Blason  Abdij Saint-Joseph de Clairval

F-21150 Flavigny-sur-Ozerain

Frankrijk


[Cette lettre en français]
[This letter in English]
[Dieser Brief auf deutsch]
[Esta carta en español]
[Questa lettera in italiano]
25 november 2010
H. Catharina Labouré


Dierbare Vriend van de Abdij Saint-Joseph de Clairval,

Lente 1944. Heel Midden Europa is bezet door Nazi Duitsland. Door  druk op de Hongaarse regering uit te oefenen heeft Hitler bereikt dat  een decreet de Joden van dit land verplicht in getto's te wonen; dit met het oog op de daaropvolgende deportatie. Op het hoogfeest van Pinksteren reageert een bisschop in een preek die wordt uitgesproken voor de burgerlijke autoriteiten, in deze bewoordingen: «Hij die het basisgebod van het christendom aangaande de naastenliefde loochent en beweert dat er mensen en rassen zijn die we moeten haten; hij die volhoudt dat we zwarten en Joden mogen onderdrukken zouden we, zelfs wanneer hij er zich op beroemt christen te zijn, moeten beschouwen als een heiden« Wanneer hij aan dergelijke daden meedoet of ze aanmoedigt begaat hij een ernstige zonde en kan zolang hij die niet heeft goedgemaakt geen absolutie ontvangen». Tegelijkertijd heeft de prelaat een brief geschreven aan de minister van Binnenlandse Zaken om hem te herinneren aan zijn verantwoordelijkheden tegenover God. De ambtsdrager reageert met de bedreiging hem te interneren waarop de bisschop slechts antwoordt: «Ik ben bereid». Wie was deze moedige getuige van Jezus Christus ?

«Ik zal zulke mooie dingen voor u spelen»

Vilmos (Willem) Apor is op 29 februari 1892 geboren in Ségasvár, in Transsylvanië (destijds een streek in Hongarije, nu in Roemenië). Het gezin zal negen kinderen tellen waarvan er vier op jonge leeftijd sterven; Vilmos is het zevende kind. Zijn vader, baron Apor, uitnemend jurist uit een illustere familie, wordt in 1895 benoemd tot staatssecretaris van keizer Franz Jozef. Hij vestigt zich in Wenen met zijn gezin, maar komt reeds in 1898 op zevenenveertigjarige leeftijd te sterven. De kleine Vilmos is ontsteld wanneer hij zijn moeder ziet huilen en zegt teder tegen haar: «Mama, ik leer viool spelen; ik zal zulke mooie dingen voor u spelen dat u de dood van papa vergeet». De weduwe voedt haar kinderen krachtdadig op, met veel aandacht voor de godsdienstige vorming. Vilmos studeert met succes bij de Jezuïeten. Hij wordt gewaardeerd door zijn klasgenoten om zijn beminnelijk, maar beslist optreden. Wanneer hij in discussies soms verhit raakt vergeet hij nooit om excuus te vragen aan degenen die hij heeft beledigd.

Sinds zijn kinderjaren heeft Vilmos de roep van God gehoord: hij zal priester worden. Eind 1909 wordt hij door bisschop Györ, een familielid, toegelaten tot het seminarie van het diocees van noordwest Hongarije. Nadat hij bij de Jezuïeten een doctoraat in de theologie heeft behaald wordt hij op 24 augustus 1925 priester gewijd. Het is oorlog; zijn broer is dan aan het front terwijl zijn moeder en zusjes de gewonden verzorgen.

Nadat hij zijn bisschop is gevolgd die is overgebracht naar de zetel van Nagyvárad (het huidige Oradea) in Transsylvanië (zuidwest Hongarije), wordt Vilmos benoemd tot kapelaan van Gyula. Nadat hij eerst op verschillende fronten in de laatste periode van de oorlog aalmoezenier is geweest bij het Rode Kruis, keert hij begin 1919 naar Gyula terug, en deze keer als pastoor. Hij zal er vijfentwintig jaar blijven. Hoewel geen uitblinker in het preken, raakt pastoor Apor zijn gelovigen met zijn overtuigingskracht die hij ontleent aan zijn diep geloof. In de uitoefening van het biechtambt wint hij aller harten omdat hij zo liefdevol is. De komst van de jonge priester valt in een moeilijke periode: na de militaire nederlaag van Oostenrijk-Hongarije volgt de korte maar hevige communistische dictatuur van Béla Kun. Het revolutionair comité vaardigt het decreet uit dat ieder godsdienstig onderwijs moet worden afgeschaft. Vilmos organiseert een betoging voor het stadhuis en dwingt het comité het decreet te herroepen. Vervolgens wordt Hongarije door Roemenië bezet. Om de bevolking te intimideren worden Hongaarse officieren door de militaire bevelhebbers gegijzeld. Maar pastoor Apor gaat zelfs naar Boekarest om door tussenkomst van koningin Marie van Roemenië bevel tot vrijlating van de gegijzelden te verkrijgen.

