Blason  Abdij Saint-Joseph de Clairval

F-21150 Flavigny-sur-Ozerain

Frankrijk


[Cette lettre en français]
[This letter in English]
[Dieser Brief auf deutsch]
[Esta carta en español]
[Questa lettera in italiano]
30 november 2012
feest van h. Andreas, apostel


Dierbare Vriend van de Abdij Saint-Joseph de Clairval,

In 1943 : de Duitse autoriteiten weigeren toe te stemmen in  de oprichting van een officiële aalmoezeniersdienst voor de  Franse tewerk gestelde in Duitsland. Eerwaarde Rodhain, algemeen aalmoezenier van de oorlogsgevangenen, doet dan een beroep op de priesters om als clandestiene priester-arbeiders naar Duitsland te vertrekken. Velen denken dat je gek moet zijn om deze oproep te beantwoorden. Meer dan veertig priesters echter, melden zich als vrijwilliger; onder hen bevindt zich een priester uit de Vendée, eerwaarde René Giraudet die zijn bisschop, Mgr. Cazaux, smeekt: «Monseigneur, spaar mij niet.» Hoe is deze jonge priester ertoe gekomen Jezus zo tot in de dwaasheid van het Kruis te beminnen?

Louis, apothekersassistent, en Octavie Giraudet verheugen zich op 4 december 1907 over de geboorte van hun eerste kind, René. Hij wordt in de kathedraal van Luçon (Vendée) gedoopt op de 8e, feest van de Onbevlekte Ontvangenis. Deze eerste ontmoeting met de Heilige Maagd op de dag van zijn doop zal René zien als een teken van de Hemel. Een zusje, Marie-Joseph, wordt geboren in 1912. In de zomer van 1915 brengt René een paar dagen door in Sainte-Hermine, bij zijn grootmoeder van vaders kant. Deze vrome vrouw uit de Vendée zou graag zien dat God voor een priesterroeping in haar familie zou zorgen. Haar gebed schijnt te worden verhoord: wanneer ze zojuist de Kruisweg hebben gedaan in de kerk van het gehucht, verklaart René: «Weet u, grootmoeder, ik wil priester worden. – Wat zal ik dan blij zijn. Maar ik ben bang dat ik je niet meer zal zien: ik zal dan wel dood zijn. – Wat maakt het uit! Het zal voor jou alleen maar nog mooier zijn, je zal me zien vanuit de Hemel.» Na het Vormsel in 1917 en de Plechtige Communie het jaar daarop krijgt de roeping van René vaste vorm; hij wil zelfs missionaris worden.

«Het is een goed kind»

In oktober 1920 gaat hij naar het seminarie van Chavagnes-en-Paillers. De vrolijke, sportieve jongen is niet bang gauw moe te worden. Eenvoud en vroomheid gaan daarentegen hand in hand met kwajongensstreken en onstuimig gedrag: een paardje dat zijn kont tegen de krib gooit in uitgelaten onoplettendheid en een luiheid in de studie die haar weerga niet kent. Zijn ouders zijn verlegen voor de klachtenlijst van de superieur en de leraren en willen hem tot tweemaal toe van het seminarie af halen. Alleen de geestelijke leidsman van René neemt het voor hem op: «Wel nee! Ik zeg u, het is een goed kind. U moet hem niet hier weghalen, dat zou dwaasheid zijn. Het gaat allemaal wel over.» Men stelt inderdaad daarna vooruitgang vast. Hij koestert een levendig verlangen toe te treden tot de Congregatie van de Heilige Maagd en wijdt zich op iedere 8e december, verjaardag van zijn doop, toe aan Onze-Lieve-Vrouw. Hij doet ook zijn best om zichzelf wat meer onder controle te krijgen en zijn lidmaatschap van de Congregatie te verdienen. Hij wordt er bij wijze van troost pas toegelaten in juni 1925, voor zijn vertrek uit Chavagnes. Zijn wachtwoord wordt dan: “Altijd herboren worden en altijd sterven”, toespeling op zijn voornaam (René = de herborene) en zijn ideaal dat versterving is.

