Blason  Abdij Saint-Joseph de Clairval

F-21150 Flavigny-sur-Ozerain

Frankrijk


[Cette lettre en français]
[This letter in English]
[Dieser Brief auf deutsch]
[Esta carta en español]
[Aquesta carta en català]
[Questa lettera in italiano]
6 juli 2010
H. Maria Goretti


Dierbare Vriend van de Abdij Saint-Joseph de Clairval,

«Wat is de allereerste en grootste behoefte van onze dierbare en Heilige Kerk? vroeg Paus Paulus VI« Die  behoefte is de Heilige Geest die de Kerk bezielt en heiligt« Zij heeft de Heilige Geest in ons en in ieder van ons nodig» (29 november 1972). De Heilige Geest is inderdaad onze Meester in het geestelijk leven: soms laat Hij ons eenvoudig onze gang gaan; dan zijn we als een boot die al roeiende vooruit vaart. De Heilige Geest zet ons aan het werk maar wij behouden de controle over en geven richting aan ons leven. Andere keren zet Hij zelf ons aan het werk via ingevingen die overeenkomen met zijn «gaven»; dan lijken we op een boot die al zeilend vooruit vaart: wanneer de wind waait gaan we sneller en worden we minder moe. Dan hoeven we slechts toe te stemmen in Zijn werk dat zonder al te veel inspanning en veel beter wordt verwezenlijkt. Het werk van de Heilige Geest via de «gaven» is heel opmerkelijk in het leven van de gelukzalige Ulrica Nisch, zalig verklaard door Johannes Paulus II op 1 november 1987.

Françoise Nisch is op 18 september 1882 geboren in Oberdorff, een dorp in zuidwest Duitsland. Haar ouders hebben haar buiten het huwelijk verwekt, tot verdriet van haar door en door christelijke familie. Ze wordt niettemin verwelkomd en haar doop vindt daags na haar geboorte plaats. In de herberg waar ze werkt heeft haar moeder een stalknecht ontmoet op wie ze verliefd is geworden. Daar beide jonge mensen buitengewoon arm zijn hebben hun ouders geweigerd in te stemmen met het huwelijk dat zij wilden sluiten. Daardoor voor het hoofd gestoten, dachten ze door de komst van een kind de verhoopte toestemming te krijgen. Maar pas een jaar na de geboorte van Françoise mogen Ulrich en Clotilde met elkaar trouwen. Ze vestigen zich in Unterstadion, een dorpje aan de Donau. Ze krijgen veertien kinderen van wie er slechts vijf de volwassen leeftijd bereiken; Françoise is de oudste. Kort na haar geboorte wordt ze aan haar grootmoeder en haar peettante Gertrude toevertrouwd en ontvangt van hen veel liefde en krijgt een christelijke opvoeding. Op zesjarige leeftijd keert Françoise terug naar haar ouders, maar het kost haar grote moeite zich weer aan de gezinssfeer aan te passen. Meneer Nisch is zeer streng en soms hard voor zijn oudste dochter. Zij vervult echter heel gewetensvol haar plichten en blijft haar ouders hoogachten en eerbiedigen waarbij ze sindsdien haar kracht put uit het gebed. Ze voelt zich bijzonder aangetrokken tot het tabernakel en de beeltenis van Onze-Lieve-Vrouw in de nabij gelegen kapel.

In de school van Unterstadion behaalt Françoise middelmatige resultaten; maar de catechismus leert ze met grote ijver. Na school gaat ze naar huis om zoveel als mogelijk mee te helpen in de zorg voor het gezin. «Françoise was echt goed, zal een van haar metgezellinnen zeggen. Ze was rustig en een beetje onhandig« Ze dacht niet aan zichzelf en viel nooit op». Na vijf jaar op school keert het meisje terug naar tante Gertrude die haar nodig heeft als keukenhulp in de herberg die ze samen met haar echtgenoot drijft en om voor haar drie jongens te zorgen.

