Blason  Abdij Saint-Joseph de Clairval

F-21150 Flavigny-sur-Ozerain

Frankrijk


[Cette lettre en français]
[This letter in English]
[Dieser Brief auf deutsch]
[Esta carta en español]
[Aquesta carta en català]
[Questa lettera in italiano]
[Esta carta, em Português]
6 oktober 2011
feest van Heilige Bruno, pr.


Dierbare Vriend van de Abdij Saint-Joseph de Clairval,

Op een zomerse dag in 1955 meldt zich een studente aan de faculteit  Geneeskunde van Milaan voor een moeilijk examen ter afsluiting van  het tweede jaar. Onverwacht moet ze een mondeling examen afleggen. Eerst reageert ze niet, vervolgens bloost ze en legt verlegen uit: «Professor, ik ben in behandeling voor een zenuwziekte, ik hoor niets... Ik hoop dat ik zal genezen... Heeft u alstublieft geduld... Kunt u me de vragen schriftelijk stellen?» De aanwezige studenten in de zaal beginnen te lachen. De professor die denkt dat het een slechte grap is schreeuwt: ««Geduld, geduld!» Kijk eens aan! Wie heeft er ooit een dove arts gezien?» En hij gooit het studieboekje tegen de muur terwijl het meisje, van haar stuk gebracht en vernederd, fluistert: «ik wilde u niet beledigen.» De professor is onvermurwbaar. De studente is gezakt, verlaat de zaal en zegt tegen een huilende vriendin die alles heeft gezien: «Het is niet erg; luister, zeg nog niets tegen mama; ik zal het haar morgen vertellen» en zij zelf zal haar professor bij haar moeder proberen te verontschuldigen. Dit meisje heeft haar artsendiploma nooit gehaald, maar vanuit de hoge hemel leert ze talloze «patiënten» de kunst hoe goed te lijden.

Benedetta (Benedicte) Bianchi Porro werd op 8 augustus 1936 geboren in Dovadola, een dorp in de provincie Forlì in Romagna (Noord-Italië). Haar moeder heeft een diep geloof en zal proberen dit aan haar zes kinderen door te geven. Wanneer ze nog maar een paar maanden is, krijgt Benedetta poliomyelitis; de ziekte wordt tegengehouden, maar haar rechterbeen zal altijd korter blijven dan het andere. Op een dag, tijdens een spel op de speelplaats, roept een jongen voor wie het meisje in de weg zat tegen haar: «Hé! Mankepoot!» Haar broer Gabriele neemt het niet, met als gevolg dat de jongens met elkaar op de vuist gaan. De moeders snellen toe om hen uit elkaar te halen. Maar Benedetta is niet boos: «Hij heeft me «mankepoot» genoemd; wat is daar verkeerd aan? Het is de waarheid!» Door deze woorden verzoenen de jongens zich weer met elkaar en hervatten hun spel.

De grote verlangens van een tiener

In 1942 vestigt de familie Bianchi zich in Sirmione, aan  de oever van het Gardameer. Vanaf 1946 vertrouwt Benedetta haar gedachten toe aan een dagboek waarin het kind vaak aandacht schenkt aan haar gebreken: «Mama zegt dat ik onuitstaanbaar ben... Ik ben onopgevoed en boosaardig.» In 1949 moet ze een corset aan om te voorkomen dat ze een bochel krijgt. Diezelfde dag schrijft ze: «Ik heb gehuild; het corset knelt zo onder mijn armen! Voorheen was ik onbezorgd en ik dacht bijna net als de anderen te zijn. Maar wat een diepe kloof gaapt er nu tussen hen en mij! Maar in het leven wil ik zijn zoals zij, misschien zelfs een beetje meer. Ik zou willen dat ik iemand kon worden.» Op school bereikt het meisje uitstekende resultaten. In 1953 schrijft ze: «Vandaag is het Pasen; wat zou ik graag herrijzen uit mijn zonden en nog alleen van God leven!... Vandaag hebben Gabriele en ik een beetje gefilosofeerd over God en de onsterfelijkheid van de ziel. Wat zijn de mensen toch dwaas dat ze zich schamen over zulke belangrijke dingen te praten!»

