Blason  Abdij Saint-Joseph de Clairval

F-21150 Flavigny-sur-Ozerain

Frankrijk


[Cette lettre en français]
[This letter in English]
[Dieser Brief auf deutsch]
[Esta carta en español]
[Questa lettera in italiano]
30 september 2009
H. Hieronimus


Dierbare Vriend van de Abdij Saint-Joseph de Clairval,

Een aalmoezenier van de militaire kring van Atrecht richt zich op een dag van het jaar 1886 tot de eerwaarde  Georges Bellanger om hem zijn hulp te vragen bij zijn ambt als bedienaar van het sacrament van Boetedoening. De jonge priester wil dat wel doen en komt naar de militaire kring en ontdekt er al gauw zijn roeping ten dienste van de soldaten. Tegen degene die hem had uitgenodigd verklaart hij: «Aan u heb ik mijn roeping te danken, want ik was de minst aangewezen persoon om militair aalmoezenier te worden». In 1998 zal Paus Johannes Paulus II spreken over de heldhaftigheid van deugden van de eerbiedwaardige Georges Bellanger.

In Bourbourg, in het noorden van Frankrijk, geboren op 24 mei 1861, feest van Maria Auxiliatrix, ontvangt Georges twee dagen later het doopsel. Zodra het mogelijk is draagt zijn moeder hem naar de oude kerk Notre Dame des Miracles de Saint-Omer om hem toe te wijden aan de Heilige Maagd. Zijn vader sterft op 24 februari 1865 ten gevolge van een ongeval en laat zes kinderen achter. Zijn weduwe is urenlang in het niets verzonken. Terwijl ze alleen met haar kleine Georges aan het sterfbed staat, zegt ze tegen hem: «Mijn kind, je bent wees. Welnu! Vergeet niet dat de heilige Jozef voortaan de vader van ons gezin zal zijn!». Met vertrouwen op dit machtig beschermheerschap neemt mevrouw Bellanger de leiding over het familiale landbouwbedrijf op zich. Als eerste heel vroeg in de ochtend opgestaan, begint ze de dag met een lang stil gebed, verdeelt vervolgens de taken onder de arbeiders en gaat wanneer mogelijk naar de kerk voor de Mis« Iedere dag wordt gezamenlijk het Angelus, de rozenkrans en het avondgebed gebeden.

Een moeilijk kind

Om haar te helpen bij de opvoeding van de kinderen neemt mevrouw Bellanger de meter van Georges, die onderwijzeres is, bij haar in huis. Zoals ze zelf bekende, bezorgde haar petekind haar «meer last dan alle anderen». Georges legt inderdaad een sterke neiging tot koppigheid, woede-uitbarstingen en leugenachtigheid aan de dag. Bij de minste geringste ergernis ziet men hoe hij beurtelings bleek wordt, rood aanloopt en schreeuwend op de grond rolt. Tijdens een wandeling valt de kleine jongen, in de ban van de bloemen, in het water. Zijn onderwijzeres haalt hem eruit. Thuis aangekomen en nog kletsnat van top tot teen, beweert Georges dat hij niet bij het water is geweest en niemand kan hem het tegendeel doen bekennen! Wanneer ze begrijpt dat de straffen maar weinig invloed hebben op het zeer grillig karakter van haar zoon, keert mevrouw Bellanger zich tot God en doet haar best om Georges te vormen aan de hand van de geloofsgegevens waarbij ze tevens een beroep doet op zijn goed, fijngevoelig hart. Rond zijn zevende of achtste jaar laat het kind zich verleiden tot een grote leugen. Zijn moeder neemt hem op schoot en vraagt hem het nooit weer te doen. «Ik zou nog liever zien dat je dood was!» voegt ze eraan toe. Die uitspraak laat een onvergetelijke indruk achter in het hart van de jongen.

Een van Georges' favoriete vrijetijdsbestedingen is het naspelen van de misviering. Hij draagt «zijn mis» op gezette tijden op en degenen die in huis zijn moeten die mis met ernst bijwonen. Mevrouw Bellanger buit de aantrekkingskracht die de mis op haar zoon uitoefent uit om hem te laten nadenken wanneer hij in woede ontsteekt: «Foei, zegt ze, de lelijkerd maakt zich boos en wil daarna de mis opdragen!... De goede Jezus zal niet eens naar zijn bloemen willen kijken!» De moederlijke zorgen dragen vrucht en de driftbuien van Georges worden steeds minder hevig; ze worden gevolgd door een oprecht berouw. Vanaf die tijd interesseert hij zich zeer voor de verhalen uit het Evangelie en vooral voor de plaats die de Maagd Maria erin inneemt. Hij vindt het fijn Weesgegroeten te bidden.

