Blason  Abdij Saint-Joseph de Clairval

F-21150 Flavigny-sur-Ozerain

Frankrijk


[Cette lettre en français]
[This letter in English]
[Dieser Brief auf deutsch]
[Esta carta en español]
[Questa lettera in italiano]
18 mei 2011
Mariamaand


Dierbare Vriend van de Abdij Saint-Joseph de Clairval,

Binta, een Afrikaans moslimmeisje, woont in Guinea. Op een dag in  1994 slikt ze bijtende soda in. Ze wordt naar Barcelona in Spanje  vervoerd en dankzij een operatie gered. Vervolgens wordt ze ondergebracht in een huis van de «Blauwe zusters». Maar weldra ontdekken de artsen een enorme maagzweer, een buikvliesontsteking en een maagbloeding. Ondanks een nieuwe en lange operatie is de prognose duidelijk: «Er is niets meer aan te doen», verklaart een verpleegster. Het overlijdensattest ligt zelfs al klaar. De Blauwe Zusters beginnen een novene, gericht tot hun stichteres Emilie de Villeneuve en stoppen het meisje het portret van Emilie in de handen evenals een relikwie van haar. Plotseling opent Binta de ogen en is ze, zonder enige medische verklaring, terstond hersteld. Na drieëntwintig dagen bewusteloos te zijn geweest, staat ze alleen op en keert, volledig genezen, terug naar het huis van de zusters. Dit wonder heeft de zaligverklaring mogelijk gemaakt van Emilie de Villeneuve, op 5 juli 2009, in Castres (Tarn).

Emilie de Villeneuve is op 9 maart 1811 ter wereld gekomen in een van de oudste adellijke families van de Languedoc in Toulouse. In het huisgezin zijn twee meisjes haar voorgegaan, Léontine en Octavie. Iedere zomer verplaatst de familie zich naar kasteel Hauterive, dichtbij Castres. In 1815, na de geboorte van een jongen, Ludovic, vestigt de familie zich op Hauterive. Mevrouw de Villeneuve zorgt voor het onderwijs en de opvoeding van haar kinderen, ondanks een gezondheid die vroegtijdig is ondermijnd door de beproevingen van de Revolutie. Haar echtgenoot wordt volledig in beslag genomen door het beheer van zijn landerijen die hij kriskras in het hele land bezoekt om leiding te geven aan het omploegen van de akkers en aan de oogsten. Op het kasteel heerst strenge discipline: geen haardvuur in de slaapkamers; zwijgen aan tafel; in de salon zijn het de kinderen die achterin moeten zitten, verboden lawaai te maken. In het park kunnen ze daarentegen zich volledig ontspannen. Het moederlijk gezag is vastberaden en plooibaar tegelijk en nadat de christelijke beginselen van een rechtschapen en deugdzaam leven zijn bijgebracht steunt het veelal op vertrouwen.

Door het leeftijdsverschil ontstaat er tussen Emilie en haar zusjes een zekere afstand waardoor zij enigszins wordt geïsoleerd . Tijdens haar kinderjaren is ze van een onthutsende ongevoeligheid: «Een hart dat niets leek te voelen, een kille geest die zelfs is ontdaan van de aardige naïeve redeneringen die kinderen zo bekoorlijk kunnen maken», zal Coralie, een van haar vriendinnen, over haar zeggen. Daar komt nog een karaktertrek bij die op die leeftijd heel uitzonderlijk is: een hartstochtelijke liefde voor precisie, om dingen precies op de aangegeven tijd te doen. Weldra belast haar moeder haar met de taak haar broertje de grondbeginselen van zijn scholing bij te brengen. Ze weet het onrustig kind zonder bitsheid aan haar onderdanig te maken. Ze houdt er een groeiende interesse voor studeren aan over.

