Blason  Abdij Saint-Joseph de Clairval

F-21150 Flavigny-sur-Ozerain

Frankrijk


[Cette lettre en français]
[This letter in English]
[Dieser Brief auf deutsch]
[Esta carta en español]
[Questa lettera in italiano]
19 juni 2009
H. Hart van Jezus


Dierbare Vriend van de Abdij Saint-Joseph de Clairval,

Augustus 1943. In de militaire gevangenis van Berlijn-Tegel schrijft een ter dood veroordeelde met onzekere  hand de volgende regels : «Met geketende handen schrijven is niet zo erg als wanneer de wil zou zijn geketend. Soms laat God zich zien door zijn kracht te verlenen aan hen die Hem liefhebben en de aardse zaken niet boven die van de realiteit van de eeuwigheid plaatsen. Noch het gevang, noch de ketenen en zelfs de dood zijn niet in staat iemand te scheiden van de liefde van God of hem te beroven van zijn geloof en zijn vrije wil. De macht van God is onoverwinbaar». Deze «martelaar van het geweten» is in aanwezigheid van zijn 94-jarige echtgenote door de Kerk op 26 oktober 2007 zalig verklaard.

Franz Jägerstätter is geboren op 20 mei 1907 als buitenechtelijk kind van Rosalia Huber, in Sint-Radegonde, een dorp in Hoog-Oostenrijk, heel dichtbij de Duitse grens. Hij ontvangt meteen de volgende dag het doopsel en wordt in armoede opgevoed bij zijn grootmoeder. In 1917 trouwt zijn moeder met de boer Heinrich Jägerstätter en Franz is geëcht. Hij wordt erfgenaam van de boerderij van zijn stiefvader. Het is een pientere jongen, die graag leest, citer leert spelen en een rol vervult in het «Passiespel» van Sint-Radegonde, dat ieder jaar tienduizenden toeschouwers trekt. Franz, die ook zijn tekortkomingen heeft, maakt snel ruzie. Op zijn twintigste gaat hij de kost verdienen in een mijnonderneming. De jongeman bevindt zich in een materialistisch en de Kerk vijandig gezind milieu, hetgeen bij hem een godsdienstige crisis veroorzaakt. Hij gaat een tijd niet meer naar de Mis, maar hervat weldra de beoefening van het christelijk geloof; die is waarschijnlijk onvoldoende en zal niet kunnen verhinderen dat hij in een ernstige fout vervalt: in augustus 1933 wordt Franz vader van een buitenechtelijke dochter voor wie hij tot aan zijn dood zal zorgen. Hij besluit echter spoedig een serieus leven te leiden.

Een omkeer

Franz is geliefd en gewaardeerd in het dorp omdat hij altijd bereid is een dienst te bewijzen. Op 9 april 1936 huwt hij Franziska Schwaninger, een dienster uit een restaurant, geboren in 1913. De echtelieden sluiten zich aan bij een groep pelgrims die hun huwelijksreis naar Rome maken. Franziska, vurig christen die veelvuldig ter communie gaat en de eerste vrijdagen van de maand heiligt, is een jonge vrouw vol charme en humor. Franz heeft het lot uit de loterij getrokken. Hij zal later aan zijn vrouw schrijven: «Ik had nooit gedacht dat het huwelijk zoiets moois kon zijn». Aangemoedigd door Franziska's voorbeeld begint ook hij vaak ter communie te gaan; het is de omkeer in zijn geestelijk leven.

In 1933 neemt Hitler de macht in Duitsland en de betrekkingen met Oostenrijk zijn onmiddellijk gespannen. De bisschop van Linz, Mgr. Gföllner, in het diocees waarin Sint-Radegonde is gelegen, stelt in dat jaar meteen vast dat de katholieke leer onverenigbaar is met het nationaal-socialisme. Franz houdt zich aan de richtlijn van geen compromissen met het neoheidendom. Op 10 april 1938 stemt hij «nee» tijdens de door de nazi's in Oostenrijk na de Anschluss (gedwongen annexatie van Oostenrijk aan Duitsland) georganiseerde volksraadpleging. Hij is de enige in het dorp die dit durft te doen. Op 17 juni 1940 wordt Jägerstätter opgeroepen voor actieve militaire dienst in Braunau, geboorteplaats van Hitler. Hij wordt echter niet beschikbaar verklaard door tussenkomst van de autoriteiten van zijn gemeente, daar hij drie jonge dochters heeft waarvan de laatste juist is geboren. Maar in oktober wordt hij opgeroepen in Enns bij de Alpenjagers. Op 8 december wordt hij toegelaten tot de franciscaner Derde Orde waarvan zijn echtgenote eveneens lid is. In april 1941 lukt het Franz, steeds weer dankzij de autoriteiten van zijn gemeente, weer naar huis terug te keren; dan heeft hij het twee jaar betrekkelijk rustig; maar in die tijd leven zijn echtgenote en hij in bange afwachting van een brief van de Wehrmacht.