In een preek op 15 april 2010 voor leden van de pauselijke Bijbelcommissie, merkte Paus Benedictus XVI op: «Tegenwoordig zijn we vaak een beetje bang om over het eeuwig leven te spreken. We spreken over dingen die nuttig zijn voor de wereld, we laten zien dat het christendom eveneens bijdraagt tot verbetering van de wereld, maar we durven niet te zeggen dat het doel dat ons voor ogen staat het eeuwig leven is en dat uit dit doel vervolgens de criteria voor het leven voortkomen... We moeten opnieuw erkennen dat het christendom slechts vanuit het perspectief van het eeuwig leven zijn volledige zin te zien geeft... Het eeuwig leven bestaat, het is het ware leven, en uit dit ware leven komt het licht voort dat ook deze wereld verlicht.»

Op 15 februari 1953 wordt Benedetta mondeling overhoord tijdens de les Latijn, maar het lukt haar niet de vragen van de leraar te horen. Deze gehoorstoornissen doen zich meerdere malen voor. In haar dagboek zegt ze hierover: «Hoe moet ik er op zulke momenten wel niet uitzien? Maar wat maakt het uit? Op een dag zal ik misschien niets meer begrijpen van wat de anderen zeggen, maar zal ik altijd de stem horen van mijn ziel en dat is de ware gids die ik moet volgen.» Door hard te werken haalt ze in oktober het maturiteitsexamen (baccalaureaat) met een uitstekend cijfer. Daarna schrijft ze zich in aan de faculteit Geneeskunde van Milaan; haar doel is «Leven, strijden en me opofferen voor alle mensen.»

Door de dreiging van doofheid maakt Benedetta echter een periode van ontmoediging door. Ze ervaart hoe duizelingwekkend nietig iemand zich kan voelen. Aan haar vriendin die haar op dat moment het naast is schrijft ze: «Weet je, Anna, het lijkt of ik in een eindeloos en eentonig moeras zit, en dat ik langzaam wegzink, pijnloos en zonder spijt, zonder besef van en onverschillig tegenover hetgeen komen gaat, zelfs wanneer het laatste streepje hemel weg is en de modder boven mij alles weer afsluit»... «Ik ben heel vaak vervuld van twijfels en verzink in de diepste scepsis.» Het grootste gevaar dat het meisje bedreigde was niet de ziekte, maar de verraderlijke verleiding zich te verliezen in nihilisme en wanhoop. Maar juist op dat moment begint ze te beseffen wat een rijkdom het innerlijk leven is dat een wereld omvat die veel groter is dan die van de zinnen. En er ontglipt haar een kreet die een voorteken is van hoe haar toekomstig leven eruit zal zien: «Wat zou ik graag alleen voor God leven!» Haar persoonlijke ontmoeting met God zal echter pas later plaats vinden.

Met een stoïcijnse volharding strijdt Benedetta tegen haar handicap en vervolgt met goed gevolg haar studie. Ze heeft leren liplezen. Op mondelinge examens heeft ze terstond een antwoord op alle vragen en is er niets van doofheid te bespeuren. In november 1955 mag ze het mondeling examen van de voorgaande zomer overdoen; deze keer worden de vragen haar schriftelijk gesteld en haalt ze een uitmuntend cijfer; maar diezelfde avond krijgt ze een aanval van migraine en plotseling vernauwt haar gezichtsveld zich. Haar bekruipt onmiddellijk een voorgevoel: «Nee, mijn God! Nee, niet de ogen!» Op een avond in 1956 laat de studente een vriendin een geneeskundige verhandeling zien: «Dat is mijn ziekte»; en ze laat haar een foto zien van een patiënt die is aangetast door «diffuse neurofibromatose», ook wel de «ziekte van Recklinghausen» genoemd: deze zeer zeldzame, maar onverbiddellijke pathologie verwoest geleidelijk aan de zenuwcentra door de vorming van kleine tumoren. De gehoorzenuw wordt als eerste aangetast en vervolgens de oogzenuw en de andere zintuigen; tot slot geleidelijke verlamming. Na de nodige onderzoeken geven de artsen tot hun ontsteltenis toe dat de diagnose van Benedetta juist is. Dan begint er een lange reeks van ziekenhuisopnamen en chirurgische ingrepen die het verschrikkelijk proces moet vertragen.

