Blason  Abdij Saint-Joseph de Clairval

F-21150 Flavigny-sur-Ozerain

Frankrijk


[Cette lettre en français]
[This letter in English]
[Dieser Brief auf deutsch]
[Esta carta en español]
[Questa lettera in italiano]
22 juli 2009
H. Maria-Magdalena


Dierbare Vriend van de Abdij Saint-Joseph de Clairval,

«Onze zielen moeten aan de voeten van Onze-Lieve-Heer liggen zoals die nederige, eenvoudige bloemen die  aan de voet van de bergen groeien« Ik vraag aan God dat wij nooit iets zullen doen om opzien te baren, maar dat wij het goede mogen doen in de schaduw, onszelf voortdurend beziend als de kleinsten in de Kerk van God». Deze woorden van Thérèse Couderc, de stichteres van de Congregatie van de Zusters van het Cenakel, onthullen wat haar eigen leven was, een verborgen en van nederigheid verbazingwekkend leven.

Jezus zelf heeft ons de nederigheid onderwezen, door zijn voorbeeld en door zijn woorden. De eerste dertig jaar van zijn leven zijn verborgen gebleven voor het oog van de mensen in Nazareth. Heel vaak heeft Hij vervolgens zijn apostelen de nederigheid aanbevolen, in het bijzonder aan de vooravond van zijn Lijden toen Hij, na zijn leerlingen de voeten te hebben gewassen, tegen hen zei: Begrijpt gij wat Ik u gedaan heb? Gij spreekt Mij aan als «Leraar» en «Heer», en dat doet gij terecht, want dat ben Ik. Maar als Ik, de Heer en Leraar, uw voeten heb gewassen, dan behoort ook gij elkaar de voeten te wassen. Ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat gij zoudt doen zoals Ik u gedaan heb. Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u : een dienaar staat niet boven zijn heer en een gezant niet boven degene die hem gezonden heeft. Wanneer gij dit beseft: zalig gij als gij er naar handelt (Joh 13,12-17).

Marie-Victoire Couderc is geboren op 1 februari 1805 in een gehucht bij Sablières, een dorp in de Ardèche, in de schoot van een gezin dat noch adellijk, noch helemaal burgerlijk is. In de Mas, een groot landgoed, leidt men een vredig, maar hardwerkend bestaan. De ouders hechten waarde aan de goed menselijke en christelijke opvoeding van hun tien kinderen. Mevrouw Couderc staat zonder dralen vroeg op om tweemaal per week naar de mis te gaan. Waneer ze nog heel jong zijn ervaren de twee oudsten, Jean en Marie-Victoire, hoe ze voor het eerst worden geraakt door de roep van God. De nog heel recente verhalen over de vervolging van de priesters en de religieuzen onder het Schrikbewind versterken hun verlangen zich aan God te geven.

Tegen eind maart 1825 krijgt Sablières een missiepost. Daar maakt Marie-Victoire kennis met pater Jean-Pierre-Etienne Terme, priester missionaris. Zij vertrouwt hem toe dat zij ernaar verlangt religieuze te worden. Een paar maanden later ontvangt pater Terme haar in het noviciaat van Aps, een huis dat hij heeft gesticht met het doel voor ogen religieuzes te vormen die zich willen wijden aan het onderwijs op het platteland. Marie-Victoire neemt de naam van zuster Thérèse aan. In die tijd houdt pater Terme zich bezig met de Sint-François-Régis bedevaart naar La Louvesc. Op een dag komt de gedachte bij hem op een huis te stichten om er vrouwen te ontvangen die op bedevaart zijn, ten einde een hoop schandaal te vermijden. Tot dan brachten de herbergiers inderdaad de bedevaartgangers van beide seksen in dezelfde kamers onder. Hij laat een huis bouwen waarin hij drie religieuzes van het noviciaat van Aps vestigt: zuster Agnès, zuster Thérèse en zuster Régis. Ondanks haar jonge leeftijd (drie-entwintig jaar), wordt zuster Thérèse benoemd tot Overste. De religieuzes van La Louvesc krijgen een dubbele taak: 's winters zorgen ze voor het onderwijs op het platteland; 's zomers nemen ze de ontvangst van pelgrims voor hun rekening Maar weldra zal het te grote aantal dames dat ze ontvangen hun huishouding ontregelen. Dan komt de jonge Overste op een lumineus idee: alleen onderdak verlenen aan personen die erin toestemmen een novene of een triduüm te doen ter ere van de heilige Régis.