In september 1925 vestigt de familie van René zich in Chantonnay waar zij een winkel voor schoonmaakproducten opzet. Mevrouw Giraudet stelt haar zoon voor zich bij hen te voegen in het familiebedrijf. «Nee, moedertje, antwoordt hij, ik wil priester missionaris worden.» In het groot seminarie van Luçon hebben ondanks alle goede bedoelingen de oude gestemdheden weer de overhand gekregen; de superieuren vragen zich dan af of de jongeman wel zo geschikt is voor het priesterschap. In 1929 wordt hij evenwel toegelaten tot het seminarie van de Missions Etrangères de Paris, rue du Bac, Parijs. Na zijn diakenwijding in de maand juni 1931 verslechtert zijn gezondheid; tot zijn groot verdriet verklaren de artsen hem ongeschikt voor de missie en hij wordt naar zijn familie gestuurd om uit te rusten. Op 19 december daaropvolgend wordt hij tot priester gewijd in de kapel van de rue du Bac. De Mis opdragen is voor hem een onuitsprekelijke vreugde. Op het prentje van zijn priesterwijding staat een aan het kruis gebonden priester met de armen open naar de wereld gericht; in het onderschrift staat te lezen: Met Christus ben ik aan het Kruis genageld (Gal 2, 19). Is het reeds de aankondiging van wat hij zal gaan meemaken? Na de wijding ontvangt eerwaarde Giraudet de raad weer terug te gaan naar zijn diocees want zijn gezondheid laat geen langdurig verblijf in het klimaat van het Verre Oosten toe. In februari 1932 wordt hij benoemd tot kapelaan in Saint-Hilaire-de-Loulay (1680 inwoners), dichtbij Montaigu. In de parochie is het peil van de godsdienstuitoefening zeer hoog; de jonge kapelaan treft een ernstig en gereserveerd kerkvolkje aan dat niet graag uit de mond van een priester een lichtzinnige grap hoort. René begint vol ijver aan de kennismaking met zijn parochianen en weet ze te waarderen. Hij bewondert hun rondborstig geloof en zal vervolgens nog vaak verklaren dat hij nooit zulke complete christenen heeft ontmoet als de inwoners van Bocage (Vendée). Met een bewonderenswaardige ijver bekommert hij zich om de kinderen en de jongeren: hij organiseert een groep, de “Onverschrokken Harten” genaamd en start met succes een onderafdeling ervan voor de Katholieke Boeren Jongeren.

«We kunnen Jezus niet in ons eentje volgen, zei Paus Benedictus XVI op de WJD in Madrid. Iedereen die verleidt wordt dat “op eigen wijze” te doen, of om het geloof op een individuele manier te benaderen zoals vandaag de dag gebruikelijk is, loopt het risico Jezus nooit echt te ontmoeten of te eindigen met het navolgen van een valse Jezus... Beste Jongeren: heb de Kerk lief die jullie het geloof heeft gegeven, die jullie in de kennis over Christus doet groeien en jullie de schoonheid van zijn liefde heeft geopenbaard. Groeien in vriendschap met Christus betekent noodzakelijkerwijs het herkennen van het belang van een vreugdevolle deelname aan het leven in jullie parochies, gemeenschappen en bewegingen, evenals deelname aan de viering van de Mis op zondag, het regelmatig ontvangen van het Sacrament van verzoening en het ontwikkelen van een persoonlijk gebedsleven en overpeinzing van Gods woord.» (21 augustus 2011).

Het hokje

Voor alles is de eerwaarde bekommerd om de zielen en brengt hij veel tijd door in de biechtstoel: »De voornaamste eigenschap van een goede herder is het letterlijk liefhebben van dit o zo ongemakkelijk hokje en nooit zo gelukkig te zijn als wanneer hij er zo vaak en zo lang als mogelijk heen moet.» Hij doet zijn best de biecht zo “vriendschappelijk” mogelijk te maken waarbij hij ernaar streeft een open en ongedwongen dialoog tot stand te brengen, opdat de zielen op hun gemak hun gemoed lucht kunnen geven en in de priester een vriend ervaren die hen begrijpt en hen wil helpen. Zijn boetelingen geeft hij de raad een levensregel op te stellen, met een vast uur voor het opstaan en slapen gaan, een tijd voor iedere, zelfs kortstondige, oefening van vroomheid, en bovenal iedere avond een gewetensonderzoek. Eerwaarde Giraudet doet het zelf met grote trouw en ziet er een van de doeltreffendste middelen voor geestelijke vooruitgang in.

