Blason  Abdij Saint-Joseph de Clairval

F-21150 Flavigny-sur-Ozerain

Frankrijk


[Cette lettre en français]
[This letter in English]
[Dieser Brief auf deutsch]
[Esta carta en español]
[Questa lettera in italiano]
21 september 2012
feest van H. Matteüs


Dierbare Vriend van de Abdij Saint-Joseph de Clairval,

Op een dag in 1676 stapte een Irokese krijger onaangekondigd de tent in  van een jong indianenmeisje dat christen is geworden, om haar te  dwingen haar geloof op te geven. Hij heft zijn strijdbijl op tot boven zijn hoofd alsof hij haar wilde slaan. Bij wijze van antwoord valt ze op de knieën, houdt de armen gekruist voor haar borst en begint verwoed te bidden. De krijger is ontredderd. De strijdbijl valt hem uit de handen. Hij wordt overvallen door schaamte om zijn eigen zwakte tegenover de zielskracht van deze jonge vrouw genaamd Kateri.

In het jaar 1656 werd in Noord-Amerika, in de huidige staat New York, een meisje geboren van wie de moeder, Kahenta, een Algonkinse indiaanse was, uitgehuwelijkt aan het Mohawks opperhoofd Kenhoronkwa. “Mohawk»” komt van de naam van de rivier die door heel het land van de Irokezen loopt. Het jonge paar woont in het land van de Mohawks, een nog heidense tak van de Irokezenstam, in het gehucht Ossernenon, tegenwoordig Auriesville genaamd. Juist daar waar een paar jaar eerder de heilige missionarissen jezuïeten Isaac Jogues, René Goupil en Jean de La Lande, de marteldood stierven voor het geloof. Kohenta is christen en haar grootste wens is haar dochter te laten dopen. Maar geen enkele Indiaanse vrouw zou haar dochter durven dopen: dat is de rol van de “zwartjurken”, de jezuïeten, die grote zwarte soutanes dragen. Welnu, in het dorp is al in twee jaar geen enkele jezuïet geweest. Bovendien staat haar echtgenoot heel vijandig tegenover de christenen. Het moet haar volstaan haar dochter in het geheim in te wijden in de geheimen van het waar geloof .

«Ondervraag de schoonheid…»

De zuiverheid schittert op het voorhoofd van het kind dat graag naar haar moeder luistert als deze het verhaal vertelt van Jezus, van Maria en de heiligen. «Mama, waar komen de vogels vandaan?» – God heeft die gemaakt, kleintje. God heeft alle mooie dingen op de wereld gemaakt: Hij heeft de bomen, de bloemen, de vogels en de meren gemaakt; Hij heeft alles gemaakt.»

De Catechismus van de Katholieke Kerk leert: «Uitgaande van de schoonheid van de wereld kan men God kennen als oorsprong en doel van het heelal» (CKK 32). «Ondervraag de schoonheid van de aarde, ondervraag de schoonheid van de zee, ondervraag de schoonheid van de onmetelijke lucht die ons omgeeft, ondervraag de schoonheid van de hemel (...) ondervraag dit alles. Dit alles antwoordt u: “zie hoe schoon wij zijn! Hun schoonheid is een belijdenis (confessio). Wie anders heeft deze schepselen die onveranderlijk schoon zijn, gemaakt dan Hij die onveranderlijk schoon (Pulcher) is?» (Sermones 241).

In 1660 werd het dorp door ongeluk getroffen : een pokkenepidemie kost een derde van de bevolking het leven en onder hen bevinden zich de ouders en het broertje van het meisje. Zij sterft niet, maar blijft getekend in het gezicht door de sporen van de ziekte en haar ogen verzwakken zo zeer dat ze sterk licht niet meer kan verdragen. Wanneer ze overdag uitgaat moet ze haar ogen met haar sjaal beschermen. Ze komt meer dankzij haar tastende handen vooruit dan door de blik die ze met haar ogen kan werpen. Vandaar de naam die ze krijgt: Tekakwitha, dat wil zeggen “zij die al tastende vooruit komt”. Later zal ze met het oog op haar talrijke wonderen “Zij die alles voor haar in beweging zet” worden genoemd.