Gevoelig maar gesloten

In 1828 overlijdt mevrouw de Villeneuve na een smar- telijke doodsstrijd . Daar ze gewend is gevoelens, hoe reëel ze ook zijn, niet te uiten, want ze is, naar eigen zeggen, geneigd tot «gevoeligheid en tederheid», wekt Emilie een ongevoelige indruk. Maar deze houding wijst op een innerlijk drama: de moederlijke tederheid, die meer was gericht op de twee oudsten , ontbrak haar heel erg en het meisje heeft zich in zichzelf gekeerd. Tijdens haar eerste communie, in januari 1826, laat ze niets blijken van haar grote vroomheid. Korte tijd later vertrouwt meneer de Villeneuve, die is benoemd tot burgemeester van Castres, zijn kinderen toe aan zijn moeder die in Toulouse woont. Deze dame die reeds hoog bejaard is en blind, geeft de kinderen een zo goed als onbeperkte vrijheid. Haar ontvangsalon is een plek waar de hele stad bijeen komt. Léontine en Octavie zijn verrukt: ze vallen in de smaak bij de mensen en de mensen bij hun. Maar Emilie trekt ondanks haar prachtige blonde haar niemand aan. «Haar grote magere gestalte had niets bevalligs, zegt Coralie«. Haar grote bijziendheid gaf haar iets onhandigs, iets onwellevends soms, en maakte dat ze met de ogen knipperde hetgeen haar uiterlijk iets vreemds gaf.»

Octavie overlijdt in 1828 op twintigjarige leeftijd. De hele familie is in tranen, behalve Emilie die door de haren wordt bekeken als «een ijsblok». Deze gebeurtenis heeft op haar echter een verbazingwekkende uitwerking: «Hier begint voor Emilie een nieuw leven, schrijft Coralie« Een ondefinieerbare goedheid, een tedere en tegelijk levendige liefde zijn voortaan de kenmerken van alles wat ze doet. Ze schiep behagen in bidden en het veelvuldig deelnemen aan de sacramenten; en wanneer beminnelijke, vrome vrienden haar grootmoeder kwamen opzoeken voegde ze zich bij de kring en luisterde gretig toe, vooral wanneer er over God en de dingen des Hemels werd gesproken.» Haar langdurig gesloten gebleven hart geeft zich geheel en al aan God en, via Hem, aan de zielen.

Eind november 1829 trouwt Léontine. Emilie wordt dan de vrouw des huizes in kasteel Hauterive dat al een paar jaar erbarmelijk is verwaarloosd . Haar vader wordt in 1830 ontslagen van zijn taak als burgemeester van Castres, maar ontplooit de ene na de andere activiteit op landbouwkundig gebied. Zeer bekwaam in het bestieren van een huishouding heeft Emilie al snel orde op zaken weten te brengen, tot grote voldoening van haar vader. Ludovic ergert zich van zijn kant aan de ernst van zijn zus: «Een dergelijk teruggetrokken leven leiden, op jouw leeftijd en in jouw positie, is absurd! Jouw vriendinnen zijn even belachelijk als jij, jullie hebben geen gezond verstand. Wie jullie de zondagspreek of plechtige mis afneemt, ontneemt jullie alle plezier.» Iedere ochtend gaat Emilie naar de Mis. Met de armen deelt ze het gehele huishoudgeld dat ze van haar vader krijgt, bezoekt jonge meisjes, geeft ze onderricht, staat ze bij wanneer ze ziek zijn. Pater Leblanc, jezuïet die in Toulouse woont, geeft haar leiding in haar geestelijk leven.

Een onweerstaanbare aantrekkingskracht

Emilie wordt drieëntwintig en vertrouwt Coralie toe:  «Ik zal niet trouwen«.maar hetgeen mij kwelt is een roeping die een onweerstaanbare aantrekkingskracht op mij uitoefent, en Pater Leblanc wil zich nog niet uitspreken« Ik voel het verlangen me aan de armen te wijden in die bewonderenswaardige gemeenschap van de Dochters van Liefde van Vincentius a Paulo.» Wanneer pater Leblanc haar plan tenslotte goedkeurt is ze dolblij. Maar meneer de Villeneuve, en zijn familie met hem, vraagt om vier jaar uitstel. Pater Leblanc raadt haar aan dit uitstel te aanvaarden. Ze zet haar activiteiten dus voort en assisteert haar pastoor zo goed dat haar vriendinnen haar «meneer kapelaan» noemen. Op een dag ontvangen ze een brief van meneer de Barre, een vurig christen die langdurig bidt in de kerken en de rest van zijn tijd besteedt aan het verlichten van de ellende van de armen. Tijdens de Mis heeft hij een ingeving gehad: Emilie zou in Castres een door religieuzen geleid huis moeten oprichten voor de opvoeding van kinderen wier ouders hen niet zelf kunnen grootbrengen. Na een paar maanden goed nadenken en bidden komt pater Leblanc tot de conclusie dat het werk door God is gewild. Meneer de Villeneuve, al blij bij de gedachte dat zijn dochter niet al te ver van hem vandaan zal gaan, geeft zijn toestemming en de aartsbisschop verleent ook zijn goedkeuring.

