Blason  Abdij Saint-Joseph de Clairval

F-21150 Flavigny-sur-Ozerain

Frankrijk


[Cette lettre en français]
[This letter in English]
[Dieser Brief auf deutsch]
[Esta carta en español]
[Questa lettera in italiano]
13 mei 2009
Onze-Lieve-Vrouw van Fatima


Dierbare Vriend van de Abdij Saint-Joseph de Clairval,

Op 20 april 2005, daags nadat hij was gekozen om plaats te nemen op de Zetel van Petrus, verklaarde Paus Benedictus XVI: «In het begin van zijn ambtsuitoefening in de Kerk van Rome die Petrus in zijn bloed heeft gebaad, stelt zijn huidige opvolger zich tot eerste taak, zonder zich te ontzien, te werken aan de wederopbouw van de volledige, zichtbare eenheid onder alle volgelingen van Christus. Dat is zijn ambitie, dat is zijn gebiedende plicht».

De eenheid van de christenen is een goddelijk, bovennatuurlijk werk dat alleen met gebed kan worden bereikt. «Bidden om eenheid is niet voorbehouden aan hen die in een omgeving leven waar de christenen verdeeld zijn», schreef Paus Johannes Paulus II in zijn encycliek Ut unum sint (Dat ze één mogen zijn) van 25 mei 1995. Ieders medewerking is noodzakelijk: «Om deze plicht nog eens te benadrukken, zo vervolgt Johannes Paulus II, heb ik aan de gelovigen van de R.-K. Kerk de trappistenzuster Maria-Gabriella van de Eenheid als exemplarisch model tot voorbeeld willen stellen ; ik heb haar op 25 januari 1983 zalig verklaard. Zuster Maria-Gabriella, door haar roeping bestemd tot een leven in afzondering van de wereld, heeft

haar leven gewijd aan overweging en gebed ; daarin stond hoofdstuk 17 van het Johannesevangelie centraal, en zij heeft haar leven geofferd voor de eenheid van de christenen. Dat is wat in ieder gebed centraal staat: zijn leven totaal en zonder voorbehoud aanbieden aan de Vader, door de Zoon, in de heilige Geest. Het voorbeeld van zuster Maria-Gabriella is leerzaam ; het laat ons zien dat bidden voor de eenheid niet gebonden is aan een bepaalde tijd, situatie of plaats. Christus' gebed tot de Vader is een voorbeeld voor iedereen, altijd, overal» (n.27).

«Ik kon niets verdragen!»

Maria Sagheddu is op 17 maart 1914, als vijfde in een gezin dat acht kinderen zal tellen geboren in Dorgali, een dorp gelegen op de oostelijke kust van Sardinië. Haar vader is herder. Haar moeder, Catarina, ziet overal op toe; zachtaardig en ferm tegelijk geeft ze leiding aan haar gezin op de weg van de vreze Gods. Maria is een opgewekt kind, met een losse tong om hetzij te eisen wat haar zint, hetzij om kritiek te leveren op wat haar niet zint. Reeds in haar kinderjaren is ze halsstarrig en ongeduldig van aard. Op een dag vraagt haar moeder aan haar de aardappelschillen weg te gooien. Maria doet of ze doof is. De moeder blijft aandringen en dwingt haar dochter vervolgens te gehoorzamen. Nijdig komt ze even later terug met de aardappelschillen die ze niet heeft weggegooid. Ze zal over zichzelf zeggen: «Toen ik kind was, kon ik niets verdragen, zelfs de straatstenen moesten het ontgelden!»

In 1919 verliest Maria haar vader. Haar eerste communie brengt geen merkbare verandering in haar gedrag teweeg. Hoewel ongelooflijk levendig van aard gaat ze zonder moeite geheel op in de boeken die ze leest en waar ze, samen met kaartspelen, meer belangstelling voor heeft dan voor vrome zaken. Op een zondag waarschuwt haar moeder haar: «De klokken luiden voor de Vespers, je moet gaan, Maria. – Ja, ik ga», antwoordt het meisje dat echter geen aanstalten maakt. Even later dringt de moeder nogmaals aan: «Het is al laat, Maria» en gaat naar buiten terwijl ze de deur op een kier laat staan. Maria kan haar boek niet dichtdoen en de Vespers lopen ten einde zonder haar. Het meisje zou de zondagsmis niet overslaan, maar aangezien de Vespers facultatief zijn, slaat ze die graag over.