Ontvangers

Op 21 april 1895 doet ze haar Eerste Communie en hetzelfde jaar ontvangt ze het Vormsel. Vanaf die dag komen de gaven van de Heilige Geest, reeds bij het Doopsel ontvangen tegelijk met de heiligmakende genade en de ingeschapen deugden, volledig in dit jonge meisje tot ontwikkeling. Deze gaven zijn als ontvangers die ons in staat stellen de ingevingen van de Heilige Geest op te vangen, zoals de zeilen het mogelijk maken de blazende wind op te vangen om het schip vooruit te voeren. Op die manier wordt de ziel in staat gesteld de volmaaktste werken van christelijk leven te verwezenlijken, onophoudelijk en zonder moeite, in ongestoorde vreugde, de verlangde offers en ervaren moeilijkheden ten spijt. De gaven zijn geen zonderlinge verschijnselen; ze helpen ons zowel bij de kleinste details als bij de grootste daden in ons leven.

In 1898 gaat Françoise naar een oom die een kruidenierswinkel in Sauggart heeft. Met het verdiende salaris zal ze haar ouders financieel kunnen steunen. De taak gaat haar krachten echter te boven: in de winkel werken, in het huishouden, voor de kleine kinderen zorgen, haar geesteszieke tante verplegen. Dag na dag krijgt ze kritiek te verduren en wordt onheus van allerlei dingen beticht. Na een jaar verlaat ze Sauggart en gaat naar Biberach om in een brood- en banketbakkerij te gaan werken. Ze hoort echter dat Duitse dienstmeisjes meer verdienen in Zwitserland dan in eigen land. Ze treedt dus in oktober 1901 in dienst bij de familie Morger in Rorschach, in Zwitserland, om voor vier kinderen te zorgen.

In 1904 wordt Françoise door een zo ernstige vorm van belroos in het gezicht aangetast dat men vreest voor haar leven. In het ziekenhuis maakt ze kennis met de zusters van Ingenbohl. In 1884 had Pater Theodosius Florentini, Capucijn, in Zwitserland de Congregatie gesticht van de Zusters van het Kruis die zich wijden aan het onderwijs en de hulp aan armen. In 1856 is een nieuwe tak van de Congregatie opgericht, met Moeder Thérèse Scherer (zalig verklaard door de Paus op 29 oktober 1995), voor de ziekenzorg: het betreft de Zusters van Liefde van het Heilig Kruis die zich in Ingenbohl vestigen en weldra zich verspreiden over meerdere landen. De geest van opoffering, gebed en overgave aan God van deze zusters maken zo'n indruk op Françoise dat ze besluit religieuze te worden. Op 17 oktober 1904 treedt ze in bij de Zusters van het Kruis in het klooster van Hegne, een Duits stadje op de oever van het Bodenmeer. Ze wordt ingezet bij de keukendienst. Het is vermoeiend werk dat de nodige offers verlangt zoals, door de week, het ontberen van de mis en de communie, het gemeenschappelijk gebed en de recreatie. Voor het tweede deel van haar postulaat wordt ze naar een ander huis, in Zell-Weierbach, gestuurd. Daar zijn de religieuzes maar met hun drieën en de Overste, bejaard en ziek, heeft een hulp nodig. Françoise vervangt haar in de keuken, werkt aan het onderhoud van het huis dat weldra blinkt van properheid en zorgt ook voor de zieken. Ze lijdt er in het geheel niet onder en haar vroomheid wordt er alleen maar door versterkt.

De zoete naam van de Vader

De gave van vroomheid is Françoise tot steun: het is een gave die ons helpt in het diepst van onze ziel de zoete naam van de hemelse Vader uit te spreken met iets van het accent dat Jezus had wanneer hij die uitsprak. Dit gevoel voor het goddelijk vaderschap voert er ons vervolgens toe de anderen te beschouwen als de kinderen van dezelfde Vader: in onze betrekkingen met hen leggen we dezelfde zachtmoedigheid, dezelfde liefde als die van de Vader. Het besef kind van de Vader te zijn behoedt Françoise voor iedere vorm van angst, ieder wantrouwen ten opzichte van God en zijn Voorzienigheid. Bovendien leert de Heilige Geest haar van werken een gebed te maken. Het is geen geforceerde poging om altijd aan God te willen denken, noch een kunstmatige houding die men aanneemt maar heel eenvoudig en zonder dwang acht slaan op Gods aanwezigheid. Dankzij de gave van vroomheid begrijpt Françoise dat Christus haar echtgenoot is en weet ook hoe intiem ze is verenigd met de Heilige Geest. Ze koestert ook een grote devotie voor de Heilige Maagd, H.Jozef, H.Franciscus van Assisië, als ook voor haar engelbewaarder. Sinds haar kinderjaren is ze trouwens begunstigd met een bijzonder voorrecht: het mogen zien van haar engelbewaarder. In haar onbevangenheid denkt ze dat dat voor iedereen zo is. Wanneer ze ontdekt dat ze zich vergist zal ze er meerdere dagen door van slag zijn, in de vrees dat deze genade maar een illusie is.