In februari 1942 wordt eerwaarde Giraudet benoemd tot pastoor van Saint-Hilaire-du-Bois, een gemeente van 600 inwoners ten zuid-westen van Chantonnay. Vanaf het eerste contact zijn de parochianen gewonnen voor deze priester die zich ongekunsteld uitdrukt, maar met een oprechtheid die regelrecht het hart raakt. Men luistert met belangstelling naar hem en niemand krijgt zin om te slapen als hij preekt. Iedere avond voegt hij aan het bidden van het rozenhoedje een geestelijke lezing toe die hij uit het leven van een heilige heeft gehaald om zijn woorden de kracht bij te zetten van het voorbeeld. Op zaterdag laat hij in ieder huisgezin het parochieblaadje bezorgen: vier gestencilde pagina’s die een waar kunstwerk vormen. Het woord van de pastoor, de mededelingen van de parochie en die van het gemeentehuis, berichten van het Gevangenencomité, in één woord alles wat de dorpelingen kan interesseren staat erin. Zij ontdekken mettertijd in hun pastoor een vader die hen liefheeft als zijn kinderen, die zich bekommert om alles wat hen aangaat, op het materiële zowel als op het geestelijke vlak. De restauratie van de kerk is een van zijn grootste zorgen want het is het huis van de familie: hij wil dat het een aangenaam en mooi huis is. Onder zijn parochianen hebben sommigen bijzonder geleden van de oorlog: de gevangenen, hun vrouwen en de uit bezet gebied afkomstige vluchtelingen. Voor de eersten is hij naarstig op zoek naar en zorgt voor de versturing van pakjes met voedsel voor zowel het lichaam als de geest. Hun echtgenotes zijn bijeengebracht in een kleine stichting; hij spreekt ze moed in en leert hun hoop op God te vestigen. Langzaam maar zeker wordt bekend dat de eerwaarde René op een plank slaapt en heel slecht zijn huis verwarmt. Men is verrast te zien hoe lang hij ’s ochtends in de kerk zit te bidden. Zijn manier van het Heilig Misoffer opdragen wekt bewondering; deelname aan de Mis en de communie neemt toe. Alle parochianen houden van hun herder en zijn één met hem. Zijn zaaikoren wordt met hemelse dauw bedekt. Op het schutblad van zijn brevier schrijft hij: «Het Kruis zweeft boven een parochie wanneer de herder uit liefde voor zijn kudde erop vastgenageld is». Hij heeft op zijn bureau de tekening gelegd van een altaarsteen met de tekst: «Het hart van de priester moet gelijken op een altaarsteen: met vijf kruisen getekend en relikwieën van martelaren erin.» Hij draagt onder zijn soutane een missionariskruis dat hij vaak tevoorschijn haalt om het te kussen.

«Ik heb me goed vergist»

Vanaf 1942 eist Duitsland van Frankrijk de inzet van arbeiders. Wanneer de propaganda niet blijkt te werken organiseert het Reich zelf de vordering van arbeidskrachten. Aanwezigheid van priesters onder jonge werknemers wordt niet toegestaan. Om ze clandestien te kunnen begeleiden laat eerwaarde Rodhain dan een oproep in de diocesen rondgaan. In maart 1943 ontmoet hij de priesters vrijwilligers en kiest er een twintigtal uit, maar eerwaarde René Giraudet wordt ongeschikt bevonden: «Het is een plattelandspriester die nooit anders dan met boeren te maken heeft gehad, zei eerwaarde Rodhain. Bovendien lijkt hij verlegen, onvoortvarend en zonder enig gezag.» Later zal hij bekennen: «Die dag heb ik me goed vergist!» Maar de secretaresse van de priester komt tussenbeide: zij vermoedt dat het een priester is met een diepe innerlijke vlam, een ongeëvenaard krachtige . en een schrandere geest die in staat is aan moeilijkheden het hoofd te bieden. Na heel wat aarzelingen zet eerwaarde Rodhain hem onderaan op de lijst.

