Blason  Abdij Saint-Joseph de Clairval

F-21150 Flavigny-sur-Ozerain

Frankrijk


[Cette lettre en français]
[This letter in English]
[Dieser Brief auf deutsch]
[Esta carta en español]
[Aquesta carta en català]
[Questa lettera in italiano]
31 augustus 2011
feest van MARIA, Moeder en Middelares van genade


Dierbare Vriend van de Abdij Saint-Joseph de Clairval,

«Hoewel we niet alles kunnen verontschuldigen, kunnen we op zijn  minst de bedoeling verontschuldigen». Deze woorden getuigen van  een evangelische welwillendheid die door haar aard de menselijke betrekkingen vergemakkelijkt en de vrede in de maatschappij bevordert. Zij werden geschreven door Moeder Mary MacKillop toen ze veel had te lijden van bepaalde prelaten in de Kerk. Door Johannes Paulus II is ze op 19 januari 1995 zalig verklaard. Paus Benedictus XVI heeft haar op 17 oktober 2010 heilig verklaard.

Mary MacKillop kwam als dochter van Schotse emigranten op 15 januari 1842 ter wereld in Fitzroy, dichtbij Melbourne, in Australië. Sedert enkele decennia is dit werelddeel en eiland, een tweede vaderland geworden voor een groeiend aantal immigranten uit Groot-Brittannië en Ierland. Ten tijde van Mary MacKillop's geboorte is Mgr. Bede Polding, een benedictijner monnik uit Downside in Engeland, benoemd tot hoofdadministrator van het nieuw apostolisch vicariaat dat geheel Australië, Tasmanië en Nieuw-Zeeland omvat. Dit uitgebreid vicariaat telt dan 28 priesters die ten dienste staan van 40.000 katholieken in een gebied dat bijna even groot is als Europa!

Een blik om nooit te vergeten

Mary groeit op in een moeilijke context waar een niet  praktisch ingestelde vader, een moeder met soms overdreven hoge eisen en het toenemend aantal broertjes en zusjes haar verplichten zware lasten te dragen. Heel jong al berijdt ze opgewekt de wildste paarden en voert met genoegen de kudden runderen aan zonder dat het haar belet een meisje als alle andere te zijn en graag te dansen. In 1860 wordt ze naar haar oom gestuurd en wordt kindermeisje van haar neefjes die zullen getuigen van haar weldadige invloed: «Mary kon je niet onder de ogen komen met slecht geleverd werk; de blik die ze dan op je wierp kon je niet vergeten».

In die periode maakt ze kennis met eerwaarde Julien Tenison Woods die in Australië een congregatie probeert op te richten van religieuzes voor het onderwijs met de bedoeling een geschikte opvoeding te kunnen bieden aan katholieke jongeren en vooral aan de armste onder hen. Mary voelt dat God haar roept om haar leven aan Hem te wijden en de ontmoeting met eerwaarde Woods is doorslaggevend. In 1866 opent ze, samen met twee van haar zusters, een school in Penola (Zuid Australië) onder de leiding van eerwaarde Julien. Hetzelfde jaar wordt deze naar Adelaïde geroepen om de nieuwe bisschop te gaan assisteren: een ingreep van de Voorzienigheid die het mogelijk maakt dat het nieuw instituut zich in de hoofdstad van zuidelijk Australië vestigt. Op 15 augustus leggen Mary – die als religieuze de naam Zuster Mary van het Kruis heeft aangenomen – en haar gezellinnen de geloften af. Zo is de eerste Austra-lische religieuze congregatie geboren: het Instituut van de Zusters van H. Jozef, bekend onder de naam van «Jozefieten». Met het voordeel van H. Jozef als beschermheer zetten de zusters zich met grote ijver in voor het onderwijs aan de jeugd met bijzondere aandacht voor de armoede en met een zeer groot vertrouwen op de goddelijke Voorzienigheid. In een brief aan haar moeder loopt zuster Mary over van vreugde nu ze God geheel is toegewijd: «Wat moet het voor u een groot geluk zijn te bedenken dat een paar van uw kinderen zich ervoor inspannen God te dienen in het religieus leven waarbij hun enig groot verlangen is zielen naar Hem te voeren... Hoeveel gaan niet verloren door onverschilligheid en onbewogenheid van hen die meer aan hun eeuwig heil zouden kunnen en moeten denken en veel minder aan deze armzalige wereld !... Denk, lieve Moeder, aan het werk dat ons wacht en met hoe weinig mensen dit werk moet worden verricht, en dank God dat Hij een van uw kinderen – het minst waardige – heeft toegestaan één van zijn werkkrachten te zijn».

