Blason  Abdij Saint-Joseph de Clairval

F-21150 Flavigny-sur-Ozerain

Frankrijk


[Cette lettre en français]
[This letter in English]
[Dieser Brief auf deutsch]
[Esta carta en español]
[Questa lettera in italiano]
7 juni 2012
Sacramentsdag


Dierbare Vriend van de Abdij Saint-Joseph de Clairval,

«Haal onmiddellijk die kruisbeelden uit de kamers!» De officier in  uniform is categorisch: de wet van het Duitse Rijk dat begin 1940  oppermachtig is verbiedt dit religieus teken in openbare gelegenheden. Niemand onder de aanwezigen voert het bevel echter uit. Een paar dagen eerder, tijdens de inwijding van een nieuw gebouw van het ziekenhuis van Mödling, nam een zuster de verantwoording op zich om in ieder vertrek een kruisbeeld te laten ophangen, iets wat niemand anders durfde te doen. Deze zuster, Restituta Kafka, is zalig verklaard op 21 juni 1998 door Johannes Paulus II – zij is de eerste martelares van Oostenrijk.

Helena Kafka is geboren op 1 mei 1894 in Brünn-Hussowitz, in Moravië (het huidige Brno in de Republiek Tsjechië). Haar vader, een eenvoudige schoenmaker, moet hard werken om zijn zeven kinderen de kost te kunnen geven. Het gezin vestigt zich weldra in Wenen. De kinderjaren van Helena zijn getekend door de armoede, maar zij krijgt een zeer katholieke opvoeding. Direct na de verplichte schooljaren gaat het meisje werken als dienstmeisje en vervolgens werkt ze in een winkel. Helena, die iets wil doen ten dienste van zieken, wordt ziekenverzorgster in het ziekenhuis van Wenen-Lainz. Daar ontmoet ze zusters Franciscanessen van de Christelijke Naastenliefde, bekender als de “Zusters Hartmann”, naar de naam van de straat waar hun moederhuis staat. Het meisje besluit in te treden in deze congregatie om zich nog vollediger te kunnen wijden aan het werk voor de naaste door middel van een aan God gewijd leven. Als postulante is Helena een jaar werkzaam in Lainz; vervolgens wordt haar kandidaatstelling onderzocht door drie zusters. Een bruidsschat die in beginsel is verplicht kunnen haar ouders niet betalen, maar haar vroomheid en ijver pleiten in haar voordeel: ze wordt in het noviciaat geaccepteerd en ontvangt samen met veertien andere meisjes op 23 oktober 1915 het kleed van de Orde.. Ze krijgt als religieuze de naam Zuster Restituta. H.Restituta is een Romeinse maagd martelares uit de IIIe eeuw.

De novicemeesteres leert de jonge zusters een aantal heel eenvoudige praktijken die iemand echter ver kunnen voeren op de weg naar de volmaaktheid: regelmatige biecht, dagelijkse communie, bezoek aan het Allerheiligste, devotie tot de Heilige Maagd, rozenkrans. Zuster Restituta zal die altijd trouw blijven; zij zal uit haar devotie voor Onze-Lieve-Vrouw der Zeven Smarten een grote kracht putten. In oktober 1916 legt ze haar eerste geloften af. In 1919 begint ze in het ziekenhuis van Mödling, in de voorstad van Wenen, en wordt er weldra benoemd tot eerste assistent op de operatieafdeling. De geneesheer-directeur van deze kliniek, dokter Stöhr, is een veeleisende man met een moeilijk karakter, die al meer dan eens een zuster de moed heeft doen verliezen. De verstandhouding tussen chirurg en assistent komt snel tot stand. Door haar moeilijke jeugd heeft Helena geleerd geduld te oefenen, zich te schikken naar het karakter van anderen zonder evenwel na te laten duidelijk te zeggen wat ze ervan vindt indien dit noodzakelijk is. Ze houdt van haar werk en van haar patiënten; haar fantasierijke geest is vruchtbaar aan ideeën waarmee de zorg kan worden verbeterd.

