Blason  Abdij Saint-Joseph de Clairval

F-21150 Flavigny-sur-Ozerain

Frankrijk


[Cette lettre en français]
[This letter in English]
[Dieser Brief auf deutsch]
[Esta carta en español]
[Questa lettera in italiano]
3 mei 2012
feest van H.H. Philippus en Jacobus, apostels


Dierbare Vriend van de Abdij Saint-Joseph de Clairval,

In het kamp Zella-Melhis, in Thüringen, in het hart van Duitsland, zitten  talloze Fransen die zijn gevorderd voor de verplichte tewerkstelling. Op  19 april 1944 vertrekt Marcel Callo, een jonge Breton, vroeg in de ochtend, zoals gewoonlijk, naar de fabriek. Tegen elven komt hij terug in het barakkenkamp. Joël, een kameraad die ’s nachts werkt, is verbaasd hem zo vroeg terug te zien komen: «Zo, Marcel, ben je ziek? – Ik ben gearresteerd.» Een agent van de Gestapo komt daarop naar binnen, snuffelt in Marcels spullen en onderzoekt aandachtig boeken en papieren. Joël vraagt hem naar de reden van de arrestatie. «Meneer is veel te katholiek», antwoordt de politieman kil en beveelt Marcel hem te volgen. De jongeman pakt zijn rozenkrans, geeft Joël de hand en drukt hem op het hart: «Schrijf jij aan mijn ouders en aan mijn verloofde dat ik ben gearresteerd.»

Marcel is op 6 december 1921 in Rennes geboren als tweede in een gezin met negen kinderen . Zijn vader, Jean Callo, is een eenvoudige arbeider. Zijn gezin is arm aan wereldse bezittingen, maar rijk aan geloof. Marcel staat graag voor iedereen klaar, is opgewekt en schelms van karakter. Zijn voornaamste tekortkoming is ongetwijfeld zijn koppigheid, maar hij weet ook zijn ongelijk toe te geven. Op school wordt hem verweten onregelmatige prestaties te leveren; zijn meesters vinden hem echter over het algemeen vlijtig en allen zijn onder de indruk van zijn rechtschapenheid en goede wil. Als achtjarige wordt hij lid van de Eucharistische Kruistocht die ware liefde voor Jezus Hostie hoopt bij te brengen. Hij leert zijn dagen aan te bieden aan het Hart van Jezus voor het heil van de zielen. Iedere ochtend is hij misdienaar en biechten doet hij elke veertien dagen want de leus van de “kruisvaarders”: «Bid, ga ter communie, offer jezelf op, wees apostel» neemt hij serieus.

Een nieuwe bladzijde

In 1933 treedt Marcel toe tot een verkennerstroep, de  Ve Rennes. De dag van zijn belofte, 18 juni 1934, is een nieuwe bladzijde van zijn leven. Het verkennerideaal van loyaliteit, moed, dienstbaarheid en zuiverheid komt overeen met zijn diepste verlangens; vol vuur past hij de verkennerwet toe zonder te vergeten dat de plicht van de verkenner bij de eigen familie begint. Al in 1936 vertrouwt men hem de leiding over een patrouille toe. Marcel zal de verkennerij erkentelijk blijven voor haar bijdrage aan zijn vorming als aanvoerder binnen de Christelijke Arbeidersjeugd (CAJ).

«De verkennerij, zo zei de eerbiedwaardige Paus Pius XII, verleent aan de eredienst en aan de dienstbaarheid aan God de voorrangspositie die hun toekomt in het leven van de mens en daardoor bij de jonge man de juiste gesteldheid bevordert om in ieder voorwerp, in iedere ordening, in de schoonheid van de hele schepping de werkelijke waarde en de ware pracht ervan in het licht van de goddelijke zon te ontdekken. God in zijn werken zoeken, vinden, smaken en verheerlijken... dat is de essentie van de verkennerij» (10 september 1946).