Het is een stoutmoedige onderneming. Eerwaarde Julien schrijft in zijn dagboek: «God wil dat zijn werk slaagt alleen door zijn hulp en niet gedeeltelijk op basis van succes van mensen... Tot mijn beschikking had ik iets wat de regering met al haar middelen nooit zou kunnen kopen, te weten: ijver en belangeloosheid ter meerdere glorie van God van Wie zij, die zich aan het Instituut H. Jozef gaven, zo zichtbaar waren bezield.» God zendt inderdaad talloze roepingen. Weldra worden deze nieuwe religieuzes van alle kanten gevraagd scholen te bemannen. In 1869 telt het instituut al 70 leden, het merendeel onderwijzeressen, op een twintigtal scholen in Adelaïde en op andere plekken van dit uitgebreid diocees. De zusters wijden zich bovendien meer en meer aan andere activiteiten: zorg voor de bejaarden, invaliden, wezen, zwervers, in gevaar verkerende meisjes.

Een fundamenteel recht

Eerwaarde Julien en Zuster Mary van het Kruis zijn  ervan overtuigd dat het specifiek karakter van het katholiek onderwijs op geen enkele wijze in gevaar mag worden gebracht door ongepaste bemoeienis van de Staat. Ze zijn liever arm, maar trouw aan de beginselen van het geloof dan dat ze de beschikking zouden krijgen over financiële middelen ten koste van hun vrijheid van onderwijs die van zulk wezenlijk belang is wanneer men wil zorgen voor een waarlijk christelijke opleiding. Ze zijn er zich overigens van bewust dat waar ouders van God de taak ontvangen in het onderwijs van hun kinderen te voorzien, zij ook de vrijheid en de mogelijkheid moeten hebben zich daarbij te laten helpen door bekwame mensen die ze zelf kunnen uitkiezen.

«Omdat de ouders de eerste verantwoordelijken zijn voor de opvoeding van hun kinderen hebben ze ook het recht, voor hen een school te kiezen die beantwoordt aan hun eigen overtuiging. Dit is een fundamenteel recht. De ouders hebben als plicht – voor zover mogelijk – die scholen te kiezen die hen optimaal bijstaan in hun taak als christelijke opvoeders. De overheid heeft de plicht dit recht van de ouders te waarborgen en de nodige voorwaarden voor de uitoefening ervan te verzekeren» (Catechismus van de Katholieke Kerk, CKK, 2229). Scholen spelen inderdaad een beslissende rol in de menselijke vorming, met name in die van het zedelijk bewustzijn: «De opvoeding van het geweten is een opdracht voor heel het leven. Vanaf de prille jeugd wordt het kind gevoelig gemaakt voor de kennis en de praktijk van de innerlijke wet die wordt erkend door het moreel geweten. Een wijze opvoeding leert de deugd aan; ze voorkomt of geneest de vrees, het egoïsme en de hoogmoed, de valse schuldgevoelens en de zelfvoldaanheid, die voortspruiten uit menselijke zwakheden en fouten. De opvoeding van het geweten verzekert de vrijheid en verwekt de vrede van het hart. In de vorming van het geweten is het Woord Gods het licht op onze weg. Wij moeten het ons eigen maken in geloof en gebed en het in praktijk brengen. Wij moeten ook ons geweten onderzoeken met de blik op het kruis van de Heer. Wij worden gesteund door de gaven van de heilige Geest, geholpen door het getuigenis of de raadgevingen van anderen en geleid door het gezagvolle onderricht van de Kerk» (ibid., 1784-1785).