Zuster “Resoluta”

In Mödling ziet men al snel dat de dingen waarmee  zuster Restituta zich belast ook slagen. Ze is klein van stuk en ook al enigszins gezet, maar werkt snel en goed. Door haar resoluut karakter krijgt ze de bijnaam van zuster “Resoluta”. In de zustercommunauteit is ze een element van aanstekelijke vrolijkheid; tijdens de recreaties en speciaal met Carnaval is ze onweerstaanbaar geestig. Ze weet dat feesten en momenten van gezamenlijke ontspanning de zusters helpen  moedeloosheid en droefgeestigheid te boven te komen. Zij vormt ook een “brug” tussen dokter Stöhr en de mensen die door het soms bruuske optreden van deze arts waren gekwetst. Zij vindt altijd een oplossing wanneer iemand in nood moet worden geholpen: «Geen bed beschikbaar», krijgt een zieke te horen op een dag dat hij zich komt laten opereren. Zuster Restituta krijgt het onmiddellijk voor elkaar dat er in een vertrek dat voorlopig als kamer zal dienen een bed wordt neergezet.

We moeten toegeven dat zuster Restituta geen zuster is als alle anderen. Ze brengt haar ex-patiënten vaak thuis een bezoek; na een uitputtende dag gaat ze zich soms in een nabij gelegen brasserie ontspannen en krijgt van de eigenaar een kop “goulasch”, haar lievelingsgerecht, en een pul bier aangeboden. Dat was men binnen de congregatie allemaal niet gewend. Het vastberaden karakter van zuster Restituta heeft als keerzijde een zekere bitsheid waardoor men zich overvallen voelt: ze neemt geen blad voor de mond en heeft haar eigen opvattingen. Sommige zusters zijn een beetje bevreesd voor haar! Al deze tekortkomingen – waarvoor ze zichzelf iedere maand in de communauteit, tijdens de “schuldbekentenisbijeenkomst in het kapittel” op de borst slaat – verhinderen niet dat zij wordt bemind en geacht. Dat ze iedere avond – zelfs als het al heel laat is – haar geestelijke krachten gaat vernieuwen tijdens  een lang onderhoud met Jezus in het tabernakel is niet onopgemerkt gebleven.

 In de loop van de vele jaren dat ze werkzaam is op de operatiekamer verwerft zuster Restituta een bepaalde competentie die zo reëel is dat de jonge artsen soms de indruk hebben dat zij de praktiserend arts is: ze hoeven haar nauwelijks te vragen om een chirurgisch instrument, of ze heeft het al gereed in haar handen! Hoewel zwaar van lijf en altijd pijn aan de voeten, moet ze de hele dag staan, maar toch “regeert” ze op de operatiezaal en lijkt alles eenvoudig voor haar. Met de invloed die ze heeft kan ze een apostolische rol vervullen voor de patiënten en het medisch personeel. In Mödling wordt het gewoonte zuster Restituta te gaan raadplegen als men een probleem heeft: om goede raad, materiële steun of een opbeurend woord te horen... Religieuzen van andere instituten die haar patiënten zijn geweest vragen haar voor hen te komen zorgen in hun klooster. Al dit succes dat haar beroepshalve en menselijk gesproken ten deel valt wekt echter naijver. Jonge artsen stellen het niet bepaald op prijs dat zij hen categorisch verbiedt in het voorvertrek van de operatieafdeling te roken; ze vinden dat zij het terrein te veel in beslag neemt en in hun licht staat.

«Moge God aanwezig zijn...»