Ze wordt naar Hegne teruggeroepen om er haar noviciaat te beginnen en ontvangt het kloosterkleed op 24 april 1905, samen met de naam Zuster Ulrica (naar de voornaam van haar vader, Ulrich; H.Ulrich was bisschop van Augsburg). De volgende dag hervat ze haar werk op de keukenafdeling. Daar had ze niet bepaald van gedroomd; het werk was zwaar, maar ze weet zich aan de situatie aan te passen. Wanneer men haar vraagt: «Hoe krijgt u het voor elkaar de hitte van de oven, de vernederingen en de vele besognes te verdragen?» antwoordt ze steevast: «Uit liefde voor de Verlosser; voor de Verlosser kan men alles». Zuster Ulrica is soms verstrooid en van tijd tot tijd overkomt haar een misavontuur. Op een avond wanneer ze een verfrissing heeft klaargemaakt voor de zusters die in de waskeuken zwoegen, vergeet ze die hun te brengen! Een andere keer wanneer ze een novice heeft beloofd het fornuis in haar plaats vol te laden, doet ze de steenkool niet in het vuur maar in de asla! Dat komt haar op ernstige berispingen te staan, maar ze bewaart haar kalmte. «Men durft tenminste iets tegen haar te zeggen, merkt zuster Adama, het keukenhoofd, op, ze is niet gauw beledigd».

De weldaden van het gemeenschapsleven

Zuster Ulrica legt op 24 april 1907 haar religieuze geloften af. Onder de leiding van de Heilige Geest leidt ze eenvoudig en nederig het gemeenschapsleven verder zoals ze tot dan toe heeft gedaan. Het is een bescherming voor de gevaren van een bedrieglijke ascese en piëteit; een vorm van veiligheid die speciaal nodig is voor een ziel zoals die van zuster Ulrica die is opgeklommen naar het mystiek leven en het gevaar loopt zich te verliezen in egocentrisme. In ernst beleefd gemeenschapsleven voorkomt dat men zich in zichzelf keert: de hele dag gehoorzaam zijn aan de ingestelde orde, zichzelf en de eigen verlangens verzaken, met alle verschuldigde eer aandacht schenken aan de zienswijzen, de verlangens en belangen van de ander bevorderen de Liefde waarvan de apostel zegt dat deze lankmoedig en goedertieren is; zij praalt niet, zij beeldt zich niets in en doet niets onbehoorlijks, zij zoekt zichzelf niet, zij laat zich niet kwaad maken en rekent het kwade niet aan (1 Kor 13, 4-5). Zuster Ulrica laat nooit verstek gaan bij het gemeenschappelijk gebed, de gemeenschappelijke maaltijd en de recreatie, wanneer ze geen verplichtingen in de keuken heeft, en is alles behalve stuurs van nature. Ze kan van harte plezier maken met de anderen. Innerlijk blijft ze zich echter aangetrokken voelen tot het contemplatieve: «Ja, zo schrijft ze in haar vertrouwelijke aantekeningen, ik heb zelfs moeite met het bidden van het Brevier. Voor mijn gevoel ben ik altijd op zoek naar de rust in de liefde». Ze laat zich leiden door de gave van wijsheid die de ziel verlicht, haar vergunt de dingen Gods te smaken waarvan ze de oneindige volmaaktheid kan proeven: het leven van de Drie-Eenheid, de barmhartigheid, de gerechtigheid, de eeuwigheid, de eenvoud enz.