Levendig van geest en intelligent als ze is, hoort Maria op school bij de beste leerlingen. Ze blinkt vooral uit in rekenkunde en tikt zelfs de onderwijzeres op de vingers wanneer ze ergens een fout of onachtzaamheid opmerkt. Aan het eind van de lagere school, moet ze van school af om in het huishouden te helpen. Daar blijkt ze heel serieus in en toont een groot plichtsgevoel. De armoede van haar familie stimuleert haar om zich met hart en ziel in te zetten voor het huishouden, het wassen van het linnengoed in de rivier, de vervaardiging van het brood in de nacht, het werk op de akkers. Ze houdt er echter niet van opmerkingen te krijgen en gehoorzaamt slechts grommend. Rond haar veertiende weigert ze, bewust van haar gebreken, zich aan te sluiten bij de Katholieke Actie, een vereniging van jongeren van de parochie, want ze voelt zich nog niet rijp om aan de eisen die een dergelijke verbintenis stelt, te beantwoorden.

Maria is nog geen zeventien jaar in 1932, als haar zus Giovanna Antonia, die een jaar jonger is, sterft. Maria was erg gehecht aan deze frêle en vaak zieke zus die ze had omringd met al haar liefdevolle zorgen. Ze denkt dan na over de zin die ze aan haar eigen leven wil geven. Er doet zich een diep gevoelde verandering voor in haar bestaan. In die tijd wordt ze er zich van bewust dat godsdienst vóór alles een ontmoeting is met Iemand, Christus, die naar de Vader voert. In zijn encycliek Deus Caritas est, schrijft Paus Benedictus XVI: «Christen zijn wordt niet in eerste instantie bepaald door een ethische beslissing of hoogstaand idee, doch door een ontmoeting met een gebeurtenis, met een Persoon, die ons leven een nieuwe horizon en daarmee de beslissende richting geeft» (Inleiding). Maria heeft het mysterie van deze ontmoeting niet onthuld, maar de gevolgen ervan zijn goed zichtbaar. In weerwil van haar aangeboren trots schrijft ze zich in voor de Katholieke Actie, meldt zich aan als vrijwilligster voor de catechismusles aan kleine meisjes, brengt langdurige momenten door in gebed en groeit uit tot een zachtmoedige, fijngevoelige jonge vrouw. In het begin geeft ze catechismusles met een stokje in de hand. Maar op een dag neemt de kapelaan het stokje weg en legt op die plaats een briefje neer waarop staat geschreven: «Wapent u met geduld en niet met een stokje». Maria accepteert de vermaning en verandert van methode.

«Waar u maar wil!»

Maria leest in de Inleiding op het devoot leven van de Heilige Franciscus van Sales dat sommige meisjes de wereld verlaten voor het klooster: «Waarom ik niet?» zegt ze bij zichzelf. Twee jaar lang denkt ze veel na en weigert de huwelijksaanzoeken die haar worden gedaan. In 1935 vertrouwt ze eindelijk haar plan het religieus leven in te gaan toe aan kapelaan Don Meloni die geen haast maakt met daarop een goedkeurende reactie te geven. Alvorens naar een andere parochie te vertrekken vraagt Don Meloni echter wel aan Maria waar ze religieuze wil worden. «U mag me heen sturen waar u maar wil», antwoordt ze. Haar verlangen is de Heer toe te behoren en de plek doet er weinig toe. De priester verwijst haar naar de Trappistinnen van Gottaferrata, dichtbij Rome. Wanneer ze eenmaal op de hoogte is aanvaardt mevrouw Sagheddu het voornemen, maar verwijt haar dochter dat ze er niet eerder over heeft gesproken.