In april wordt René in Berlijn verwelkomd door eerwaarde Bousquet, eerste clandestiene priester die in januari is aangekomen. «Ik ben hier geen politiek komen bedrijven, schrijft hij, niet voor en niet tegen wie dan ook. Ik ben gekomen om zielen te redden en daar zet ik me zoveel als ik kan in mijn vrije tijd voor in.» Aanvankelijk is hij aangesteld in een drukkerij waar talloze Fransen werken en is hij ondergebracht in een “Lager”, een slaapzaal met kameraden die grotendeels onverschillig, zo niet vijandig staan tegenover godsdienst. Ze weten niet dat hij priester is, maar deze katholiek wekt onmiddellijk gezag bij de “Parijse straatjongens” die aanvoelen dat hij kwaliteiten bezit en hem daarom respecteren; in de verschillende andere “Lager” waar hij zal verblijven gaat het net zo. Door zijn belangeloosheid en zijn uitzonderlijke naastenliefde wint hij de harten van de jongeren die van hem gaan houden als van een broer. Al snel vindt hij een vluchtschans boven een liftkoker waar hij ongestoord kan zitten en vooral in het geheim de heilige Mis opdragen. De jonge Fransen leven in grote fysieke en morele nood. Vooral honger is een nijpend probleem. René schrijft aan zijn parochianen en vrienden in de Vendée: dan komen er talloze pakjes die hij onder de jongeren, christen of niet, uitdeelt. Hij ontzegt zichzelf voedsel voor hen die het aan voedsel ontbreekt, deelt met hen zijn kleren: alles wat hij ontvangt geeft hij weg. Als hij alleen in zijn vluchtschans zit hoort hij soms door het tussenschot de conversaties en dankt God voor de waardering die zijn naastenliefde teweeg brengt: «Katholieken, de echte dan, zijn sympathiek. Ze zijn ingesteld op dienstbaarheid. De katholiek van op de hoek, bijvoorbeeld, dat is een hartstikke sympathieke vent!» Eerwaarde Giraudet draagt zorg voor hen die door ziekte in een ziekenhuis zijn beland. Daar zijn de jongeren zeer onder de indruk van de oudere kameraad die zich om hen bekommert. Wanneer de eerwaarde een goed gezinde ziel tegenkomt zegt hij zachtjes tegen hem: «Luister, jongen, ik ben priester. Houd het geheim!» Verbazing, maar ook diepe vreugde is het gevolg en het gesprek wordt ook vertrouwelijker. Op weekdagen gaat hij op een openbare bank zitten om biecht te horen of loopt een telefooncel in om de heilige Communie te geven, organiseert op zondag uitjes naar het bos rondom Berlijn bij wijze van korte retraites en om de Mis op te dragen voor de seminaristen, verkenners en de Katholieke Arbeidersjeugd. Dat doet hij allemaal ondanks de vermoeidheid door het werk in de fabriek en het geraas van de nachtelijke bombardementen. Hij staat voor alles en iedereen klaar. De vroomheid van de jongeren wekt zijn bewondering: «Als jullie eens wisten, zo schrijft hij aan zijn parochianen, welke lessen deze jeugd in haar ongerustheid om haar eeuwige bestemming aan heel wat mensen in de Vendée zou kunnen geven die niet voldoende begrijpen hoe gelukkig ze zijn dat ze het geloof vanaf hun vroegste jeugd hebben meegekregen... Doe, zoals wij, iedere dag deze offerande op het tijdstip dat Jezus voor ons is gestorven en herinner jullie wat onze leuze is: “Voor hem die in het buitenland werkt is het iedere dag Goede Vrijdag.”»

Als een grote broer

Met zijn systematische en nauwkeurige manier van werken speelt eerwaarde Giraudet een grote rol in de organisatie van het godsdienstig leven in Berlijn. Hij houdt zich evenwel bij de taak die hem is toevertrouwd en doet niets waartoe hij niet is bevoegd. Hij weet zich aan iedereen aan te passen. «Hij is een nederige priester, heel zachtmoedig, gebruikt geen ingewikkelde uitdrukkingen, maar spreekt met ons als een grote broer», onderstreept een jongere. Vanaf zijn wijding wil René «de echte priester worden die alles vanuit de bovennatuurlijke gezichtshoek bekijkt en met niets een ander doel heeft dan het hoogste goed. Het is beter, zo zegt hij, geen priester te worden dan er een andere opvatting van het priesterschap op na te houden.» Voor de zielen staat hij altijd klaar: het kan zijn nachtrust kosten, de Gestapo kan hem bespieden, de afdelingschefs kunnen zijn absenties bestraffen, geen enkel offer, geen enkele angst houdt hem tegen zijn ambtsplicht te vervullen. Zijn clandestien apostolaat verplicht hem zijn werk op de fabriek te verminderen. Slecht aangeschreven bij de ploegbazen, komt hij als arbeider in de laagste regionen terecht. Hij bekent: «Ik ben best blij om zodoende bij mijn nederigste broeders te horen: het stelt me in staat gemakkelijker met hen in aanraking te komen... Gelukkige handenarbeid, zo vernederend voor de menselijke natuur, vooral wanneer ik karretjes de hallen in duw als de eerste de beste kluns, die je in staat stelt zo vrij van geest en zo dichtbij God te leven!»