Door het verdrag van Trianon (1920) wordt Hongarije in stukjes opgedeeld; Transsylvaniê wordt bij Roemeniê gevoegd. Gyula blijft Hongaars, maar ligt voortaan op de grens hetgeen met zich meebrengt dat het economisch niet meer meetelt. Bisschop Ottokár Proháska spoort de bevolking aan zich grondig te bekeren, indachtig het zegerijke katholiek verleden van het land van de H.Stefanus (997-1038), de eerste «apostolische koning» van Hongarije. Deze oproep vindt op grote schaal weerklank: Vilmos Apor zet zich met grote geestdrift in voor de godsdienstige en maatschappelijke wederopstanding. Al in 1921 richt hij in zijn parochie de Katholieke Actie op met het doel de gezinnen en de maatschappij weer christelijk te maken. In 1922 vindt er een volksmissie plaats. De pastoor van Gyula staat tot 's avonds laat ter beschikking van zijn parochianen; zijn moeder die hem aanraadt zich te ontzien antwoordt hij: «Ik kan de gelovigen niet wegsturen op een moment waarop ze mij misschien het hardst nodig hebben». Zijn edelmoedigheid kent geen grenzen: hij geeft zelfs de kledingstukken die hij het minst kan ontberen (zijn schoenen, bijvoorbeeld) aan de armen; hij wordt de «pastoor van de armen» genoemd. Hij ontfermt zich met liefde over de jeugd en de gehandicapten die hij voor zich inneemt met zijn aanstekelijk enthousiasme. Men ziet hem vaak de mis opdragen voor oude mensen in bejaardenhuizen. Maar het werk waar zijn grootste liefde naar uitgaat is een huis dat hij heeft gesticht voor wezen.

Al deze activiteiten beletten pastoor Apor niet zijn geestelijk leven op de eerste plaats te zetten. Men ziet hem vaak in gebed in de kathedraal. Ieder jaar houdt hij een Ignatiaanse retraite bij de jezuïeten. Hij besteedt veel aandacht aan het voorbeeldig beleven van zijn celibaat en bestrijdt de opwellingen van zinnelijkheid met gebed, penitentie, matigheid bij de maaltijden en gezonde lichamelijke oefening; met vrouwen is hij vriendelijk, maar gereserveerd.

Bisschop midden in de oorlog

In mei 1938 vindt in Boekarest een internationaal  eucharistisch congres plaats dat wordt voorgezeten door de staatssecretaris van Paus Pius XI, Eugenio Pacelli, de toekomstige Pius XII. De politieke situatie is grimmig: Hitler heeft zojuist Oostenrijk ingelijfd en de naziedreiging drukt nu op het naburig Hongarije. De encyclieken van Pius XI over de brandende kwesties van het moment (Mit brennender Sorge en Divini Redemptoris, 1938) tegen het nationaalsocialisme en het communisme zijn in het Hongaars in een oplage van meer dan twee miljoen exemplaren uitgebracht. Vilmos Apor wordt aangespoord samen te werken met de regering met de bedoeling de nazi-ideologie een halt toe te roepen. In januari 1941 benoemt Paus Pius XII hem tot bisschop van Györ. De bisschopswijding vindt plaats in Gyala (de parochianen hadden er met aandrang om gevraagd). Een aanwezige verhaalde aldus zijn indrukken: «Toen de nieuwe bisschop de mijter en de staf had ontvangen en hij de gemeenschap zegende, merkte ik met verbazing op hoe zeer zijn gezicht en heel zijn fysieke verschijning veranderd waren; hij was als van gedaante verwisseld. In zijn persoon viel op zichtbare wijze de genade van de apostolische opvolging waar te nemen». De prelaat kiest als lijfspreuk: «Crux firmat mitem, mitigat fortem» (het kruis maakt de zachtmoedige sterk, en de sterke zachtmoedig). Wanneer hij vaststelt dat zijn priesters er moeite mee hebben hun herder in vertrouwen te nemen, ontvangt hij ze extra hartelijk en kan iedereen iedere middag bij hem komen eten, hetgeen in die tijd niet gebruikelijk was; hij biedt hun op alle niveaus de helpende hand. Deze vaderlijke goedheid belet hem niet ook eisen te stellen, in het bijzonder ten aanzien van de wijze waarop de Mis en het Goddelijk Officie dienden te worden gevierd. Mgr. Apor ziet nauw toe op de vorming en het gedrag van zijn seminaristen. Hij ontvangt de gelovigen met onvermoeibaar geduld en verleent vaak hulp met geld uit eigen kas; zelfs alcoholisten en beruchte luiaards worden niet tegengehouden.