De dag na het afleggen van de geloften wordt zuster Ulrica naar Bühl (Duitsland) gestuurd. Daar is ze belast met de keuken van het ziekenhuis. Een koppige en altijd tegendraadse dienster die ook in de keuken werkt bezorgt de religieuzes voortdurend problemen; het moet gezegd dat ze erg veel werk had. Tegen alle verwachtingen in lukt het zuster Ulrica de vrede te bewaren met haar omdat ze, al naar gelang de gelegenheid, weet toe te geven of op welke manier de problemen wijselijk te voorkomen. Het is een ware opluchting voor de Moeder Overste. Zuster Ulrica weet, met verbazingwekkende zekerheid, het juiste moment te kiezen, het juiste woord te vinden, dankzij de gave van raad. Deze vervolmaakt de deugd van behoedzaamheid en stelt de mens in staat de dingen juist te zien, in bijzondere gevallen te onderscheiden wat goed voor zichzelf en voor de anderen is, en maakt het mogelijk zich er meteen voor in te zetten, zelfs voor de gewoonste dingen des levens.

Wanneer iemand haar op een dag vraagt waarover ze zo al mediteert, antwoordt zuster Ulrica: «De attributen van God. Wat ik het liefste doe is de goddelijke eenvoud beschouwen». De gave van inzicht, die het geloof vervolmaakt, stelt haar in staat diep door te dringen in de geheimen van God en de verborgen betekenis van de woorden van de Schrift. Ze ziet met name de diepe betekenis van het Heilig Misoffer dat voor haar «de grootste akte van dankzegging, het hoogste en krachtigste smeekoffer, de grootste vreugde en het grootste geluk» is. «Ze sprak over Gods attributen op zo'n sublieme wijze, verhaalt een van haar zusters, dat ik, met mijn zwak menselijk begrip, het niet vatte en haar met verbazing aanhoorde: waar haalde zo'n eenvoudige zuster dergelijke wijsheid vandaan?»

Een verbazingwekkende sereniteit

In de maand oktober 1908 wordt zuster Ulrica overgeplaatst naar het St.-Vincentius Huis van Baden-Baden, waar zuster Bonaventure weldra Overste wordt. Deze bekwame, krachtdadige en angstvallig nauwgezette vrouw laat anderen graag haar overmacht voelen. Naar gelang ze de jonge zuster van de keukenafdeling beter leert kennen, raakt zuster Bonaventure doordrongen van haar weinig alledaagse deugdzaamheid. Zuster Ulrica werkt onder het gezag van een zuster die het ontbreekt aan zelfbeheersing, vaak grof is jegens de anderen en zelfs een zekere neiging tot alcoholisme vertoont. De eenvoud van zuster Ulrica ergert haar en ze vat ook een zekere jaloezie op wanneer ze ziet hoe de meisjes die in de keuken werken haar vereren. Op een dag bereikt haar ergernis een hoogtepunt en brengt haar ertoe haar hulp eens flink te vernederen. De jonge zuster bewaart het stilzwijgen, maar kan haar tranen niet bedwingen. Ze trekt zich discreet terug om in de kapel haar toevlucht te zoeken en komt even later terug met de wangen nog nat, maar op haar gezicht een rustige glimlach. Een zuster die van het voorval getuige was vertelt: «Ik had zuster Ulrica graag een standje gegeven om zich zo te laten behandelen zonder te reageren. Ik had op dat moment die zuster dood kunnen slaan». De Overste zal nog opmerken: «Als zuster Ulrica geen bijzondere genaden had ontvangen had ze haar grote beproevingen niet met zoveel sereniteit kunnen doorstaan». Bij zuster Ulrica valt op welke invloed de gave van sterkte heeft. Deze helpt ons de werken van christelijk leven tot een afgerond einde te brengen ondanks de talloze moeilijkheden en obstakels die we tegenkomen. Deze beschermt de ziel ook tegen ongeordend vertier, hartstochten, onstandvastigheid en grilligheid, verzekert haar van zelfbeheersing, doorzettingsvermogen in onwankelbare gerichtheid op het goede. Zonder die gave zijn we niet opgewassen tegen een moeilijke taak, niet in staat tot volmaakt christelijk leven, zullen nooit meester worden in de kunst met genoegen onze tijd, gezondheid en leven op te offeren, uit trouw aan een roeping, welke deze ook moge zijn. Door de gave van sterkte hebben we soms een energie en een vasthoudendheid die de menselijke mogelijkheden verre overtreffen, zoals bijvoorbeeld bij martelaren.