Vanaf de annexatie van Oostenrijk door Duitsland, in maart 1938, heeft het regime getracht zijn controle over alle sectoren van het maatschappelijk leven uit te breiden; de katholieke Kerk moet het in het bijzonder ontgelden. De nazi’s proberen de ziekenhuissector van haar kerkelijk karakter te ontdoen door al wat christelijk is voor zo ver  mogelijk uit te bannen. Een dergelijke politiek is helaas niet het monopolie van totalitair geregeerde landen. In november 2009 heeft een arrest van het Europees Hof van Justitie Italië willen verplichten de aanwezige kruisbeelden in de overheidsscholen te verwijderen. In verzet tegen de agressieve deconfessionalisering, had Paus Benedictus XVI op 15 augustus 2005 gezegd: «In het openbare leven is het van belang dat God, bijvoorbeeld door middel van het Kruis, aanwezig is in de openbare gebouwen; dat God aanwezig is in ons gemeenschapsleven; anders worden de verschillen onverenigbaar omdat onze gemeenschappelijke waardigheid niet meer wordt erkend.» Vervolgens bedankte de Paus op 17 december 2010 de ambassadeur van Italië voor het verzet van zijn regering ten aanzien van het arrest dat tegen de kruisbeelden was gericht, met de volgende woorden: «Men kan onmogelijk een authentiek maatschappelijke vooruitgang denken na te streven en tegelijkertijd de godsdienstige factor ter zijde schuiven en zelfs uitdrukkelijk afwijzen, zoals men tegenwoordig op verschillende wijzen geneigd is te doen. Een daarvan is bij voorbeeld de poging uit openbare gelegenheden de uitstalling van religieuze symbolen te weren, als eerste het kruisbeeld dat ongetwijfeld het symbool bij uitstek is van het christelijk geloof maar tegelijkertijd alle mensen van goede wil aanspreekt en, als zodanig, geen factor van discriminatie is.»

Een van de artsen van de kliniek, dokter Stumfohl, is eerzuchtig en openlijk nazi, lid van de S.S. Zijn aanwezigheid wordt voor de zusters, en in het bijzonder voor zuster Restituta aan wie hij een hekel heeft, snel een bedreiging. Van haar kant maakt zij er geen geheim van dat ze principieel tegen het nationaal socialisme, onverenigbaar met de katholieke godsdienst, is gekeerd. Sommige zusters zijn bang en zeggen tegen haar: «Praat niet zoveel, houd je mond.» Stumfohl heeft zijn informanten die overal in de kliniek spioneren. Hij verbiedt de zusters een priester te roepen om stervenden bij te staan, tenzij deze hier uitdrukkelijk zelf om hebben gevraagd; een zuster zal de kliniek moeten verlaten omdat ze op een avond een priester heeft laten roepen om een stervende de laatste sacramenten toe te dienen. Zuster Restituta verzet zich tegen de methodes van deze onbekwame geneesheer, in het bijzonder op een dag dat hij klaar staat om zonder reden de voet van een patiënt te amputeren; ze weigert mee te werken door hem er kalm op te wijzen dat die medisch onnodige ingreep de patiënt zonder reden levenslang gehandicapt zou maken. Stumfohl is woedend maar moet wel inbinden. Een andere keer, toen hij had geweigerd dat een priester aan een Pool het Heilig Oliesel toediende, stopte zuster Restituta een kruisbeeld in de handen van de zieke en bad voor hem tot hij vredig was gestorven. Dan krijgt de zuster van de arts een waarschuwing: als het nog eens gebeurt, zal ze voor de gevolgen moeten opdraaien.

Beschuldigend carbonpapier

Op een ochtend in december 1941 komt zuster  Restitutie het kantoor van een secretaresse op de afdeling radiologie binnen. Ze heeft in haar hand de tekst van een satirisch gedicht dat is gericht tegen Hitler en dat in het geheim onder de Oostenrijkse soldaten, die in het Duitse leger zijn gerekruteerd, van hand tot hand gaat. Ze vraagt aan de secretaresse dit document op haar schrijfmachine te kopiëren; maar in haar haast is de zuster niet zo voorzichtig dat ze de deur dicht doet; terwijl ze het gedicht dicteert hoort een onbescheiden oor alles. Dr. Stumfohl juicht: hij vindt zelfs het carbonpapier terug dat voor een duplicaat van de kopie was gebruikt. Hij heeft nu de kans de zuster die hij niet kan uitstaan bij de Gestapo aan te geven. Twee maanden lang gebeurt er niets; de zusters stellen elkaar gerust; maar de 18e februari 1942, Aswoensdag, komen vier agenten van de Gestapo de operatieafdeling binnen waar zuster Restituta, in haar wit ziekenhuisschort, naast dokter Stöhr staat; deze laat de soldaten wachten. Wanneer de operatie waarmee men bezig is, is afgelopen, wordt de zuster gearresteerd en terstond meegenomen. Diezelfde avond laat de generaal overste alle zusters vragen volstrekte geheimhouding te betrachten, «in het belang van de zuster zelf».