Nadat hij in 1934 zijn eindexamen heeft gehaald gaat Marcel als leerling-letterzetter in dienst bij een drukkerij. Hij is er trots op dat hij door zijn werk zijn ouders financieel tot steun kan zijn; destijds bestonden de kinderbijslagen nog niet. De begintijd in de drukkerij is moeilijk. Het christelijk ideaal van Marcel botst met de verderfelijke zaken waar de belangstelling voornamelijk naar uitging van de arbeiders die het geweldig vinden de jongeren in te wijden in hun ontuchtige praktijken. Wanneer zij om hun schuine grappen stompzinnig stonden te schudden van de lach lacht hij niet, maar stort zijn hart uit bij zijn moeder die zodoende verneemt wat er gaande is. Op haar aanraden neemt Marcel de gewoonte aan zich tot de Heilige Maagd te richten. Hij is weldra een bekwaam arbeider die wordt gewaardeerd door zijn ploegbaas en de nieuwe leerling-knechten die hij behendig onttrekt aan de verderfelijke invloed van de ouderen.

Eerwaarde Martinais, kapelaan in de Saint-Aubin kerk betreurt het gebrek aan een christelijk ideaal binnen de parochieafdeling van de Christelijke Arbeidersjeugd. Hij gaat op zoek naar jongens die het roer weten om te gooien. Op zijn aandringen verlaat Marcel, in 1936, na een innerlijke strijd met tegenzin de verkennerij en gaat bij de Christelijke Arbeidersjeugd. Hij ontvangt er een meer dan koel onthaal; de jonge arbeiders komen naar de bijeenkomsten voor hun vermaak en hebben geen vertrouwen in de Kerk en “nieuwelingetjes” zoals Marcel die ze beschouwen als handlangers van de geestelijkheid. Marcel heeft snel begrepen dat het ideaal van de CAJ is arbeiders het gevoel van de waardigheid van hun werk waarvan ze denken dat erop neer wordt gekeken, terug te geven en hen eraan te herinneren dat zij allemaal kinderen van God zijn. Daarvoor zijn apostelen nodig die trots zijn op hun christelijke overtuiging, onbedorven, blijmoedig en veroveringslustig. Op sommige avonden gaat het er in de discussies hard aan toe. Marcel, een jongen uit één stuk, beleeft zijn eerste conflicten als militant : hij weet echter door zijn gedrag respect af te dwingen. Soms wekken bepaalde woorden of gedragingen zijn verontwaardiging en dan aarzelt hij niet aan zijn woede uiting te geven zonder evenwel zijn tegenstanders niet met het nodig respect te bejegenen. Langzaam maar zeker leert hij zijn woede-uitbarstingen te beheersen, onder controle te krijgen en wanneer hij alles heeft gezegd wat hij te zeggen had om de waarheid te laten triomferen, vindt hij spoedig weer de rust terug.

Een voorzitter van zeventien

Marcel is zeer trouw aan de studiekring van de CAJ  die hij met grote belangstelling volgt. Hij studeert van zijn kant de leer van de Kerk. In 1938 neemt de leidende ploeg van de sectie Saint-Aubin van de CAJ ontslag. Marcel heeft zozeer ieders achting gewonnen dat hij ondanks zijn zeventien jaren wordt gekozen tot voorzitter van de sectie. Hij maakt er een opmerkelijke ploeg van die door haar dynamiek een gunstige invloed zal uitoefenen op de parochie. Bezield door het apostolisch vuur wil hij dat de sectie zich uitbreidt en alle middelen benut om jongeren die ongelukkig zijn en niets te doen hebben aan te trekken. Geestdriftig verspreidt Marcel onder de CAJ jongeren de methode van eerwaarde Cardijn, de stichter van de CAJ: «Leren denken als Christus en de mentaliteit van Christus aanleren.» Voor Marcel draait het inderdaad om “vierentwintig uur per dag in God leven”. Het CAJ-lid gaat niet alleen dagelijks naar de mis en ter communie, maar verplicht zich ook tot een kwartier stille overpeinzing per dag; hij ruimt tevens één keer per week tijd in voor geestelijke lezing alsook een uur studie voor de algemene vorming.

Marcel bereidt de sectievergaderingen, de organisatie van een spel of een fietstocht zorgvuldig voor. Hij stelt alles in het werk om voor een broederlijke sfeer te zorgen wanneer de leden in hun lokaal bijeenkomen. Ontspanning acht hij van groot belang, want daarin ziet hij een uitstekend middel om de zielen te trainen; en dat gaat hem inderdaad het meest aan het hart. Zijn goed karakter is hem ook behulpzaam bij het maken van vrienden. Hij lacht, speelt de clown, maar vooral straalt hij van het innerlijk leven dat zijn persoon eigen is. Er komen steeds meer jongeren; langzaam maar zeker vinden ze de weg naar de kerk terug. Ze zijn niet langer het “uitvaagsel of de verdoemden der aarde”, zoals sommige revolutionaire kameraden hun willen doen geloven, maar kinderen van God en hun werk dat ze doen in vereniging met Christus, is voor het heil van de wereld .

