Blason  Abdij Saint-Joseph de Clairval

F-21150 Flavigny-sur-Ozerain

Frankrijk


[Cette lettre en français]
[This letter in English]
[Esta carta en español]
[Questa lettera in italiano]
19 maart 2008
Goede Week


Dierbare Vriend van de Abdij Saint-Joseph de Clairval,

Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking wellicht of nood, vervolging, honger, naaktheid, levensgevaar of het zwaard?... Maar over dit alles zegevieren wij glansrijk, dankzij Hem die ons heeft liefgehad. Ik ben ervan overtuigd, dat noch de dood noch het leven ... noch enig wezen in het heelal ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, die is in Christus Jezus Onze Heer (Rom 8, 35-39). Deze woorden van de heilige Paulus zijn heel in het bijzonder van toepassing op het leven van Mgr. Sloskans, Letlandse bisschop die, na een jaar bisschop te zijn geweest, heeft geleden voor het geloof; na zeventien jaar in Russische gevangenissen te hebben gezeten, heeft hij deportatie naar Siberië en meer dan dertig jaar ballingschap ver van zijn vaderland meegemaakt. Zijn leven getuigt van de aanwezigheid van Jezus Christus in zijn Kerk en in ieder van zijn leerlingen: de Verlosser geeft hun kracht en licht, zelfs onder menselijk gesproken ondraaglijke omstandigheden.

Boleslas Sloskans is geboren op 31 augustus 1893, in Tilgale, in Letland. Dit Baltisch land maakte toen deel uit van het Russisch rijk van de Tsaren. De ouders van Boleslas die katholiek zijn brengen met veel vreugde zes kinderen ter wereld. De christelijke vorming vindt binnen het gezin plaats. Wanneer hij de lagere school heeft doorlopen stelt Boleslas zijn vader in kennis van zijn voornemen priester te worden. Deze geeft met een klap van zijn vuist op tafel blijk van zijn instemming en stelt daarbij als enige voorwaarde dat zijn zoon ervoor zorgt een goed priester te worden. Na beëindiging van zijn studie in Sint Petersburg, Rusland, wordt Boleslas tot priester gewijd op 21 januari 1917. In de daaropvolgende herfst breekt de revolutie van de bolsjewieken uit; de communisten maken zich van de macht meester. Geleidelijk aan wordt het godsdienstonderwijs verboden, de kerken gesloten, de bisschoppen en priesters gevangen genomen« In november 1918 herovert Letland zijn onafhankelijkheid ten aanzien van Rusland, maar de grenzen blijven gesloten en Boleslas is gedwongen in Petrograd te blijven. Hij wordt er belast met de parochie St.-Catherina waar zijn pastorale ijver en wijsheid van oordeel wonderen doen.

«Een eenvoudig maar heilig man»

Na de oktoberrevolutie van 1917 maakt de Heilige Stoel zich bezorgd om de toestand van de katholieke Kerk in de Sovjet-Unie. Om de Latijnse Kerk te verzekeren van betere kansen ter overleving, zouden er nieuwe bisschoppen moeten worden gewijd. Pater Michel d'Herbigny, jezuïet, afgevaardigde bij het Vaticaan voor de onderhandelingen met de nieuwe meesters in het Kremlin, ontvangt van Paus Pius XI de opdracht ervoor te zorgen dat deze bisschopswijdingen worden uitgevoerd. In 1926 krijgt hij een visa om de Franse gemeenschappen in Rusland te bezoeken. Op weg naar Moskou wordt pater d'Herbigny in Berlijn ontvangen door de pauselijk nuntius, Mgr. Pacelli, de toekomstige Paus Pius XII, die hem in het geheim tot bisschop wijdt. In Moskou wijdt Mgr. D'Herbigny een Franse priester, de eerwaarde Neveu, tot bisschop. Deze beveelt hem Boleslas Sloskans aan, een «eenvoudig maar heilig man», die in de hoop zijn pastorale missie in Petrograd te kunnen voortzetten, de Russische nationaliteit heeft aangenomen. Boleslas die heel goed op de hoogte is van de gevaren die de hoedanigheid van bisschop met zich meebrengen in een communistisch regime, neemt de zware last moedig op zich. Op 10 mei wordt hij in het grootste geheim gewijd en belast met de diocesen Mohilev en Minsk, in Wit-Rusland, in de hoedanigheid van apostolisch vicaris. Hij is drieëndertig jaar. In de daaropvolgende maand september maakt hij zijn bisschoppelijke wijding officieel bekend, hetgeen hem niet belet ten aanzien van de autoriteiten een onwelgevallige gedragslijn aan te nemen.