Franz weigert geenszins uit principe om wapenen te dragen. Daarin volgt hij hetgeen de Kerk leert en tegenwoordig is vastgelegd in de Catechismus van de Katholieke Kerk: «In het voorkomend geval (als de voorwaarden voor een «rechtvaardige oorlog» aanwezig zijn) heeft de overheid het recht en de plicht aan de burgers de verplichtingen op te leggen die nodig zijn voor de nationale verdediging. Wie zich als militairen ten dienste stellen van het vaderland, zijn dienaren van de veiligheid en de vrijheid der volkeren. Als zij hun taak plichtsgetrouw vervullen, leveren zij werkelijk een bijdrage tot het welzijn van de natie en de handhaving van de vrede» (n. 2310). Vanaf april 1941 is Franz echter besloten geen gevolg te geven aan een nieuwe oproep om zich onder de wapenen van het derde Rijk te begeven. Hij is er inderdaad van overtuigd, na lang en wijs beraad, dat, wanneer hij het doet, hij een zonde begaat door rechtstreeks mee te werken aan een onrechtvaardige oorlog.

In de parochie van Sint-Radegonde raadt men Franz aan zich wat toegeeflijker op te stellen. Hij weigert echter iedere medewerking aan het bewind, iedere financiering ten gunste van de NSDAP (de enige partij). Anderzijds betaalt hij graag zijn bijdrage aan de parochie om de geplunderde Kerk te verzekeren van voldoende bestaansmiddelen en deelt in het geheim levensmiddelen uit aan de behoeftigen om te voorkomen dat zij zich tot de officiële welzijnsorganisaties wenden. Hij woont voortaan iedere dag de Mis bij. Sinds 1940 is hij koster en neemt zijn functie ernstig op; hij raadt de priester discreet aan vaker te spreken over de straffen van het vagevuur, om de parochianen aan te sporen naar volmaaktheid te streven en penitentie te doen – een raad die wordt opgevolgd. Van zijn kant doet hij ook penitentie, vast en bidt twee keer zo veel. Vooral uit de heilige Communie put hij zijn kracht. Op de vraag «Kunnen wij nog iets doen?» antwoordt Franz: «Men hoort vaak: «Er is niets aan te doen; iets zeggen zou betekenen zich onnodig blootstellen aan het risico gevangen genomen of ter dood veroordeeld te worden. In je eentje is er niets aan het lot van de wereld te veranderen»« Maar om je zelf te redden, en misschien ook een paar zielen te winnen voor Christus, is het, geloof ik, nooit te laat, zo lang wij, mensen, in deze wereld leven».

Blootgesteld aan tegenstrijdigheid

Het besluit dat Franz neemt om zich te onttrekken aan een nieuwe oproep zich onder de wapenen te begeven komt hem te staan op veelvuldige kritiek in zijn omgeving. Zijn moeder wijst hem op de tragische gevolgen die zijn te vrezen voor hem en zijn familie. De eerwaarde Joseph Karobath, zijn pastoor, probeert hem gerust te stellen met de opmerking dat hij, zonder een zonde te begaan, aan de oorlog kan deelnemen omdat er geen enkele andere weg mogelijk is. Maar, zo zal de priester zeggen, «Franz heeft dat altijd tegengesproken door me een citaat uit de Schrift voor te houden: Geldt soms het woord, dat sommige lieden mij lasterlijk toeschrijven: 'Laat ons het kwade doen om het goed dat eruit volgt?' Dezen hebben hun vonnis wel verdiend (Rom 3,8)». In mei 1942 schrijft Jägerstätter: «Is het tegenwoordig hetzelfde een rechtvaardige of onrechtvaardige oorlog te voeren? Is er iets ergers dan mannen die hun vaderland verdedigen te moeten vermoorden en beroven, enkel om een antichristelijke macht te helpen zegevieren bij de vestiging van een rijk zonder God». Franz gelooft niet in een «kruistocht tegen het bolsjewisme» (de slogan die werd gebruikt om de agressie jegens Rusland in juni 1941 te rechtvaardigen). Hij weet goed dat «het communisme wezenlijk pervers is», zoals Pius XI heeft geleerd in 1937 (encycliek Divini Redemptoris), maar hij weet ook dat een goed doel immorele middelen niet rechtvaardigt. Welnu, de in Rusland door Hitler gebruikte middelen stemmen niet overeen met de beginselen van menselijkheid en eerbied voor de burgerbevolking.