In de lente van 1870 vestigt het gezin Bellanger zich in Moulle. In september 1871 gaat Georges naar het kerkelijk Saint-Bertin College van Saint-Omer. Geschei–den te zijn van de zijnen valt hem zwaar, maar hij went snel aan de leefregels van het pensionaat en zijn grootste vreugde is te gaan bidden in de kapel. In de klas laat hij zien dat hij van goede wil is en serieus, maar het ontbreekt hem aan fantasie en nog meer aan geheugen. Op 1 juni 1873 doet hij zijn Eerste Communie en op 18 juli daaropvolgend ontvangt hij het sacrament van het Vormsel. Tijdens de daaropvolgende vakantie merkt één van zijn nichtjes op hoe zijn karakter is veranderd en hoe verstandig, gedwee, nederig en voorkomend hij is geworden. Op de school wordt zijn goed gedrag beloond met toelating tot de congregatie van de Heilige Maagd en het jaar daarna wordt hij belast met de begeerde taak van sacristein. In 1876 is hij een van gezondheid blakende adolescent van vijftien jaar. Hij ervaart echter ook enig innerlijk verdriet. Zijn gewetensonderzoeken waarvan men zou verwachten dat ze in de regelmaat der dagen in het pensionaat geen problemen zouden opleveren, zijn voor hem een ware beproeving. Zijn biechten getuigen van angstigheid. Gelukkig komt hij met de hulp van zijn biechtvader uit deze pijnlijke situatie.

Maar ander leed staat hem reeds te wachten. Bij terugkeer van een wandeltocht sleept hij met een been. Weldra krijgt hij erg veel pijn aan dit been. De dokter stelt als diagnose: heupjicht (tbc aan de heup). Na verloop van tijd breekt het kenmerkende abces van deze ziekte uit. De puncties ter lediging zijn bijzonder pijnlijk. Georges is vooral bang dat men hem in een andere positie legt, maar zodra hij zijn rozenkrans in de hand heeft voelt hij zich beter. Op 30 mei 1876 bekennen twee artsen tegenover mevrouw Bellanger dat het einde nabij is. In een vurige opwelling van geloof roept deze uit: «Heilige Maagd, genees onze kleine Georges, alleen als hij een heilige priester moet worden!». De 31e voelt Georges zich geheel genezen. Hij zal niettemin zijn leven lang mank blijven.

Te sober

In oktober 1876 keert Georges terug naar het Saint Bertin College. In zijn blik ligt een zekere droefheid, maar het lijden heeft hem gerijpt. In de herfst van 1879 gaat hij naar het groot seminarie van Atrecht. Zijn directeur maakt hem opmerkzaam op zijn al te sobere aanblik. «Hoe begrijpt u dan, zegt hij tegen hem, de raad van de heilige Paulus. Als er ooit iemand serieus was, was hij het wel en zei hij niet: Laat de Heer uw vreugde blijven; ik zeg u nogmaals: wees altijd verheugd« Laat iedereen u kennen als vriendelijke mensen? (Fil 4,4-5)». Georges begrijpt de les en schrijft in zijn vertrouwelijke aantekeningen: «Me niet verbeelden dat om te worden gedreven door waarachtige ijver ik altijd over dingen Gods zou moeten spreken. Vaak moet men blijmoedig deelnemen aan onbeduidende conversaties, andere keren weer zwijgen en de gunstige gelegenheid afwachten om enkele stichtende woorden te spreken».

