Blason  Abdij Saint-Joseph de Clairval

F-21150 Flavigny-sur-Ozerain

Frankrijk


[Cette lettre en français]
[This letter in English]
[Dieser Brief auf deutsch]
[Esta carta en español]
[Questa lettera in italiano]
9 april 2009
Witte Donderdag


Dierbare Vriend van de Abdij Saint-Joseph de Clairval,

Toulouse, 10 februari 1907. Een menigte, door de kranten geschat op vijftigduizend personen, verdringt zich op het traject van een begrafenisstoet. Het lichaam dat ter aarde wordt besteld is er geen van een grote der aarde, maar van een nederige kloosterling, een kapucijner monnik, pater Marie-Antoine de Lavaur. De volksmond heeft hem de bijnaam gegeven van «de Heilige van Toulouse». Zelfs La Dépêche, de plaatselijke antiklerikale krant, begroet «deze zoon van Sint- Franciscus, zeer geliefd in bepaalde milieus, die geen stuiver in zijn zak kon houden en alles aan de armen gaf. De eigenliefde, de menselijke eerbied, die kende hij niet. Hij stevende recht op zijn doel af. En niemand zag in zijn stoutmoedig optreden een aanleiding de spot met hem te drijven«»

Geboren in Lavaur in de Tarn, op 23 december 1825, wordt Léon Clergue dezelfde dag nog gedoopt. Zijn vader, Frédéric, notarisklerk, van een diepgaande vroomheid, draagt deze zoon en eerstgeborene naar het Maria-altaar: «Heilige Maagd, ik wijd hem u toe, hij is van U». Zijn moeder, Rose, is een vrouw die met een mannelijke energie in het leven staat. Zij zal worden bijgenaamd: «De Vendéenne»*, wanneer ze bij gelegenheid van het oproer van 1830 aan jongelieden een revolutionaire vlag ontgrist. De kenmerken van deze twee temperamenten vinden we terug en komen harmonisch bijeen in Léon die een tegelijkertijd krachtig en beminnelijk karakter ontwikkelt. Het kind zal een broer en een zus krijgen: Célestin en Marie. De kleine Léon heeft maar één ideaal: priester worden, de mis opdragen, preken. In zijn liefdevolle vroomheid koestert hij reeds grootse verlangens: «Wanneer ik groot ben, wil ik heilig worden». Reeds als zesjarige improviseert hij preken tijdens de spelletjes waarin hij door zijn vrolijkheid en enthousiasme al zijn vriendjes meesleept, in de greep van een onstuitbare geestdrift en redenaarskoorts: staande op een met primitieve middelen opgebouwd spreekgestoelte, preekt hij en laat zijn gehoor de lofzangen op Onze-Lieve-Heer zingen. Men noemt hem dan ook «de kleine paus». Hij houdt er echter niet van dat men hem weerstand biedt: «Een stijfkop», zegt zijn moeder, zorgelijk.

Aan het begin van het schooljaar 1836 sturen zijn ouders hem naar het klein seminarie L'Esquille, in Toulouse. Hij valt er niet alleen op als oppassende en vlijtige leerling, maar ook als apostel die al weet wat hij wil en een begin maakt met zijn veroveringen. Een paar jaar later, in de loop van zijn studie theologie, doorkruist hij de stad Toulouse in alle richtingen om de jongeren te bekeren die met zwaar werk aan de kost proberen te komen: ze zijn zonder vaste woonplaats, bijna altijd dolende, deze kleine scharen- en messenslijpers, schoenlappers en marskramers die het oog van de pastoraal werkers van de Kerk ontgaan en die nu door de jonge seminarist worden bijeengebracht in verscheidene broederschappen en verenigingen.

Op 21 september 1850 wordt Léon tot priester gewijd door Mgr. Mioland, aartsbisschop van Toulouse. Hij wordt aangesteld als kapelaan in Saint Gaudens en onderscheidt er zich door zijn vurige ijver: we zien hoe hij het platteland doorkruist op zoek naar boeren die bij gebrek aan geestelijke bijstand weer heidens zijn geworden; hij richt de Sociëteit van St.-Vincentius a Paolo op waar de rechters en de onderprefect lid van worden; hij brengt de meisjes bijeen in groepen onder het vaandel van Maria, om hen te beschermen tegen de gevaren van de wereld. In zijn toegewijdheid keert hij zich tot de armen aan wie de schotels van zijn tafel zijn voorbehouden en geeft zelfs zijn matras en zijn stookhout weg. In januari 1854 strijdt de eerwaarde Clergue energiek tegen de cholera die talloze slachtoffers maakt in de streek.