Een diepe indruk

In 1828 doet pater Terme een Ignatiaanse retraite die een diepe indruk op hem maakt. Zodra hij terug is van La Louvesc preekt hij een retraite voor de zusters en kondigt aan dat de Geestelijke Oefeningen van H.Ignatius voortaan gegeven zullen worden aan de pelgrims die in hun huis worden ontvangen. In korte tijd stijgt het aantal mensen dat de retraite doet aanzienlijk. Moeder Thérèse zal schrijven: «Wij waren vol bewondering voor de vurigheid waarmee de Oefeningen werden gedaan». Geconfronteerd met al dat succes vraagt pater Terme zich af of het werk op de scholen moet worden voortgezet. Langzaam maar zeker krijgt hij de overtuiging dat alleen het retraitewerk moet worden voortgezet.

Na de dood van pater Terme, in december 1834, wordt het retraitewerk toevertrouwd aan de leiding van de paters jezuïeten. Weldra splitsen de zusters van pater Terme zich op in twee congregaties: de onderwijzeressen gaan de «Zusters van H.Régis» heten en zij die zich met de retraites belasten «Zusters van het Cenakel». Tijdens de heiligverklaring van Thérèse Couderc, zal Paus Paulus VI zeggen: «Het Cenakel is een religieuze instelling die is toegewijd aan Onze-Lieve-Vrouw, de moeder van Christus die temidden van de eerste christengemeenschap de uitstorting van de Heilige Geest afwacht, inroept en in nieuwe volheid ontvangt op de dag van Pinksteren« Het is een levensschool en een school van de christelijke leer, een toevluchtsoord van stilte en meditatie, een kliniek waarin men weer op morele en spirituele krachten kan komen«. Het Cenakel is een instelling die is gespecialiseerd in maatschappelijke dienstverlening: de geestelijke oefeningen«.Wij weten hoe waardevol een dergelijke instelling in onze moderne wereld is« De behoefte aan compensatie door middel van godsdienstige en persoonlijke intensiteit omdat men in het gewone leven alleen nog wordt gefascineerd door het kwaad (Wijs 4,12), aangetrokken wordt door lichtzinnig vermaak of wereldse belangen, past geheel en al bij de mensen van vandaag die christenen willen blijven en het waarachtig en uiteindelijk doel van ons bestaan niet uit het oog willen verliezen» (10 mei 1970).

Om onze weg naar het uiteindelijk doel veilig te stellen geeft H.Ignatius ons aan wat de tactiek van onze vijand is. Lucifer die ons het verlangen naar rijkdom en liefde voor ijdele eer van de wereld ingeeft, wil ons tegelijk naar grenzeloze trots en van daar naar alle andere zonden voeren. Onze-Lieve-Heer, daarentegen, trekt ons in de richting van een volledige geestelijke armoede en het verlangen naar verschoppelingen en verachten om in ons de nederigheid te doen ontwaken die geschikt maakt voor de andere deugden (cf Geestelijke Oefeningen, n.142,146). Weldra wordt Moeder Thérèse de gelegenheid geboden deze geestelijke leer in praktijk te brengen.

De barmhartigheid voor ogen

Op 23 oktober 1838 zorgt een verkeerd financieel rapport, dat is opgesteld door een kwaadwillende zuster, ervoor dat de bisschop van Viviers, Mgr. Bonnel, begint te twijfelen aan de capaciteiten van Moeder Thérèse. Hij ontheft haar van haar opdracht en stelt in haar plaats een novice aan van wie hij hoge verwachtingen heeft en die hij de titel geeft van «Overste-Stichteres» !... De vernedering is groot voor Moeder Thérèse. Maar diep in haar hart is ze ervan overtuigd dat de wil van God in haar leven het wegcijferen van zichzelf inhoudt en ze aanvaardt haar afzetting om onbekend verder te leven. De nederigheid is voor haar geen doel op zich, maar het middel bij uitstek om zich diep met God te verenigen en een gewillig werktuig van zijn heilige wil te worden. Deze houding komt voort uit een geloofszekerheid: «We zijn verplicht toe te geven en te geloven, zo zal ze later schrijven, dat Hij in alles wat Hij verordent of toelaat de barmhartigheid voor ogen heeft« Alles wat van de Goede Meester komt is goed als Hij zelf». Hoewel het voor de menselijke natuur soms moeilijk is deze goedheid van God in bepaalde beproevingen te erkennen, is het altijd mogelijk hierin een nog kostbaarder goed te zien schitteren, het Kruis: «Laten we het Kruis omhelzen, zo als het ons wordt gegeven, vraagt Moeder Thérèse. Jullie weten dat het alles heiligt wat het aanraakt sinds het zelf is geheiligd door Degene die de bron van alle heiligheid is; laten we het liefhebben, als het mogelijk is, want hoe meer wij het zullen liefhebben, hoe meer het ons tot voordeel zal strekken».