Ondanks het verzet van een van haar broers die van oordeel is dat zij haar familie te schande maakt, treedt Maria in Grottaferrata in op 30 september 1935. Daar treft ze een nieuwe wereld aan waar ze diep van onder de indruk is. «Toen in de spreekruimte het hek open ging en ik nieuwe dingen zag en ongebruikelijke woorden hoorde, schreef ze aan haar moeder, leek het of het paradijs voor mij open ging« Als u de zusters zou horen zingen, zou u geloven dat u engelen hoorde». Ze neemt de naam Maria-Gabriella aan. Haar aanpassing verloopt geleidelijk. «In het begin van haar religieus leven, zo zal haar zus schrijven, was haar ongeduldigheid, haar voornaamste tekortkoming, nog niet verdwenen. Zag men haar niet op een dag ongeduldig reageren tegenover Moeder Meesteres omdat een mes haar te klein leek en ongeschikt om mee te schillen? Een andere dag klopte ze aan de deur van Moeder Abdis. Geen antwoord. Ze klopt opnieuw en weer blijft het stil. En zo zes keer achter elkaar. Uiteindelijk slaat ze met de vuist op de deur en loopt zeer geërgerd weg. Ze hield er niet van haar tijd te verliezen!» De Ondermeesteres maakt er haar attent op dat ze in de refter niet genoeg brood eet. Haar antwoord heeft ze meteen klaar: «U hoeft me daar niet op te wijzen, ik eet wat ik wil!» De twee zusters gaan boos uit elkaar« Maar ondanks deze uitvallen worden de grote kwaliteiten niet vergeten die de kern van haar natuur uitmaken: absolute rechtschapenheid, onvoorwaardelijke toegewijdheid, grote bereidwilligheid zich te verootmoedigen en haar zienswijzen op te geven zodra ze erkent dat de anderen gelijk hebben. Ze is bereid overal heen te gaan waar ze zich nuttig kan maken.

De enige vrees van zuster Maria-Gabriella is dat ze uit de communauteit wordt gestuurd: «Als ik word weggestuurd, bekent ze op een dag, zal ik van het schemerlicht 's avonds wanneer de clausuur niet bewaakt is, profiteren om de muur over te klimmen en terug het klooster in te komen». Maar ze heeft de waardering van haar medezusters weten te veroveren en de door hen uitgebrachte stemmen zijn ten gunste van haar toelating tot de monastieke inkleding die op Paasmaandag, 13 april 1936, plaatsvindt. Ze schrijft haar moeder: «Hoewel ik een ellendig en onwaardig schepsel ben dat niets anders heeft gedaan dan Hem beledigen, heeft Jezus me niet verworpen, maar mij in zijn Hart opgenomen. Hij, mijn Schepper, heeft zich niet onwaardig geacht mij zijn bruid te noemen. Hij heeft van mij het voorwerp van zijn barmhartigheid willen maken. Wanneer ik daaraan denk voel ik me beschaamd om zo'n grote liefde van Jezus en mijn ondankbaarheid voor zijn uitverkiezing die ik in het geheel niet verdien«». Zuster Maria-Gabriella voedt haar grote verlangen naar heiliging door het in acht nemen van de Regel, zonder de aandacht te trekken. Meerdere medezusters zullen ervan getuigen dat haar leven heel gewoon was. Op het spirituele vlak idem dito: haar gebed is heel eenvoudig, zonder bijzondere vertroostingen. Op een dag als ze erover spreekt met Moeder Abdis, vraagt deze haar: «Zou u buitengewone gaven willen hebben? – Nee! Buitengewone gaven, neen, die zijn niet nodig, omdat het ook zonder kan « Ik zal van mijn leven houden, hoe eentonig het ook moge zijn». Wanneer zuster Maria-Gabriella in stille overpeinzing is gebeurt dat heel intens en ze ziet er dan zo ernstig uit dat het bijna overdreven lijkt. Moeder Abdis merkt op dat het haar aangenamer is haar van tijd tot tijd te zien glimlachen. Weldra ontspant haar gezicht zich en maakt plaats voor een zachtmoedige, vredige uitdrukking en vervolgens voor een glimlach die ze praktisch permanent behoudt.

De eenheid zoals God die wil

Op 31 oktober 1937, feestdag van Christus, Koning van het heelal, legt zuster Maria-Gabriella haar eerste monastieke geloften voor drie jaar af. Aan haar moeder schrijft ze: «Nu weet ik zeker dat ik voor altijd in het huis van Onze-Lieve-Heer zal wonen en om die reden is mijn blijdschap onmetelijk groot». In januari van dat jaar was voor het eerst het boekje «Gebedsweek voor de eenheid onder de christenen», gepubliceerd door eerwaarde Paul Couturier, Frans priester, in het trappistinnenklooster van Grottaferrata te vinden. Met nadruk werd de zusters gevraagd om hun gebed voor de verwezenlijking van de «Eenheid onder de christenen zoals God die wil, met de middelen die Hij wil». Een bejaarde zuster had haar leven aangeboden voor deze zaak en was een maand later gestorven.