Daar haar ouders zijn overleden wordt ze in huis opgenomen bij haar oom die haar, naar Irokese gewoonte, in handen geeft van haar tantes. De komst van een meisje betekent hulp van twee handen extra: bij de Irokezen wordt de zorg voor het huishouden, zware karweien, water putten aan de rivier, hout kappen en vervoeren naar de hut evenals taken als maïs malen, meubels, stoffen en handwerksvoorwerpen maken overgelaten aan vrouwen. De man hoeft alleen op jacht te gaan en aan te wijzen waar het geschoten wild ligt. De vrouw moet zich vervolgens ter plekke begeven en het wild naar de hut slepen en het dan aan stukken snijden. De tantes zijn veeleisend en geven hun nichtje zoveel te doen dat er nauwelijks tijd overblijft voor ontspanning. Het meisje houdt ervan goed werk af te leveren en onderwerpt zich grootmoedig aan alles wat haar wordt opgedragen; ze legt daarbij ook een grote vingervaardigheid aan de dag.

Haar verlangen God te behagen is heel groot. In navolging van Onze-Lieve-Vrouw wil zij geheel Hem toebehoren en maagd blijven: ze weigert dan ook de huwelijksvoorstellen die haar worden gedaan. Dat is niet gemakkelijk want Tekakwhita is de dochter van een stamhoofd. Haar oom heeft een trotse krijger die zijn achting geniet voor haar bestemd. Maar het heeft allemaal geen nut. De onwankelbare wilskracht van het meisje drijven haar oom en tantes tot felle woede. In het vervolg zal ze praktisch als een slavin worden behandeld en iedere weigering te trouwen komt haar te staan op extra werk en minachting.

Dorst naar doop

In 1667 kwamen drie jezuïeten missionarissen in het dorp aan. Door een attentie van de Voorzienigheid wordt Tekakwitha gevraagd hen gastvrijheid te bieden. Pater Cholenec zal getuigen van de bescheidenheid van het meisje en de zachtmoedigheid waarmee ze zich van haar taak als gastvrouw heeft gekweten. Gulzig neemt ze de woorden van de paters in zich op, evenals de flarden van de gesprekken die ze opvangt binnen de wanden van de hut, maar kan nog geen uiting geven aan haar verlangen te worden gedoopt. In de herfst van 1675 was pater De Lambertville in het dorp. Hij neemt het meisje in vertrouwen en hij geeft er zich rekenschap van welke geestelijke waarde deze ziel heeft die al helemaal klaar is om het doopsel te ontvangen. In het onderzoek dat hij opent naar het leven van Tekakwitha komt hij niemand tegen die zich niet lovend uitlaat over de jonge catechumene, ondanks de neiging van de indianen tot kwaadspreken, vooral over vrouwen. Zelfs zij die haar het felst hebben vervolgd kunnen niet anders dan getuigen van haar deugdzaamheid. De mentaliteit van de Irokezen kennende, beschouwt de pater dit echt als iets buitengewoons. Tot alles bereid om maar het doopsel te mogen ontvangen, durft Tekakwitha haar oom van wie ze weet dat hij het christendom vijandig is gezind, om toestemming te vragen. De hemel zegent haar vastberadenheid want tegen alle verwachtingen in verzet de oom zich er niet tegen. Op Paasdag, 18 april 1676 werd Tekakwitha gedoopt onder de naam Kateri, ter ere van de heilige Catherina van Alexandrië.

«Het heilig Doopsel is het fundament van heel het christelijk leven, leert de Catechismus van de Katholieke Kerk, de toegangspoort tot het leven in de Geest (vitae spiritualis ianua) en de deur die toegang verleent tot de andere Sacramenten. Door het Doopsel zijn wij van de zonde bevrijd en, herboren tot kinderen van God, worden wij ledematen van Christus, ingelijfd in de Kerk en haar zending deelachtig gemaakt» (CKK 1213). Heilige Gregorius van Nazianze zegt het zo: «Het Doopsel is de mooiste en prachtigste van alle gaven Gods… Wij noemen het gave, genade, onderdompeling, zalving, verlichting, kleed van onvergankelijkheid, bad van wedergeboorte, zegel en alles wat maar kostbaar is. Gave, omdat het toegediend wordt aan wie niets met zich meebrengen; genade, omdat het zelfs aan schuldigen wordt gegeven; onderdompeling, omdat de zonde in het water wordt begraven; zalving, omdat het heilig en koninklijk is (zoals ook de gezalfden het zijn); verlichting, omdat het een schitterend licht is; kleed, omdat het onze schaamte bedekt; bad, omdat het schoonwast; zegel, omdat het ons behoedt en waarmerkt als bezit van God» (Orationes theologicae, 40, 3-4, cf. CKK 1214).