Franz ondervraagt zijn bisschop, Mgr. Joseph Fliesser, die – volgens zijn eigen getuigenis – hem ervan probeert te overtuigen dat hij moet gehoorzamen aan de oproep zich onder de wapenen te begeven: de vraag of de oorlog rechtvaardig is gaat de bekwaamheid van een eenvoudig burger te boven en Franz moet op de eerste plaats aan zijn familie denken. Dit antwoord stelt Jägerstätter niet tevreden: hij vermoedt dat de bisschop hem aanziet voor een nazi uitdager. Wanneer hij in zijn omgeving het grote aantal soldaten ziet die gestorven zijn aan het front in Rusland, merkt Franz bovendien op dat zijn weerspannige houding nauwelijks minder gevaarlijk is dan zich als soldaat naar het oostfront te laten voeren. «Ik geloof dat wanneer God ons vraagt te sterven voor ons geloof, het niet iets te moeilijks is, wanneer men denkt aan de duizenden jongemannen die in deze moeilijke oorlogsjaren zijn gedwongen hun leven te geven voor het nationaal-socialisme».

God eerst bediend

Tegenwoordig is de vraag van het gewetensbezwaar in het bijzonder aan de orde voor personen die worden gesommeerd moorddadige wetten toe te passen die abortus of euthanasie toestaan. In zijn encycliek Evangelium vitæ van 25 maart 1995 leerde Johannes Paulus ons over dit onderwerp: «Abortus en euthanasie zijn misdrijven die geen enkele menselijke wet zich kan aanmatigen toe te staan Zulke wetten houden niet alleen geen enkele verplichting in voor het geweten, maar zij brengen de zware en duidelijke verplichting met zich mee om uit gewetensbezwaren er tegenin te gaan. De apostelen hebben vanaf het ontstaan van de Kerk gepredikt dat christenen aan het wettig gezag moeten gehoorzamen (Rom 13, 1-7), maar tegelijkertijd maanden zij onomwonden aan dat men God meer moet gehoorzamen dan de mensen (Hnd 5, 29)» (n.73).

In februari 1943 kondigt Goebbels de «algehele oorlog» af. De reservisten worden van dan af in dienst opgeroepen. Jägerstätter ontvangt de gevreesde oproep. Wanneer hij die in ontvangst neemt merkt hij op: «Ik heb zojuist mijn doodvonnis getekend». Terwijl zijn moeder hem smeekt niet koppig te blijven, ziet zijn echtgenote er wat haar betreft van af te proberen hem van gedachte te doen veranderen. Daar hij gedwongen is op 25 februari in de kazerne van Enns te zijn, schrijft Franz aan de eerwaarde Karobath die dan in ballingschap leeft: «Ik moet u aankondigen dat u misschien een van uw parochianen kwijt zult raken« Daar niemand voor mij dispensatie kan krijgen van de plicht iets te doen dat mijn eeuwig heil in gevaar zou kunnen brengen, kan ik niets veranderen aan mijn besluit dat u bekend is». De priester begrijpt dan welke stelling zijn vriend inneemt en keurt die goed.