De bisschop van Györ kent de maatschappelijke leer van de Kerk zoals deze met name door Pius XI is uiteengezet in de encycliek Quadragesimo Anno (1931). Hij is zich bewust van de achterstand die Hongarije heeft opgelopen op het gebied van de maatschappelijke bescherming. De Hongaarse bisschoppen waren destijds grootgrondbezitters. Mgr. Apor wenst een bodemhervorming door te voeren. Maar door de oorlog die aan de gang is zal hij dit plan niet tot een goed einde kunnen brengen. Op zijn minst zal hij daarom proberen een rechtvaardige meester te zijn voor de boeren die de bisschoppelijke landerijen bebouwen. De bisschop lijdt er zeer onder wanneer hij ziet hoe arbeiders gewonnen raken voor de socialistische ideologie en zich van de Kerk verwijderen. Hij maakt van iedere gelegenheid gebruik om met hen in contact te treden en belast zich, in opdracht van het Hongaars episcopaat, met de organisaties voor jonge christelijke werknemers.

Vilmos is midden in de oorlog aan zijn bisschoppelijke taak begonnen. Nadat het in juni 1941 de Sovjet Unie is aangevallen, probeert het Derde Rijk Hongarije in zijn waanzinnige greep te krijgen. Lange tijd lukt het de Hongaarse leiders tussen de klippen door te laveren. In augustus 1943 wordt bisschop Györ voorzitter van de «Katholieke Maatschappelijke Beweging» die is opgericht door vooraanstaande Hongaren met de bedoeling de voorwaarden te scheppen voor een christelijke heropleving van Hongarije na de oorlog. Hun hoop is erop gericht dat Amerika zal voorkomen dat hun land onder communistisch juk komt. Vanaf de bezetting van Hongarije door de Duitsers (19 maart 1944) schiet de Angelsaksische luchtvaart de steden plat; op 13 april verwoest een bombardement op Györ de voornaamste fabriek, vallen er 564 doden en raken 1100 mensen gewond. De stad zal tot het eind van de oorlog nog vierentwintig keer worden gebombardeerd. De bisschop brengt troost en hulp aan de bevolking waar hij maar kan.

Ooit zult u verantwoording moeten afleggen

In juni 1944 begint echter de deportatie van de  Hongaarse Joden naar Duitse concentratiekampen. De bisschop probeert de slachtoffers zoveel als mogelijk hulp te bieden met het zenden van levensmiddelen en kleding en hij vraagt of hij ze mag bezoeken, maar dat wordt hem geweigerd. Hij overhandigt dan aan de Gestapo een boodschap voor Hitler die in de volgende bewoordingen is gesteld: «De goddelijke geboden gelden ook voor de Führer. Ooit zult u verantwoording voor uw daden moeten afleggen aan God en aan de wereld». Deze vermaning bracht de dictator het onafwendbare karakter in herinnering van het Laatste Oordeel wanneer het eeuwig lot van iedere mens wordt bepaald. Jezus Christus heeft ons gewaarschuwd: Dan zullen zij die het goede deden, er uit te voorschijn komen tot de opstanding ten leven, maar die het kwade deden tot de opstanding ten oordeel (Joh 5, 29)« En dezen zullen heengaan naar de eeuwige straf, maar de rechtvaardigen naar het eeuwig leven (Mt 25, 31.32.46).

«Het laatste oordeel zal openbaren dat Gods rechtvaardigheid zegeviert over alle onrecht, bedreven door zijn schepselen, en dat zijn liefde sterker is dan de dood» (Catechismus van de Katholieke kerk, n.1040).