Het doopsel is voor Kateri de dageraad van een nieuw leven dat ook zijn eisen zal stellen: Wie mijn volgeling wil zijn, moet Mij volgen door zichzelf te verloochenen en zijn kruis op te nemen (Mc 8, 34). Haar oom en haar tante willen haar ‘s zondags laten werken «zoals iedereen», maar Kateri verzet zich en verklaart dat het de dag is die God is toegewijd. Ze heeft inderdaad geleerd dat de liefde van God en de verkrijging van het eeuwig leven veronderstellen dat wij de Geboden in acht nemen: Als gij het Leven wilt binnengaan, onderhoud dan de geboden (Mt 19, 17). Ze wordt voor lui uitgemaakt en het meisje krijgt te horen dat wanneer ze niet wil werken, ze ook niet zal eten. Zo brengt ze maandenlang haar zondagen in bijna volledige onthouding door. Terwijl de familie haar copieuze maaltijd nuttigt, zit zij naast haar bed, bijna in zwijm vallend en duizelig van de honger. En wat nog erger is, de andere kinderen van het dorp worden aangemoedigd stenen naar haar te gooien en haar te bespotten als ze voorbijkomt. Men noemt haar minachtend “het christenmeisje”, of “de heks”.

De dag des Heren

De gelukzalige Paus Johannes Paulus II heeft de zin van de zondagsheiliging en de zondagsrust uitgelegd: «Op de eerste bladzijde van Genesis is het werk van God een voorbeeld voor de mens. Zijn rust is dat eveneens : Hij rustte op de zevende dag van al het werk dat Hij verricht had (Gn 2, 2)... De zondag is allereerst een rustdag omdat het de door God gezegende dag is, door Hem geheiligd. Met andere woorden, door Hem onderscheiden van de andere dagen om als enige de “dag des Heren” te zijn... Heel het mensenleven en de hele tijd van de mens moeten eigenlijk worden geleefd als een lofzang voor en een dankzegging aan de Schepper. Maar de relatie van de mens met God heeft ook behoefte aan momenten van expliciet gebed... De “dag des Heren” is bij uitstek de dag van die relatie, waarop de mens zijn zang naar God doet opstijgen en zo de stem van heel de schepping wordt. Juist daarom is de zondag ook een rustdag. De onderbreking van het vaak benauwende ritme van de bezigheden die in expressieve taal wordt vertaald in termen als nieuwheid en onthechting, is een erkenning van de afhankelijkheid van de persoon en van de kosmos tegenover God. Alles is van God. De dag des Heren keert steeds opnieuw terug om dit principe...» (Apostolische Brief Dies Domini, n. 11, 14, 15, van 31 mei 1998).

De Catechismus van de Katholieke Kerk legt uit hoe de sabbat (de zevende dag) plaats heeft gemaakt voor de zondag (de eerste dag): « Jezus is verrezen uit de doden, de eerste dag van de week (Mt. 28, 1). Als eerste dag brengt de dag van Christus’ verrijzenis ons de oorspronkelijke schepping in herinnering. Als achtste dag, die volgt op de dag van de sabbat, verwijst hij naar de nieuwe schepping, die met Christus’ Verrijzenis een aanvang nam. Voor de christenen is hij de eerste geworden van alle dagen, het eerste feest van alle feesten, de dag des Heren, de «zon(ne)dag». (CKK 2174)