Ondanks zijn inspanningen zich conviviaal te gedragen blijft Georges getekend door een zekere droefheid. Hij heeft vaak ernstige aanvallen van migraine, maar laat zich niet ontmoedigen en zoekt zijn kracht in de eucharistische aanbidding en de nabijheid van Maria. Wanneer de dag nadert dat hij onder-diaken wordt gewijd, wordt hij opnieuw door bekoringen overmand. Zijn geestelijk leidsman wendt al zijn invloed aan om zijn innerlijke vrede te herstellen. Op 15 juli 1883 ontvangt de eerwaarde Bellanger het onderdiaconaat en met Kerstmis wordt hij diaken gewijd. Daar hij te jong is om priester te worden gewijd, wordt Georges in 1884 benoemd tot leraar aan het klein seminarie van Atrecht. Op 12 juli 1885 ontvangt hij vol overgave de priesterwijding en hervat vervolgens zijn werk als leraar. Uitgenodigd om zijn medewerking te verlenen aan de militaire kring, wint eerwaarde Bellanger weldra ieders sympathie en vertrouwen. Veel jonge militairen komen uit verre provincies en voelen zich alleen en verlaten; de gevaarlijke genoegens vormen voor hen een voortdurende bekoring. Bij de jonge priester voelen ze zich thuis en door de avonden die ze op de kring doorbrengen worden ze weer opgebeurd. Het apostolaat van de jonge priester is in twee woorden samen te vatten: een hart om de soldaten lief te hebben, vooral degenen die het meest zijn verwaarloosd en de devotie tot Maria. De bovennatuurlijke middelen krijgen de eerste plaats toebedeeld, overtuigd als hij ervan is dat de grootste behoefte van de soldaten de behoefte aan God is. De gezonde ontspanning wordt evenwel niet verwaarloosd. Daarvoor zet hij zich ook persoonlijk in met zijn pianospel. Vanaf het begin van zijn werk laat hij de soldaten de rozenkrans bidden en ruimt voor Maria een ereplaats in. Later wordt er in de voorruimte van de militaire kring plaats gemaakt voor een beeltenis van Onze-Lieve-Vrouw van Goede Raad met een bidstoel en een bordje waarop de bezoeker wordt uitgenodigd Maria, de «vrouw des huizes», te eren met een Weesgegroet. Hij zelf laat zich opnemen in de Derde Orde van Onze-Lieve-Vrouw van de Berg Karmel. Hij zal zich aan Maria laten toewijden in de door de heilige Louis-Marie Grignion de Montfort voorgeschreven vorm.

De mannen voor wie hij zorgt zijn echter niet altijd even gedwee. Hij kent met hen ook bittere uren, maar weet met volharding tegen de moeilijkheden op te boksen. «Wij hebben geprobeerd de soldaten eerst naar de Allerheiligste Maagd te brengen, zal hij schrijven; wij hebben hun een rozenkrans in de hand gegeven, die hebben ze gebeden, en Maria heeft zich beijverd om ze naar haar goddelijke Zoon en zijn Eucharistie te leiden». Voorts getuigt hij: «Hier, bij ons liefdewerk, hebben we bijna iedere avond brave soldaten die op hun knieën de rozenkrans bidden. Ik heb er zelfs bij toeval een paar aangetroffen die met gekruiste armen baden«Maar wat ze bijna allemaal doen tijdens de lange uren van de dag en de nacht dat ze op wacht staan is zich, zogezegd, met Haar onderhouden». De priester richt een kapel in op de militaire kring en wekt onder de soldaten liefde voor de eucharistische aanbidding en de Heilige Mis: «Laten we heel trouw de Mis bijwonen, zegt hij tegen hen. Dat is bij verre de belangrijkste daad van de week». En met smart herhaalt hij een opmerking die een jonge officier had gemaakt: «Wat mij verdriet doet, wat mij een raadsel is, is te zien met welk gemak christelijke soldaten het buiten het zondagse Heilig Misoffer kunnen stellen».

«Sine dominico non possumus«

Dat was niet de houding van de eerste christenen: in het jaar 304 verbiedt keizer Diocletianus de christenen, op straffe van dood, op zondag bijeen te komen om de Eucharistie te vieren. In Abitena, een gehucht in het huidig Tunesië werden er 49 op een zondag verrast tijdens de viering van de Eucharistie. Tegenover de stadhouder die hem vroeg waarom zij het bevel van de Keizer hadden overschreden, antwoordde één van hen, Emeritus: «Sine dominico non possumus», hetgeen betekent: zonder de zondagse bijeenkomst ter viering van de Eucharistie kunnen wij niet leven. Vanwege hun trouw aan de zondagsmis werden ze ter dood veroordeeld. «Het is een ervaring waar wij, christenen van de XXIe eeuw, ook over na moeten denken, zei Paus Benedictus XVI op 29 mei 2005« Wij hebben dit brood (de Eucharistie) nodig om bestand te zijn tegen de vermoeienissen en de momenten van ontmoediging tijdens de reis. De zondag, de Dag van de Heer, is de gelegenheid bij uitstek om kracht te putten uit Hem die de Heer van het leven is. Het voorschrift deze dag te eren is dus niet eenvoudig een van buiten opgelegde plicht. Deelnemen aan de zondagsviering en zich voeden met het eucharistisch brood is een behoefte voor de christen die op die manier de nodige energie kan opdoen voor de weg die hij moet afleggen».

