Blason  Abdij Saint-Joseph de Clairval

F-21150 Flavigny-sur-Ozerain

Frankrijk


[Cette lettre en français]
[This letter in English]
[Dieser Brief auf deutsch]
[Esta carta en español]
[Aquesta carta en català]
[Questa lettera in italiano]
29 juli 2011
feest van H. Martha


Dierbare Vriend van de Abdij Saint-Joseph de Clairval,

«Als u van plan bent de loftrompet over mij te steken, zegt u dan  vooral: hij heeft zijn «boy» verwend, hij rookte sigaretten, hij  hield van een slok en hij zei: «Donder op!»». Deze uitspraken over Monseigneur Alain de Boismenu, «de bisschop van de Papoea's», doen onder de ruwe bolster van de oude missionaris een groot en nederig hart vermoeden dat heel natuurlijk blijk gaf van zijn heiligheid.

Alain-Marie Guynot de Boismenu werd op 27 december 1870 in Saint Malo geboren. Zijn moeder overleefde de geboorte van dit laatste en elfde kind niet. Alain werd dus opgevoed door zijn oudste zus, Augustine. Het kind blijkt een sterk karakter en een vurig temperament te hebben. Hij onderwerpt zich moeiteloos aan het gezag van een vader die hij op een voetstuk zet, maar als zijn zus streng is wil hij wel eens tegenstribbelen. Op een dag dat ze hem een standje geeft en hem toevoegt: «Je houdt dus niet van mij?», kijkt hij haar doordringend aan en antwoordt: «Ja, ik houd van je, maar of ik gehoorzaam, wil ik zelf bepalen». Zijn vader die op de hoogte is gebracht, zegt hem dezelfde avond : «Alain, ik wil graag dat je toezegt dat je je zus Augustine gehoorzaamt.» De jongen belooft het en houdt woord. Vijftig jaar later, wanneer hij bijna dertig jaar bisschop is, zal hij glimachend een van zijn nichtjes toevertrouwen: «Ik gehoorzaam maar twee personen op aarde: mijn zus Augustine en onze Heilige Vader de Paus.» Volgens het getuigenis van een klasgenoot was «Alain niet altijd even gemakkelijk, maar zijn uitspraken waren zo diepzinnig en alles wat hij deed, deed hij zo welgemoed dat men hem waarheen dan ook zou zijn gevolgd, want hij was een geboren leider en organisator». Op de middenschool sprak een van de priesters met hem over een nieuwe congregatie die missionarissen naar de andere kant van de wereld stuurde om het Evangelie te verkondigen. Het idealisme intrigeert hem en zo ontstaat zijn verlangen naar Nieuw-Guinea te vertrekken. Wanneer hij met dit doel voor ogen tot de Missionarissen van het Heilig Hart, in Issoudun, is toegetreden, legt hij in 1888 zijn geloften af en ontvangt de priesterwijding op 10 februari 1895.

«Word voor alles heilig!»

De missie in Nieuw-Guinea is dan in gevaar: hon- gersnood, koorts en sterfgevallen stemmen hem moedeloos. Apostolisch vicaris, Mgr. Navarre, komt in Frankrijk belangstelling wekken en versterking vragen. Pater Alain zou wel willen gaan, maar zijn superieuren aarzelen: hij ziet er niet sterk uit en robuustere naturen dan de zijne zijn niet opgewassen gebleken tegen het klimaat en de levensomstandigheden in de missie. De Congregatie heeft daarbij behoefte aan onderwijzend personeel in haar opleidingscentrum. Vier jaar lang kwijt hij zich van zijn leraarstaak. Een bisschop missionaris, Mgr. Verjus, die Pater Alain deelgenoot maakt van zijn verlangen, schrijft hem : «U blijft enthousiast voor onze dierbare missie? Des te beter! Moge die missie nog meer bezit van u nemen en het enige doel van uw leven worden!... Maar ik bezweer u eerst en vooral heilig te worden. Er is honderd maal meer deugdzaamheid, opofferingsgezindheid en geloofszin voor nodig dan in Europa... Beschouw de dag waarop alles u tegen zit als een buitenkans, oefen u in geduld en in het verdragen van de gebreken van uw broeders en zusters, dat is van wezenlijk belang.»