Om te beginnen gaat Franz niet naar de kazerne; hij denkt erover zich in het woud te verbergen. Vervolgens bedenkt hij dat zijn vlucht represailles zou kunnen uitlokken ten aanzien van zijn familie en meldt zich in Enns op 1 maart. Reeds op 2 maart kondigt hij de officierronselaar aan dat hij weigert wapens te dragen omdat hij tegen de principes van het nationaal-socialisme is gekeerd. Dezelfde dag schrijft hij aan zijn vrouw een liefdevolle brief waarin hij haar de motieven van zijn beslissing uiteenzet; de brief eindigt zo: «Moge God je alles wat je wenst vergunnen, als het je eeuwig heil maar niet in gevaar brengt« Indien God niet toestaat dat wij elkaar hier op aarde weerzien, hoop ik dat wij spoedig in de hemel met elkaar verenigd zullen worden». Hij vraagt aan Franziska hem een brochure over de verschijningen van de Heilige Maagd in Fatima toe te sturen.

Franz wordt naar de militaire gevangenis van Linz vervoerd. Daar ontvangt hij bezoek van de eerwaarde Baldinger die hem vraagt de oproep zich onder de wapenen te begeven te aanvaarden. De priester verklaart dat het dragen van wapens niet inhoudt dat men het eens is met het naziregime; het is slechts een daad van burgerlijke gehoorzaamheid die het geweten tot niets verplicht. Maar Franz blijft bij zijn beslissing die hij duizend maal voor God heeft gewikt en gewogen: hij kan de eed van onvoorwaardelijke gehoorzaamheid aan Hitler, die van iedere soldaat wordt geëist, niet afleggen. Eerwaarde Baldinger getuigt na de oorlog van de volmaakte geestelijke gezondheid van Jägerstätter en van zijn zachtmoedigheid: hij had niets fanatieks. Franz zei trouwens vaak: «Ik vertrouw me toe aan God; als Hij wil dat ik anders handel, zal Hij het me laten weten».

In het hart van de mens

Om God te gehoorzamen en zijn ziel te redden laat Jägerstätter zich leiden door het oordeel van zijn geweten. «In het diepst van zijn geweten, zo leert het Tweede Vaticaans Concilie, ontdekt de mens een wet, die hij zichzelf niet stelt, maar waaraan hij moet gehoorzamen, en waarvan de stem, die hem steeds weer oproept om het goede te beminnen en te doen en het kwade te vermijden, op het juiste moment doorklinkt in de oren van zijn hart: «doe dit, vermijd dat». Want de mens heeft de door God geschreven wet in zijn hart ; daaraan te gehoorzamen is zijn waardigheid en volgens deze zal hijzelf geoordeeld worden» (Gaudium et spes, n. 16). «Het geweten, zo schrijft H.Bonaventura, is als de heraut en boodschapper Gods; wat het zegt, schrijft het niet uit zichzelf voor, maar het schrijft het voor als komende van God, op de wijze van een heraut die in naam van de koning een plechtige bekendmaking doet. Er vloeit uit voort dat het geweten bij machte is te verplichten».

Het geweten is echter «geen autonome en exclusieve bron voor de beslissing over wat goed en kwaad is, de waardigheid van deze rationele instantie en het gezag van haar stem en oordelen vloeien voort uit de waarheid omtrent het moreel goede en het moreel kwade, waarnaar zij geroepen is te luisteren en die zij tot uitdrukking dient te brengen. Op deze waarheid wordt gewezen door de «goddelijke wet», universele en objectieve norm van moraliteit» (Johannes Paulus II, encycliek Veritatis splendor, n. 60). Zo zien we dat «het moreel geweten de mens niet opsluit in een onoverkomelijke en ondoordringbare eenzaamheid, maar hem openstelt voor de oproep, de stem van God» (ibid., n.58).

Het Tweede Vaticaans Concilie leert: «De christenen moeten, bij de vorming van hun geweten, de heilige en zekere leer van de Kerk nauwlettend in acht nemen. Volgens Christus' wil immers is de Kerk lerares van de waarheid. Haar taak bestaat hierin, de Waarheid die Christus is te verkondigen en getrouw uiteen te zetten en tevens de beginselen van de zedelijke orde, die uit de natuur zelf van de mens voortvloeien, met haar gezag te verklaren en te bevestigen» (Dignitatis humanae, n. 14).