In zijn encycliek Laborem exercens (nr. 27), leert Johannes Paulus ons: «Alle arbeid, zowel handen- als intellectuele arbeid, gaat onvermijdelijk met moeite gepaard. In het Boek Genesis wordt dit feit scherp uitgedrukt door de oorspronkelijke zegen van de arbeid, vervat in het mysterie van de schepping zelf en verbonden met de verheffing van de mens tot beeld van God, te plaatsen tegenover de vervloeking die de zonde meebracht... Door de moeite van de arbeid te verdragen in vereniging met Christus die voor ons werd gekruisigd , werkt de mens op een of andere wijze met Gods Zoon mee aan de verlossing van de mensheid. Hij toont zich de ware volgeling van Jezus door op zijn beurt iedere dag in zijn bezigheden het kruis te dragen dat het zijne is... In de arbeid van de mens vindt de christen een klein deel terug van het kruis van Christus en hij aanvaardt dit in de geest van verlossing waarmee Christus zijn kruis heeft aanvaard voor ons» (14 september 1981).

De tijden van gebed en geestelijke overpeinzing hebben een belangrijke plaats in de beweging, maar zijn altijd nauw verbonden met het dagelijks leven van de CAJ arbeiders. «Het is niet mogelijk om met lege handen naar de mis te komen», legt Marcel uit. Een van zijn kameraden vertelt: «Wij dachten altijd dat, om een goed Christen te zijn, je ’s morgens en ’s avonds je gebed moest doen, ‘s zondags de mis moest bijwonen en dat was alles. Daarbuiten was er niet veel. Sinds ik dat van Marcel heb geleerd “woon ik de mis niet meer bij” maar probeer eraan deel te nemen, niet langer met lege handen te komen, iets van mijn leven aan te bieden.» Marcel sleept zijn kameraden vaak mee in zijn kielzog om het Heilig Sacrament te gaan aanbidden; diep verzonken in gebed, maakt hij grote indruk op hen. Al in 1939 organiseert hij een “communieketen” voor de vrede en voor de gevangenen.

De verbazing van de parochianen

De Duitse bezetting vanaf de zomer van 1940 ont- moedigt de jonge apostel niet in zijn ijver. Tijdens de Vasten van 1941 doet hij, met behulp van zijn CAJ vrienden alles om zoveel mogelijk jongeren te motiveren voor een retraite van drie dagen die in de Saint-Aubin kerk plaats vindt. De parochianen zijn heel verbaasd als ze al die jongens zien die veelal niet meer in de kerk kwamen. Marcel begrijpt dat hij als militant efficiënt is dankzij een gebedsleven en ware intimiteit met Jezus: «God is alles, wij niets. Zonder de hulp van Christus zouden al onze inspanningen vergeefs zijn.» Hij voert een harde strijd tegen de zonde: «Wij zijn vaak slechte werktuigen in Gods handen omdat wij slechte gewoontes hebben en tot het slechte geneigd zijn. De zonde ondermijnt ons geestelijk leven, belet ons in het geweer te komen, ons voor de goede zaak in te zetten. Pas naar mate we Christus in ons laten gelden zijn we aan het werk voor het welzijn van de hele gemeenschap. Iedere dag moet ik een beetje meer gelijkvormig aan Christus worden.»