En dan ontvangt pater Alain op een dag in 1897 van zijn generaal overste het bericht dat hij wordt uitgezonden naar Nieuw-Guinea, het oostelijk deel van het groot eiland dat men Papoea-Nieuw-Guinea noemt. Deze missie is dertien jaar eerder in het leven geroepen. Op het moment dat pater de Boismenu aan die missie begint, 25 januari 1898, telt die reeds 1950 katholieken onder de hoede van 16 priesters en 17 broeders coadjutoren, verspreid over 20 missieposten. Er zijn ook een vijftiental religieuzes, zusters van Notre-Dame du Sacré-Coeur. De twee eerste weken ter plaatse worden besteed aan het bezoeken van het missiegebied in zijn geheel. Op 11 februari wordt pater Alain benoemd tot provicaris generaal.

Het zuidoostelijk deel van het eiland dat de missionarissen van het Franse Heilig Hart onder hun hoede hebben, is Brits eigendom. Het valt onder het gezag van een Engelse gouverneur die de katholieken niet wil toelaten tot de sectoren die aan de protestanten zijn voorbehouden. Pater Alain verdedigt met verve het recht op vrijheid van evangelisatie. Om conflicten te voorkomen neemt hij echter het initiatief de zaken ruim te zien en gaat naar nog niet geëxploreerde streken in de bergen om er de eerste missieposten op te zetten. Deze beslissing zal een paar jaar later worden bevestigd door de heilige Paus Pius X zelf, die tegen pater Alain, die dan bisschop is geworden, zal zeggen: «Strijd is niet op zijn plaats. Wij hebben onmetelijke gebieden die vrij zijn, het is beter daar heen te gaan dan met de protestanten de strijd aan te binden. Wij kunnen ons niet met hen verenigen, maar zij zijn in zekere zin onze «adjutores» (helpers)« Zij hebben de waarheid gedeeltelijk in pacht».

Zoals het IIe Vaticaans Concilie zal leren, zijn «de afgescheiden kerken en gemeenschappen, ook al hebben zij vanuit onze geloofsovertuiging tekorten, van gewichtige betekenis in het heilsmysterie .» ( Unitatis redintegratio, 3).

Aan het einde van het volgend jaar ontvangt hij zijn benoeming in het episcopaat als coadjutor van Mgr. Navarre. De bisschopswijding valt hem ten deel op 18 maart 1900 in de basiliek van Montmartre in Parijs. Hij is nog geen dertig. Mgr. Alain — zo wordt hij liefkozend het vaakst genoemd — legt een buitengewoon grote activiteit aan de dag. Hij ontsnapt niet aan de tropenkoortsen, maar zijn gezondheid blijkt er tegenop gewassen. Ieder jaar doorkuist hij meerdere malen het missiegebied, bezoekt ver van elkaar gelegen posten, opent nieuwe districten. Volgens het getuigenis van een van zijn missionarissen «verplaatst hij zich met verbazingwekkende snelheid. Te voet, te paard of in een gevaarlijke schuit, hij is er altijd om het juiste vastberaden woord te spreken, de dingen vaart te geven en de nodige beslissingen te nemen.»

Wanneer hij weer terug is uit Papoea-Nieuw-Guinea, na zijn ad limina bezoek aan Rome in 1911, hervat Mgr. de Boismenu, die inmiddels apostolisch vicaris is geworden, met krachtige hand het beschavings- en evangelisatiewerk: weeshuizen, parochiescholen voor lager en beroepsonderwijs, scholen voor catechisten vooral, om een elite te vormen die op haar beurt christenen zal vormen en roepingen voortbrengen. De bisschop is ervan overtuigd dat de toekomst van de missie in de opleiding van een autochtone geestelijkheid is gelegen: het gaat erom «niet alleen christenen, maar een christelijke wereld te krijgen», beweert hij.

De antwoorden van God

Mgr. Alain steunt op de Heer die aanwezig is in het  Heilig Sacrament: «Ik richt naast mijn woonhuis in Yule Island een bisschoppelijk bidvertrek in. Ik moet het Heilig Sacrament heel dicht in de buurt hebben zodat ik ieder uur bij Onze-Lieve-Heer kan zijn, Hem rekenschap kan afleggen van mijn missie, Hem mijn zorgen en mijn moeilijkheden voorleggen, in eenzaamheid van hart tot hart met Hem spreken. Er zijn ogenblikken dat geen enkele mens me raad kan geven, en dingen die ik niemand kan toevertrouwen. En het is zo heerlijk, zo rustgevend, in stilte te bidden, helemaal alleen, in afwachting van de goede ideeën, de goede oplossingen die Gods antwoorden zijn.»