Alles opgeven om alles terug te krijgen

Als geestdriftige bedevaartganger naar het heiligdom van Onze-Lieve-Vrouw van Bout-du-Puy, hoort Léon op een dag Onze-Lieve-Heer tegen hem zeggen: «Jij wordt Kapucijn!» Na twee jaar bedenktijd neemt hij zijn beslissing ondanks de weerstand van zijn familie en zijn vrienden. Een van hen voor wie een preek ongetwijfeld alleen plechtig van vorm kan zijn, vraagt hem verbaasd: «Wat ga je doen in een orde van preek?heren, jij die niet kan preken? – Ik zal tegen de Goede God zeggen: Hier is uw geweer, als Gij wilt dat het schot afgaat, laadt Gij het maar». God zal het geweer laden en wel zo dat de toekomstige Kapucijn de grote missionaris van Zuid-Frankrijk zal worden. Op 1 juni 1855 gaat Léon naar Marseille, naar het Noviciaat van de Kapucijnen. Op de 13e, het feest van H.Antonius van Padua, ontvangt hij de monnikspij en wordt Pater Marie-Antoine de Lavaur. «Ik ben gelukkig, verklaart hij: je moet alles opgeven om alles terug te krijgen». Zijn superieuren vragen zich echter af of hij zal kunnen preken. Nadat hij op hun bevel een plechtige preek heeft geschreven en van buiten geleerd, is hij niet bekwaam die uit te spreken en moet, na een vernederende stilte, zijn toevlucht nemen tot een improvisatie die een diepe indruk maakt en bekeringen tot gevolg heeft. Zijn leven lang zal Pater Marie-Antoine volstaan met het op schrift stellen van de grote lijnen van zijn preken, die hij ten aanschouwen van God langdurig overpeinst; daarna geeft hij zich over aan zijn inspiratie. Op 13 juni 1856 legt hij zijn geloften af. Weldra vertrouwen zijn superieuren hem het ambt van preekheer toe. Zijn rijzige gestalte, zijn lange baard, zijn levendige blik, zijn zachtaardige glimlach en zijn één en al spontane welbespraaktheid maken dat de volkswijken van Marseille spoedig in zijn ban zijn.

In 1857 sticht pater Marie-Antoine het klooster Saint-Louis de Toulouse waar hij gedurende de vijftig jaar van zijn apostolaat als preekheer woonachtig zal zijn. Hij wordt «de Apostel van Zuid-Frankrijk», een «Zuid-Frankrijk» dat zich uitstrekt over vijfendertig departementen. Of hij wordt uitgenodigd voor Vasten of een Mariamaand, pater preekt als missionaris, met als regelmatig terugkerende zin: «Iedere missie is een strijd. Ik heb dan ook altijd de behoefte gehad die onder het vaandel van de Moeder der strijders (Maria) te brengen». Zijn preken brengen buitengewone vruchten voort, trekken de menigten de kerken in en velen vinden weer de weg terug naar de sacramenten, met name de ergste zondaars, voor wier bekering hij van God een speciale genade ontvangt. Zijn enige zorg is trouwens de mensen terugbrengen naar God. Sinds zijn noviciaat bestaat zijn gebruikelijk gebed uit de vraag aan God: «Mijn God, geef mij een ziel! En nog één! En nog één!» Moest hij hout laden? «Mijn God, nog een ziel!» Onkruid wieden? «Mijn God, voor iedere spriet onkruid, geef mij nog een ziel!»