Hij is niet de enige

Begin mei wordt Franz overgebracht naar de militaire gevangenis van Berlin-Tegel. Daar constateert hij dat hij niet de enige is die heeft geweigerd in gewapende dienst te gaan en dat heel wat meer mensen heldhaftige verzetsdaden tegen het nationaal-socialisme hebben verricht. Hij helpt verschillende onder hen zich te bekeren en hun nabije dood te aanvaarden. Hij verneemt met blijdschap dat SS-ers zich hebben bekeerd alvorens te sterven. Aalmoezenier Kreutzberg, die reeds tweehonderd ter dood veroordeelde katholieken heeft bijgestaan, betuigt hem zijn genegenheid en respect. In de gevangenis geeft Franz, die altijd een gewetensvolle en bekwame boer is geweest, blijk van zijn liefde voor zijn familie en zijn zorgzaamheid voor zijn landbouwbedrijf. Op 12 maart 1943 schrijft hij aan zijn vrouw: «Het is weldra tijd om haver te zaaien. Wanneer je vragen hebt over de boerderij, schrijf me dan zodat ik je met raad kan helpen. God weet dat ik je echter veel liever persoonlijk zou komen helpen». Terloops geeft hij zijn schoonvader tactvol de raad: «Laat de familie niet te hard werken zodat er nog wat tijd over blijft om te mediteren en te bidden».

Jägerstätter maakt echter ook momenten van beproeving door waarin hij met name vreest dat zijn familie door zijn schuld zal worden vervolgd. Zijn echtgenote maakt hem blij wanneer ze de beproeving die ze doormaakt op christelijke wijze aanvaardt. Op 7 maart schrijft Franziska hem: «Liefste echtgenoot« dat de Wil van God geschiede, zelfs wanneer die erge pijn doet!... Je drie dochtertjes vragen voortdurend naar jou en brengen vastenoffers voor jouw terugkeer». Op 9 april schrijft Franz aan zijn vrouw, ter gelegenheid van hun zevende huwelijksverjaardag: «Wanneer ik denk aan al de genaden die ik in zeven jaar heb ontvangen, komt het me soms voor als een wonder« Daarom ook kunnen we, zelfs wanneer we de toekomst met vreze tegemoet zien, er zeker van zijn dat Hij die ons op die wijze heeft ondersteund en met weldaden heeft overladen ons niet in de steek zal laten. Als wij Hem dank brengen en doorgaan met proberen de volmaaktheid te bereiken, zal God ons eeuwige vreugde vergunnen« Mocht ik dit leven moeten verlaten, dan zou ik in mijn graf in vrede rusten omdat jij weet dat ik geen misdadiger ben».

De persoonlijke aantekeningen die Jägerstätter tijdens zijn laatste dagen heeft gemaakt laten zijn innerlijke kracht en vrijheid zien: «Men probeert nog steeds mij van mijn besluit af te brengen op grond van het feit dat ik getrouwd ben en kinderen heb. Maar maakt het feit dat je een vrouw en kinderen hebt van een slechte daad een goede? Of wordt een daad goed of slecht eenvoudigweg omdat duizenden katholieken het doen? Waartoe dient het God te vragen om de zeven gaven van de Heilige Geest wanneer je hoe dan ook blinde gehoorzaamheid moet betrachten? Waartoe dient het de mens van God verstand en vrije wil te hebben gekregen wanneer, zoals wel wordt beweerd, het niet aan hem is te beoordelen of die oorlog die Duitsland voert een rechtvaardige of onrechtvaardige is?»

Voor het proces heeft de advocaat van Franz, Feldmann, die alles wil doen om zijn cliënt te redden, gedaan gekregen dat de gevangene zijn rechters onder vier ogen mag ontvangen. Deze sporen hem aan «hen niet te noodzaken hem ter dood te veroordelen», door te accepteren dienst te doen in een sanitaire eenheid. Maar Franz wijst het aanbod van de hand want hij zou dan de eed van onvoorwaardelijke gehoorzaamheid moeten afleggen, hetgeen hij voor geen enkele prijs wil doen. Het arrest van de rechtbank van Berlijn, de dato 6 juli 1943, stelt vast dat deze weigering van gewapende dienst een misdaad is die strafbaar is volgens de wet van het Reich, daar de aangevoerde motieven van gewetensbezwaren niet ontvankelijk zijn verklaard en de beschuldigde niet als geestesziek kan worden aangemerkt. Franz wordt dus ter dood veroordeeld.