De relatie van de mens met God heeft een uitgesproken tijd van gebed nodig. De zondag, die de Verrijzenis van de Heer gedenkt, is bij uitstek de dag van het gebed. Op die dag viert men het misoffer dat het mysterie van Pasen weer tot leven brengt. Dat mysterie vormt de volledige openbaring van dat van de schepping, het hoogtepunt van de heilsgeschiedenis en de anticipatie op het eeuwig leven.

Met zijn persoonlijk offer verenigt Christus dat van de Kerk. In de Eucharistie wordt het offer van Christus ook het offer van de ledematen van zijn Lichaam: het leven van de gelovigen, hun lofzang, hun lijden, hun gebed, hun arbeid worden met die van Christus en zijn totale offerande verenigd; op die manier krijgen ze een nieuwe waarde.

Opdat de aanwezigheid van de Verrezene temidden van de zijnen op de juiste manier wordt verkondigd en beleefd, volstaat het niet dat de volgelingen van Christus individueel bidden« Degenen die de genade van het doopsel hebben ontvangen zijn niet alleen op persoonlijke titel verlost, maar als leden van het mystiek Lichaam. Het is dus belangrijk dat zij bijeenkomen om volledig de identiteit van de Kerk tot uiting te brengen.

Heiliging, vreugde, ontspanning

Ter herinnering aan de rust die God nam na de schepping: Op de zevende dag rustte Hij van het werk dat Hij gedaan had (Gn 2,2), maken de christenen van de zondag een rustdag; ze onthouden zich van werken en van zaken die onverenigbaar zijn met de heiliging van de dag van de Heer, met de vreugde die deze dag eigen is en met de nodige ontspanning. De zondag biedt de gelovigen ook de gelegenheid tijd te besteden aan werken van barmhartigheid, naastenliefde en apostolaat.

In de brief Dies Domini (De dag van de Heer) van 31 mei 1998 benadrukt Paus Johannes Paulus II de geestelijke en pastorale rijkdom van de zondag: «Zij is in zekere zin een synthese en een voorwaarde van het christelijk leven. Daarom is te begrijpen dat het vieren van de zondag de Kerk bijzonder na aan het hart ligt en dat dit vieren juist in het geheel van de kerkelijke tucht een plicht blijft. Het nakomen ervan moet vanuit de grond van het christelijk bestaan eerder als een diepe behoefte dan als een verplichting worden gevoeld. Het is van essentieel belang dat iedere gelovige ervan is overtuigd, dat hij in volledige deelneming aan het christelijk gemeenschapsleven zijn geloof alleen kan beleven als hij als regel aan de zondagse eucharistische bijeenkomst deelneemt» (n. 81).

De pastorale ijver van eerwaarde Bellanger komt ook in de bediening van het sacrament van Boetedoening tot uiting. Op een dag vraagt een jonge aalmoezenier hem: «Hoe krijgen we de soldaten in de biechtstoel? – Kijk, u hebt in het Evangelie de episode gelezen waarin Onze-Lieve-Heer de Samaritaanse vrouw ontmoet: Jezus interesseert zich voor deze vrouw, praat met haar over haar leven, over wat ze gedaan heeft; en dat raakt haar nu juist en opent haar hart« Welnu, doe zoals de Meester met uw soldaten. Spreek met hen over hun familie, hun persoonlijke dingen en dan snel over hun ziel die waarschijnlijk ziek is. U zult weldra de deur naar het hart gevonden hebben». Later zal de eerwaarde schrijven: «Laat de priester wel bedenken dat hij zonder de Allerheiligste Maagd niets vermag« Laat hem dus de Allerheiligste Maagd in zijn papieren opnemen, door de wonderdadige medaille of het scapulier dat de boeteling voor de biecht wordt overhandigd, door het Ave Maria dat hij samen met zijn boeteling zal bidden wanneer deze tot zijn bekentenissen overgaat». Wanneer mogelijk brengt de eerwaarde de zieke soldaten in het ziekenhuis een bezoek maar draagt vooral zorg voor hun zielen en helpt hen, wanneer het geval zich voordoet, om goed te sterven.