De vaderlijke financiële hulp maakt het Emilie mogelijk een huis in Castres te kopen. De gemeenschap die zij opricht geeft ze de naam «Congregatie van de Onbevlek-te Ontvangenis»; het kleed van de zusters zal blauw zijn. Met twee metgezellinnen gaat ze naar de Visitatie van Toulouse voor een maand noviciaat. Op 8 december 1836 vindt, in aanwezigheid van de aartsbisschop, in Castres de inkleding, de tijdelijke professie en de vestiging van drie zusters in hun huis plaats. Emilie neemt de naam Zuster Marie aan. De eerste Regels geven een definitie van het doel van de nieuwe congregatie: de opvoeding van verwaarloosde kinderen, dienstbetoon aan armen en gevangenen, onderricht en beroepsopleiding van jonge meisjes. Op 19 maart 1837 wordt een handwerkzaal voor dertig leerlingen geopend, maar weldra worden ze door de naaisters van de stad beschuldigd van oneerlijke concurrentie. De bevolking, die de zusters toen ze zich daar kwamen vestigen zeer welgezind was geweest, keert zich verbitterd tegen zuster Marie, in kwaadaardige bewoordingen en zelfs met lasterpraat. De geestelijkheid laat zich ook beïnvloeden, maar pater Leblanc moedigt de zusters aan voort te gaan.

«Ik ben zo zwak«»

Eind 1837 is de golf van kritiek overgewaaid en wor- den er vier postulantes toegelaten. In het begin van het volgende jaar vertrouwt de gemeente Castres de zusters de zorg voor de gevangenissen toe. Op 1 mei 1838 vestigt de communauteit zich in het voormalig klein seminarie. Zuster Marie waakt met liefdevolle zorg over alle leerlingen en deze voelen zich aangetrokken tot de vredigheid die haar persoon uitstraalt. Zij zelf beschrijft in haar intieme geschriften bepaalde aspecten van haar geestelijk leven: «O, mijn God en mijn Schepper, ik maak van mijzelf een offergave, de volledigste en volmaaktste die ik kan maken«.Ik bid U niet om mij kruisen en andere grote beproevingen te bezorgen, omdat ik zo zwak ben dat ik niet weet of ik die, na ze te hebben gevraagd, ze ook zou kunnen verdragen zoals het hoort«.Overgave, vertrouwen, dat is alles voor mij.» Haar devies is: «God alleen!»

In de loop van het jaar 1840 treden ernstige problemen binnen de communauteit aan het licht: enkele slechte voorbeelden zijn de oorzaak van lossere zeden. Moeder Marie de Villeneuve overhaast niets, maar bidt. Door een nog onvolkomen organisatie kan de religieuze vorming nog niet alle vruchten afwerpen. Ze besluit de novicen van de geprofeste religieuzen te scheiden en begint vervolgens aan het opstellen van een Constitutie die eind 1841 zal worden goedgekeurd door de aartsbisschop van Albi. De Generaal-Overste zou gekozen moeten worden voor drie jaar, maar de zusters krijgen van de aartsbisschop gedaan dat hun stichteres Overste voor het leven zal zijn. Zij is in haar beleid jegens de zusters één en al fijngevoeligheid en discrete waakzaamheid. Hun onzekerheden, hun onrust, hun verdriet heeft ze meteen in de gaten en direct vindt ze de passende woorden om de rust te herstellen. Met de grootste zorg ziet ze er op toe zich in niets te onttrekken aan de gemeenschappelijke regel en wenst van tijd tot tijd zelf haar cel te vegen of de afwas te doen.