In het begin van de XXe eeuw is op initiatief van een anglicaanse ambtsdrager, L.T. Watson, een gebedsweek ingesteld, bedoeld om van God de terugkeer te verkrijgen naar de katholieke eenheid van alle van Rome gescheiden kerken. Dat gebedsoctaaf vindt voor het eerst plaats van 18 tot 25 januari 1908, tussen het feest van de Zetel van H.Petrus in Rome, dat dan vastligt op de 18e, en dat van de Bekering van H.Paulus, op de 25e. Vanaf 1909 geeft H.Pius X zijn zegen aan dit initiatief dat snel en op grote schaal wordt overgenomen. Het jaar daarop bekeert Watson zich tot het katholicisme. In 1916 breidt Paus Benedictus XV de beoefening van het gebedsoctaaf uit over de hele Wereldkerk. Om de deelname van protestanten te vergemakkelijken, krijgt het gebed de vorm van een vraag om eenwording van de christenen; sindsdien sluiten velen zich aan bij deze «Gebedsweek» om aan God de eenheid te vragen die Christus wil voor zijn volgelingen.

Compromisloos

«Het gebrek aan eenheid onder de christenen is

zeer zeker een wonde voor de Kerk, niet in de zin dat ze zou zijn beroofd van haar eenheid, maar omdat de volledige realisering van haar universaliteit in de geschiedenis wordt belemmerd» (Congregatie voor de Geloofsleer, Verklaring Dominus Jesus, 6 augustus 200, n. 17). Wanneer de katholieke Kerk benadrukt hoe noodzakelijk het is dat de christenen zich meer verenigen, is haar bedoeling niet de eenheid die Christus haar vanaf het begin heeft verleend en die in haar «onverliesbaar» voortleeft in twijfel te trekken (Catechismus van de Katholieke Kerk, n.820). Zij wil ook niets afdoen aan de uiteenzetting van de Openbaring die Onze Heer Jezus Christus haar heeft toevertrouwd: «Hierbij gaat het er niet om de schat van het

geloof te wijzigen, de betekenis van de dogma's te veranderen, er wezenlijke woorden uit verwijderen, de waarheid aan te passen aan de smaak van een bepaalde tijd, of bepaalde artikelen van het «Credo» op te heffen onder het valse voorwendsel dat ze tegenwoordig niet meer worden verstaan. De door God gewilde eenheid kan alleen tot stand komen door gemeenschappelijke instemming met de geopenbaarde inhoud van het geloof in zijn geheel. In geloofszaken zijn compromissen strijdig met God die Waarheid is. Wie zou in het Lichaam van Christus, Hij die de Weg, de Waarheid en het Leven is (Joh 14, 6), een verzoening voor geoorloofd kunnen houden die ten koste zou gaan

van de Waarheid ?» (Ut unum sint, n.18).

In januari 1918 ligt een nieuw boekje voor de Week van de Eenheid in het Trappistinnenklooster van Grottaferrata. Daarin wordt gesproken van levens die zijn geofferd voor de eenheid binnen het anglicanisme, het protestantisme en het katholicisme. Diep geroerd gaat zuster Maria-Gabriella naar haar Abdis om voor haar neergeknield nederig te verzoeken: «Sta mij toe mijn leven te offeren«» Verrast vraagt de Abdis om enige bedenktijd. Later dringt de non aan: «Ik heb het gevoel dat de Heer het wil: het is alsof ik in de rug geduwd word zelfs wanneer ik er niet aan wil denken». De Abdis vraagt haar er met de aalmoezenier over te praten en deze geeft toestemming voor de offerande. De jonge kloosterzuster vindt het niet nodig hier schriftelijk akte van op te maken en schenkt zich weg vanuit de diepte van haar hart. Zuster Maria-Gabriella houdt hartstochtelijk veel van Jezus Christus: daar Hij vrijwillig zijn leven heeft geofferd om de verstrooide kinderen van God samen te brengen (Joh 11, 52), voelt zij zich geroepen Hem uit liefde in zijn offer te begeleiden. Het enthousiasme van de Abdis voor de oecumene en het voorbeeld van anderen die reeds hun leven hebben gegeven zijn voor haar voldoende elementen om haar te doen besluiten haar eigen offerande te brengen.