Zijn ware opdracht

In het begin van de Vasten van 1944 organiseert hij een actie om van Christus de bekering van een groot aantal Fransen te verkrijgen. De jongeren doen “Paasbeloften” waarin drie dingen voorop staan: offers brengen, geestelijk leven verzorgen en zich belasten met een apostolaat. Met Pasen vinden meer dan vijfhonderd jongeren die in Frankrijk hun godsdienstige plichten al meerdere jaren in de steek hadden gelaten, de weg van het geloof en de godsdienstbeoefening weer terug. Zo heeft iedere deelnemer aan de actie een of twee kameraden naar Christus gebracht. «Wat wij doen mag nauwelijks een naam hebben, schrijft René op 14 april, en de Heilige Geest zet ons van tijd tot tijd weer met beide benen op de grond dankzij een paar goede kleine vernederingen; dat is nodig om ervan overtuigd te blijven dat wat we zien het werk van de genade Gods is.» Hij is er zich van bewust dat zijn ware opdracht niet zo zeer het preken is als wel het mee-lijden met Jezus voor de verlossing van de zielen: «Ons apostolaat hier is even zeer ons psychisch lijden als wel ons optreden naar buiten.» Al in augustus 1943 zegt hij heel precies: «Wanneer jullie niet langer bericht van mij ontvangen, bid dan voor mij, opdat mijn opdracht die dan eigenlijk pas echt begint, van nut moge zijn voor de eer van God.»

«Wij zien, zo legt Benedictus XVI uit, dat in de geschiedenis juist het Kruis heeft overwonnen en niet de wijsheid die zich tegen het Kruis verzet. De Gekruisigde is wijsheid, omdat Hij werkelijk laat zien wie God is, namelijk liefdeskracht die gaat tot aan het Kruis om de mens te redden. God bedient zich van manieren en instrumenten die ons op het eerste gezicht alleen maar zwakheid lijken te zijn. De Gekruisigde openbaart enerzijds de zwakheid van de mens en anderzijds de ware kracht van God, dat wil zeggen het gratuite van de liefde, liefde die »om niet» wordt geschonken. Juist dit gratuite van de liefde is de ware wijsheid.» (Audiëntie van 29 oktober 2008).

Op zondag 14 mei 1944 is eerwaarde Giraudet vervuld van een grote vreugde. Hij richt zich tot een groep van clandestiene aalmoezeniers en verantwoordelijken van de Katholieke Actie en becommentarieert een gebed van de beweging: «Aan U, Jezus, onze pijnen, ons zweet, onze wonden in de schrik van de bombardementen, onze levens zelfs, wanneer U het vraagt, ter verlossing van onze broeders.» Hij laat zien hoe de vervolging toeslaat en spoort zijn toehoorders aan zich met vreugde voor de heerschappij van God aan te bieden. Dan werpen allen zich als in een scène uit de riddertijd ter aarde, het gezicht tegen de grond, en bidden met grote nadruk tot de Heilige Geest om Hem kracht te vragen; tenslotte beloven ze voor het uitgestalde Allerheiligste God met heel hun ziel te dienen, al moesten ze hun toewijding met de dood bekopen. De golf van arrestaties die van februari tot augustus 1944 de katholieken treft die betrokken zijn bij groeperingen die door de nazi’s worden beschouwd als gekeerd tegen het regime blijft René niet gespaard. Hij wordt gearresteerd op 12 juni vanwege zijn apostolisch werk, maar vindt in de gevangenis een aantal van zijn militanten terug die dankzij een intens geestelijk leven voorbereid zijn op de langdurige ondervragingen die moeten leiden tot bekentenissen aangaande hun politieke activiteit waar in feite geen sprake van was. Na de mislukte aanslag van 20 juli op Hitler wordt hij zonder vorm van proces noch veroordeling naar kamp Sachsenhausen gestuurd. Ook daar zet hij zijn apostolaat voort . De laatste maanden is hij de enige Fransman in een blok met SS dieven en moordenaars die binnen het kamp de discipline handhaven.