De nieuwe Overste, die niet de geringste notie heeft van het religieuze leven, blijft maar een paar maanden in functie want door de verwarring die zij sticht in het huis, begrijpt de bisschop dat zij moet worden vervangen. Onder invloed van Moeder Thérèse kiest de gemeenschap Moeder Contenet. Zij denkt dat het gepast is de ware stichteres, die nog maar vijfendertig jaar is, af te voeren naar de laagste rang: meer dan eens vernedert ze haar, zelfs in het bijzijn van de novices die ongeremd haar voorbeeld navolgen en de draak steken met haar die in het huis dat ze heeft gesticht niets meer voorstelt. De zusters die getuigen zijn van deze vernederingen verbazen zich over de gedweeheid van Moeder Thérèse. Zuster Régis zal zeggen: «Ze zal lange tijd belast worden met de kelder en de tuin, in de weer met wieden en water gieten als een kleine dienstmaagd». Ze wordt overal buiten gehouden en krijgt voortdurend werkjes te doen die haar ver houden van de recreatie.

Een heviger lijden

«In sommige gevallen, zo zal Paus Paulus VI uitleggen, draagt de opdracht van een stichteres het karakter van een smartelijk drama, in het bijzonder wanneer de moeilijkheden uit de hoek komen van degenen die in de Kerk gezag uitoefenen, of van leden van de communauteit, dat wil zeggen wanneer zij die het leed veroorzaken vereerde en goede personen zijn, geestelijke vaders of zusters. Dat is leed dat men bij voorbaat voor onmogelijk, ondenkbaar zou houden; het komt voor binnen betrekkingen die zich afspelen op het gebied van de kerkelijke naastenliefde, die Onze-Lieve-Heer ons heeft nagelaten als hoogste en mooiste gebod; en juist daarom veroorzaakt iedere wonde die in dergelijke betrekkingen wordt aangebracht een des te heviger lijden. De liefde verhoogt de gevoeligheid en geeft die van de huid door naar het hart« Dat is, zou men kunnen zeggen, de geschiedenis van Thérèse Couderc» (Ibid).

Temidden van al deze beproevingen hoedt de Moeder zich ervoor zich kwaad te maken; soms spreekt ze deze eenvoudige woorden uit: «Het is goed», en hervat vervolgens met neergeslagen blik haar werk of gaat bedaard als gewoonlijk weer weg. Een raad die ze eens aan een zuster gaf laat zien wat haar diepste zielsgesteldheid was: «Zeg veelvuldig tegen Onze-Lieve-Heer om Hem te troosten: «Verleen mij de genade het fijn te vinden geminacht te worden, om een weinig op U te gelijken«»» In de school van H.Ignatius heeft Moeder Thérèse, ter navolging van Onze-Lieve-Heer, «het verlangen gekregen naar meer dan volmaakte nederigheid die de armoede met de arme Jezus Christus boven rijkdom, de verschoppelingen met de meer dan verschopte Jezus Christus boven eerbetoon verkiest» , en wenst liever «bekeken te worden als nutteloos en onzinnig, uit liefde voor Jezus Christus die als eerste zo werd bekeken, dan door te gaan voor wijs en behoedzaam in de ogen van de wereld» (Geestelijke Oefeningen, n. 167).