«Een gedwee lam in zijn handen»

Op 27 juni 1957 wordt Benedetta aan haar hoofd  geopereerd. Ze ziet de dood onder de ogen en vertrouwt haar moeder toe: «Wat ben ik blij, mama, dat ik naar de zuivere, van de doodzonde gevrijwaarde Heer mag.» De woorden van H. Franciscus waar ze zo van hield komen haar weer in herinnering: «Geprezen moet Gij zijn, mijn Heer, voor onze zuster, de Lichamelijke Dood, aan wie geen levend wezen kan ontkomen. Wee degenen die sterven in een toestand van doodzonde; gelukkig zij die de dood vinden in overeenstemming met uw heilige wil, want de tweede dood zal hen niet deren» (Heilige Franciscus van Assisië, Loflied over de schepping). Terwijl men haar de haren afscheert voelt ze zich vernederd, maar neemt haar toevlucht tot het gebed: «Terwijl men mij knipte voelde ik me als een lam dat wordt geschoren. Ik heb de Heer gevraagd dat ik een gedwee lam in zijn handen mag worden.» Nauwelijks is ze uit de verdoving of ze betast haar gezicht: «Ze hebben mijn aangezichtszenuw doorgesneden»; nu is de linkerhelft van haar gezicht verlamd. De chirurg weet niet hoe hij haar om vergeving moet vragen voor deze professionele fout; zij zegt eenvoudig tegen hem: «U heeft gedaan wat u kon; geeft u mij de hand en wees in vrede! Dat is iets dat kan gebeuren: u bent de eeuwige Vader niet!»

De zeer grote morele kracht waarvan Benedetta blijk geeft is echter niet voldoende om haar toestand te doorstaan. Haar beste vriendin, Maria Grazia, schrijft ze op een dag, vanuit haar Milanese woning op de zevende verdieping: «Van tijd tot tijd krijg ik bijna zin me door het raam te gooien.» Ze geeft zich echter niet gewonnen aan de ziekte; verwoed werkt ze door en sluit met succes in juni 1959 haar vijfde jaar geneeskunde af. Ze is nog maar een jaar af van het eindexamen! Maar weldra blijkt een operatie, die was bestemd om de voortschrijdende verlamming van de onderste ledematen een halt toe te roepen, uiteindelijk mislukt te zijn: ze kan helemaal niet meer lopen. In 1960 ziet ze zich gedwongen volledig van haar studie af te zien: een zware beproeving voor een meisje dat zo begaafd is en zo graag de handen uit de mouwen wil steken. Maar terwijl haar naaste medewerkers machteloos toezien bij haar voortschrijdende lichamelijke aftakeling, zijn deze ook de stomverbaasde getuigen van haar geestelijke bloei. Afgezonderd in haar slaapkamer, vertoont ze geen enkel teken van bedroefdheid noch van ontmoediging: «Ik leid het leven van alledag, maar wat lijkt het nog gevuld! Het leven op zich lijkt al een wonder, en ik zou een lofzang willen aanheffen tot Hem die het me heeft gegeven.» En haar moeder die haar een vogel in een kooitje geeft met de opmerking: «Die is zoals jij», geeft ze ten antwoord: «Nee, mama, ik ben nog nooit zo vrij geweest sinds ik hier het bed moet houden.» Tegen Maria Grazia zal ze, met de oprechtheid die haar tekent, kunnen zeggen: «Voor wat de geest aangaat ben ik volledig gerust en zelfs meer dan dat: ik ben gelukkig; denk niet dat ik overdrijf.» Tegelijkertijd wordt ze nederig wanneer ze beseft hoe onvolmaakt ze is, een «zondares» in de ogen van God en ze vreest die innerlijke vreugde te verliezen omdat ze het gevoel heeft haar niet waardig te zijn.