Maar al snel wordt de CAJ door de Duitsers verboden. Marcel verbergt zorgvuldig de dossiers en de belangrijke papieren, en de sectie verlaat haar lokaal en wordt een “sportvereniging”! De activiteiten gaan ongewijzigd door; het clandestiene karakter ervan geeft een extra prikkel aan het vuur en de ijver van de jongeren. Het is echt de CAJ van de catacomben: de activiteiten zijn verborgen, maar de geest is vurig, de saamhorigheid onbegrensd en het gebed inniger dan ooit, zoals ten tijde van de eerste christenen. In die tijd maakt Marcel kennis met Marguerite, een jeugdig CAJ-lid. Ze vatten het plan op voortaan hun levens aan elkaar te verbinden en vertrouwen hun toekomstig huisgezin toe aan Onze-Lieve-Vrouw. De officiële verloving moet in de zomer van 1943 plaatsvinden. De toekomst ziet er stralend uit voor Marcel! Maar op 8 maart 1943 staat alles op losse schroeven... De stad Rennes wordt gebombardeerd door de geallieerden. Marcel laat zoals velen zijn werk in de steek om hulp te gaan bieden aan de slachtoffers. Met ontzetting ontdekt hij dat het gebouw waarin zijn zusje Madeleine werkt in puin ligt. Zodra het uitgraven kan beginnen komt Marcel toegesneld en vindt even later het lichaam van zijn zus terug. Hij is degene die het verschrikkelijk nieuws aan zijn ouders gaat melden. Hij is verpletterd; hoe kan hij een dergelijk verdriet te boven komen? Maar toch, zo zegt hij tegen zijn ouders, «als God ons Madeleine heeft afgenomen, dan is dat omdat Hij haar klaar achtte voor de Hemel. Zou ze op een later tijdstip in dezelfde gesteldheid hebben verkeerd? Had ze zich niet te gronde kunnen richten? De Voorzienigheid weet beter dan wij wat wij nodig hebben.»

Gewetensdrama

Het is nog maar het begin van de beproeving voor  Marcel die in zijn zak een verschrikkelijk geheim bij zich draagt: zijn oproep voor de Arbeitseinsatz. Jonge Fransen zijn bij wet gedwongen werk te verrichten in Duitsland ter vervanging van de Duitse arbeiders en boeren die gemobiliseerd zijn voor het leger. Het is een gewetensdrama: moet Marcel zijn gezin dat de schok van Madeleine’s dood nog niet te boven is, zijn kuis beminde verloofde Marguerite, zijn dierbare CAJ verlaten, of zal hij blijven en onderduiken? Maar in dat geval zouden er ongetwijfeld represailles volgen voor zijn gezin, vooral voor Jan, zijn oudste broer, die in juni tot priester moet worden gewijd . «Ik ga niet naar ginds als werkkracht, zegt hij tegen de zijnen. Ik ga erheen als missionaris; er is nog zoveel te doen om Christus bekend te maken onder de mensen.»

Op 19 maart 1943 wordt Marcel naar Thüringen gestuurd , naar Zella-Melhis, waar de Fransen in een fabriek werken aan de montage van raketwerpers; men moet tien uur per dag staan, in een drukkende sfeer, met compagnons die vooral een leven van zedeloosheid in het hoofd hebben. Marcel wordt beroofd van zijn spaargeld. Die eerste weken in Duitsland zijn voor hem een ware kruisweg. Iedere godsdienstige bijeenkomst is verboden! Het is uitgesloten hier een nieuwe CAJ afdeling, die in Frankrijk reeds was verboden, op te zetten. Er is in deze protestantse streek geen katholieke kerk. Op een goede dag klaart er echter licht aan de horizon: hij ontdekt een zaaltje waar een Duitse priester ‘s zondags de Mis opdraagt. Hij heeft een vinger verbrand aan een machine, lijdt tand- en buikpijn, maar ‘s zondags zal hij naar de Mis kunnen. Bovendien zal Marcel zo vaak hij kan een bezoek brengen aan het Allerheiligste en voor de Heilige Maagd bidden. Daar doet hij kracht en moed op en hervindt zijn zielenijver. «Er zijn hier, zo schrijft hij aan zijn verloofde, veel geestelijke verwondingen te verzorgen... De twee maanden na mijn aankomst waren buitengewoon hard en vermoeiend. Ik had nergens meer zin in, had geen gevoel meer, ik voelde hoe ik langzaam maar zeker afgleed... Plotseling zorgde Christus ervoor dat ik reageerde... Hij zei dat ik voor mijn kameraden moest zorgen en toen kreeg ik de levensvreugde weer terug.» Aan zijn broer die op 29 juni tot priester is gewijd schrijft hij over zijn verdriet zo ver weg van hem te zijn op die mooie dag: «Deze smartelijke scheiding heeft me het leven een beetje beter leren begrijpen: in smart wordt een mens beter.»