Zuster Ulrica lijdt aan hevige hoofdpijnen en een slijmvliesontsteking die degenereert tot een etterige voorhoofdsholteontsteking. Moedig ondergaat ze de noodzakelijk geworden operatie en hervat in alle rust haar werk. Ze is ervan overtuigd dat wanneer men zijn vertrouwen stelt in God en zijn hulp, men niet in de steek zal worden gelaten: «Argwaan jegens jezelf en vertrouwen in God, dat is het beste», zegt ze. In het licht van de contemplatie vat ze ook wat de waarde is van nederigheid en vernedering. Ze begrijpt dat de talloze gelegenheden om beschuldigd of berispt te worden hun diepste bestaansgrond vinden in Gods toestemming. Zij zijn voor alles middelen tot een intiemere eenwording met Jezus die zelf ook onder verachting heeft geleden.

Kleine attenties

Vredig en blij houdt zuster Ulrica het moreel van iedereen hoog met haar geestige reacties. Ze leert de meisjes die ze in de keuken onder haar hoede heeft mooie kerkgezangen en soms wordt er zelfs gedanst. Haar liefde voor de naaste komt met name tot uiting tegenover een arme dienster, Gusti. Toen zij heel jong was werkte ze in een herberg waar ze kennis maakte met een vrouwenverleider. Raakte in verwachting en werd in de steek gelaten. Gekweld door angst en wanhoop bracht ze een kind ter wereld dat ze in een sloot gooide. Werd veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf en weldra voorwaardelijk in vrijheid gesteld vanwege goed gedrag. De Zusters van het Heilig Kruis hebben haar in huis gehaald, maar de omgeving is op haar hoede en houdt haar op een afstand. Zuster Ulrica is hiervan op de hoogte en begint zich met heel bijzondere zorg om haar te bekommeren. Het is geen gemakkelijke karwei want de dienster koestert tegenover iedereen een onverbiddelijke haat. Zuster Ulrica bidt en biedt God haar vernederingen en haar dagelijks leed aan voor de inkeer van haar beschermelinge. Beetje bij beetje, dankzij kleine attenties, een glimlach, een bemoedigend woord verandert Gusti's gestemdheid en wordt ze weer normaal in de omgang. «Zuster Ulrica heeft mij een nieuwe ziel gegeven», zal ze later verklaren. Gusti zal een gelukkig huwelijk sluiten.

Zuster Ulrica drukt een van de dingen die haar groot leed bezorgen als volgt uit: «Ondanks de talloze genaden, nog altijd gebreken!» Het betreft tekortkomingen die het oog van de anderen ontgaan, fouten als zwakheid, nalatigheid, gehaastheid, die het gevolg zijn van de menselijke broosheid. Tegenover een priester bekent ze: «De betrekkingen met mijn medezusters worden van dag tot dag moeilijker. Ik kan niet veel verdragen, vooral 's morgens. Als iedereen eens zijn mond kon houden«want ik ben zo vaak zo kwaad!» Verder merkt ze nog op: «Ik ben helemaal niet tevreden met mezelf«wat ben ik op dit punt ( gulzigheid) zwak!» Aan een zuster schrijft ze echter: «Men kan en moet zijn zonden betreuren, maar men moet de moed niet verliezen en vreesachtig worden. Iedere fout moet ons sterker maken in de nederigheid en van nut zijn voor de steeds grotere erkenning dat we helemaal niets zijn». Zuster Ulrica is doordrongen van de gave van ontzag. Het betreft de vrees God te mishagen en zijn liefde te verliezen. Het is een sterk besef van de heiligheid van God dat de ziel doordringt met al haar middelen, en zelfs het lichaam met al zijn zinnen en waardoor in de mens een doelmatige haat ontstaat ten aanzien van de zonde. Zuster Ulrica smeekt in haar gebeden om barmhartigheid voor alle zondaren: «O, zachtmoedig Hart van Jezus, red hen! Genees uw volk! Kon ik hun allen maar de Liefde leren kennen en hun de brandende dorst naar Jezus laten voelen!»