Voor Zuster Mary en haar gezellinnen moet de opvoedster haar taak volbrengen in een geest van groot vertrouwen op God, naar het voorbeeld van de Voedstervader van de Heilige Familie: «De Heilige Jozefscholen zijn bescheiden van aanzien, maar strikt en zuiver katholiek – uitsluitend voor de armen. De zusters die zijn belast met deze scholen zijn even bescheiden als arm aan wereldse kennis. Ze wijden zich helemaal aan het onderwijs enkel en alleen rekenend op God door middel van hun glorierijke patroon H. Jozef voor de noodzakelijke middelen om dit te doen. Bewust van onze zwakheid, durven we slechts te ondernemen wat we doen dankzij de hoop die we op Hem hebben gericht en omdat we weten dat Hij er behagen in schept zijn heerlijkheid juist te openbaren via de zwakte en de onbeduidendheid van zijn werktuigen.»

Tijdens de zaligverklaringplechtigheid van Mary MacKillop in Sydney op 19 januari 1995, sprak Paus Johannes Paulus II over de betekenis van H. Jozef als beschermheilige van de nieuwe congregatie: «H. Jozef heeft zich zijn hele leven toevertrouwd aan de liefhebbende Voorzienigheid van God. Jozef van Nazareth was een man van onbeperkt vertrouwen. Alleen op deze manier heeft hij aan de unieke roeping die hij van God had ontvangen, Echtgenoot van de Maagd Maria en Beschermer van Gods eigen Zoon te worden, gevolg kunnen geven».

«Hij nodigt ons uit in Hem uit te rusten»

In mei 1867 schrijft eerwaarde Julien de constituties  van het Instituut die het jaar daarop worden goedgekeurd door de bisschop van Adelaïde. In december 1869 beginnen de zusters een huis in Brisbane, in Queensland. Maar weldra doen zich moeilijkheden voor. Moeder Mary schrijft aan eerwaarde Julien : «Wij voelen ons alleen; weinig mensen denken aan ons, er is geen beminnelijk en vertrouwd hart dat ons komt helpen; ach nee, eerwaarde, ik vergis me! Wij hebben er Een. U weet dat wij het Heilig Hart hebben, het Hart dat verheven is boven alle harten; in plaats van ons alleen te laten wanneer we in de bekoring van de eenzaamheid geraken, komt Hij, en nodigt, o, hoe beminnelijk, onze vermoeide geesten uit in Hem uit te rusten... Oh! Als we de liefde van het Heilig Hart en de altijd welwillende en liefdevolle zorg van onze Onbevlekte Moeder niet hadden, zouden we heel zwak en alleen zijn; maar dichtbij hen zijn wij sterk en onbevreesd – welk onheil er ook moge dreigen...»

Er hangt nog veel ernstiger onheil in de lucht. Tijdens de afwezigheid van Mary stapelen de moeilijkheden zich op: een groep priesters van het diocees die fel gekant is tegen het nieuw instituut wenst dat dit wordt ontbonden. In dit vijandig klimaat merkt Mgr. Sheil, bisschop van Adelaïde, hoe moe hij is na een lange reis naar Europa waar hij heeft deelgenomen aan het Eerste Vaticaans Concilie. De beschuldigingen aan het adres van de zusters laten hem aanvankelijk koud; hij heeft de congregatie immers opgericht. Hij raakt echter beetje bij beetje gewonnen voor de zaak van de ontevredenen die voornamelijk de volgende grieven hebben: de weigering van de zusters de overheidsbeurs te aanvaarden en de zogenaamde onbekwaamheid van sommigen onder hen voor het onderwijs. Mgr. Sheil laat zich overtuigen van de noodzaak dat hij de nieuwe constituties moet veranderen en overschrijdt zijn bevoegdheden wanneer hij uiteindelijk wenst zijn eigen wil op te leggen. Welnu, de zusters kunnen dit niet accepteren. Volgens het kerkelijk recht kunnen de constituties van een religieuze congregatie, wanneer deze eenmaal zijn goedgekeurd door de bevoegde instantie, niet gewijzigd worden zonder instemming van het generaal kapittel van het instituut. De weigering van Moeder Mary komt haar te staan op een extreme maatregel van Mgr. Sheil: op 22 september 1871 spreekt hij in aanwezigheid van de communauteit de excommunicatie van de stichteres uit. De zusters willen unaniem liever ontheven worden van hun geloften dan de constituties aanvaarden die hij hun wil opleggen en die zij nooit beloofd hebben na te leven. In een paar dagen zijn ze uit elkaar gedreven, beroofd van hun kloosterkleed en gedwongen afhankelijk gemaakt van de liefdadigheid van de gelovigen: de Congregatie bestaat niet meer.