Langzaamaan trekt Marcel zijn kameraden ‘s zondags mee en hoopt dat over niet al te lange tijd ze allemaal naar de Mis zullen komen. Met Pasen kan hij blij zijn: zijn hele slaapzaal is aanwezig, op één uitzondering na. Eén keer per maand viert de priester op verzoek van Marcel een Mis voor de Franssprekenden met Franse gezangen. «Er waren bijna honderd Fransen. En wat een geestdrift! We zongen allen met één stem. Maar wat me het meest genoegen heeft gedaan is dat het ons is gelukt kameraden mee te nemen die in jaren geen mis hadden bijgewoond.» Ter ondersteuning van hun moreel organiseert hij sportieve en kunstzinnige activiteiten (zang, muziek en toneel). Zijn invloed wordt steeds groter. Zelfs de ongevoelige harten respecteren hem en men komt hem graag om raad vragen. Hij is altijd bereid tot het bewijzen van een dienst, de mensen in vertrouwen aan te horen, zijn voedselpakket te delen met behoeftige of zieke kameraden. Hij leeft van de herinnering aan zijn verloofde over wie hij vaak spreekt en maakt op zo’n manier vaak een einde aan de schuine praatjes van sommige anderen. Hij hoeft trouwens maar te verschijnen en de toon verandert want alleen zijn aanwezigheid al dwingt respect af.

Een clandestien netwerk

In de verschillende werkkampen heeft de CAJ een clan- destiene organisatie op touw gezet. De verantwoordelijken nemen iedere gelegenheid te baat om elkaar te ontmoeten en elkaar in het gemeenschappelijk apostolaat bij te staan. Er vormt zich een waar netwerk van geestelijk verzet in Thüringen. Kardinaal Suhard, aartsbisschop van Parijs, is ingelicht over de schitterende ijver van de CAJ-leden en schrijft een brief waarin hij hen zegent en bedankt. De Gestapo door wie ze worden bespioneerd, ziet van haar kant in de CAJ een antinazi politieke partij. In april 1944 ontmantelt de Duitse politie het CAJ netwerk. De 19e voegt Marcel zich bij elf vrienden van hem, onder wie twee priesters en twee seminaristen, in de gevangenis van de Gestapo. De een na de ander wordt ondervraagd, bedreigd en mishandeld. Men wil achterhalen hoe ze te werk gaan en de namen van hun kameraden te weten komen. De zondag daarop klinken uit verschillende cellen de stemmen van de twaalf gevangenen die de Engelenmis zingen. Ze zijn bang, hebben honger en hebben het koud, maar met het hart zijn ze diep met elkaar verbonden. Eind april worden ze in afwachting van hun berechting naar de gevangenis van Gotha overgebracht. Overdag gaan ze met de andere gevangen werken op een naburige boerderij waar ze ruimschoots te eten hebben. Op 16 juli, bij terugkeer van het werk overhandigt een CAJ-lid onderweg onopvallend aan een van hen geconsacreerde hosties: onmetelijke vreugde voor de gevangenen die Hem om wie ze worden vervolgd en op wie ze al 88 dagen wachten, mogen ontvangen!

Men telt 180 brieven of ansichtkaarten die door Marcel in Duitsland zijn geschreven. De laatste, gedateerd 6 juli 1944, onthult wat hem het meest aan het hart gaat. Na uiting te hebben gegeven aan zijn verdriet dat hij geen nieuws meer ontvangt van zijn familie, schrijft hij: «Gelukkig is er een Vriend die me geen moment verlaat en die weet hoe Hij mij moet bijstaan in uren van ellende en uitputting. Met Hem is alles te dragen. Wat ben ik Christus erkentelijk dat Hij voor mij de weg heeft uitgestippeld waarop ik me momenteel bevind. Wat een fantastische dagen om Hem aan te bieden!... Al mijn lijden bied ik aan voor jullie allen, dierbare ouders, lieve verloofde; Jan, opdat zijn ambt vruchtbaar moge wezen; voor al mijn kameraden. Ja, hoe zoet en troostrijk is het te lijden voor hen die men bemint... Ik doe mijn best me te beteren door steeds nader tot God te komen... Mijn gedachte gaat ook uit naar Frankrijk. Het doet ons leed het te zien in de staat waarin het momenteel verkeert; wij allen die hebben geleden zullen het land weder opbouwen en het zijn ware gezicht geven. God, gezin en vaderland, drie woorden die elkaar aanvullen en die we nooit van elkaar mogen scheiden. Als ieder bereid zou zijn op deze drie ondergronden te bouwen en te steunen, zou alles goed gaan.»