Temidden van haar beproevingen is Kateri alleen en heeft voortdurend allerlei plagerijen te verduren. Haar vriendin Anastasia en talloze christelijke indianen zijn naar Canada vertrokken om in een dorp te gaan wonen dat is gesticht door de jezuïetenpaters: de missie H.Franciscus Xaverius op de zuidelijke oever van de rivier Saint-Laurent, tegenover Montréal. Kateri wil niets liever dan zich bij hen voegen om eindelijk in vrijheid haar geloof te kunnen beleven en pater De Lambertville is van zijn kant ook van oordeel dat het beter is dat zij gaat. Wanneer de oude oom van Kateri een keer afwezig is maakt de missionaris daar gebruik van om haar samen met twee andere christenen te laten vertrekken en hij schrijft aan pater Frémin, overste van de missie H.Franciscus Xaverius: «Ik stuur u een schat die u goed moet bewaren!» Wanneer de oom weer in het dorp terug is hoort die van de vlucht van zijn nicht en zet onmiddellijk haar achtervolging in, maar slaagt er niet in haar te vinden. Na een lange reis komt Kateri op de plaats van bestemming aan. Ze kan eindelijk een christelijk leven leiden, vrij van alle belemmeringen. De tranen stromen haar over het gezicht bij de aanblik van de kapel: het is de eerste keer dat ze een kerk ziet.

God het aangenaamst

Pater Cholenec aarzelt niet om Kateri toe te laten tot de beginnelingen die zich voorbereiden op hun eerste communie. Wanneer hij ziet welk een uitzonderlijke ijver ze aan de dag legt en wanneer hij hoort met welk een naastenliefde zij haar tijd doorbrengt met het verzorgen van zieken, op kinderen passen en het verlenen van alle mogelijke diensten, stelt hij haar vrij van de regel die de nieuw gedoopten verplicht een jaar te wachten voor ze hun eerste communie mogen doen. Op Kerstdag van het jaar 1676 ontving Kateri in haar zuiver hart voor de eerste keer Hem die zij boven alles bemint. Ze zit lang in de kerk te bidden om Jezus dank te zeggen. Haar vrome toewijding neemt vervolgens van dag tot dag toe. In zijn dagboek schrijft pater Cholenec: «Vanaf die dag leek Kateri veranderd, want ze was alleen nog vervuld van God en van haar liefde voor Hem.» Ze vraagt zich af: «Wie leert mij wat God het aangenaamst is zodat ik dat kan doen?» Maar – zo getuigen de missionarissen – haar grote verbondenheid met God is geenszins een reden om haar werk te veronachtzamen; ze doet het in tegendeel met een nog grotere liefde.

Kerstmis is ook de vooravond van het startsein voor de jaarlijkse jachtpartij. Voor de Irokezen maakt de jacht deel uit van het leven: het is de grote gebeurtenis van het jaar. Zij is voor het hele dorpje en voor iedere familie een onderneming om nieuwe voorraden in te slaan. Men komt terug met overvloedige hoeveelheden vlees en vooral met rijke bontwerken voor de ruilhandel met de blanken, tegen wapens en voedingsmiddelen. Het is ook de tijd van algehele ontspanning. Voor de vrouwen is het een feest. Het leven in het woud is voor hen veel vrijer. Het geslachte wild moet weliswaar klein worden gesneden, maar de rijke buit is ook aanleding voor luidruchtige feesten en dansen waar iedereen, man en vrouw, zich geestdriftig aan overlevert.

Voor Kateri is deze jachtperiode een beproeving omdat deze haar verwijdert van de kerk, het onmogelijk maakt de mis bij te wonen en de sacramenten te ontvangen en vanwege de promiscuïteit. Op een dag komt een doodvermoeide man de hut binnen, werpt zich op het eerste het beste stromatras dat hij tegenkomt en valt in slaap. De slaapplaats blijkt naast die van Kateri te liggen. De volgende dag denkt de vrouw van de man dat ze met elkaar naar bed zijn geweest. Ze heeft overigens opgemerkt dat Kateri regelmatig alleen het woud in gaat, hetgeen haar achterdocht alleen maar versterkt. Ze bazuint haar twijfels rond onder haar vriendinnen en vertelt het verhaal ook aan de missionaris wanneer die weer in het dorp terug is. Deze ondervraagt Kateri. Het meisje bekent dat ze iedere dag voor Jezus gaat bidden in de eenzaamheid van de bossen waar ze een kleine bidplaats met een houten kruis heeft gemaakt. Dat was voor haar een goede manier om te ontsnappen aan de ledigheid, de lichtzinnige spelletjes en gesprekken van haar vriendinnen. «Ik wou graag dat dit geheim bleef, voegt ze eraan toe, en ik verzoek u het niet tegen de andere vrouwen te zeggen. Het is niet erg dat zij mij van kwaad verdenken. Mijn ziel hoeft alleen aan God verantwoording af te leggen». Deze woorden overtuigen pater Cholenec van haar onschuld. Hij verklaart tegenover de jaloerse vrouw dat haar verdenkingen iedere grond missen. Kateri zal echter nog enige tijd in de gaten worden gehouden, een vernedering die zij God aanbiedt in vereniging met Jezus Christus die met doornen werd gekroond.