Een machtige hefboom

Wanneer pater Marie-Antoine in een parochie komt laat hij de klokken luiden, vlugschriften uitdelen, aanplakbiljetten op de muren aanbrengen. Hij wendt zich eerst tot de pastoor en zijn trouwste parochianen: «Het is vandaag de dag niet genoeg een groot, levendig, wijs en verlicht geloof te hebben. Het geloof moet militant en triomfant zijn. Het kwaad moet worden overwonnen door het geloof. Een ander wapen hebben we niet». De kinderen zijn er de beste vertegenwoordigers van in de gezinnen. De donderdag is hun voorbehouden. Hij beveelt hen vooral het gebed aan, laat hen neerknielen en richt, nog vóór het kruisteken, enkele wel uitgekozen woorden tot hen en illustreert die met mooie verhalen om hen het belang van het gebed en de kwaliteiten die het moet bezitten bij te brengen. Het gebed is een machtige hefboom, vooral het gebed van kinderen. «Wanneer alles verloren lijkt of onmogelijk, schrijft hij, zoek dan een klein kind, echt klein en dat amper kan stamelen. Laat het zijn handjes samenvoegen en bidden: «Wees gegroet, Maria». Bid het vroom samen». Lang voor de decreten van de heilige Pius X, begrijpt de pater de verlangens van de Kerk inzake de vroegtijdige communie van kinderen. Om deze jonge harten voor te bereiden, legt hij hen uit wat berouw is, sleept ze mee naar Jezus in het Tabernakel en bidt met hen een vurige oefening van berouw.

Pater Marie-Antoine zet de christelijke vrouwen in de school van de gekruisigde Jezus. Hij weet ook hoe hij met mannen moet praten: zelden ontbreken ze bij de preken die hij voor hen na het werk houdt. Zijn onderricht draait vaak uit op een dialoog over de moeilijkheden in het dagelijks leven; door hier en daar anekdotes en geestige verhalen in te voegen bereikt de preekheer dat zijn gehoor bereid is minder lichtverteerbare maar nuttige waarheden aan te horen die hen naar de biechtstoel voeren. Daar maakt de pater korte metten met de vormelijkheden, kort het werk in, dringt tot diep in de gewetens door en een gecompliceerde biecht is in enkele ogenblikken gedaan; de biechteling die blij is dat hij is doorzien gaat weer in vrede heen. Soms deelt pater Marie-Antoine ook graag harde klappen uit, zoals in de Missie Meymac. Die begint een paar dagen voor het feest van Sint-Legerius, patroon van die stad. Maar het feest, van oorsprong religieus, is door een vreemd misbruik voorwendsel geworden voor losbandigheid, op bals en wereldse bijeenkomsten. De missionaris kondigt aan dat de processie naar het kerkhof die dag zal plaatsvinden. Daarvoor nodigt hij de dames uit in het zwart te verschijnen en wil dat de vaandels met rouwfloers zijn bedekt. In plaats van feesten, dans en vrolijke muziek, loopt er door de stad alleen een lange rouwstoet, met begrafenisgezangen: «Met de dood, met de dood, zondaar, loopt alles ten einde!» Deze vorm van uitbeelding in de stijl van de tijd was bedoeld om fundamentele waarheden in herinnering te brengen: in het uur van de dood maken de genoegens en eerbewijzen van deze wereld plaats voor het oordeel van God waar de eeuwige bestemming van de ziel van afhangt. Het Compendium van de Catechismus van de Katholieke Kerk, door Paus Benedictus XVI in 2005 gepubliceerd, stelt de vraag: «Wat is het laatste oordeel?» Hij antwoordt: «Het is het oordeel van onmiddellijke vergelding dat ieder na zijn dood van God ontvangt in zijn onsterfelijke ziel, overeenkomstig zijn geloof en zijn werken. Die vergelding bestaat uit het binnentreden in de hemelse zaligheid, terstond of na een passende periode van loutering, of, in tegendeel, in de eeuwige verdoemenis van de hel» (n. 208).

Een onthutsende kus

Pater Marie-Antoine verstaat de kunst obstakels te overwinnen die het goede verloop van de missies in de weg staan. Eind januari 1875 is hij in Gondrin, in de Gers. Achter in zijn werkplaats slaat een schoenmaker met een spottende blik de mensen gade die op de preek afkomen: «Ja, ja, ga maar naar die schooier luisteren. Hij zal jullie wat moois vertellen!» De pater gaat naar hem toe en bestelt met zijn vriendelijkste gezicht een paar sandalen. Twee dagen later komt hij ze halen, vindt ze uitstekend en omhelst de schoenmaker allerhartelijkst. Welnu, deze heeft een gezwel in het gezicht, waardoor hij voor het hele dorp een voorwerp van schrik is geworden. Wanneer hij op zijn kwaadaardige wonde de lippen van de missionaris voelt en diens vriendschappelijke en vreedzame blik de zijne ontmoet, verandert hij als het ware van gedaante. Van die dag af verkondigt hij overal dat die schooier een heilige is.