De innerlijke strijd komt evenwel in deze woorden tot uiting: «Men moet altijd bereid zijn bij voorbaat alles te aanvaarden wat de Goede God toelaat of verordent. Alleen wanneer men zo is ingesteld vindt men rust en vrede« Ik schaam me over mijn zwakheid en vooral over mijn geringe deugdzaamheid, ik die het Kruis met onwil ontvang wanneer het mij nabij komt. Maar nee, ik wil het, wat het ook zij, en ik zal altijd van ganser harte zeggen: Fiat! Fiat!... Het Kruis draagt altijd vrucht, wanneer wij het in onderworpenheid en met liefde dragen». Zonder het te beseffen handelt ze in overeenstemming met de leer van H.Benedictus die deze in zijn Regel verstrekt: «De zesde trap van nederigheid bestaat hierin, dat de monnik met het allerarmste en allergeringste tevreden is en zich bij alles wat men hem opdraagt als een onbekwaam en onwaardig arbeider beschouwt. Want hij zegt bij zichzelf met de profeet: «Ik ben tot niets geworden en zonder inzicht; als een lastdier ben ik voor U, en ik ben altijd bij U (Ps 72(73), 22-23)» (hfdst.7).

De vrucht van de nederigheid

In 1842 wordt Moeder Thérèse naar Lyon gestuurd, in een nieuwe stichting. Bijna achttien maanden lang voert ze, alleen met een zuster, de nederigste werkjes uit, in een huis dat in een staat verkeert die de gezondheid niet ten goede komt. Maar de Voorzienigheid bedient zich van haar voor de aanschaf van een ander domein dat dichtbij de kapel van Fourvière ligt en veel geschikter is voor het retraitewerk. Daar keert ze weer terug in de schaduw voor een aantal jaren die grotendeels in Lyon worden doorgebracht. Na het overlijden van Moeder Contenet, in 1852, breekt echter een ernstige crisis uit in het huis dat in Parijs is gesticht. Moeder Thérèse wordt er heen gestuurd en met veel geduld en gebed slaagt ze erin orde op zaken te stellen. In november 1856 wordt ze benoemd tot Overste in Tournon om de verkoop van dit huis van de Congregatie voor te bereiden. Haar ambtstermijn van slechts enkele maanden is samen te vatten in één woord: goedheid. Deze goedheid, uiting van de naastenliefde, schijnt voort te vloeien uit het beoefenen van de nederigheid. De grote geestelijke meester H.Benedictus verzekert ons in zijn Regel (hfdt. 7) dat we de volmaakte naastenliefde bereiken via de verschillende trappen van nederigheid. H.Paulus gaf de Filippenzen de volgende aanbeveling: maakt dan mijn vreugde volkomen door uw eenheid van denken, uw eenheid in de liefde, uw saamhorigheid en eensgezindheid. Geeft niet toe aan partijzucht en ijdelheid, maar acht in ootmoed de ander hoger dan uzelf. Laat niemand alleen zijn eigen belangen behartigen, maar liever die van zijn naasten (Fil 2,2-4).

Na haar verblijf in Tournon gaat Moeder Thérèse naar La Louvesc en vervolgens naar Lyon. Op 20 oktober 1859 geeft een pater jezuïet voor de zusters een lezing die haar diep raakt: «Hij zegt, zo vertelt ze, wat de goddelijke Meester verlangde van de zielen die zijn welbehagen waren toegedaan, die zijn wil trachtten te volbrengen, dat wil zeggen slachtoffers, aangeboden als offergave voor zijn heerlijkheid en het heil der zielen« Ik bad, ik bood mezelf aan Onze-Lieve-Heer aan, zo volledig als in mijn vermogen lag. Ik zei tegen Hem dat ik me niet als slachtoffer durfde aanbieden want de slachtoffers moesten zuiver zijn om Hem te behagen, en ik had Hem zozeer beledigd. Toen maakte Hij me duidelijk dat Hij me desondanks toch wilde, dat Hij me aannam als slachtoffer en ik hoorde duidelijk deze woorden: «Jij zal een holocaust slachtoffer zijn». Er was in mij geen enkele vorm van verzet, ik stemde geheel en al toe, maar ik beefde en kon geen woord uitbrengen». Onze-Lieve-Heer legt haar uit dat tijdens een holocaust van het slachtoffer niets overblijft en dat Hij daarom van haar verlangt dat alles in haar voor Hem is. Het gaat er dus niet zozeer om dat men door het lichamelijk en moreel lijden wordt verslonden, maar dat men wordt verteerd door de wil Hem geheel toe te behoren. Op die manier de wil van God willen doen is dus niet slaaf worden van een onbekende, verre Meester, maar luisteren naar de Heer die aanwezig is in het diepste van onze ziel.