Een diepe indruk

Op Paasdag, 1678, werd Kateri opgenomen in de broederschap van de Heilige Familie die in Nouvelle-France in het leven is geroepen door de bisschop van Québec, Mgr. De Laval, om de gelovigen uit te nodigen in hun persoonlijk leven en in ieder gezin de deugden van Jezus, Maria en Jozef opnieuw in praktijk te brengen. Op een dag brengt Kateri een bezoek aan Montréal waar ze de liefdezusters van Saint-Joseph van het Hôtel-Dieu ziekenhuis ontmoet. Ze is onder de indruk van deze door de gelofte van kuisheid aan God gewijde vrouwen. Met twee vriendinnen vat ze het plan op eenzaam op het Hérons eiland in de Saint Laurent te gaan leven, maar pater Frémin brengt daar tegen in dat ze zo weinig ervaring heeft met het christelijke en dat het gevaarlijk is voor drie vrouwen zo eenzaam te gaan leven. Kateri legt zich daarbij neer en richt zich op de versterking van haar innerlijk leven en blijft tegelijk midden in het leven staan. Maar het verlangen God toe te behoren laat haar niet meer los.

Wie kiest voor de maagdelijkheid uit liefde voor God brengt hier en nu reeds het Koninkrijk Gods onder ons, zoals de gelukzalige Paus Johannes Paulus II in zijn apostolische exhortatie Vita consecrata, van 25 maart 1996 het uitlegde: «Waar uw schat is daar zal ook uw hart zijn» (Mt 6, 21) : de unieke schat van het Koninkrijk wekt begeerte, verwachting, betrokkenheid en getuigenis. De verwachting van het komen van de Heer leefde bijzonder sterk in de primitieve Kerk. Maar de Kerk is door alle eeuwen heen deze houding van hoop blijven koesteren : aldoor heeft zij de gelovigen gevraagd uit te zien naar het heil dat spoedig zou worden geopenbaard, want de wereld die wij zien, gaat voorbij (1 Kor 7, 31)... Het Tweede Vaticaans Concilie herneemt deze leer als het stelt dat het godgewijde leven (van de religieuzen) “de toekomstige verrijzenis in de heerlijkheid van het hemels rijk (Lumen gentium, 44) aankondigt”. Dat gebeurt allereerst door het kiezen voor maagdelijkheid, die de traditie steeds heeft verstaan als een vooruitlopen op de komende wereld die reeds nu in de mens werkzaam is en hem in heel zijn wezen verandert» (n.26).

Kateri is nu 23 jaar, een leeftijd die veel hoger is dan die waarop jonge indianenmeisjes worden uitgehuwelijkt. Al haar vriendinnen dringen aan op een huwelijk want in deze contreien waar het christendom nog zo jong is heeft men nog nooit gehoord van maagdelijkheid als keuze uit liefde voor Christus. Kateri wordt niet begrepen en men vindt haar maar “excentriek”. Ze lijdt er onder, vooral wanneer Anastasia haar hierover harde verwijten maakt: «Het is ongehoord dat een Mohawkse niet trouwt! Je moet naar je oudere zusters luisteren. En wie zal er trouwens voor je zorgen? Je zal iedereen ten laste zijn als je niet trouwt. Er zijn verschillende jongens die om je hand zouden willen vragen.» Maar het sterkt haar alleen maar in haar verlangen God alleen toe te behoren. Ze raadpleegt de missionaris die haar voorzichtig terugverwijst naar zichzelf als degene die de beslissing moet nemen: «Het hangt van jou alleen af.» Maar haar besluit staat onwrikbaar vast: ze zal alleen Christus als Echtgenoot hebben. De pater is verbaasd en verrukt tegelijk over een dergelijke vastberadenheid, die hij nog nooit eerder in de stam had waargenomen. Kateri vraagt hem om toestemming de gelofte van maagdelijkheid te mogen afleggen. Omdat hij ziet dat hij te maken heeft met een door God gekozen ziel geeft hij zijn akkoord. Op 25 maart 1679 legde zij die de “lelie onder de Mohwaks” genoemd zal worden, na een serieuze voorbereiding, in haar hart de gelofte van eeuwigdurende maagdelijkheid af.