In oktober 1944 zadelt Hitler Hongarije op met een regering onder leiding van Szálazy die de nazi's geheel is toegedaan. Weldra verwijt kardinaal en opperste kerkvoogd Serédi hem in felle bewoordingen zijn politiek van vervolging van de Joden. De apostolisch nuntius van Paus Pius XII in Hongarije, Mgr. Rotta, slaagt erin, in samenwerking met vier ambassadeurs van neutrale mogendheden (Zweden, Zwitserland, Spanje en Portugal) het leven van talloze Joden te redden. Mgr. Apor van zijn kant verbergt meerdere Joden in zijn bisschoppelijk paleis of onder het dak van de kathedraal. Een van hen die niemand in Györ onderdak had durven bieden zal vertellen hoe hartelijk hij in het bisschoppelijk paleis is ontvangen en al wat de bisschop persoonlijk heeft gedaan om voor hem een veiliger onderkomen in Boedapest te vinden.

Op 31 oktober 1944 stelt Mgr. Mindszenty, bisschop van Veszprém, een verzoekschrift voor Szálazy op om hem met klem te vragen de wapens neer te leggen ten einde bezetting en plundering van het westen van het land door het Rode Leger te voorkomen. Op dit verzoekschrift dat is ondertekend door Mgr. Apor komt geen ander antwoord dan de arrestatie van Mgr. Mindszenty. Met Kerstmis bereiken de Russen Esztergom, de hoofdstad van godsdienstig Hongarije. Mgr. Apor heeft bij dit eerste offensief van het Rode Leger kunnen constateren wat voor soort bevrijding de Hongaren te wachten stond: overal worden plunderingen, moordpartijen en verkrachtingen gemeld.

In maart 1945 stort de Duitse verdedigingslinie in en begeven de Russen zich in allerijl naar Györ. In de stad worden verschrikkelijke straatgevechten geleverd. Op 28 maart, Aswoensdag, stort het brandend dak van de kathedraal in en slaat de vlam over op het hele bouwwerk. De bisschop heeft zich teruggetrokken in zijn residentie die van de bombardementen is gevrijwaard en waar hij een groot aantal vluchtelingen heeft opgenomen; in de ruime kelder houden een honderdtal vrouwen die vrezen verkracht te worden zich verborgen.

Onbewogen aanzien

Seksueel geweld tegen vrouwen is helaas geen recent  kwaad, noch een misdaad die tot een voorbij verleden behoort. In zijn Brief aan de vrouwen van 29 juni 1995 schreef Paus Johannes Paulus II (n.5): «Hoe zouden wij kunnen voorbijgaan aan de lange en vernederende – ofschoon vaak «verborgen» – geschiedenis van geweld jegens vrouwen op het gebied van de seksualiteit? Wij mogen dit niet onbewogen aanzien noch erin berusten. De tijd is gekomen om de vormen van seksueel geweld, waarvan vrouwen veelal het voorwerp zijn, krachtig te veroordelen en wettelijke maatregelen te nemen die de vrouwen effectief behoeden voor dergelijk geweld. Ook mogen wij, uit naam van de eerbied voor de menselijke persoon, niet nalaten de wijdverbreide genotzuchtige en op commercie gerichte cultuur te veroordelen die het stelselmatig uitbuiten van de seksualiteit bevordert en zelfs zeer jonge meisjes corrumpeert zodat zij hun lichaam laten misbruiken voor financieel gewin».

Bereid tot ieder offer om de eerbaarheid te beschermen van de vrouwen die bij hem hun toevlucht hebben gezocht, wacht Mgr. Apor kalm de Russische soldaten af. Op woensdagavond dringen deze al schreeuwend en met mitrailleurs zwaaiend het bisschoppelijk paleis binnen. Hij reikt hun horloges en andere voorwerpen aan om hen milder te stemmen. De hele nacht weigert hij te gaan rusten en zegt: «Ik moet hier blijven voor het geval er iets zou gebeuren». De volgende dag viert hij de Mis in de kelder waar de vrouwen zich schuil houden. Onophoudelijk duiken er nieuwe soldaten op die de vluchtelingen bestelen en slaan. Een soldaat geeft de bisschop het bevel de toegang tot de kelder vrij te houden. Daar deze weigert roept een ander naar zijn kameraad: «Schiet hem een paar kogels door zijn buik!» Vilmos verzet echter geen stap. De wacht houdend brengt hij weer een slapeloze nacht door – de nacht van Witte Donderdag op Goede Vrijdag – en leest de gelovigen het Lijdensverhaal voor.