Dichter bij God dan ooit

Moeder Mary beschrijft als volgt haar gevoelens op  het moment dat de bisschop, omgeven door meerdere priesters, over haar zijn vonnis velt: «Ik ervoer zoveel liefde... een soort van ontzag voor het vonnis zelf dat met zoveel kracht tegen mij werd uitgesproken. Ik weet niet hoe ik het gevoel moet beschrijven, maar ik was intens gelukkig en voelde me dichter bij God dan ooit te voren. Deze gewaarwording van de stille, vredige aanwezigheid van God zal ik nooit vergeten». Moeder Mary wordt met liefde opgenomen in bevriende families en moreel gesteund door een communauteit van paters Jezuïeten, maar ziet zich gedwongen, om schandaal te vermijden, geen contact te zoeken met haar Zusters en ook weer seculiere kleding te dragen, hetgeen haar zeer zwaar valt. Vanuit de afgelegen plek waar ze zich heeft teruggetrokken schrijft ze: «Ik heb nog nooit zo'n onwrikbaar vredig gevoel in het hart gevoeld als sinds kort. De majesteitelijke wegen van God komen me voor als zoiets moois... Ik had de indruk dat er iets in mijn oor werd gefluisterd: «Over een paar jaar zal dit schandaal dat u zo zeer op de proef heeft gesteld volledig uit het geheugen van de mensen zijn gewist en de Kerk zal een stevigere positie dan ooit innemen, niet alleen in Adelaïde, maar ook in alle koloniën».»

In de daarop volgende maand februari wordt Mgr. Sheil ernstig ziek. Niet lang voor zijn dood beseft hij dat hij door zijn raadgevers slecht is voorgelicht, krijgt spijt van het onrecht dat hij de zusters heeft aangedaan en heft de veroordeling op die hij had uitgesproken tegen Moeder Mary. Voor het feest van H. Jozef, 19 maart 1872, mogen de zusters tot hun vreugde opnieuw het kloosterkleed dragen. Toch ontbreekt het niet aan vooral materiële moeilijkheden. Op bepaalde dagen hebben de zusters niet genoeg te eten. Een zuster schreef daarover: «Maar wat maakte dat uit? Wij hadden Moeder Mary, wij hadden ons kleed en wij waren zo gelukkig als de dag lang is». Voor Moeder Mary is de afloop van de situatie een soort overwinning. Er heerst echter alles behalve een triomfstemming want ze maakt zich geen illusies over de toekomst: «Mijn weg, zo schrijft ze aan haar moeder, zal hoe dan ook een kruisweg zijn. Ik zoek ook niets anders en bemin en zegen Zijn liefdevolle wilsbeschikking waaraan ik dit te danken heb. Er komt vast en zeker nog een nieuwe portie».

« Jezus roept zijn leerlingen op hun kruis op te nemen en Hem te volgen (Mt 16, 24), want Hij heeft voor ons geleden. Hij heeft voor ons de weg gebaand om in zijn voetstappen te treden (1 P 2, 21). Hij wil immers zelfs hen die er het eerst profijt van hebben, deelgenoot maken van zijn verlossend offer... Buiten het kruis is er geen andere ladder om naar de hemel op te stijgen (H. Rosa van Lima)» (CKK, 618).