Niet alles loopt echter op rolletjes. Op de vredigheid volgen momenten van innerlijke strijd met de dood. In 1960 schrijft Benedetta een nieuwe vriendin, Nicoletta, die reeds ervaren is op het gebied van het geestelijk leven: «Ik maak momenteel een periode door van grote dorheid. Ik voel me alleen, moe, enigszins vernederd en niet erg geduldig... Het smartelijkste is dat ik niet in vrede ben. Bid voor mij, bid voor mij... Waarom overkomt mij dit? Waarom staat God dit toe?» Haar vriendin antwoordt: «Forceer je niet om het gevoel te krijgen dat je gelooft, noch om te begrijpen waarom het juist zou zijn dat je zoveel lijdt. Maak je niet ongerust wanneer je het gevoel hebt dat je in opstand komt: in Gods ogen is het van geen belang. Hij kent de waarheid... Tegenover dit onmetelijk groot geheim verlangt Hij van ons slechts dat we «ja» zeggen en het is niet erg als we het verkeerd zeggen.» Benedetta luistert, spreekt haar «ja» uit en geleidelijk aan ervaart ze de aanwezigheid van de in haar levende Jezus Christus. Nicoletta zal ze nog schrijven: «Wees gezegend om de vreugde die je me hebt gebracht, een vreugde die te groot is voor mij, onwaardige. Ik word overstroomd door vreugde, alsof alle oceanen hun water in een notendop loosden.»

Vanaf dat moment ervaart Benedetta het lijden minder als een heldhaftig te dragen last, maar meer als het teken van een goddelijke voorkeursbehandeling. Jezus nodigt me uit zijn kruis met Hem te delen met de bedoeling zich met Hem te vereenzelvigen. Ze geeft zich over en vindt hiervoor de kracht in het Evangelie dat ze iedere dag leest, in H. Paulus en in de psalmen.

In zijn encycliek over de hoop, zegt Benedictus XVI hoe juist deze houding is: «Wil het gebed deze reinigende kracht ontplooien, dan moet het enerzijds heel persoonlijk zijn, een confrontatie van mijn 'ik' met God, de levende God. Anderzijds moet het steeds weer worden geleid en verlicht door de grote gebedswoorden van de Kerk en van de heiligen, door het liturgisch gebed, waarin de Heer ons steeds weer leert goed te bidden» (Encycliek Spe salvi, 30 november 2007, n.34).

«Zeg het tegen de Madonna!»

In mei 1962 vertrekt Benedetta naar Lourdes in een  trein met medische verzorging. In het ziekenhuis ligt in het bed naast het hare een meisje van 22 jaar, Maria, dat is verlamd zoals zij. In een situatie die naar materiële en menselijke maatstaven geoordeeld hopeloos is te noemen, is Maria naar Lourdes gekomen om aan de Onbevlekte Ontvangenis een wonder te vragen; ze bidt voortdurend, maar er gebeurt niets. Op de dag voor ze weer vertrekken bevinden de twee zieken zich zij aan zij voor de grot; Maria snikt. Benedetta neemt dan haar hand en houdt die dan zo stevig vast alsof ze in haar plaats moest bidden: «Maria, de Madonna is daar, ze kijkt naar je! Zeg het tegen de Madonna!» En plotseling staat Maria van haar brancard op. Langzaam maakt ze een paar stappen, nog enigszins ongelovig. En dan, loopt ze, dol van vreugde verder tussen de rolstoelen, huilend van ontroering en dankbaarheid. Benedetta is gelukkig om dit wonder, maar is ook even melancholiek gestemd wanneer ze bedenkt dat een ander dan zij er de begunstigde van is. Daarna neemt ze er vrede mee en geeft zich over in de handen van Maria. Een jaar later zal ze naar Lourdes terugkeren en van daaruit schrijven: «Ik voel hoe zoet de berusting is. Dat is voor mij dit jaar het wonder van Lourdes... De Madonna heeft alles teruggegeven wat ik was verloren. Alles wat me was afgenomen heeft ze me vergoed, want ik bezit nu de rijkdom van de Heilige Geest.» Op 20 augustus 1963 treft een verpleegster de zieke aan terwijl ze in extase is. Benedetta zal haar toevertrouwen dat ze de Heilige Maagd heeft gezien: «Wat is ze mooi, de Madonna!»