«Wat ben ik blij!»

In januari 1945 wordt hij overgebracht naar Bergen- Belsen, het “crepeerhuis”. Hij was al tbc lijder, maar loopt nu ook tyfus op. Het kamp wordt op 15 april door de geallieerden bevrijd. Onder de leden van de ter plaatse aangekomen Vaticaaanse afvaardiging herkent René een confrater uit de Vendée, eerwaarde Hauret; tegenover hem bekent hij: «Ik heb honger gehad, kou geleden en ben bang geweest. Ik heb nog maar één verlangen: naar mijn parochie vertrekken en er sterven. Ik zou mijn gebeente niet graag hier achterlaten.» Zodra zijn toestand het toelaat wordt hij gerepatrieerd. Wanneer hij in Parijs is en wordt opgenomen in het Kremlin-Bicêtre ziekenhuis, vertrouwt hij eerwaarde Bousquet toe: «Vernederd ben ik! Als je eens wist...» De laatste heeft goed nieuws voor hem van de jonge Fransen uit Berlijn. «Wat ben ik blij, zegt René onophoudelijk, wat ben ik gelukkig!». De volgende dag, 12 juni, wordt eerwaarde Rodhain die hem de Heilige Communie brengt getroffen door zijn vredig gelaat waarvan de vreugde om voor Christus te sterven valt af te lezen. Korte tijd later slaapt hij vredig in op de leeftijd van 38 jaar. Na een aangrijpende dodenwake en plechtige uitvaartmis in de kerk van St.-Louis des Invalides, met kardinaal Suhard, aartsbisschop van Parijs, als voorganger, wordt het lichaam van eerwaarde Giraudet in zijn parochie door een heel kerkvolk verwelkomd. De plechtige begrafenismis, voorgegaan door Monseigneur Cazaux, wordt daar gevierd op 18 juni, gevolgd door de teraardebestelling op het kerkhof van Chantonnay.

Eerwaarde René Giraudet maakt deel uit van een groep van een vijftigtal priesters, religieuzen, seminaristen, leden van de Katholieke Arbeidersjeugd en de verkennerij, slachtoffers van het nazisme, wier zaak ter heiligverklaring als martelaren van het geloof aanhangig is gemaakt in 1988. Ze hebben hun leven voor Christus gegeven: mogen zij ten gunste van de christenen van onze tijd bemiddelen, opdat zij hun voorbeeld zullen volgen! Tegenwoordig is de vervolging veel verraderlijker want zij sust het verzet in slaap en verdort de harten met behulp van consumptiegoederen en kortzichtige vormen van welzijn. Dat is de weg van het ware leven niet. Benedictus XVI gaf de in Madrid tijdens de WJD bijeengekomen jongeren aan wat de kenmerken ervan zijn:

«Het geloof begint met God die zijn hart voor ons opent en ons uitnodigt te delen in zijn heilig leven. Geloof is niet iets wat je informatie geeft over wie Christus is; integendeel, het houdt een persoonlijke relatie met Christus in, een totale overgave - met al ons begrip, wil en gevoel - aan Gods zelfopenbaring. Dus Jezus’ vraag: wie zeggen jullie dat Ik ben?, is uiteindelijk een oproep aan de apostelen om een persoonlijke keuze te maken. Geloof in Christus en het apostelschap zijn nauw met elkaar verbonden... Beste jongeren, vandaag stelt Christus je dezelfde vraag die Hij de apostelen stelde: Wie zeggen jullie dat Ik ben? Antwoordt dan spontaan en met moed, zoals dat hoort bij mensen die jong van geest zijn. Zeg tegen Hem: “Jezus, ik weet dat Gij de Zoon van God zijt, Gij hebt uw leven voor ons gegeven; ik wil U volgen en geleid worden door uw woord. Gij kent me en Gij houdt van me. Ik stel mijn vertrouwen op U en ik leg mijn hele leven in uw handen. Ik wil dat U de kracht bent die mij sterkt en de vreugde die mij nooit verlaat”» (21 augustus 2011).

Dom Antoine Marie osb

Om het Blad van de Abdij Saint-Joseph de Clairval te publiceren in een tijdschrift, blad... of on het internetsite of een website te plaatsen, is een toelating vereist. Deze dient te worden aangevraagd per E-Mail or bij http://www.clairval.com.

Index der Briefe  - Home Page

Webmaster © 1996-2017 Traditions Monastiques