De Moeder verwerft al in april 1841 een terrein waarop het moederhuis van de Congregatie kan worden gebouwd. Maar de goddelijke liefdesvlam die haar hart in lichterlaaie zet drijft haar naar de verre missielanden: «Het verlangen Jezus Christus bemind te maken en Hem te dienen in zijn ledematen zal zich niet beperken tot de grenzen van Frankrijk. De Congregatie heeft ook als doelstelling zich in te zetten voor het wonderschone werk van de buitenlandse missies, vooral de missies onder de zwarten, en over het algemeen de meest verachte en meest verwaarloosde volken. Waar de stem van de arme en de wees hen ook heen roept, ze gaan er zonder aarzelen heen.»

Zonder hoop omdat ze zonder God waren

Op 11 mei 2008 bracht Paus Benedictus XVI ons onze  fundamentele behoefte aan Jezus Christus in herinnering: «Christus is onze toekomst« Verstoken van Christus, is de mensheid «zonder hoop en zonder God in de wereld (Ef 2,12), zonder hoop omdat ze zonder God waren» (Encycliek Spe salvi, 3). Inderdaad, «wie God niet kent, kan weliswaar allerlei soorten hoop hebben, maar is tenslotte zonder hoop, zonder die geweldige, het hele leven dragende hoop» (Ibid., 27)... Het is dus voor allen een gebiedende plicht Christus en zijn heilbrengende boodschap te verkondigen. Wee mij, als ik het Evangelie niet verkondig, zei H.Paulus (1 Kor 9,16) » (Boodschap voor de Wereldmissiedag). Een jaar later voegde de Paus eraan toe: «Het doel van de missie is inderdaad door het licht van het Evangelie alle volken bij te lichten op hun historische weg naar God, opdat ze in Hem hun volledige verwezenlijking en hun volledige voltooiing vinden. Wij moeten het diep verlangen en de hartstocht voelen om alle volken met het licht van Christus dat op het gezicht van de Kerk straalt bij te lichten« De Kerk handelt niet om haar macht uit te breiden of haar heerschappij zeker te stellen, maar om aan iedereen Christus, heil van de wereld, te brengen« Wat op het spel staat is het eeuwig heil van de mensen, het einde en de voltooiing van de menselijke geschiedenis en het heelal» (29 juni 2009).

In 1842 wordt Moeder Marie de Villeneuve in contact gebracht met Pater Libermann, stichter van de Missio–narissen van het Heilig Hart van Maria. Er komt een samenwerkingsproject tot stand tussen de zusters van Castres en de paters missionarissen. Begin juni 1843 gaat de Moeder naar Parijs en probeert, overigens vergeefs, van de regering burgerlijke goedkeuring te verkrijgen voor het openen van gemeentelijke scholen. Ze ontmoet pater Libermann. «Ik verkies, zo zal ze later schrijven, zijn conversatie boven zijn brieven« Onze standpunten komen altijd op buitengewone wijze met elkaar overeen. Het is een man die wordt bewogen door de waarachtige Geest Gods, door uiterste bedachtzaamheid, en ik heb nog nooit iemand ontmoet die mij zo'n groot vertrouwen inboezemt.» Terug in Castres, constateert de stichteres dat de uitgaven die nodig zijn voor de bouw van het klooster de inkomsten overtreffen. Om het nodige geld te vinden stellen de zusters voor om veertig dagen penitentie te doen. De Moeder stemt hier in toe, waarbij ze haar dochters allereerst de innerlijke bekering voorhoudt. Op 30 april 1844 vestigt de communauteit zich in het eindelijk gereed gekomen klooster.

In juli 1846 richt Moeder Marie een opvangcentrum op voor vrouwen die door uitzonderlijke ellende tot een zondig leven zijn vervallen. «De zusters die in gehoorzaamheid tot dit belangrijk werk zullen worden geroepen moeten bezield zijn van een heilige ijver en een ware geloofsgeest, schrijft zij in de constitutie. Zij zullen zich van deze arme zielen minder de schandelijke staat, waarin ze door zonden zijn terecht gekomen, voor ogen houden dan het goddelijk Bloed dat hun losprijs is. Onze Heer van wie zij de ledematen zijn en door wie zij zijn geroepen om hen, misschien meer dan zichzelf, volkomen en voor eeuwig lief te hebben en te verheerlijken... Het is van groot belang dat de zusters de rouwmoedigen nooit voorhouden welke tekortkoming zij hen eventueel te verwijten hebben en geen ongeduld, noch weerzin van hun gezelschap, noch verachting voor de persoon van de vrouwen aan de dag leggen. Zij zullen hen integendeel altijd met een allerheiligste zachtmoedigheid en genegenheid behandelen.»