Op 28 maart 1873 scheept Moeder Mary in naar Rome om daar voor haar congregatie de goedkeuring van de H. Stoel te gaan vragen. In het volgende relaas doet ze verslag van haar ontmoeting met Paus Pius IX: «Zondag, hoogfeest van Pinksteren, ik heb de vreugde gesmaakt de H. Vader te ontmoeten en van hem een hartelijke zegen te mogen ontvangen, voor mij en mijn beminde medezusters... Hetgeen hij heeft gezegd en de manier waarop hij het zei is voor mij een bewijs dat de Paus een vaderhart heeft en toen hij zijn welbeminde hand op mijn hoofd legde ging er meer door me heen dan ik zou kunnen zeggen». Ze verlaat Europa pas als ze meerdere andere landen heeft bezocht en zich heeft laten voorlichten over de beste onderwijsmethoden. Eenmaal terug in Australië eind 1874, wordt ze met grote blijdschap verwelkomd door haar Dochters. Het generaal kapittel van de congregatie wordt op 19 maart bijeengeroepen om mededeling te doen van de Romeinse beslissingen: de congregatie is erkend door de H. Stoel middels enige wijzigingen in de manier van leven van de religieuzes.

Een bewonderenswaardige naastenliefde

Zoals ze had voorzien, ontbreekt het niet aan de  nodige zorgen, ondanks de steun van Rome. De nieuwe bisschop van Adelaïde, Mgr. Reynolds, voorheen zo'n grote steun van de Zusters van H. Jozef, laat zich aanpraten dat Moeder Mary haar ambt niet waardig kan vervullen. Samen met andere Australische bisschoppen heeft hij het nooit geaccepteerd dat het Instituut van de Zusters van H. Jozef erkend is als congregatie naar pauselijk recht met een centraal bestuur dat niet is onderworpen aan de rechtspraak van de diocesane bisschoppen. Mgr. Reynolds verjaagt uiteindelijk de stichteres uit het diocees Adelaïde en eigent zich de rechten toe van canoniek overste. Moeder Mary gaat naar Sydney en wordt er vriendelijk ontvangen door de nieuwe aartsbisschop, Kardinaal Moran, die een grote vriend wordt en beschermer van het instituut. De kardinaal wordt weldra benoemd door de H. Stoel om de beschuldigingen die door Mgr. Reynolds tegen de stichteres zijn ingebracht te bestuderen. In een brief aan haar Zusters, geeft Moeder Mary blijk van een bewonderenswaardige eerbied en naastenliefde jegens de bisschop die haar onrechtvaardig had behandeld: «Laten we geloven dat alles met goede bedoelingen is gebeurd en laten we nooit vergeten wat deze goede bisschop in het verleden voor ons heeft betekend ; aan al mijn ware Dochters hoef ik bepaald niet te vragen nooit iets te zeggen of te doen wat de bisschop, zijn priesters of zijn schare nadeel zou kunnen berokkenen. Nu moeten we, meer dan ooit, nederig, geduldig, liefdevol zijn en vergeven... Van alle leed is ook veel goeds gekomen en zo zal het ook verder gaan.»

Moeder Mary beziet hier de pijnlijke gebeurtenissen in haar leven met de ogen van het geloof en brengt aldus in herinnering wat H. Paulus ons leert: Alles draagt bij tot het heil van hen die God liefhebben (Rom 8, 28). «Het getuigenis van de heiligen houdt niet op deze waarheid te bevestigen: zo zegt de heilige Catharina van Siena tot «hen die aanstoot nemen aan en in opstand komen tegen hetgeen hun overkomt»: «Alles komt voort uit de liefde, alles is besloten tot het heil van de mens, God doet alles slechts met dit doel.»» (KKK,313).

De Voorzienigheid zal het geduld van de Zusters inderdaad belonen. Op 25 juli 1888 bevestigt de Heilige Congregatie tot Voortplanting des Geloofs het centraal bestuur van de Zusters van het Instituut H. Jozef en verplaatst het moederhuis ervan naar Sydney.