De Gestapo probeert tevergeefs, door middel van marteling, van zuster Restituta de naam te weten te komen van de persoon die haar de gewraakte tekst had gegeven. Begin maart hoort men dat zuster Restituta is overgebracht naar het regionaal huis van bewaring van Wenen: het geval is ernstig. Ze zal er dertien maanden blijven. Ze lijdt onder de eenzaamheid: ze mist de communauteit erg, te meer daar de bezoeken van de zusters schaars zijn. Op bepaalde momenten dat ze terneergeslagen is, vraagt ze zich verbitterd af: «Hebben ze mij zo snel vergeten, ik die zo hard voor de congregatie heb gewerkt?» Ze weet niet dat post en bezoeken drastisch beperkt zijn: één bezoek per twee maanden, één brief per maand. De zuster is echter wel geestelijk met de communauteit verbonden; aan haar generaal overste schrijft ze: «Daar, dichtbij het tabernakel, zijn wij allen met elkaar verenigd en geen enkele kloof kan ons van elkaar scheiden.»

Haar medegevangenen valt op hoe zachtmoedig ze is en hoeveel aandacht deze kleine vrouw voor de anderen heeft, zij die wordt aangesproken met het verkleinwoord “Restl”.  Deze zuster die zich in de duisternis en de schaduw van de dood bevindt wordt al snel een licht in de nacht voor haar medekrijgsgevangenen. Ze besteedt bijzondere zorg aan één van hen die gevangen zit wegens kindermoord; deze ongelukkige vrouw lijdt aan een huidziekte en kan zelfs haar voedsel niet met eigen handen aanpakken. De andere schreeuwen haar toe: «Je hebt je baby van honger laten sterven, nu is het jouw beurt!» maar zuster Restituta geeft haar uit haar handen te eten. Ze weet dat Jezus niet is gekomen om de rechtvaardigen, maar om de zondaars te redden.

«Het komt goed»

In de nationaalsocialistische gevangenis zijn melk en  boter voorbehouden aan mensen van “Duitse bloede”; de anderen hebben er geen recht op. Zuster Restituta deelt haar portie met de niet-Duitse, joodse of andere vrouwen. Tegen de vrouwen die de hele tijd niets anders doen dan klagen en woorden van wanhoop spuien zegt de zuster altijd: «Het komt goed, alles komt goed; het kwaad kan niet zegevieren.» Wanneer het gerucht zich verspreidt dat ze berecht gaat worden, nemen al haar medegevangenen haar gezegde over: «Het komt goed; we zullen voor je bidden», zelfs zij die zichzelf atheïst noemen. Maar ze antwoordt onverstoord: «Nee, ik kom niet terug, ik zal sterven.»

Op 29 oktober 1942 verschijnt zuster Restituta voor het “Volkstribunaal” van Wenen. Ze wordt beschuldigd van het «schrijven van een provocerend gedicht» dat gericht is tegen de Führer en van het «uitgeven van een staatsvijandig traktaat». In werkelijkheid was de beschuldigde niet de schrijver van het gedicht en de uitgave in kwestie bestond uit één enkele kopie op carbonpapier. Het Hitlerregime zocht een voorwendsel om de katholieke Kerk een hak te zetten in de persoon van een zuster die juist bekend stond om haar houding van verzet. Men herinnerde zich dat zij het was die de kruisbeelden aan de muren van het ziekenhuis had opgehangen. Aan het eind van dit schijnproces wordt de beschuldigde veroordeeld tot onthoofding «wegens samenzwering tegen het vaderland en poging tot hoogverraad». Haar tijdens de zitting aanwezige zusters zijn geschokt, maar zij hoort het vonnis in alle kalmte aan; wanneer hij hoort wat het vonnis is, zal dokter Stumfohl huilend uitroepen: «Dat heb ik niet gewild!»

De een na de ander doet een poging het leven van de franciscanes te redden. Dokter Stöhr doet een verzoek om gratie op grond van haar beroepsbekwaamheid; zuster vicaris (eerste assistent) vertrekt naar Berlijn; de aartsbisschop van Wenen komt ook tussenbeide. Vanaf 1 januari 1943 begint de congregatie met deze intentie een eeuwigdurende novene voor de apostel Judas Thaddeus die zeer wordt vereerd in de Germaanse landen. Al deze pogingen stuiten op de onverzettelijkheid van Martin Bormann, de “grijze eminentie” van de Führer: deze beschouwt de executie – die de enige in haar soort zal blijven voor wat religieuzes van het “Duitse ras” betreft – als onontbeerlijk ter intimidatie van de geestelijkheid en de hele katholieke Kerk.

