haar kinderen. Twee dagen voor ze zal sterven voor haar geloof kondigen de sheriffs van York haar het vastgestelde tijdstip van haar executie aan. «De sheriffs, zo vertrouwt ze een vriendin toe, zeggen dat ik aanstaande vrijdag zal sterven en nu voel ik hoe zwak mijn vlees is dat door dit bericht in verwarring is geraakt, hoewel mijn geest zich zeer verheugt. Uit liefde voor God, bidt voor mij en vraag alle goede mensen hetzelfde te doen.» Neergeknield bidt ze snel een gebed dat haar vrees voor de dood tot rust brengt.

De Kerk zelf vraagt aan God dat alle gelovigen de moed mogen hebben het geloof tot in de dood trouw te blijven: «O God, kracht van alle heiligen... Geef ons kracht tot aan de dood te mogen standhouden in het geloof dat wij belijden» (Romeins Missaal, gebed voor de feestdag van H.Paulus Miki en Gezellen, martelaren van Japan, 6 februari).

Op de ochtend van Goede Vrijdag, 25 maart 1586, rond acht uur, melden de sheriffs zich bij Margaret die al klaar staat: haar weelderige haardos vastgebonden met een armoedig nieuw lint en over haar arm een linnen hemd, dat lijkt op een albe en dat ze eigenhandig genaaid heeft. Ze loopt voorwaarts, aalmoezen uitdelend in de straat die overvol mensen is, blij op weg te zijn naar haar bruiloft, zoals ze het zelf uitdrukte. Wanneer ze op de plek van executie aankomt knielt ze neer en bidt zachtjes. Vervolgens bidt ze hardop voor de katholieke Kerk, voor de Paus, de kardinalen en de andere priesters die verantwoording dragen voor het heil der zielen, en vervolgens voor alle christelijke vorsten; ze besluit met te zeggen dat ze speciaal bidt voor Elisabeth, koningin van Engeland, opdat God haar zou bekeren tot het katholiek geloof en zij na dit sterfelijk leven de gelukzalige vreugde des Hemels zou verkrijgen. «Want, zo voegt ze eraan toe, ik wens de ziel van Hare Majesteit evenveel goeds toe als de mijne.» Wanneer de sheriff haar sommeert te erkennen dat ze sterft wegens verraad, antwoordt ze met krachtige stem: «Nee, nee! Ik sterf uit liefde voor mijn Heer Jezus.» Vrouwen trekken haar linnen kleed aan; Margaret gaat dan op haar rug op de grond liggen, de armen gekruist en verzwaard met gewichten. Zodra ze die voelt roept ze uit: «Jezus, Jezus, Jezus, heb medelijden met mij!» Het zijn haar laatste woorden. Een kwartier later geeft ze de geest; ze is ongeveer dertig jaar oud. Ontsteld over de behandeling die Margaret ten deel is gevallen, zal koningin Elisabeth in een brief haar afkeuring uitspreken over een dergelijk streng vonnis. Alle kinderen van Margaret zullen, met de hulp van haar voorbeeld, hun verdere leven aan God wijden.

De “parel van York”

Op 25 oktober 1970 is Margaret die voortaan de “parel van York” werd genoemd, samen met negenendertig martelaren van Engeland en Wales heilig verklaard. Bij die gelegenheid zei Paus Paulus VI: «Waarom zijn zij martelaren? Omdat ze in het volste vertrouwen en onverschrokken hun leven hebben geofferd en vreselijke kwellingen ondergaan vanwege hun geloof in de traditionele katholieke geloofsleer die in de loop van de vorige eeuwen altijd is beleden, speciaal om te getuigen van hun trouw aan de goddelijke grondwet van de Kerk aan welke Christus Petrus als hoofd en universeel herder en dus ook de Pausen, zijn opvolgers, heeft gegeven. Zij zijn martelaren en heiligen omdat ze tot bloedens toe hebben getuigd van de hiërarchische en unitarische structuur van de Kerk die het wereldse gezag op burgerlijk niveau volledig respecteert, maar die, op geestelijk niveau, vrij is en slechts afhangt van het legitiem gezag van de bisschoppen en het hoogste gezag van de Paus. En daarom mogen we zeggen dat ze martelaren van de vrijheid en van de eenheid van de Kerk zijn.»

Mogen H.Margaret Clitherow en alle heiligen martelaren iedere dag van ons leven liefde voor de waarheid evenals trouw aan Christus en zijn Kerk voor ons verkrijgen!

Dom Antoine Marie osb

Om het Blad van de Abdij Saint-Joseph de Clairval te publiceren in een tijdschrift, blad... of on het internetsite of een website te plaatsen, is een toelating vereist. Deze dient te worden aangevraagd per E-Mail or bij http://www.clairval.com.

Index der Briefe  - Home Page

Webmaster © 1996-2017 Traditions Monastiques