«Erkent H. Jozef ons als zijn kinderen?»

In de maand maart 1891 valt de 25e verjaardag van de  stichting van het instituut. Moeder Mary schrijft aan haar Zusters: «Dierbare Zusters, laten we ons in groot vertrouwen op de dag van zijn feest tot onze glorievolle Patroon keren; laten we hem vragen dat hij voor ons alles wat we nodig hebben om nederig en trouw te worden mag verkrijgen. Wanneer wij niet de geest van nederigheid bezitten zullen we de Zusters van H. Jozef slechts in naam zijn. H. Jozef, onze Vader, was nederig en leefde in verborgenheid. Wanneer hij in ons niet het verlangen zou zien hem hierin na te leven, hoe zou hij ons dan als zijn kinderen kunnen erkennen, hoe zou hij voor ons moeten bidden voor zijn aangenomen Zoon?... Draagt iedere, werkelijke of denkbeeldige ongerechtigheid op aan onze Goddelijke Echtgenoot, zijn aangenomen Zoon en bidt dat jullie dergelijke dingen niet altijd in gedachten houden. Hoe zouden we in vrede en naastenliefde kunnen leven als we voortdurend zouden blijven denken aan de smaad die ons is aangedaan?»

De volgende jaren brengt Moeder Mary door met bezoeken aan de verscheidene huizen van de Congregatie in Australië en in Nieuw- Zeeland. In januari 1899 wordt ze, na enkele jaren haar taak te hebben neergelegd, opnieuw gekozen tot Generaal Overste. Haar gezondheid gaat echter achteruit. In 1902 wordt ze het slachtoffer van een beroerte waarna ze niet meer in staat is te lopen en verlamd is geraakt aan haar rechter arm. Langzaam maar zeker kan ze haar ledematen weer opnieuw gebruiken en kan opnieuw lopen met behulp van een looprek. Haar krachten nemen echter af. Op 8 augustus 1909 komt ze te overlijden. Tegenwoordig zijn er ongeveer duizend Zusters van H. Jozef, verdeeld over Australië, Nieuw-Zeeland, Oost -Timor, Europa en Zuid-Amerika.

«Midden in het immens groot continent Australië, zo onderstreepte Paus Johannes Paulus II, heeft de gelukzalige Mary MacKillop zich noch door de grote woestenij en de wildernis, noch door de geestelijke verlatenheid waarin zo vele van haar landgenoten zich bevonden van haar stuk laten brengen. Onder de zwaarste omstandigheden heeft ze stoutmoedig het pad van de Heer geëffend« Tegenwoordig wordt de christengemeenschap eveneens geconfronteerd met talloze vormen van moderne «verlatenheid»: de onverschilligheid en de onverdraagzaamheid, het treurig racisme en de treurige minachting voor andere mensen, de vruchteloosheid van de zelfzucht en de trouweloosheid: de zonde in al haar vormen en uitingen, en de schandalige verheerlijking van de zonde door de huidige communicatiemiddelen. Dat de Kerk voortdurend herinnert aan Gods wet, die in het hart van de mens staat gegrift en is geopenbaard in het Oude en Nieuwe Testament, komt niet doordat zij om een willekeurige reden gehecht zou zijn aan een achterhaalde traditie en ouderwetse zienswijzen; dat is omdat de mens los van zijn Schepper en Verlosser zijn lotsbestemming niet kan verwezenlijken en geen vrede zal kennen».

Laten we heilige Mary MacKillop vragen ons via de nederigheid, de vergeving en een diepgaande liefde jegens alle naasten, te geleiden op de weg van de ware Vrede die Jezus Christus is !

Dom Antoine Marie osb

Om het Blad van de Abdij Saint-Joseph de Clairval te publiceren in een tijdschrift, blad... of on het internetsite of een website te plaatsen, is een toelating vereist. Deze dient te worden aangevraagd per E-Mail or bij http://www.clairval.com.

Index der Briefe  - Home Page

Webmaster © 1996-2017 Traditions Monastiques