Schadelijk voor het regime

In augustus zitten de CAJ-leden ten gevolge van een  nieuwe toestroom van gevangenen opnieuw in een zelfde cel waar ze het genoegen hebben samen te mogen bidden en zingen. De bewakers noemen deze cel “die Kirche”, de kerk. Op 25 september krijgen ze het uit Berlijn afkomstig vonnis te horen: ze zijn veroordeeld tot deportatie naar een concentratiekamp. Ieder moet zijn interneringsbevel tekenen waarop geschreven staat: «Heeft zich door zijn katholieke actie onder zijn Franse kameraden, tijdens zijn diensttijd bij de Arbeitseinsatz in Duitsland gedragen op een manier die schadelijk is voor het nazi-regime en het heil van het Duitse volk.» Op de twaalf zullen er slechts vier terugkeren van de vernietigingskampen, in zeer zwakke gezondheid.

Marcel verlaat Gotha op 6 oktober op weg naar kamp Mauthausen in Oostenrijk. Daar lijden 20.000 gedeporteerden: door martelingen, moorden, en ziekten met 90% uitgedund. Ze moeten onder zeer zware omstandigheden werk verrichten. Marcel wordt ingezet als vliegtuigmonteur, in een ondergrondse fabriek. Hij wordt van zijn bril beroofd; zijn ogen kunnen het verblindende licht dat wordt weerkaatst door de aluminiumplaten niet langer verdragen en raken zo zeer met bloed doorlopen dat hij er op sommige dagen bijna blind van is. De geringste onhandigheid staat gelijk met sabotage en wordt bestraft met de gummiknuppel waarmee Marcel tot vier maal toe is geslagen. Vermagerd, uitgeput, mishandeld, ondergaat hij alles zonder dat haat of ook maar de geringste rancune vat op hem krijgen; nooit scheldt hij zijn beulen uit. Onophoudelijk geeft hij blijken van zijn naastenliefde en weet de mensen om hem heen met een vriendelijk woord op te beuren: «Blijf vertrouwen, zegt hij, Christus is met ons... Laat je niet gaan, God waakt over ons.» Men voelt zich gelukkig aan zijn zijde. Zijn heldhaftig geloof en geduld geven zijn compagnons nieuwe moed. Hij bidt met hen die zich met zijn gebed willen verenigen. Maar hij is lichamelijk zo zeer uitgeput dat hij soms degene is die om hulp smeekt: «Help mij, alsjeblieft, ik kan niet meer.» Hij loopt tbc op en dysenterie; een oedeem in de benen en furonculose bezorgen hem de hevigste pijnen. Hij wordt derhalve overgebracht naar de ziekenafdeling van het kamp. Daar ontbreekt het aan alles; het debacle van het Duitse leger – het is inmiddels maart 1945 – brengt schaarste aan levensmiddelen en medicijnen met zich mee. De zieken worden aan hun lot overgelaten en leven op een kluitje. Op de avond van de 18e stort Marcel in. Kolonel Tibodo, een Franse gevangene die op de ziekenafdeling werkzaam is, vervoert hem op zijn strozak en verbaast zich over zijn geduld. Marcel gaat zachtjes onder zijn ogen dood, als een lamp waar geen olie meer in zit: «Hij had alleen nog een blik, zei hij, een blik die iets anders zag, en een diepe overtuiging uitdrukte dat hij op weg was naar het Geluk. Het was een daad van Geloof en Hoop op een beter leven. Ik heb nog nooit bij welke stervende dan ook – en ik heb er toch ettelijke duizenden gezien – een blik als de zijne gezien. Hij had de blik van een heilige. Het was voor mij een openbaring.» Op 23-jarige leeftijd is Marcel naar de Hemel gegaan, op 19 maart 1945, op de dag van H.Jozef, patroon van de goede dood, die mevrouw Callo voortdurend aanriep voor haar zoon.

Tijdens de zaligverklaring van Marcel Callo, op 4 oktober 1987, verklaarde Paus Johannes Paulus II: Marcel “vertoont de buitengewone uitstraling van hen die zich in bezit laten nemen door Christus en zich opofferen voor de volledige bevrijding van hun broeders”.

Dom Antoine Marie osb

Om het Blad van de Abdij Saint-Joseph de Clairval te publiceren in een tijdschrift, blad... of on het internetsite of een website te plaatsen, is een toelating vereist. Deze dient te worden aangevraagd per E-Mail or bij http://www.clairval.com.

Index der Briefe  - Home Page

Webmaster © 1996-2017 Traditions Monastiques