Op vrijdag stuurt Mgr. Apor twee priesters naar de Russische bevelhebbers om te vragen de personen die in het bisschoppelijk paleis hun toevlucht hadden gezocht te beschermen; een officier antwoordt cynisch dat de Russische «partizanen» het recht hebben te doen wat ze willen. Tegen zeven uur meldt zich een groep dronken soldaten, aangevoerd door een majoor die 'smorgens reeds was gekomen om te spioneren. Met geveinsde vriendelijkheid eist de onderofficier dat de jonge vrouwen die dan bezig zijn soep te maken voor de armen aan hem worden toevertrouwd «om aardappelen te gaan schillen en enig naaiwerk te verrichten»; en hij gaat met een paar soldaten de kelder in. De bisschop snelt achter hen aan; de majoor die hem opnieuw zijn eis had kenbaar gemaakt belooft hij dat hij een groep vrijwilligers, bejaarde mannen en vrouwen, zal sturen om aan zijn verzoek tegemoet te komen.

«Oom Vilmos« help!»

Maar de toon wordt heftiger, de militairen worden  steeds arroganter en de bisschop blijft onverzettelijk bij zijn weigering de jonge vrouwen te laten gaan; hij weet maar al te goed wat hen te wachten staat. De majoor barst van woede en geeft de bisschop een klap met zijn vuist; hij trekt zijn pistool maar durft niet te schieten. Mgr. Apor maakt van zijn aarzeling gebruik om hem de kelder uit te duwen; vervolgens gaat hij voor de ingang staan. Op dat moment hoort hij kreten van paniek: «Oom Vilmos« Help!...» De soldaten die beneden waren gebleven maakten zich gereed om de jonge vrouwen te ontvoeren. Mgr. Apor snelt de kelder binnen, gevolgd door zijn neef, twee priesters en de majoor. Zonder zich één moment te bekommeren om eigen veiligheid roept de bisschop de onbeschofte soldaten toe: «Naar buiten! Naar buiten!» Waarop de majoor, buiten zichzelf van woede, of één van zijn mannen, schoten lost. De bisschop wordt getroffen door drie kogels: één gaat er slechts door zijn kleren, de tweede veroorzaakt een schaafwond aan zijn voorhoofd en de derde komt diep in zijn buik terecht. Zijn neef, Sándor Pálffy, zeventien jaar oud, die had geprobeerd zijn oom met eigen lijf te dekken raakt eveneens gewond. Uit vrees voor straf van hun bazen verlaten de soldaten in allerijl het bisschoppelijk paleis.

Een aanwezige arts stelt vast dat de kogel operatief verwijderd moet worden. Mgr. Apor aan wie men vraagt of hij pijn heeft antwoordt heel kalm: «Ik dank Jezus dat ik mag lijden op een Goede Vrijdag». De ambulance die hem naar het ziekenhuis vervoert wordt aangehouden door Russische soldaten die in de hoop iets buit te maken, in het voertuig klimmen en hun zaklampen recht op het gezicht van de gewonde richten. Deze kijkt hen zachtmoedig aan en zegent hen. Na de operatie roept Vilmos Apor half bij bewustzijn meerdere malen uit: «Ja! Ja! Ja!...» Kort daarna vertrouwt hij zijn zus Gizella toe dat hij even schrik heeft gehad voor het kruis dat hem te wachten stond en dat zijn ja-geroep uitdrukte dat hij lijden en dood uit liefde voor God wilde aanvaarden. De volgende dag krijgt hij bezoek van een priester die hem verzekert dat geen van de vrouwen die in het bisschoppelijk paleis hun toevlucht hadden gezocht verkracht was. De bisschop is één en al blijdschap, glimlacht en mompelt: «Het was de moeite waard« Ik dank God dat hij mijn offer aanvaard heeft!» De kanselier van het bisdom die een klacht indient bij de Russische autoriteiten wordt onverschillig afgescheept. Hij zal weldra kennis nemen van de talloze schendingen van de soldaten van het Rode Leger die door hun officieren werden gedekt. Maar hij zal ook opmerken dat de hemelse bescherming zich heeft uitgebreid over de vrouwen voor wie Mgr. Apor aanvaard heeft zijn leven in gevaar te brengen.