Kort na haar offerande voelt zuster Maria-Gabriella pijn in haar schouder; haar gezondheid gaat achteruit en na Pasen wordt ze naar Rome gebracht voor medische onderzoeken die aan het licht brengen dat ze tbc heeft. Ze lijdt zeer onder het vooruitzicht dat ze in het ziekenhuis moet blijven: «Ik heb zoveel gehuild dat ik niet meer kan, schrijft ze aan haar Abdis« Soms vraag ik me af of Onze-Lieve-Heer me niet heeft verlaten. Andere keren denk ik dat Hij beproeft die Hij liefheeft« Uiteindelijk geef ik me altijd weer over aan Gods wil». Een paar dagen later voegt ze eraan toe: «Ik heb me volledig geofferd aan mijn Jezus en ik wil mijn woord zeker niet terugnemen. Ik ben zwak, weliswaar, maar Onze-Lieve-Heer die weet hoe breekbaar ik ben en wat de oorzaak van mijn pijn is, zal me vergeven, daar ben ik van overtuigd». Ze wordt bestormd door negatieve gedachten jegens haar Superieuren die het in haar ogen ontbreekt aan gevoel omdat ze haar in het ziekenhuis laten liggen. Maar ze beseft dat ook dat een bekoring is en doet haar best die te verjagen. In het begin van de maand mei ligt ze «op het kruis» met als enige troost de wetenschap dat ze lijdt ter volbrenging van Gods wil.

Een schat die je niet met anderen deelt

Twee weken na haar ziekenhuisopname wordt ze overgebracht naar een kuuroord waar de levensomstandigheden minder penibel zijn. Ze blijft zich echter bewust van haar zwaktes: «Reeds lang heb ik gemerkt dat ik maar een pygmee ben op de wegen van het geestelijk leven, want ik laat me door iedere wind meevoeren« Ik zou sterk willen zijn, sterk als staal, en ik ben maar een strohalm». De kwaal zet echter door en daar deze onmogelijk te stuiten is krijgt de zuster toestemming naar het klooster terug te keren om er haar laatste levensdagen door te brengen. Zuster Maria-Gabriella heeft angst bij de gedachte dat door haar aanwezigheid in de communauteit haar medezusters gevaar van besmetting zouden lopen, maar ze wil ook weer niet ver van haar klooster sterven. Uiteindelijk keert ze op 29 mei terug in Grottaferrata en neemt er alle nodige voorzorgsmaatregelen om te voorkomen dat ze haar kwaal doorgeeft aan anderen. Ze verliest daarbij niet haar gevoel voor humor en zegt op een dag tegen de verpleegster die een beetje te dicht in haar buurt komt: «Onze-Lieve-Heer heeft mij deze ziekte gegeven die een schat is die ik met niemand wil delen« zelfs niet met u!» Moeder Abdis stelt haar voor een motto te zoeken dat haar zou kunnen helpen op de zwaarste momenten. Ze kiest: «Ecce ancilla Domini – Ziehier de dienstmaagd des Heren!» Zich overgeven in de handen van de Heer is hetgeen steeds meer in haar leeft. «Vroeger dacht ik aan mijn zonden, maar nu herinner ik me niets bepaalds. Ik ben als een kind. Ik heb me overgegeven en sindsdien leef ik in diepe vrede». Ze verlangt noch te leven noch te sterven, maar te verwelkomen wat God haar zal toesturen: «Toen ik in het ziekenhuis lag, zegt ze, kon ik me niet neerleggen bij de scheiding; wanneer ik nu, voor het welzijn van de communauteit, opnieuw weg zou moeten, zou ik het zonder te aarzelen doen». Bepaalde uren zijn lieflijker dan andere en zuster Maria-Gabriella begroet ze in alle eenvoud. Maar ze verwacht geen mystieke genaden: «God heeft me er geen geschonken, zegt ze, want ik ben een deur die open staat voor de ijdele glorie en trots. Ik verlang niet naar vertroostingen, die zijn niet nodig, de genade volstaat voor alles». Ze haalt krachtig geestelijk voedsel uit het Evangelie van de Heilige Johannes. Het boekje waarin ze las telt bladzijden die geheel zijn vergeeld door het intensieve gebruik dat ze heeft gemaakt van de hoofdstukken 12 tot 20 van het vierde Evangelie en heel in het bijzonder van hoofdstuk 17, het gebed van Jezus voor de eenheid onder zijn leerlingen.