De in de wereld gangbare bedachtzaamheid heeft geen vat op pater Marie-Antoine. Met een felheid die sommigen buitensporig vinden, voert hij oorlog tegen een zonde die in de negentiende eeuw reeds wijd is verspreid: de zelfbevrediging (cf. Gen 33, 8-10), dat wil zeggen de geslachtsdaad en de voortplanting van elkaar loskoppelen. Paus Paulus VI zal in de Encycliek «Humanae Vitae» verklaren: «Slechts als men deze twee wezenlijke aspecten eerbiedigt, namelijk de vereniging en de voortplanting, bewaart de huwelijksdaad integraal de betekenis van de wederzijdse ware liefde en tevens de gerichtheid op de zeer verheven roeping van de mens tot het ouderschap» (n.12). Intrinsiek slecht is daarentegen «elke handeling die, hetzij in het vooruitzicht op de huwelijksdaad, hetzij tijdens het verloop ervan, hetzij in de ontwikkeling van de natuurlijke gevolgen – als doel of als middel zou beogen de voortplanting onmogelijk te maken» (Ibid. 14; cf. Catechismus van de Katholieke Kerk, nn. 2369-2370). De kwestie ligt gevoelig en velen schrikken ervoor terug erover te praten. Het gezag en de rol van missionaris van pater Marie-Antoine maken het hem mogelijk die waarheid in herinnering te brengen en de gewetens wakker te schudden. «Helaas! De zonde en de steriliteit hebben binnen het gezin plaats genomen.!... Deze zonde voert de maatschappij onherroepelijk naar de dood, want zij tast de bron van het leven aan en doet de fundamentele wet van de schepping geweld aan« Door tegen de heilige wil van de Schepper in opstand te komen, kwetsen de echtelieden, in hun ontrouw aan hun kuise en heilige plichten jegens hun verheven roeping, het hart van God».

«Zij heeft me zichtbaar bijgestaan»

Al zijn successen kent pater Marie-Antoine aan de Maagd Maria toe. Daarom kennen zijn tederheid en fijnbesnaardheid hun gelijken niet wanneer hij spreekt over Onze-Lieve-Vrouw: «Het hart van een moeder is een meesterwerk van God en het Hart van Maria is het mooiste van alle moederharten. In Haar hebben God en de mens elkaar ontmoet om elkaar de kus van de heilige en eeuwige liefde te geven». Hij preekt over Maria, noemt parochies naar haar, sticht broederschappen en verenigingen met haar als patrones, start bedevaarten naar kapellen die haar zijn toegewijd. «In al mijn Missies, zegt hij, heeft de goede Maagd mij zichtbaar bijgestaan». Overal waar een bedevaartplaats in de buurt is, voert hij de parochies, die hij het evangelie heeft gebracht, erheen om dank te zeggen. Daar herhalen de gelovigen zijn nimmer aflatende hartekreet: Omnia per Mariam, Alles voor Maria! Weldra zal hij de menigten meevoeren naar Lourdes.

Pater Marie-Antoine ontmoet Bernadette Soubirous voor de eerste keer in juli 1858, aan het eind van de verschijningen van Lourdes. «Dit engelachtig kind is inmiddels opgegroeid, maar heeft haar verheven en heilige eenvoud behouden, zal hij over haar schrijven«. Ze had voor mij dezelfde gebaren als Maria. Wanneer men die dingen niet heeft gezien en gehoord, kent men Maria nog niet». Pius IX had op 8 december 1854 het dogma van de Onbevlekte Ontvangenis afgekondigd; de Heilige Maagd is het komen bevestigen op 25 maart 1858. Op 18 januari 1862 worden de verschijningen middels een herderlijk schrijven van Mgr. Laurens, bisschop van Tarbes, erkend en wordt de bouw van een heiligdom aangekondigd. Maria had tijdens een van de verschijningen inderdaad gevraagd: «Laat men hier op bedevaart komen« Laat men hier een kapel bouwen». Voor deze woorden is de kapucijn, de man die zoveel zielen in beroering weet te brengen, de Maria-vereerder, bepaald niet ongevoelig. Hij zal niet rusten voor aan het verzoek van zijn Goede Moeder om bedevaartgangers gevolg is gegeven. Met de pastoor van Lourdes, de eerwaarde Peyramale, zet hij heel wat projecten op touw. De priester is degene die de eerste bedevaartgangers in georganiseerd verband naar de Grot haalt. Voor een belangrijk deel staat hij aan de oorsprong van de populaire liturgie van Lourdes: de fakkeloptocht van 1863, de processie van het H.Sacrament en het nachtelijk gebed in 1886, de processie van de zieken. Op zijn inititatief komen in 1886 de kruisweg en de kruiswegafbeeldingen in de heiligdommen, evenals de grotten van Espèlugues, in 1887, toegewijd aan Onze-Lieve-Vrouw van Zeven Smarten en H.Maria Magdalena, tot stand.