Gedurende de eerste wereldoorlog maakte de missie een zorgelijke tijd door. Hoewel de missionarissen zijn vrijgesteld van dienstplicht, kan men echter niet meer rekenen op nieuwe mankracht. Bovendien ontstaat er een deerlijk gebrek aan financiële steun. Volgens een planning van bezoeken aan afgelegen halteplaatsen en missieposten echter, worden alle sectoren van de missie bediend. Ter ondersteuning van zijn priesters in deze moeilijke situatie, publiceert Mgr. Alain een herderlijk schrijven waarin staat te lezen: «Wanneer jullie aan je inzet haar volle gewicht willen geven en het succes ervan willen verzekeren, maak dan ruimschoots plaats voor het bovennatuurlijk element. Het is een essentieel element, de voornaamste factor van het resultaat. Niets kan ervoor in de plaats komen, geen toewijding, noch bedrevenheid, noch noeste arbeid. Zonder dit element hebben we slechts te maken met drukte om niets, verspilling van krachten en verloren tijd. Mét dit element zien we daarentegen hoe de geringste inspanning nog vruchten afwerpt, de geringste kracht wordt vertienvoudigd en uiteindelijk met goddelijk gegarandeerd succes wordt bekroond.»

In 1918 besloten een paar Papoea meisjes dat ze religieuzes wilden worden. Mgr. de Boismenu verenigt ze in een gemeenschap en geeft ze de naam «Dienaressen van Onze Heer», maar al gauw worden ze «Dienstmaagden» genoemd. De uit Frankrijk gekomen Moeder Marie-Thérèse Noblet neemt de leiding over de jonge stichting op zich en leidt de inlandse religieuzes op zodat ze zich ten dienste kunnen stellen van het apostolaat en ze, vanaf 1925, door Mgr. de Boismenu kunnen worden uitgezonden naar de verschillende standplaatsen van de missie. Moeder Marie-Thérèse deelt het ideaal van haar bisschop. Ze heeft dezelfde hartstocht: de liefde voor God en het heil van de zielen.

Het onzichtbaar grondpatroon van de geschiedenis

In deze contreien, die tot dan onder de heerschappij vielen van de vorst van de duisternis, wordt een intensieve strijd geleverd om de bijgelovige praktijken uit te roeien. In een herderlijk schrijven van 29 september 1922 schrijft Mgr. De Boismenu aan zijn priesters: «Er bestaan twee koninkrijken die de wereld in tweeën hebben gedeeld en elkaar de zielen betwisten; twee legers die eeuwig en gewelddadig met elkaar strijd voeren: het leger van Jezus Christus, de Kerk, die met vuur de zielen probeert te redden; het leger van Satan, die ze verwoed ten val probeert te brengen. Een oorlog zonder wapenstilstand en zonder mededogen. Velen zijn er niet eens van op de hoogte, velen zien haar slechts als een fictie. Zij is evenwel heel reëel. Het is het onzichtbaar grondpatroon van de wereldgeschiedenis, tot aan het einde der tijden». Nadat hij er ons eerst aan heeft herinnerd dat Lucifer is vervuld van haat jegens God en de zielen, onthult de bisschop vervolgens de tactiek van de duivel: «De mensen het bovennatuurlijke afnemen en ze terugvoeren naar het natuurlijke, waar de superieure natuur haar rechten en haar heerschappij weer opeist... Hoe zeer is Satan daar, onder de beschaafde volken, in geslaagd ! Hoe zeer heeft hij het bovennatuurlijke weten terug te dringen ! Hij heeft de mensen massaal teruggevoerd naar het natuurlijke. Daar houdt hij ze stevig in gevangen...»