Zich overleveren

Tegen het einde van augustus 1860 wordt Moeder Thérèse naar het huis in Montpellier gestuurd. Op de ochtend van 26 juni 1864 ontvangt ze van de Heer een klaarhelder licht: «Ik zag in één oogopslag het hele katholiek universum en een grote hoeveelheid altaren waarop tegelijkertijd het aanbiddelijk Lam werd geofferd. Het Bloed van het onbevlekte Lam stroomde overvloedig over ieder altaar« Ik was in een staat van opperste verbazing dat de hele wereld er niet door was geheiligd« Wat ik gedacht heb te begrijpen was dit: het offer is ongetwijfeld voldoende op zich, maar de zielen ontbreekt het aan overeenstemming en edelmoedigheid; welnu, die edelmoedigheid moet ons ertoe brengen ons over te leveren aan God. Maar wat is zich overleveren?... Zich overleveren is sterven aan alles en aan zichzelf, zich alleen nog met het ik bezighouden om het naar God toe gekeerd te houden. Zich overleveren is ook in niets, zowel voor het geestelijke als voor het lichamelijke, zichzelf te zoeken; dat wil zeggen geen voldoening in zichzelf meer zoeken, maar alleen op zoek zijn naar wat God behaagt». De genade die ze die dag heeft ontvangen voltooit in haar ziel de genade van de offerande als holocaust slachtoffer.

In de daaropvolgende jaren verleent de Goede God Moeder Thérèse talloze gebedsgenaden en visioenen van haar eigen armzaligheid en van de goddelijke Heiligheid, met name deze: «Plotseling zag ik als in gouden letters het woord «Goedheid» geschreven... Ik zag het geschreven op alle levende en levenloze schepselen, al dan niet voorzien van verstand... Ik begreep toen dat al wat de schepselen aan goeds hebben en alle dienstbetoon en hulpverlening die wij ontvangen van ieder van hen een weldaad zijn die wij hebben te danken aan de Goedheid die hun iets van zijn onbeperkte goedheid heeft doorgegeven opdat wij die in alles en overal zouden ontmoeten».

Dat visioen is een goede illustratie van een van de overwegingen van H.Ignatius: «Kijken hoe al het goede en alle gaven van boven neerdalen, zoals mijn beperkt kunnen van het hoogste en oneindige kunnen daarboven. En zo ook rechtvaardigheid, goedheid, mededogen, barmhartigheid enz., zoals de zonnestralen van de zon komen en het water uit de bron enz» (Geestelijke Oefeningen, n.237). De Oefeningen hebben inderdaad tot doel ons in alle dingen dichtbij God te laten leven, in een geloof dat ons Hem aan het werk laat zien, zelfs in de smartelijke momenten van ons leven.

«Ik zal u ook zonder dat volgen!»

In 1867 wordt het Cenakel van Montpellier gesloten en keert Moeder Thérèse terug naar Lyon. Sedert enige jaren voert God haar over een weg die leidt naar deelname aan de angsten die Jezus heeft uitgestaan in Gethsemanie. In een vertrouwelijk woord schrijft ze: «Gedurende heel wat jaren begreep ik niet hoe men God kon kennen en Hem niet beminnen; Ik zag overal zijn onmetelijke goedheid en ik werd overstroomd door zijn vertroostingen. Niets te zijnen dienste viel me zwaar... Maar op een dag heb ik tegen de Goede God gezegd: «Ik zal U ook zonder dat volgen!» Hij heeft het meteen serieus genomen en heeft me alles afgenomen... Ik zag weldra dat ik was verhoord en begreep wat het betekende je van God verlaten te voelen». Haar achteruitgaande gezondheid maakt haar al gelijkvormig aan Christus in zijn Lijden: al haar ledematen doen pijn, vooral de benen; ze wordt doof en wel zozeer dat ze tijdens de recreatie geen conversatie meer kan volgen. Maar vooral treedt haar ziel in doodsstrijd: ze ziet en ervaart in zichzelf de strijd die in het hart van Jezus in Gethsemanie heeft gewoed; ze voelt zijn afschuw van de zonde, zijn onvergelijkelijk verdriet om de ondankbaarheid van de zondaren en hun verblindheid. Moeder Thérèse's gewoonlijke gebed is: «Mijn God, heb medelijden met mij!»