Maar de Moeder denkt nog altijd aan de verre missielanden. Een eerste vertrek van vier zusters naar Afrika wordt geregeld voor 22 november 1847; andere zusters vertrekken in 1849 en 1850. Pater Libermann geeft volop verstandige raad: «Men probeert zonder erbij na te denken de mensen van het land ertoe te brengen de toon en de manieren van Europa over te nemen« Men moet juist het tegendeel doen, de inboorlingen de zeden en gewoontes die zij van nature hebben laten houden, deze vervolmaken door de beginselen van het geloof en de christelijke deugden bij te brengen en daar waar de eigen zeden en gewoontes tekort schieten corrigerend op te treden.» Maar bovenal roept de Pater de zusters op zich te oefenen in engelengeduld.

De bron

Het Hart van Jezus waarin de Moeder haar gehele ver- trouwen stelt is de bron «waaruit men aandacht, liefde, medelijden, hartelijkheid, beschikbaarheid, belangstelling voor de problemen van de mensen put, en alle andere deugden die de boodschappers van het Evangelie nodig hebben om alles achter te laten en zich geheel en onvoorwaardelijk te wijden aan de verspreiding in de wereld van de geur van Christus' liefde» (Benedictus XVI, 11 mei 2008).

In november 1847 gaat Moeder de Villeneuve naar Amiens om een oud plan dat Pater Libermann dierbaar is weer op te vatten: een noviciaat opzetten met het oog op de missie, in het gehucht Saint-Pierre, dichtbij de stad. Daar willen een jonge vrouw en een voormalige religieuze een derde orde oprichten. Men vat het idee op het noviciaat van de Onbevlekte Ontvangenis met de toekomstige derde orde te verenigen. In de praktijk zijn de moeilijkheden die zij ontmoeten zo groot dat de Moeder gedwongen is dit project in mei 1851 op te geven. Pater Libermann overlijdt op 2 februari 1852; zijn opvolger wenst dat de Moeder zich opnieuw met dit stichtingsproject belast. Langdurig van haar stuk gebracht en smartelijk aangedaan door de moeilijkheden die ongeveer overal de kop opsteken, zowel in de missielanden als in Castres, maakt de stichteres een bijzonder zware periode door waarin ze slaap en eetlust verliest. Wanneer ze alleen is of denkt te zijn, laat ze de tranen de vrije loop als gevolg van haar grote gevoeligheid, maar ook van de vermoeidheid. Gelukkig duurt deze toestand niet lang en hervindt de Moeder weldra de innerlijke rust, kalmte en moed die we van haar gewoon zijn. Ze besluit het te houden bij de stichting van een pensionaat in Parijs, het project in Saint-Pierre op te geven en eind 1853 keert ze terug naar Castres.

In haar heel eenvoudig geestelijk leven probeert Moeder de Villeneuve voor alles de wil van God te volbrengen. «Wanneer je spreekt, handelt, schrijft voor het welzijn van een ziel, voor een of andere belangrijke zaak, zo zei ze tegen haar dochters, stel dan niet zozeer het welzijn van die ziel of het welslagen van die zaak voorop, als wel enkel en alleen de wil van God en daarbij alleen doen wat met Zijn bedoelingen, die vaak verschillen van de onze, overeenstemt.» Zij kent groot belang toe aan het gebed: men moet er een gewoonte van maken «met Jezus te converseren midden in de dagelijkse bezigheden, met het hart te bidden, al komend en gaand door het huis». Zijzelf houdt van de momenten dat ze met God alleen is. Maar haar geestelijk leven maakt vaak de dorheid van het zuiver geloof mee en ze spreekt uit ervaring wanneer ze aan een van haar dochters schrijft: «Maak je niet ongerust over je innerlijke staat die, naar wat je me zegt, enigszins duister is. God bevindt zich overal, zelfs in de duisternis en misschien nog wel meer.» Een ander geeft ze deze raad: «Je moet je altijd een beetje hoeden voor de illusie en je liever laten leiden door het blote, van smaak verstoken geloof« Verheven verlangens naar volmaaktheid kun je beter wantrouwen; stel je tevreden met het verlangen de wil van God te volbrengen« Ik vrees voor jou en de anderen de weg der vertroostingen en verkies het geloof alleen, de duisternis, uiteindelijk de kruisen die wij moeten dragen.»