Op 8 maart 1891 zegent eerwaarde Bellanger een nieuwe kapel in die groter is dan de vorige en gebouwd op een stuk particulier terrein. Zijn vreugde is zeer groot. Maar in die tijd heeft de Franse regering het gemunt op katholieke werken en op 23 april ontvangt de plaatselijke militaire overheid van Parijs het bevel deze kapel te sluiten. Het is een harde klap voor de priester die op deze plek op veel genaden had gerekend. Hij verliest zijn kalmte echter niet en gaat met zijn soldaten naar de heiligdommen van Atrecht. Een vriend stelt de zitkamer van zijn huis te zijner beschikking en daar worden gebedsnachten georganiseerd. Bovendien richt de eerwaarde naast zijn kantoor een kleine gebedsruimte in. De soldaten komen er graag uren van aanbidding doorbrengen.

Een zwaar noviciaat

Eerwaarde Bellanger denkt aan het religieuze leven. Hij zou graag een groep priesters bijeen brengen die, onder de bescherming van de Heilige Maagd, beschouwing en daadkracht verenigen en die zich in het bijzonder zouden bezighouden met jongelieden, soldaten, armen, verlatenen. Hij is op zoek naar een liefdewerk dat zijn ideaal benadert en ontdekt de Congregatie van de Religieuzen van H.Vincentius a Paulo, gesticht in 1845 door Gods dienaar Jean-Léon Le Prévost († 1874). Deze religieuzen bedienen de patronaatsinstellingen voor jeugdige arbeiders en kinderen van het volk en houden zich bezig met verschillende charitatieve acties gericht op de herkerstening van de maatschappij en het geven van een christelijk antwoord op de ernstige maatschappelijke problemen. Begin februari 1894 brengt de eerwaarde Bellanger een bezoek aan de Generaal Overste. Twee jaar later, na onnoemelijk vele Weesgegroeten te zijner intentie, gebeden door de Clarissen van Atrecht, verkrijgt hij tenslotte de toestemming van zijn bisschop toe te treden tot de Religieuzen van H.Vincentius a Paulo, op voorwaarde dat hij zijn apostolaat in Atrecht zal kunnen voortzetten. Op 4 mei treedt hij dan in in het noviciaat in Parijs. Als onafhankelijke man uit één stuk, gewend om in alles zelf zijn leven te organiseren, moet hij zich nu onderwerpen aan de voortdurende controle van de Novicemeester. Ondanks alle goede wil zijn de inspanning en de strijd soms van zijn gezicht af te lezen.

Op 2 juli 1898 legt eerwaarde Bellanger zijn eerste religieuze geloften af, in vrede en in vreugde. Hij zet zijn apostolaat in Atrecht voort en doet een dringend appel op alle kloosters van Frankrijk, zet kinderen, seminaristen van het hele land en priesters aan het bidden. Aan de priesters vraagt hij tevens Missen op te dragen ten gunste van de soldaten. In de loop van het jaar 1899 schrijft hij: «Onze soldaten krijgen nog dit jaar duizenden missen en duizenden rozenhoedjes in alle seminaries of religieuze opvoedkundige instellingen in Frankrijk« Wat is Onze-Lieve-Vrouw van Goede Raad goed dat ze mij het middel heeft verschaft heel Frankrijk te laten bidden zonder van mijn stoel te hoeven opstaan!». Met zijn apostolisch vuur en ondanks zijn lichamelijke gebreken staan zijn superieuren hem toe in het bisdom Atrecht preken te houden en retraites en novenen te organiseren.