Intussen heeft ze de ene na de andere operatie aan het hoofd ondergaan. Voor de laatste operatie (27 februari 1963) vertrouwt Benedetta haar angst toe aan Maria Grazia die haar dan herinnert aan de passage uit het «Dagboek van een plattelandspastoor», een roman van Georges Bernanos: «Als ik bang ben zal ik onbeschaamd zeggen: «ik ben bang», en de Heer zal me kracht geven.» Benedetta herhaalt zachtjes en langdurig deze zin; en gaandeweg keert de rust in haar weer. Ze bedankt haar vriendin uitbundig. Daags na de operatie kondigt ze aan dat ze nu blind is, maar ze vraagt of men het niet tegen de chirurg wil zeggen, om deze niet te bedroeven. Ze heeft dit kruis van blindheid, dat haar in 1955 nog zo veel angst aanjoeg, aanvaard, en haar ziel is in vrede: «We moeten gewoon met gesloten ogen op God vertrouwen. Ik ben bezig te ervaren wat eenvoud is, dat wil zeggen de ziel die zich van al het overbodige ontdoet«.wat is dat mooi! Je wordt er zo licht en vrij van!»

Benedictus XVI laat zijn licht schijnen op deze grote beproevingen die ons menselijk gezien als ondraaglijk voorkomen, op het geheim dat Benedetta heeft ontdekt: «Het is belangrijk om te weten: ik mag altijd nog hopen, ook als ik voor mijn leven... ogenschijnlijk niets meer te verwachten heb. Ondanks alle mislukkingen, mijn eigen leven en de geschiedenis in het algemeen , geborgen in een onverwoestbare macht van de liefde en door die liefde zin en betekenis hebben, kan alleen de grote zekerheid van de hoop dan toch de moed geven om te werken en te volharden» (Spe salvi, n.35).

Voortaan, en dat bijna een jaar lang, is Benedetta als een slot, ontoegankelijk, zonder poorten noch vensters. Er blijven echter twee kleine «schietgaten» over die de opening zijn naar de buitenwereld: een heel ijl stemmetje om zich hoorbaar te maken en haar linkerhand waarin het gevoel «wonderbaarlijk» behouden is gebleven; met de vingers van deze valide hand vormen haar naasten op haar gezicht de letters van het geluidloze alfabet dat ze niet ziet, maar wel kan voelen (de «b» wordt bij voorbeeld gevormd door de wijsvinger en de middelvinger naast elkaar op haar wang te drukken)... Op die manier kan ze toch communiceren! In haar slaapkamer stromen de bezoekers toe die haar komen bemoedigen, maar ook haar hulp komen vragen. Benedetta bezit de gave vreugde om zich heen te verspreiden; ze geeft raad en wijst allen de «nauwe weg» die naar God voert. Tegen haar beste vriendin die het niet kan verdragen haar zo lichamelijk te zien lijden zegt ze: «We moeten het mysterie aanvaarden, Maria Grazia; door ons af te vragen «waarom?» worden we juist bang... De Heer geeft ons zoveel lijden als we kunnen dragen; niet meer en niet minder.» En haar vriendin zal ervan getuigen: «Ik heb toen gemerkt dat er onverhoeds iets in haar was veranderd sinds ze blind was geworden. Een diepe vrede scheen bezit van haar te hebben genomen, alsof ze zich helemaal bevrijd scheen te voelen van de angst en de vrees.» Don Gabriele, een priester die haar vaak de heilige Communie komt brengen krijgt de volgende confidentie te horen: «Als de bekoringen een ogenblik de kop op steken roep ik Hem aan en, zelfs nog bleek van schrik, voel ik onmiddellijk de aanwezigheid van de Heer die mij vertroost.»

Benedetta stelt in iedereen belang, vooral in de mensen die ver van God zijn. In mei 1963 leest haar moeder haar via de «taal van de handen» de brief van een jongeman voor die in een weekblad is gepubliceerd. Natalino heeft een ernstige ziekte; ontredderd en zonder hoop roept hij om hulp. Zij schrijft hem: «Ik ben doof en blind, daarom zijn de dingen ingewikkeld geworden voor mij... Op mijn lijdensweg ben ik echter niet wanhopig geworden; ik weet dat Jezus aan het eind van de weg op mij wacht. Allereerst in mijn stoel en nu in mijn bed dat voortaan mijn verblijf is heb ik een grotere wijsheid gevonden dan die je bij de mensen aantreft; ik heb ontdekt dat God bestaat, dat Hij liefde is, trouw, vreugde, zekerheid, tot aan het einde der tijden... Mijn dagen zijn niet gemakkelijk; ze zijn zwaar, maar ook zoet omdat Jezus bij me is, met mijn lijden, en omdat Hij mij zijn liefde geeft in de eenzaamheid en licht in de duisternis... Hij lacht me toe en aanvaardt dat ik met Hem samenwerk. Vaarwel, Natalino: het leven is kort, het gaat snel voorbij; een heel korte loopbrug, gevaarlijk voor degene die gulzig wil genieten, maar veilig voor degene die met Hem samenwerkt om het Vaderland binnen te gaan.»