Deze verleiding, ons blikveld in te perken tot de aardse dingen , is ook een onderwerp waar Paus Benedic–tus XVI over spreekt: «De meeste mensen beschouwen de zaken van God niet als een prioriteit, ze zijn voor ons niet direct van belang. En ook wij zijn in grote meerderheid geneigd ze als van latere zorg te beschouwen. Wij doen op de eerste plaats wat we hier en nu urgent vinden. Op de lijst van prioriteiten staat God vaak bijna op de laatste plaats. Er is altijd nog tijd, denkt men, om zich daar om te bekommeren.» In tegenstelling tot deze scheefgroei houdt de Heilige Vader ons het voorbeeld van de herders in het Kerstevangelie voor ogen: «Hierin wordt verteld hoe de herders, na de boodschap van de Engel te hebben gehoord, tegen elkaar zeiden : «Komt, laten we naar Bethlehem gaan...» Ze gingen er onverwijld heen (Lc 2, 15-16). Ze haastten zich er heen, zegt de Griekse tekst letterlijk. Hetgeen hun was verkondigd was zo belangrijk dat ze wel onmiddellijk op weg moesten gaan. Wat ze daar te horen hadden gekregen druiste inderdaad in tegen alles wat ze gewoon waren. Dit veranderde de wereld. De Verlosser was geboren. De lang verwachte zoon van David was in hun stad ter wereld gekomen. Bestond er iets belangrijkers?... Het Evangelie leert ons: God heeft de grootste prioriteit. Als er iets in ons leven urgent is, dan alleen hebben we met een zaak van God te maken... God is belangrijk, hij is in absolute zin de belangrijkste werkelijkheid van ons leven. Wat we van de herders kunnen leren is nu juist deze prioriteit. Laten we van hen leren ons niet te laten beheersen door alle dringende zaken van het dagelijks leven – hoe belangrijk ze ook mogen zijn – om dichter bij God te komen, om Hem een plaats te geven in ons leven en onze tijd. De tijd die we aan God wijden en, van Hem uit, aan onze naaste, is nooit verloren tijd. Het is tijd waarin we werkelijk leven, waarin we leven als menselijke personen» (24 december 2009).

Als tegenwicht tegen de invloed van de duivel beveelt Mgr. Alain het gebed tot de Heilige Engelen aan: Hoewel naar hun natuur gelijkwaardig aan de demonen, hebben de heilige engelen op hen voor dat ze in staat van genade verkeren. Ze doorzien de listen en het gekonkel van de tegenstander. Geen enkel gevaar ontgaat hun. Deze worden uit de weg geruimd, soms zelfs spontaan. We worden er altijd voor gewaarschuwd en, tegenover die gevaren worden we, wanneer we dat wensen, krachtig gesteund, door het bedaren van onze hartstochten, het verlichten van ons verstand, het sterken van onze wilskracht en door het samen met ons verkrijgen van extra genade en kracht. Ze zijn gelukkig als ze God kunnen dienen door ons te dienen waardoor hun dienst een liefdesdienst wordt. Want onze dierbare engelen houden van ons en hun vriendschap is groter dan we durven dromen. Daar ze precies weten wat onze zielen waard zijn streven ze vuriger nog dan Satan hun ondergang nastreeft, hun heil na... Ach! Was ons geloof maar wat eenvoudiger, en hadden we maar wat meer besef van de aanwezigheid, de liefde en de waarde van de diensten van onze engelen! Wanneer we wat meer aandacht zouden hebben voor hun ingevingen, sneller hun hulp zouden inroepen en meer vertrouwen zouden hebben in hun hulp, wat een kracht zou dat betekenen voor onszelf en ons ambt!»

Het enig doel van de Kerk

Op 28 februari 1926 publiceert Paus Pius XI de ency- cliek Rerum Ecclesiae die een diepe stempel zou drukken op de missionaire geschiedenis van de Kerk. Mgr. Alain stelt deze als volgt voor: «Pius XI kondigt de hoogste wet van het apostolaat af: het heil van het grootste aantal, en geeft met krachtige hand de lijn aan die we moeten volgen om dit te bereiken... De goddelijke Meester verleent er op die manier zijn accent aan. Zijn stem, de ademtocht van zijn Geest die, in de loop der tijden, de Kerk naar haar missie voert... Het rijk van Christus overal verbreiden, alle mensen het heil brengen: dat is het enig doel van de militante Kerk.»