Voortaan zit zuster Restituta opgesloten in de cel van de ter dood veroordeelden waar ze zes maanden zal blijven. Haar medegedetineerden lukt het echter toch bij haar te komen; Anna Haider, een communiste, die aan de doodstraf is ontsnapt, vertelt: «Zuster Restituta zat de rozenkrans te bidden. Ik knielde voor haar neer en zag dat ze huilde. Ik zei tegen haar: “Mijn God, Restl, nu is het jouw beurt!” Ze antwoordde me: “Denk niet dat ik huil omdat ik moet sterven; ik huil van vreugde omdat jij zult leven.” Aan het slot zei ze tegen mij: “Ik heb voor Christus geleefd, voor Christus zal ik sterven... ja, ik zal sterven!” Die woorden zijn voor altijd in mijn hart gegrift.»

De zielenarts

Jezus Christus, de zielenarts, besloot deze ziekenver- zorgster die patiënte is geworden persoonlijk te verzorgen. Hij maakt gebruik van de kwaadaardigheid van het nazi regime om de ruwe bolster te kraken als een noot, waardoor het van bovennatuurlijke liefde brandende hart dat erin verborgen zat tevoorschijn komt. Zuster Restituta werkte hard in de kliniek, maar ze bezat bepaalde macht om dingen te beslissen, ze was –zoals men zei – “een instelling” op zich. In de gevangenis is ze alleen nog maar een “vijand van het volk”, vernederd, uitgehongerd, bestemd voor het schavot. Deze religieuze, die zo overliep van bedrijvigheid, die ’s ochtends om half vier opstond, krijgt van God lijdzaamheid opgelegd: het reglement verbiedt haar de slaapplaats voor half zeven te verlaten. Ze stond graag aan het roer: ze moet nu haar gevangenbewaarders gehoorzamen en zich laten geleiden “als een lam naar het slachthuis”. Het was haar weelde dat ze zich geheel en al kon inzetten voor de zieken: ze kan hun niets meer geven... behalve haar woordeloze gebrokenheid die ze  aanbiedt als offergave voor hen.

De franciscanes heeft een medegevangene opgemerkt die zwanger is en haar baby wel eens zou kunnen verliezen als gevolg van ondervoeding. Ze geeft haar regelmatig een deel van haar portie aardappelen. In november 1942 komt in de gevangenis een meisje ter wereld; haar moeder wil haar laten dopen onder de naam Restituta; uit voorzorg brengt “Restl” haar van dit plan af; het meisje zal Helena heten, de doopnaam van haar die haar door haar offers heeft gered. De bewondering onder de gedetineerden neemt toe. Een van hen verklaart: «Een dergelijk geloof, een dergelijke goedheid, een dergelijke zelfverloochening is absoluut uniek!» Van zijn kant zal de aalmoezenier van de gevangenis, Mgr. Köck,  erkennen: «Ze is voor mij een grote steun geweest in de uitoefening van mijn ambt onder de gevangenen.»

«Ja, Vader!»

Een maand voor haar dood schrijft de veroordeelde  aan haar generaal overste: «Ik wacht er iedere dag op dat mijn kruisweg de Calvarieberg bereikt... hetzij nu of later, dat de heilige Wil van God geschiede. In die heilige Wil ligt heel mijn troost besloten; elke dag zeg ik “ja, Vader!” en alles gaat goed.» Drie dagen na haar veroordeling heeft ze de zusters haar “testament” laten bezorgen. Ze vraagt hun om vergeving voor alle veroorzaakte overlast en bedankt hen voor de ontvangen weldaden; ze vergeeft hen die haar kwaad hebben gedaan, in het bijzonder dokter Stumfohl; ze vraagt hun niet te huilen maar te bidden, opdat zij een goede dood zou mogen sterven. Op 31 januari 1943 schreef ze bijvoorbeeld: «Ik heb overvloedig ervaren hoe de Verlosser en diens Moeder ons nooit in de steek laten. Ik weet dat ik mijn kruis geen seconde langer hoef te dragen dan God heeft voorgeschreven. Niet door mijn verdiensten bewandel ik deze weg met zoveel moed, maar dankzij de ontelbare gebeden en opofferingen die iedere dag voor mij ten Hemel opstijgen.»