Lourdes wordt de voornaamste plek waar de kapucijn de grootste ijver aan de dag legt en is tevens het centrum van waaruit hij meer dan dertig jaar lang allerlei activiteiten ontplooit. Hij is er in zijn element en wordt er de geliefdste preekheer, biechtvader en bekeerder. Hij schijnt de vertrouweling van de H.Maagd te zijn, de bewerker van haar goedertierenheid en wanneer de mensen hem zo vurig zien bidden, zeggen ze bij zichzelf dat hij Maria ziet, zoals Bernadette vroeger. «U helpt de Heilige Maagd haar wonderen te verrichten», krijgt hij soms te horen, niet zonder een ironische noot. Hij lacht dan alleen maar omdat hij met zijn levendig geloof het heel natuurlijk vindt dat een gebed wordt verhoord, en dat het hart van Maria de liefde van haar kinderen niet kan weerstaan. Op een dag staat een bedevaart uit de Poitou op het punt weer te vertrekken en onder de talloze zieken heeft er niet één een begin van verbetering ervaren. Een paar priesters maken de kapucijn deelgenoot van hun teleurstelling. «Kom, kom, zegt hij, laten we samen gaan bidden!» En vanaf dat moment volgt het ene wonder op het andere.

Alvorens de pen ter hand te nemen

In Lourdes ontmoet pater Marie-Antoine Emile Zola, gevierd schrijver en van alle kanten bedolven onder de loftuigingen. De pater spoort hem aan zich te bekeren: «De hele christelijke filosofie, meneer Zola, is als volgt samen te vatten: het vlees strijdt tegen de geest, de geest strijdt tegen het vlees. Als het vlees het wint, betekent dit de dood. Als de geest overwint, betekent dit leven: het leven dat Jezus Christus de wereld heeft gegeven« U moet, zo vervolgt de pater, hier uw weg naar Damascus vinden». In vervolg op dit onderhoud stuurt pater Marie-Antoine een brief naar de schrijver die een boek voorbereidt: «Wat er in Lourdes is gebeurd is de grote goddelijke gebeurtenis van de eeuw en alleen het hart begrijpt de dingen van God; maar om ze te begrijpen, moet het zuiver zijn. Zalig de zuiveren van hart, want zij zullen God zien! Zuiver dus uw hart, alvorens de pen ter hand te nemen. Zuiver het door een goede biecht en breng het vervolgens in contact met God door een heilige en vurige communie. Neem daarna de pen en begin aan uw boek». Maar in plaats van naar hem te luisteren, zal Zola een roman tegen de bedevaart naar Lourdes schrijven. Pater Marie-Antoine schrijft ook aan een van zijn streekgenoten, de zeer antiklerikale Emile Combes die op dat moment in levensgevaar verkeert: «De tempora nubila (de duistere tijden) zijn voor u aangebroken. Het is het tijdstip waarop de ware vrienden naar u toe komen. Hier ben ik. U bent, zoals de heilige Paulus, omver geworpen op de weg naar Damascus. Hoor hoe Jezus tegen u zegt zoals tegen hem: Ik ben Jezus die jij vervolgt. Zovele kinderen ontrukt aan zijn lering en zijn liefde: zovele slachtoffers hebt u gemaakt, zovele malen heeft u Hem gekruisigd. Zeg zoals de H.Paulus: Heer, wat wilt Gij dat ik doe? Zeg het, bekeer u, keer terug naar Jezus! U weet wat u moet doen: de Satan verzaken, dat wil zeggen de loges van de hel, kom u op de borst slaan, betreur uw fouten en vraag God en de mensen om vergeving; u tenslotte aan de voeten van de priester van Onze-Lieve-Heer werpen, met een groot berouw, om diens vergeving te ontvangen».