«Ik had zo graag gewild»

Op 12 juli krijgt Franziska toestemming om haar man te zien; het onderhoud van twintig minuten heeft plaats in aanwezigheid van de plaatsvervangende pastoor van Sint-Radegonde, eerwaarde Fürthauer. Deze bange priester doet vergeefs zijn best de veroordeelde ervan te overtuigen dat hij zich moet onderwerpen om zijn leven te redden. Op 8 augustus 1943 wordt Franz overgebracht naar de gevangenis van Bran–denburg. Hij krijgt te horen dat hij ter dood is veroordeeld en dat het vonnis de volgende dag zal worden uitgevoerd. Dezelfde dag schrijft Franz aan zijn familie: «Ik had u zo graag al dit leed willen besparen dat jullie door mij te verduren hebben. Maar jullie weten wat Christus heeft gezegd: Wie meer van zijn vader of moeder, of zijn echtgenote of zijn kinderen houdt dan van mij, is mij niet waard (cf. Mt 10,37)». In zijn afscheidsbrief, een paar uur voor de executie geschreven, voegt hij eraan toe: «Ik dank onze Zaligmaker dat ik mag lijden en zelfs sterven voor Hem... Moge God de offerande van mijn leven aanvaarden als boete-offer, niet alleen voor mijn zonden, maar ook voor die van de andere mensen». En hij geeft als aanbeveling geen gedachten van woede noch wraak tegen wie ook te koesteren: «Zo lang een mens in leven is, is het onze plicht hem te helpen met onze liefde om de weg naar de Hemel af te leggen».

Om 16.00 uur, 9 augustus, wordt Franz Jägerstätter onthoofd. Op de avond van dezelfde dag verklaart de eerwaarde Jochmann, aalmoezenier van de gevangenis, tegenover de Oostenrijkse zusters die een kliniek hebben in Brandenburg: «Ik kan u alleen maar feliciteren met een dergelijke landgenoot, die heeft geleefd als een Heilige en is gestorven als een held. Ik weet met zekerheid dat deze eenvoudige mens de enige Heilige is die het mij gegeven is in mijn leven te ontmoeten».

Het lichaam van Jägerstätter wordt op last van de autoriteiten verast. De urn zal na de oorlog begraven worden op het kerkhof van Sint-Radegonde.

Eerwaarde Kreutzberg, die Franz de laatste dagen van zijn leven heeft gekend, zal zich later afvragen: «Waar komt de karaktervastheid van deze eenvoudige man vandaan? Zijn brieven laten zien hoe zeer hij leefde van de grote waarheden van zijn katholiek geloof: God, de zonde, de dood, het laatste Oordeel, de eeuwigheid, de Hemel en de hel; die waarheden die hij had meegekregen in de loop van de zondagspreken in de parochie. In het bijzonder is de gedachte aan de eeuwigheid en de vreugden des Hemels voor hem van grote steun geweest en een kostbare troost in zijn lijden en het smartelijk afscheid van zijn familie».

Op 1 november 2007 verklaarde Kardinaal Schönborn, aartsbisschop van Wenen: «Wat fascineert in Jägerstätter is de helderziendheid van de martelaar die, beter dan menige academicus van zijn tijd, oog heeft gehad voor de onverenigbaarheid van het nationaal-socialisme en het christelijk geloof. Het zou evenwel een ernstige misvatting zijn te denken dat door de zaligverklaring van Jägerstätter al degenen die hun militaire dienstplicht hebben vervuld veroordeeld zijn. Jägerstätter zelf heeft de anderen nooit geoordeeld; hij heeft alleen zijn geweten tot het uiterste gehoorzaamd».

Gelukzalige Franz Jägerstätter, verkrijg voor ons dat wij de stem van ons geweten mogen volgen, geleid door onze Moeder de Heilige Kerk, zonder ons door welke menselijke overweging ook te laten tegenhouden.

Dom Antoine Marie osb

Om het Blad van de Abdij Saint-Joseph de Clairval te publiceren in een tijdschrift, blad... of on het internetsite of een website te plaatsen, is een toelating vereist. Deze dient te worden aangevraagd per E-Mail or bij http://www.clairval.com.

Index der Briefe  - Home Page

Webmaster © 1996-2017 Traditions Monastiques