«Het was de moeite waard«» In een rede van 9 februari 2008 heeft Paus Benedictus XVI bevestigd dat verdediging van de waardigheid van de vrouw tegen gedragingen die haar proberen te reduceren tot een voorwerp «de moeite waard is»: «Er zijn plaatsen en culturen waar de vrouw gediscrimineerd en ondergewaardeerd wordt alleen omdat ze vrouw is, waar men zelfs religieuze argumenten aanvoert of pressie door familie, maatschappij of cultuur uitoefent om de ongelijkheid tussen de geslachten te ondersteunen, waar gewelddaden jegens de vrouw worden begaan, waar zij het voorwerp is geworden van slechte behandeling en uitbuiting in de reclame en in de consumptie- en amusementsindustrie. Tegenover dergelijke ernstige en hardnekkige verschijnselen lijkt het nog urgenter dat de christenen zich inzetten om overal de promotors te worden van een cultuur die de waardigheid erkent die de vrouw in rechte en in de feitelijke werkelijkheid toekomt».

Het martelaarschap, een persoonlijke Pasen

De pijnen van de prelaat worden echter onverdraag- lijk. Hij kan amper nog mompelen: «Ik bied mijn pijnen aan voor mijn gelovigen». Op de ochtend van Pasen ontvangt hij de communie. Tegen de avond zakt zijn bloeddruk en de arts stelt een buikvliesontsteking vast. De stervende biecht en ontvangt het Heilig Oliesel. Hij weet nog te zeggen: «Ik groet mijn priesters; mogen zij trouw blijven aan de Kerk en moedig het Evangelie verkondigen!...» Vervolgens schenkt hij zijn moordenaars vergeving en biedt zijn leven tot herstel aan voor zijn vaderland. Vilmos Apor geeft de geest op Paas-maandag 2 april 1945, om één uur 's ochtends. Op 9 november 1997 heeft Paus Johannes Paulus II hem verheven tot de eer der altaren en sprak de volgende lovende woorden uit: «Naar het beeld van de Goede Herder die zijn leven geeft voor zijn schapen, beleefde de nieuwe gelukzalige in de eerste persoon zijn instemming met het paasmysterie tot aan de hoogste offergave toe. Hij is ook precies op de dag van Goede Vrijdag vermoord: hij werd dood geslagen terwijl hij zijn kudde verdedigde. Zo heeft hij door het martelaarschap een persoonlijke Pasen ervaren. Moge Mgr. Vilmos Apor de gelovigen aanmoedigen zonder aarzelen heel hun leven lang Christus te volgen. Dat is de heiligheid waartoe iedere gedoopte is geroepen!»

De uitvaart van de bisschop-martelaar werd in het bisschoppelijk paleis, aan het altaar van Maria, «Patrones van Hongarije», gevierd. Hij werd heel discreet in de kapel van de Karmelietessen begraven. Men had voorzien dat zijn stoffelijke resten naar de kathedraal zouden worden overgebracht zodra deze hersteld zou zijn. In 1948 was het grafmonument voltooid, maar de communistische regering verbood het. Pas in 1986 kon het stoffelijk overschot erheen worden vervoerd.

Op 11 mei 2007 zei Benedictus XVI: «De wereld heeft behoefte aan transparante levens, aan heldere zielen, eenvoudige verstandige lieden die weigeren beschouwd te worden als schepselen die niet meer zijn dan voorwerpen van lust. Het is noodzakelijk dat wij nee zeggen tegen de maatschappelijke communicatiemiddelen die de heiligheid van het huwelijk en de voorhuwelijkse maagdelijkheid belachelijk maken. Juist daarin is ons in de Maagd Maria de beste verdediging gegeven tegen de kwaden waaronder het moderne leven gebukt gaat; de Mariadevotie is de beste garantie voor het verkrijgen van moederlijke en voogdelijke bescherming in het uur van bekoring».

Laten we God, op voorspraak van Maria, Moeder altijd Maagd, en de gelukzalige Vilmos Apor, de genade vragen de deugd van de kuisheid hoog in ere te houden en bereid te zijn ieder offer te brengen om die bij ons en bij de anderen te verdedigen.

Dom Antoine Marie osb

Om het Blad van de Abdij Saint-Joseph de Clairval te publiceren in een tijdschrift, blad... of on het internetsite of een website te plaatsen, is een toelating vereist. Deze dient te worden aangevraagd per E-Mail or bij http://www.clairval.com.

Index der Briefe  - Home Page

Webmaster © 1996-2017 Traditions Monastiques