De sociale kwestie, een kwestie van liefde

Met geen enkel aspect van zijn geestelijk ambt is pater Marie-Antoine onbekend. Zijn liefde voor de armen maakt hem nog geliefder dan zijn preken: ten gunste van de allerarmsten verbreidt hij het werk «Brood van de H.Antonius van Padua». Voor hem zijn de sociale kwestie, de maatschappelijke ongerechtigheden veeleer een zaak van liefde, waarvoor het Evangelie de enige ware oplossing te bieden heeft, dan een zaak van wetten en rechten: «We hebben Sint-Franciscus om de sociale kwestie, die slechts een kwestie van liefde is, op te lossen: laten wij elkaar beminnen, laten we het volk bewijzen dat wij het beminnen en de overwinning is verzekerd». Een van zijn vele bijzondere gaven ligt op het gebied van de roepingen. Een groot aantal priesters, kloosterlingen en missionarissen kunnen zeggen: «Wij danken onze roeping aan pater Marie-Antoine, aan een uitnodiging van hem, aan een van zijn preken die wij hebben gehoord».

De duivel vervolgt met speciale haat deze man die hem zoveel zielen ontfutselt en die op alle terreinen strijd voert. «Dat ik geen tanden meer heb, is een gezegde van pater Marie-Antoine aan het eind van zijn leven, komt doordat ze allemaal in de huid van de duivel zitten». Tegen de vervolgers die het op de Kerk en vanaf 1880 op de religieuze ordes hebben gemunt, zegt hij: «Jullie willen God doden, gekken die jullie zijn! God doden, wat niemand sinds het begin der tijden ooit zonder beven had durven bedenken. Weten jullie niet dat de natuur een afschuw heeft van de leegte? Andere afgoden zullen voor hem in de plaats komen, zoals macht, geld, seks die een stuk veeleisender zijn. Dan zal ze er mooi uitzien, die vrijheid van jullie!»

In de lente van 1903 worden alle kloosters op gerechtelijk bevel vergrendeld en overgedaan aan liquidateurs, met uitzondering van het kapucijner klooster van Toulouse, dat echter wel van al zijn meubilair wordt beroofd. Er blijft alleen een monumentaal Mariabeeld over dat uitkijkt over het koor van de geplunderde kapel. De bekendheid van pater Marie-Antoine onder het volk en zijn grote verzetsvermogen zorgen ervoor dat hij niet wordt uitgewezen, terwijl zijn medebroeders een schuilplaats hebben gevonden in Burgos, in Spanje.

Begin februari 1907, wanneer hij op bezoek gaat bij een bevriende priester, loopt hij een fikse kou op; de kwaal wordt snel erger. De pater die bewust is van zijn toestand ontvangt de sacramenten der stervenden en bereidt zich voor op de dood. Hij brengt zijn laatste nacht hardop biddend door. Tegenover zijn verplegers, die hem vriendelijk aanraden rust te nemen, verklaart hij: «Van bidden ben ik nog nooit moe geworden!» De volgende dag, 8 februari, zegt hij nog, en dat zijn zijn laatste woorden: «Weet dat ik recht naar de Hemel ga! Luister nooit naar de duivel. Ik heb nooit naar de duivel geluisterd; ik ga dan ook naar de Hemel!» Zijn lichaam rust in de kapel van het klooster dat hij in Toulouse heeft gesticht en dat tegenwoordig het Klooster van de Karmelieten is. Een stichting (APMA, 25 rue de la Concorde, 31000 Toulouse), opgericht in 2005, zet zich in voor zijn zaligverklaring.

Het voorbeeld van pater Marie-Antoine stimuleert ons een aanbeveling van Paus Benedictus XVI van 23 juli 2006 op te volgen: «Wij moeten, voor zo ver we dat kunnen, onze liefde geven aan allen die lijden, in de wetenschap dat de Rechter van het laatste oordeel zich vereenzelvigt met hen die lijden. Het is belangrijk dat wij Hem over de wereld laten zegevieren door onze deelname aan zijn naastenliefde« Wij hebben het gezicht van Christus nodig om het ware gezicht van God te leren kennen en op die manier verzoening en licht in de wereld te brengen».

* De Vendéennes waren koningsgezinden, opgestaan tegen

de republiek in 1793 in de Franse provincie Vendée.

Dom Antoine Marie osb

Om het Blad van de Abdij Saint-Joseph de Clairval te publiceren in een tijdschrift, blad... of on het internetsite of een website te plaatsen, is een toelating vereist. Deze dient te worden aangevraagd per E-Mail or bij http://www.clairval.com.

Index der Briefe  - Home Page

Webmaster © 1996-2017 Traditions Monastiques