Het IIe Vaticaans Concilie heeft eveneens benadrukt dat de Kerk tot missie is geroepen : «Tot de volkeren van Godswege gezonden om het universeel sacrament van het heil te zijn, streeft de Kerk ernaar, krachtens de diepste eisen van haar eigen katholiciteit en in gehoorzaamheid aan de opdracht van haar Stichter, het Evangelie te verkondigen aan alle mensen...» (Decreet Ad gentes, 1 ). De Catechismus van de Katholieke Kerk zegt over de reden van de missie dat de Kerk altijd al aan de liefde van God voor alle mensen de verplichting en de kracht van haar missionaire bezieling heeft ontleend: Want de liefde van Christus laat ons geen rust... (2 Kor. 5, 14). Immers, God wil dat alle mensen gered worden en tot de kennis van de waarheid komen (1 Tim. 2, 4), God wil het heil van allen door middel van de kennis van de waarheid. Het heil is gelegen in de waarheid. Zij die aan de beweging van de Geest gehoor geven, bevinden zich reeds op de weg van het heil, maar de Kerk, waaraan deze waarheid is toevertrouwd, moet aan hun verlangen tegemoet komen om hun die te brengen. Omdat zij in een universeel heilsplan gelooft, moet zij missionair zijn (CKK 850-851).

De eerste inboorlingpriester

De richtlijnen van Pius XI worden in Papoeazië zo  goed toegepast dat er in een paar maanden drieëntwintig nieuwe stammen door de missionarissen konden worden bereikt en er achttien nieuwe posten bijkwamen. In 1929 kan Mgr. de Boismenu aan zijn missionarissen schrijven: «Jullie hebben geen strovuur gemaakt. Er zijn meer dan tweeduizend catechumenen in opleiding, vijf keer meer dan in 1925. Jullie hebben de Romeinse instructie dus serieus genomen en de evangelisatiecampagne naar behoren gevoerd... Er zit, tot Gods welbehagen, goede vaart in. Hij ziet graag dat men Hem stoutmoedig dient.» In 1930 gaat Mgr. Alain opnieuw naar Rome voor de tienjaarlijkse visite. Bij die gelegenheid brengt hij enige tijd in de familie door en krijgt van een nichtje het verzoek of ze hem naar Papoeazië mag volgen. Een jaar later is Solange Bazin de Jessey ter plaatse om er Moeder Marie-Thérèse Noblet op te volgen die in het begin van dat jaar was overleden. In 1935 viert de missie van Papoeazië haar vijftigste verjaardag. Dat jubeljaar opent met een gedenkwaardige gebeurtenis: de inwijding van de eerste Karmel op een oceaaneiland. Al jaren lang had Mgr. Alain stappen ondernomen om dit project te verwezenlijken. In 1937 is er ook reden tot vreugde: wijding in Madagaskar waar hij heeft gestudeerd van de eerste inboorlingpriester, eerwaarde Louis Vanghéké, van de Mékéo-stam. In een herderlijk schrijven geeft de bisschop uitbundig uiting aan zijn vreugde: «En nu is dit nederig kind van onze bodem tot priester van God gewijd, officieel gezagsdrager van de verlossing van zijn Zoon en intieme vriend van onze goddelijke Meester en Heer Jezus Christus... Wanneer ze een van de hunnen aan het altaar, op de preekstoel en in de biechtstoel zien zullen ze aan den lijve de harmonieuze vermenging ervaren van kleuren en rassen in de eenheid van de Kerk die niets op heeft met kaste en overal thuis is...»

In mei 1941 verspreidt zich het nieuws: Monseigneur Alain ligt op sterven! Een missionaris tekent dan deze woorden uit de mond van zijn bisschop op: «Mocht ik gaan?laat het Gods wil zijn. Vraag met mij dat deze geschiede... Ik vraag jullie allen om vergeving, allen die ik verdriet heb gedaan, voor wie ik te hard ben geweest en niet goedhartig genoeg, aan wie ik onvoldoende steun heb verleend, voor wie ik niet rechtvaardig genoeg ben geweest... Ja, vergeef mij allemaal. Ik zelf heb niets te vergeven, nee, niets te vergeven. Wij zijn van dezelfde familie, nietwaar? We hebben elkaar wederzijds verdriet kunnen doen, maar we hebben elkaar wederzijds vergeven...» Tegen alle verwachtingen in herstelt de bisschop en kan een paar maanden later zijn herderlijke bezoeken hervatten.