De godgewijde maagdelijkheid is een belangrijk getuigenis van de kracht van de liefde Gods in de broosheid van het menselijk bestaan. Zij bewijst dat hetgeen de meeste mensen voor onmogelijk houden, met de genade van de Heer Jezus, mogelijk wordt en het begin is van ware bevrijding. De door de godgewijden gekozen maagdelijkheid herinnert alle gelovigen eraan hoe nodig de deugd van de kuisheid is. «In navolging van Christus die het voorbeeld van kuisheid is, zijn allen geroepen een kuis leven te leiden naargelang hun levensstaat: sommigen door te leven in de maagdelijkheid of het gewijde celibaat, een uitmuntende wijze om zich gemakkelijker aan God toe te wijden met een onverdeeld hart; anderen, in geval zij gehuwd zijn, door de echtelijke kuisheid te beoefenen; in geval zij ongehuwd zijn, door de kuisheid te beleven in de onthouding» (Compendium van de Catechismus van de Katholieke Kerk, 491).

De nieuwe ster

Kateri wijdt zich aan de armen, de zieken, de bejaarden. Ze draagt regelmatig haar rozenkrans om de hals die ze blootsvoets in de sneeuw lopend bidt. Ze legt zich penitentie na penitentie op, voor de bekering van haar volk. Pater Cholenec probeert haar enigszins te temperen in haar neiging zoveel mogelijk soberheid te betrachten, maar ze staat weldra op de rand van het graf en in de loop van de winter krijgt ze hevige hoestaanvallen, hoofdpijnen en koorts. Die laatste dagen voor haar dood brengt ze door met bidden en spreken over de “Grote Geest” tegenover iedereen die naar haar wil luisteren; en dat zijn er heel wat, want allen hebben mogen genieten van haar naastenliefde. Op de dinsdag van de Goede Week wordt haar de Heilige Teerspijze gebracht in haar armoedige hut. De volgende dag, 17 april 1680, omringd door heel het dorp en na te hebben gefluisterd: « Jezus ! Maria ! Ik houd van u!», zal ze zich bij de eeuwige Echtgenoot van haar ziel voegen. Ogenblikkelijk lijkt ze van gedaante veranderd en wordt haar gezicht glad en van een verbazingwekkende schoonheid, terwijl ze altijd de tekenen van de pokken had gedragen.

De verering voor haar persoon zette zich al snel door onder de zowel Indiaanse als Franse bevolkingsdelen, en men hoorde het een verhaal na het andere van wonderbaarlijke genezingen die waren verkregen door haar bemiddeling. Zestig jaar later werd ze over de hele wereld beschouwd als de patrones van Canada en als de “nieuwe ster van de Nieuwe Wereld”. Op 22 juni 1980 is ze door Paus Johannes Paulus II zalig verklaard.

Tijdens de Wereldjongerendagen in Toronto (Canada) richtte Paus Johannes Paulus II zich aldus tot de landgenoten van de gelukzalige: «Ik groet de groep inlandse jongeren die afkomstig zijn uit de streek van de gelukzalige Kateria Tekakwitha. Zeer juist noemen jullie haar kaiatano (d.w.z. zeer edele en zeer waardige persoon): moge zij voor jullie een toonbeeld zijn en jullie laten zien hoe christenen zout en licht der aarde kunnen zijn!» (28 juli 2002).

Dom Antoine Marie osb

Om het Blad van de Abdij Saint-Joseph de Clairval te publiceren in een tijdschrift, blad... of on het internetsite of een website te plaatsen, is een toelating vereist. Deze dient te worden aangevraagd per E-Mail or bij http://www.clairval.com.

Index der Briefe  - Home Page

Webmaster © 1996-2017 Traditions Monastiques