«We gaan naar huis»

In 1912 raakt zuster Ulrica ernstig verzwakt en moet al haar krachten verzamelen om te kunnen doorwerken. Bij een medisch onderzoek treedt een gevorderde vorm van tuberculose aan het licht. De zieke lijkt niet verbaasd te zijn: haar Overste die haar verwijt dat ze haar kwaal heeft verzwegen geeft ze als antwoord: «We gaan naar huis. Ons vaderland is Daar Boven en niet hier op aarde. Ik ga graag dood». Dit verlangen naar het hemels vaderland ontlokte haar ook de opmerking dat «men zich des te meer om het toekomstig leven moet bekommeren daar het aardse leven voorbij gaat en het andere eeuwig blijvend is». Verlicht door de gave van kennis is zuster Ulrica zich bewust geworden van de kortstondigheid en de beperktheid van de aardse dingen die niet bij machte zijn ons naar waar geluk hunkerende hart tevreden te stellen.

Ze heeft begrepen hoe weinig alles wat gewoonlijk de ambitie van mensen prikkelt om het lijf heeft: geld, eer, wetenschap en zelfs gezondheid. Deze overtuiging die de mens bevrijdt van de bovenmatige heerschappij van de schepselen gaat evenwel, dankzij dezelfde gave van kennis, gepaard met het vermogen in de schepselen de schoonheid, de goedheid, de waarde die God in hen heeft gelegd te onderscheiden. Door de gave van kennis krijgen we inderdaad een grote zuiverheid van blik die ons in staat stelt in de schepselen een weerspiegeling waar te nemen van de goedheid, de wijsheid en de heiligheid van de Schepper; in al hun eigenlijke zwakheid worden de schepselen zo een middel om dichter bij God te komen. Volgens zuster Bonaventure leek zuster Ulrica's gebed op dat van H.Franciscus die God door de hele schepping heen zag.

Wanneer ze in het ziekenhuis is opgenomen is zuster Ulrica het voorwerp van bijzondere zorg en aandacht. Tegen de zusters die haar hun sympathie betuigen zegt ze met een glimlach: «Wanneer ik in het paradijs ben zal ik voor jullie bidden». Ze vindt zelfs een manier om met de nieuwe toestand waarin ze verkeert de draak te steken: «Ik leid nu het goede leven van de cliënten die hier komen kuren: goed eten, wandelen, slapen!» In september 1912 wordt ze op verzoek van de artsen overgebracht naar Hegne. Daar moet ze het zonder geestelijke leiding stellen hetgeen haar heel zwaar valt. «Ik heb niemand met wie ik over mijn innerlijk leven kan spreken, schrijft ze aan zuster Bonaventure. Nu ken ik geen vertroosting meer, noch goddelijke, noch menselijke, en dat is soms heel hard». Waar ze ook onder lijdt is de verleiding te geloven dat alles wat ze met Onze-Lieve-Heer heeft ervaren slechts een van de vijand afkomstige illusie is.

Haar laatste dagen zijn één ononderbroken gebed. De rozenkrans heeft ze altijd in de handen. Bij de hevige hoestbuien die ze heeft zegt ze steeds weer: «Alles voor mijn Lieve Heer!» Op 8 mei 1913 loopt een verpleegster 's avonds op haar bed toe om te zien of ze iets nodig heeft, terwijl in de kamer ernaast een andere zieke zuster een hevige hoestaanval krijgt. «Gaat u eerst naar die zuster», mompelt zuster Ulrica. Wanneer de verpleegster terugkomt heeft zuster Ulrica de laatste adem uitgeblazen.

«De leer omtrent de gaven van de Heilige Geest, zo zei Paus Johannes Paulus II, blijft een zeer nuttig magisterium van geestelijk leven om ons te leren hoe we een onophoudelijke dialoog met de Heilige Geest kunnen aangaan en ons in vertrouwen en liefde kunnen overgeven aan zijn leiding«.Daarom is het van fundamenteel belang dat wij met Hem in harmonie zijn» (3 april 1991). Laten we Gelukzalige Ulrica Nisch vragen voor ons een grote onderhorigheid aan de werking van de Heilige Geest in ons leven te verkrijgen. Moge Maria, Koningin van alle heiligen, Moeder en toevlucht van de zondaren, deze genade voor ons verkrijgen!

Dom Antoine Marie osb

Om het Blad van de Abdij Saint-Joseph de Clairval te publiceren in een tijdschrift, blad... of on het internetsite of een website te plaatsen, is een toelating vereist. Deze dient te worden aangevraagd per E-Mail or bij http://www.clairval.com.

Index der Briefe  - Home Page

Webmaster © 1996-2017 Traditions Monastiques