Uitbreiding van de vijandelijkheden in de Stille Oceaan tijdens de Tweede Wereldoorlog betekent voor de missie opnieuw een zware beproeving. In februari 1942 gaan de Japanse strijdkrachten aan wal op de noordelijke kust van Nieuw-Guinea. In deze onzekere context geeft Mgr. Alain enige richtlijnen. Hij neemt maatregelen om hongersnood te voorkomen. Op pastoraal niveau preciseert hij de vereiste voorwaarden voor de algemene absolutie en benadrukt dat aan ieder lid van de strijdende partijen, ongeacht zijn nationaliteit, geestelijke hulp moet worden geboden.

Tijd om ten volle lief te hebben

In 1945 geeft de Heilige Stoel hem een opvolger in de  persoon van eerwaarde André Sorin. Tot ieders grote vreugde zal Mgr. De Boismenu in Papoeazië blijven. Zeven jaar lang zal hij aan de voet van de bergen wonen. Vanuit zijn kluis blijft hij enkele diensten verlenen voor het welzijn van de zielen, maar voor alles wijdt hij zich aan het gebed: «Wat mezelf aangaat, zo schrijft hij aan een missionaris, ik leef teruggetrokken in mijn kluis, waaraan nu een oratorium is toegevoegd waar ik nog altijd, godzijdank, iedere dag de heilige mis kan vieren; een genade die, naar ik hoop, tot aan het eind mijn deel zal zijn: de hoogste troost van de veteranen die op deze manier nog het «opus redemptionis», het verlossingswerk, kunnen verrichten.» Terwijl zijn einde nadert schrijft hij aan een van zijn neven: «Ik ben gehandicapt en niets werkt meer, behalve het hart, dat voortaan de tijd heeft om ten volle lief te hebben. Het is goed bij jezelf te kunnen zeggen dat je meer en meer kunt liefhebben en dat het ons op een dag gegeven zal worden in volledige mate lief te hebben...»

Wanneer ze horen dat het einde van hun Vader nabij is, snellen de missionarissen naar zijn ziekbed. De stervende verwelkomt hen met zijn gebruikelijke vriendelijkheid en vertrouwt hun toe: «ik houd niet van de manier waarop in sommige boeken wordt gesproken over de onthechting. We hebben een hart en dat hebben we om lief te hebben. Onze-Lieve-Heer heeft liefgehad. Wat Hij niet wil is dat wij zó zeer liefhebben dat we ons vastklampen. We moeten kunnen loslaten, bij de eerste oproep, en bereid zijn van alles en iedereen te scheiden... maar dat doet pijn...» Hij voelt dat zijn krachten op zijn en kijkt langdurig de missionarissen die om hem heen staan aan en zegt met krachtige stem: «Wees sterk.» Op 5 november 1953, om drie uur 's middags, houdt zijn hart op te slaan, juist op het moment dat de versregel: Heer, in uw handen beveel ik mijn geest, wordt gebeden. Zijn stoffelijk overschot rust op het kerkhof van Val Fleuri, dichtbij dat van Moeder Marie-Thérèse Noblet en Moeder Solange Bazin de Jessey. De zaligverklaringprocedure is in werking gezet.

De bisschoppelijke lijfspreuk van Mgr. Alain de Boismenu: «Ut cognascant Te» (Opdat ze U leren kennen), is afkomstig uit de rede die Jezus uitsprak na het Laatste Avondmaal: Dit is het eeuwig leven, dat zij U kennen, de enige ware God en Hem die Gij hebt gezonden, Jezus Christus (Joh 17, 3). Mensen bekend maken met God die de enige is die hen kan redden en gelukkig maken, dat was wat deze bisschop gelukkig maakte en waar hij zich met hart en ziel voor inzette. Moge het voorbeeld van zijn ijver ons helpen het koninkrijk Gods op aarde te verbreiden en de zielen naar de hemelse zaligheid te voeren !

Dom Antoine Marie osb

Om het Blad van de Abdij Saint-Joseph de Clairval te publiceren in een tijdschrift, blad... of on het internetsite of een website te plaatsen, is een toelating vereist. Deze dient te worden aangevraagd per E-Mail or bij http://www.clairval.com.

Index der Briefe  - Home Page

Webmaster © 1996-2017 Traditions Monastiques