Op 30 maart 1943 kondigt men de veroordeelde onverwacht aan dat het ogenblik van haar executie is gekomen. Bevend hernieuwt ze de offergave van haar gehele persoon zoals ze die had gedaan op de dag van haar professie. Ze nemen haar de professiering af en al haar kleren , die worden vervangen door een kleed van papier; ze zal sterven in de armoede van H. Franciscus. Mgr. Köck en een andere priester, eerwaarde Ivanek, staan haar bij. Op het moment dat ze naar het schavot wordt gebracht vraagt ze aan eerwaarde Ivanek haar een kruisteken op het voorhoofd te maken. Even later horen de priesters het doffe geluid van het mes dat neervalt: «Wij dachten toen dat de Hemel een God liefhebbende ziel rijker was.» Een medegevangene en overlevende zal met deze woorden getuigen: «Meerderen onder ons, die eveneens ter dood waren veroordeeld, zeiden: Ik zou willen sterven als zuster Restituta.»

Op 4 december 1942 hadden de nazi’s, uit vrees dat zuster Restituta zou worden vereerd als martelares, verboden haar lichaam aan haar congregatie terug te geven: het wordt dus in een gemeenschappelijke kuil geworpen. Door schrik overmand durven de zusters zelfs niet meer over haar te praten. Eerwaarde Ivanek kan het stilzwijgen echter niet bewaren; hij vertelt hun van de dood van zuster Restituta die zo stichtend was en haalt haar laatste woorden aan: «voor Christus heb ik geleefd; voor Hem wil ik sterven». Eerwaarde Schebesta, haar biechtvader zal op zijn beurt een getuigenis afleggen: «Het norse en zeer resolute karakter van zuster Restituta heeft me altijd verwonderd, want ze was in wezen heel zachtaardig... Ik dacht wel dat God voor haar een zware beproeving in petto had... Het staat voor mij als een paal boven water: in de gevangenis is ze een Heilige geworden.» De eerste begunstigde van de hemelse bemiddeling van de martelares is Josefine Zimmerl, een oude vrouw, een medegevangene van haar. Als moeder van een verzetsman die was geëxecuteerd en zelf in het verzet, kon ze nauwelijks op enige clementie van de autoriteiten rekenen. Op een dag had zuster Restituta echter tegen haar gezegd: «Het eerste dat ik aan de goede God zal vragen als ik in de hemel ben is dat Hij jou bevrijdt.» Op 1 april, twee dagen na de executie van de zuster, krijgt Josefine te horen dat ze vrij is.

Tijdens de zaligverklaring van zuster Restituta heeft Johannes Paulus II benadrukt: «Wat haar het hoofd heeft gekost is haar bekentenis tot het Kruis van Christus. Ze heeft die in haar hart bewaard en hernieuwd, vlak voor haar executie en vroeg daarbij aan de aalmoezenier haar een kruisteken op het voorhoofd te maken. Wanneer we naar de gelukzalige zuster Restituta kijken kunnen we zien tot welke geestelijke hoogten iemand kan worden gebracht als hij of zij zich overgeeft in de weldoende handen van God... Ons Christenen kan heel wat dingen worden afgenomen. Maar men zal ons het Kruis als teken van ons heil niet afnemen. Wij zullen niet toestaan dat het uit het openbare leven wordt verwijderd... Dank, zuster Restituta Kafka, dat u tegen de stroom van de tijdgeest bent ingezwommen!» Vervolgens riep de Paus, zich richtend tot de jongeren, uit: «Plant in jullie leven het Kruis van Christus! Het Kruis is de ware boom des levens!»

Dom Antoine Marie osb

Om het Blad van de Abdij Saint-Joseph de Clairval te publiceren in een tijdschrift, blad... of on het internetsite of een website te plaatsen, is een toelating vereist. Deze dient te worden aangevraagd per E-Mail or bij http://www.clairval.com.

Index der Briefe  - Home Page

Webmaster © 1996-2017 Traditions Monastiques