Op 21 januari 1964 voelt Benedetta dat het moment nabij is waarop ze Jezus, haar Echtgenoot, uiteindelijk zal ontmoeten. Ze biecht en ontvangt de communie. In de nacht van 22 januari vraagt ze de verpleegster bij haar te blijven want ze wordt door Satan bekoord: «Emilia, morgen zal ik sterven. Ik voel me erg ziek.» 's Ochtends merkt haar moeder een witte roos op die in de tuin is ontloken... een bloeiende roos, in januari! Ze vertelt Benedetta wat ze heeft ontdekt en die antwoordt: «Dat is het teken waar ik op wachtte!» Ze herinnert haar dan aan een droom die ze het voorgaande Allerheiligenfeest heeft gehad: ze liep de familiegrafkelder binnen en zag dat die versierd was met een witte roos in stralend licht. Even later krijgt ze een hersenbloeding en overlijdt op zeventwintigjarige leeftijd terwijl ze fluistert: «Dank.»

«Ik zal niet meer alleen zijn met de vrees»

De uitstraling van Benedetta Bianchi Porro is na haar  dood alleen maar groter geworden. Talloze mensen die met lijden worden geconfronteerd putten kracht en moed uit het lezen van haar levensverhaal en haar brieven. Zoals Maria Grazia kunnen zij haar zeggen: «Ik zal niet meer alleen zijn met de vrees omdat jij me hebt geleerd wat bidden waard is.» Op 23 december 1993 heeft Paus Johannes Paulus II het decreet goedgekeurd dat de heldhaftigheid van haar deugden officieel bevestigt; nu is het wachten op de erkenning van een op haar voorspraak verkregen wonder en de eerbiedwaardige Benedetta kan «Zalig» verklaard worden.

In zijn apostolische exhortatie Salvifici doloris (11 februari 1984), heeft de zalige Johannes Paulus II deze regels geschreven die precies van toepassing zijn op de geestelijke weg die door Benedetta is afgelegd: «Toch kan men er zeker van zijn dat bijna iedere mens het lijden binnengaat met een verweer dat heel menselijk is en met de vraag «Waarom?» Iedereen vraagt zich af wat de zin is van het lijden en zoekt op menselijk vlak een antwoord op deze vraag... Christus antwoordt noch rechtstreeks noch abstract op deze menselijke vraagstelling over de zin van het lijden. De mens verneemt zijn verlossend antwoord geleidelijk aan terwijl hij deelneemt aan het lijden van Christus... Dit antwoord is meer dan een oproep. Het is een roeping. Christus verklaart de redenen van het lijden niet op een abstracte manier, maar Hij zegt bovenal: «Volg Mij! Kom! Neem door uw lijden deel aan het werk van de verlossing der wereld, dat wordt voltrokken door mijn eigen lijden, door mijn Kruis!» Naarmate de mens zijn kruis opneemt en zich geestelijk verenigt met het Kruis van Christus, zal de verlossende zin van het lijden hem steeds duidelijker worden... Dan vindt de mens in zijn lijden innerlijke vrede en zelfs geestelijke vreugde» ( n.26).

Op 24 mei 1963 vertrouwde Benedetta iemand toe: «Ik zou tegen hen die lijden, tegen de zieken willen zeggen dat wanneer we nederig en gewillig zijn, de Heer in ons grote dingen zal voltrekken.» Laten we in navolging van haar aan Jezus vragen van ieder van ons «een gewillig lam in zijn handen» te maken.

Dom Antoine Marie osb

Om het Blad van de Abdij Saint-Joseph de Clairval te publiceren in een tijdschrift, blad... of on het internetsite of een website te plaatsen, is een toelating vereist. Deze dient te worden aangevraagd per E-Mail or bij http://www.clairval.com.

Index der Briefe  - Home Page

Webmaster © 1996-2017 Traditions Monastiques