Gedurende haar laatste jaren brengt Moeder Thérèse, stil biddend, in een rieten leunstoel haar tijd door met het uitvoeren van allerlei kleine werken. Ondanks de staat van innerlijke doodsstrijd die blijft aanhouden, lijkt haar ziel tot rust gekomen. «Mijn stil gebed is heel eenvoudig, zegt ze op een dag. Ik vraag om Gods aanwezigheid en zeg Hem alles wat ik op het hart heb. Ik feliciteer Hem met Zijn goddelijke attributen, ik wens dat alle schepselen Hem aanbidden en beminnen«, ik vraag om volharding en om heiliging van de gerechtigen, de bekering van de zondaren; in één woord, ik stort voor de goddelijke Majesteit mijn ziel uit. Heb ik vreugden, deel ik die met Hem; heb ik smart, vertrouw ik die Hem toe; in ootmoed verkeer ik in Zijn aanwezigheid».

Begin 1885 bezwijmt Moeder Thérèse op een dag en blijft meerdere uren buiten bewustzijn. De volgende dag maakt ze haar Generaal Overste deelgenoot van een verbazingwekkende waarneming die ze heeft gehad van het Vagevuur: «Sinds gisteren ben ik omringd door menigten die onafgebroken en heel indringend bidden« Ze smeken en zuchten, ze aanbidden de goddelijke Majesteit, ze prijzen die, met een onuitsprekelijke eensgezindheid, harmonie, geloof, hoop en liefde« Ik hoor dan stemmen van mannen, vrouwen en kinderen«. Hoe die bidden, hoe die zingen! Oh! Als wij zoals zij zouden kunnen bidden!»

Na een moeizame doodsstrijd op 26 september 1885 geeft Moeder Thérèse, tachtig jaar, zacht haar ziel aan God. De pelgrim die zich naar La Louvesc begeeft kan daar haar intact gebleven lichaam zien dat in alle eenvoud lijkt te slapen, zozeer ademt haar gezichtrust en innerlijke vrede.

Al wie zichzelf verheft zal vernederd, en wie zichzelf vernedert zal verheven worden (Lc 14,11). Dit goddelijk woord dat meerdere malen in het Evangelie wordt geciteerd is voor het eerst waar gemaakt in Onze-Heer Jezus Christus van wie H.Paulus ons gezegd heeft: Hij is aan de mensen gelijk geworden. En als mens verschenen heeft Hij zich vernederd, Hij werd gehoorzaam tot de dood, tot de dood aan een kruis. Daarom heeft God Hem hoog verheven en Hem de naam verleend die boven alle namen is (Fil 2,7-9). Zo ook werd heilige Thérèse Couderc «praktisch ontheven uit haar functie van Overste, werd haar titel van stichteres bestreden, gaf men haar taken en opdrachten die ver onder haar capaciteiten en verdiensten lagen. Juist dan, in die nederigheid, in die zelfgave («zich overleveren» noemde zij het), komt tot uiting hoe groot ze was», zei Paulus VI bij de heiligverklaring. De vruchtbaarheid van dit leven in nederigheid is eveneens aan de dag getreden door overvloedige geestelijke vruchten, vooral in de religieuze Congregatie die zij heeft gesticht. Tegenwoordig telt de Congregatie van het Cenakel 500 religieuzes die in elf landen aan Gods heerlijkheid werken.

Laten we aan heilige Thérèse Couderc vragen ons de beoefening van de nederigheid te leren die naar de volmaakte Caritas jegens God en de naaste voert.

Dom Antoine Marie osb

Om het Blad van de Abdij Saint-Joseph de Clairval te publiceren in een tijdschrift, blad... of on het internetsite of een website te plaatsen, is een toelating vereist. Deze dient te worden aangevraagd per E-Mail or bij http://www.clairval.com.

Index der Briefe  - Home Page

Webmaster © 1996-2017 Traditions Monastiques