Het stempel van de geloofwaardigheid

Op een dag zegt zuster Maria-Gabriella, op haar bed gelegen en door droefheid overmand, tegen Jezus: «Heer Jezus, ik houd van U en ik zou veel van U willen houden, van U houden voor de hele wereld». De eenheid onder de christenen waarvoor de Trappistin zich heeft geofferd heeft een bepaald verband met de evangelisatie. «Vanaf het begin is de oecumenische beweging intiem verbonden geweest met de evangelisatie. De eenheid is in werkelijkheid het stempel van de geloofwaardigheid van de missie. Het IIe Vaticaans Concilie heeft met spijt het schandaal van de verdeeldheid onder de aandacht gebracht dat «een obstakel vormt voor de heiligste aller zaken: de prediking van het Evangelie». Jezus zelf heeft aan de vooravond van zijn dood gebeden opdat zij allen één mogen zijn... opdat de wereld gelove (Joh 17,21)» (Congregatie voor de Geloofsleer, 3 december 2007).

De laatste nacht van zuster Maria-Gabriella verloopt met afwisselend rustige momenten en momenten van hevige pijnen. Op een bepaald moment kermt ze: «Ik kan niet meer!» Moeder Abdis vraagt haar: «Wil je hetgeen je nog rest aan leven offeren voor de eenheid? – Ja!» antwoordt ze duidelijk. Na de Vespers op die zondag van de Goede Herder, 23 april 1939, blaast ze eindelijk met een glimlach de laatste adem uit. Per vergissing klinkt in plaats van het gelui van de doodsklokken, een feestelijk gebeier waarop de klokken van de parochiekerk uit alle macht antwoorden in een vreugdevol samenspel.

Het voorbeeld van zuster Maria-Gabriella laat ons zien dat alle gelovigen aan de eenheid onder de christenen kunnen werken en wel eerst door de bekering van het hart. «Al is de katholieke Kerk immers verrijkt

met alle door God geopenbaarde waarheid en met alle genademiddelen, toch leven haar leden daaruit niet met alle vurigheid die men mag verwachten. Het gevolg is dat het gelaat van de Kerk voor onze gescheiden broeders en voor de gehele wereld minder stralend is en de

groei van het Rijk Gods wordt vertraagd. Daarom moeten alle katholieken naar de christelijke volmaaktheid streven en ieder naar zijn staat ervoor ijveren dat de Kerk, die de vernedering en het sterven van Jezus in haar lichaam draagt, zich van dag tot dag zuivert en vernieuwt, tot tenslotte Christus haar aan Zijn zijde

plaatst als een stralende bruid zonder vlek of rimpel» (Vaticaan II, Unitatis redintegratio, n. 4).

Op 19 augustus 2005 besloot Paus Benedictus XVI in Keulen een oecumenische ontmoeting met deze woorden: «Ik zie een bemoedigend teken van optimisme in het feit dat zich momenteel een «netwerk» ontwikkelt van geestelijke banden tussen katholieken en christenen van verscheidene andere kerken en kerkgemeenschappen: ieder is bezig met bidden, met het reviseren van zijn leven, met het zuiveren van het geheugen, in een open houding van naastenliefde. De vader van de oecumene, Paul Couturier, heeft in dit verband gesproken van een onzichtbaar klooster dat binnen zijn muren de zielen verzamelt die met hart en ziel verknocht zijn aan Christus en zijn Kerk. Ik ben ervan overtuigd dat wanneer een groeiend aantal mensen zich innerlijk verbindt met het gebed van Onze-Lieve-Heer opdat allen één mogen zijn (Joh 17,21), een dergelijk gebed in de naam van Jezus niet in het niet opgaat, niet in het niet kan opgaan».

Laten we de Heilige Maagd Maria, Middelares van alle genade, vragen deze eenheid van de christenen in één kudde en onder één Herder (cf. Joh 10,16) te verkrijgen opdat de wil van haar goddelijke Zoon worde volbracht.

Dom Antoine Marie osb

Om het Blad van de Abdij Saint-Joseph de Clairval te publiceren in een tijdschrift, blad... of on het internetsite of een website te plaatsen, is een toelating vereist. Deze dient te worden aangevraagd per E-Mail or bij http://www.clairval.com.

Index der Briefe  - Home Page

Webmaster © 1996-2017 Traditions Monastiques