Een bijzondere nederigheid

Twee maanden na haar terugkeer naar Castres zorgt  Moeder de Villeneuve voor grote beroering onder haar dochters door haar ontslag als Generaal Overste aan te kondigen. De redenen die zij aanvoert zijn aldus samen te vatten: het vurig verlangen in de kleinste dingen gehoorzaamheid te betrachten, het voordeel voor de Congregatie die het ooit zonder haar leiding zal moeten stellen, de vrees dat haar dochters haar eerder gehoorzamen om redenen van vertrouwen en liefdevolle genegenheid dan uit geloof en zuivere liefde voor God. Daarenboven is de Moeder van mening dat de post van Overste het alleszins zonder haar kan stellen en het zelfs wenselijk is dat zij die verlaat. Niet zonder leedwezen bekrachtigt het generaal Kapittel van september 1853 haar beslissing. De stichteres is echter wel bereid de nieuwe Overste met raad en daad bij te staan en wordt belast met de taken van generaal assistent en Novicen–meesteres die zij discreet en doeltreffend zal uitvoeren. Dit voorbeeld van nederigheid en onthechting is zeer zeker een bron zonder weerga van vruchtbaarheid voor haar Congregatie.

Halverwege het jaar 1854 verspreidt de cholera zich in het zuiden van Frankrijk en bereikt de stad Castres. Tegelijkertijd breekt er een epidemie van zweetkoorts (besmettelijke koortsziekte) uit. Moeder de Villeneuve onderneemt een ware kruistocht van gebed en schept een sfeer van vertrouwen. De cholera komt het klooster van de zusters niet binnen, maar de stichteres valt ten prooi aan de zweetkoorts en op 7 september moet ze zich ter ruste leggen. Begin oktober verslechtert haar toestand en geeft de aalmoezenier haar het Heilig Oliesel. Kort daarna geeft zij de geest terwijl de zusters de gebeden voor de stervenden bidden.

De Congregatie van de Blauwe Zusters van Castres telt tegenwoordig meer dan zeshonderd leden die verspreid zijn over 123 communauteiten. Zij zijn in Euro–pa, Afrika, Zuid-Amerika en Azië.

In een preek voor nieuwe bisschoppen, op 21 september 2009, zei Kardinaal Hummes, Prefect van de Congregatie voor de Clerus: «De Kerk weet dat er in de hele wereld een missionnaire nood bestaat, niet alleen «ad gentes» (voor de heidenen)« maar ook in de landen van de christelijke wereld« Al onze landen zijn missiegebied in de strikte zin van het woord« geworden. Wij moeten hoognodig in beweging komen en op zoek gaan, allereerst naar al die gedoopten die verwijderd zijn van deelname aan het leven van de gemeenschappen en vervolgens naar allen die niets of weinig van Jezus Christus weten.» Op 6 januari 2008 wees Paus Benedictus XVI er in hetzelfde verband op dat «iedere christen geroepen is de schreden van zijn medemens bij te lichten met het woord en met het getuigenis van eigen leven« Met het licht dat hij in zich draagt kan en moet hij degene die zich aan zijn zijde bevindt en die misschien moeite heeft met het vinden van de weg die naar Christus leidt, te hulp komen.»

Moge de gelukzalige Emilie de Villeneuve voor ons de genade verkijgen ware evangelieverkondigers te worden die met hart en ziel overal het Rijk Gods verspreiden.

Dom Antoine Marie osb

Om het Blad van de Abdij Saint-Joseph de Clairval te publiceren in een tijdschrift, blad... of on het internetsite of een website te plaatsen, is een toelating vereist. Deze dient te worden aangevraagd per E-Mail or bij http://www.clairval.com.

Index der Briefe  - Home Page

Webmaster © 1996-2017 Traditions Monastiques