Zijn grote devotie voor Onze-Lieve-Vrouw van Goede Raad blijkt uit het kunstwerk dat hij laat maken om het schilderij van deze Maagd in de kapel van het militaire liefdewerk beter tot zijn recht te laten komen. De Madonna staat hier als Koningin, hoedster en Moeder. De vreugde van de aalmoezenier is buitengewoon wanneer Rome de Broeders van H.Vincentius a Paulo vergunning geeft het officie te bidden en de Mis te vieren van Onze-Lieve-Vrouw van Goede Raad op de dag van haar feest, 26 april. Aan de Allerheiligste Maagd heeft hij zich volledig gegeven opdat door haar het eerbetoon van heel zijn wezen en van al zijn daden Jezus aangenaam moge zijn. Tot Maria neemt hij ieder ogenblik zijn toevlucht waarbij hij, door zijn gewoonte de rozenkrans te bidden, van zijn dagen een welhaast ononderbroken lofzang op en een gebed tot Maria maakt. Hij rekent ook op haar om Jezus in de zielen te laten zegevieren. Maria preken om de zielen te winnen voor Jezus, dat is zijn genade.

Een goed deel van het jaar 1899 gaat voorbij in lijden door ziekte. Pater Bellanger is gedwongen zijn apostolische bezigheden te onderbreken om rust te nemen en de dokter vraagt dat hij van zijn militair liefdewerk wordt ontlast. Op 25 maart 1900 wordt hij benoemd tot Novicemeester in Parijs. Deze benoeming treft hem heel pijnlijk want hij was liever teruggegaan naar zijn soldaten; toch is hij bereid de nieuwe taak op zich te nemen. Zijn eerste daad is zijn taak in handen te geven van de Allerheiligste Maagd. Zijn methode bestaat vooral uit zelf het voorbeeld te geven. Hij onthult aan zijn novicen wat de grondslag van zijn leven is: Gods heerlijkheid. God heeft ons «op de eerste plaats geschapen om Hem te leren kennen en te dienen, legt hij uit; ons heil behoort slechts het gevolg te zijn van de heerschappij en de heerlijkheid van God. Ons geluk staat slechts geschreven op de achterkant van het levensboek; de heerlijkheid van God beslaat de voorkant».

En langdurige blik van liefde

In 1901 wordt in de antiklerikale regering van Frankrijk gestemd over de wet op de Congregaties. De Broeders van H.Vincentius a Paulo besluiten liever in ballingschap te gaan dan de door deze nieuwe wet geëiste toestemming te vragen te mogen bestaan, een toestemming die hun waarschijnlijk zal worden geweigerd. Begin oktober komen pater Bellanger en zijn novicen aan in hun toevluchtsoord Doornik in België. De pater gaat door een diep dal van geestelijke beproevingen: zijn ziel wordt bevangen door een verschrikkelijke dorheid. Bovendien verslechtert zijn gezondheid opnieuw. Hij wordt aangetast door tering (longtuberculose). Op 12 april 1902 geeft de dokter met klem de raad hem naar zijn familie terug te brengen om rust te nemen. De pater begrijpt dat dit een vertrek voor altijd is. Zijn ziel lijdt er hevig onder: «Ik laat de mensen begaan, zonder blijdschap, met droefenis, laat hij aan een vriend schrijven. Mijn arme ziel verdient niets anders». De laatste week van juli maakt de kwaal nieuwe vorderingen. Onbeweeglijk op zijn bed gelegen, houdt hij in de ene hand zijn crucifix en in de andere een schilderijtje van Onze-Lieve-Vrouw van Goede Raad waarop hij van tijd tot tijd een langdurige blik, vervuld van bekommernis, overgave en liefde laat rusten. Op 16 augustus geeft hij op de tonen van het avondlijke Angelus de ziel. «Ik offer mijn leven op, had hij tegen zijn zuster gezegd, voor het welzijn van mijn geliefde Congregatie«.voor het noviciaat« Ik vraag slechts één ding aan mijn novicen: dat ze hun rozenkrans niet vergeten te bidden!... Laat op mijn klein houten kruis alleen deze woorden graveren: «Ave Maria»».

Moge Onze-Lieve-Vrouw van Goede Raad voor ons de genade verkrijgen de voorbeelden te volgen die de eerbiedwaardige Georges Bellanger ons heeft gegeven met zijn ijver voor de heerlijkheid van God en het heil van de zielen!

Dom Antoine Marie osb

Om het Blad van de Abdij Saint-Joseph de Clairval te publiceren in een tijdschrift, blad... of on het internetsite of een website te plaatsen, is een toelating vereist. Deze dient te worden aangevraagd per E-Mail or bij http://www.clairval.com.

Index der Briefe  - Home Page

Webmaster © 1996-2017 Traditions Monastiques