In Mohilev merkt hij dat hij wordt bespioneerd door de agenten van de G.P.U., de staatsveiligheidspolitie. Hij weegt dus zorgvuldig ieder woord dat hij in het openbaar uitspreekt. Begin september 1927 onderneemt hij een reis van twee weken om de streken te bezoeken die onder zijn jurisdictie vallen. Tijdens zijn afwezigheid organiseert de G.P.U. huiszoeking in zijn domicilie. Bij zijn terugkeer in de nacht van de 16e september krijgt hij bezoek van politieagenten die tot een nieuwe huiszoeking overgaan. Ze ontdekken kaarten van de generale staf en militaire documenten die waren verborgen achter schilderijen. Alle stukken waren daar tijdens de voorgaande huiszoeking door dienaren van de G.P.U. bevestigd. Hij wordt terstond gearresteerd. Er wordt een schijnproces georganiseerd. De afmattende verhoren vinden bij voorkeur 's nachts plaats. Nadat hij maandenlang in verscheidene gevangenissen onmenselijke behandelingen heeft ondergaan, wordt Mgr. Sloskans veroordeeld tot verbanning en drie jaar dwangarbeid in de concentratiekampen van Solovki, een eilandengroep in de Witte Zee, overdekt met wouden, in een ijskoud en vochtig klimaat. Later zal men hem bekennen dat de beschuldiging van spionage slechts een voorwendsel was om hem van zijn bisdom te verwijderen: als hij werkelijk was erkend als spion zou de straf veel zwaarder zijn geweest.

«Hetgeen me zo gelukkig stemt»

Ondanks de kwellingen die hij reeds heeft ondergaan, schrijft Mgr. Sloskans aan zijn ouders: «Jullie hebben vast uit de kranten vernomen dat ik gearresteerd ben. Na zes maanden is het me eindelijk mogelijk jullie te schrijven. Ik heb altijd graag het volgende woord van Onze-Lieve-Heer gepreekt: Geen haar op jullie hoofd zal uitvallen zonder dat God het gewild heeft (cf. Mt 10,30). Ik weet nu uit ervaring dat al wat er gebeurt door Gods wil of toestemming heilswerk is. In de loop van de laatste vijftien jaar van mijn leven heb ik nooit zoveel genaden ontvangen als tijdens de vijf maanden van mijn gevangenschap. De gevangenschap is de grootste en mooiste gebeurtenis van mijn innerlijk leven, hoewel ik het betreur dat ik de mis niet meer mag lezen. Beste ouders, bid voor mij, maar doe het zonder angst en zonder droefheid. Laat uw hart zich openstellen voor een zo groot mogelijke liefde. Ik ben nu zo gelukkig omdat ik geleerd heb alle mensen, zonder uitzondering, lief te hebben, zelfs degenen die die liefde niet waard schijnen te zijn. Zij zijn het ongelukkigst. Ik smeek jullie, laat geen enkel gevoel van wraak of bitterheid jullie hart binnendringen. Als wij zoiets zouden toelaten, zouden wij geen christenen meer zijn, maar fanatici. Ik ben tot drie jaar veroordeeld. Ik vraag het jullie nogmaals: Bid! Moge de zegen van God almachtig, de Vader, de Zoon en de Heilige Geest op jullie neerdalen en voor altijd op jullie rusten».

Het diepe geloof van Mgr. Sloskans in de werking van de goddelijke Voorzienigheid berust op waarheden die de Katechismus van de Katholieke Kerk ons in herinnering brengt: «Het getuigenis van de Schrift is unaniem in deze: de zorg van de goddelijke Voorzienigheid is concreet en onmiddellijk; zij zorgt voor alles, van de kleinste dingen tot de grote gebeurtenissen in de wereld en de geschiedenis« «God almachtig («) aangezien Hij oneindig goed is, zou op geen enkele manier enig kwaad in zijn werken laten voortbestaan, als Hij niet zo almachtig en goed was om ook uit het kwade het goede te laten ontstaan» (H.Augustinus)« Het getuigenis van de heiligen bevestigt voortdurend deze waarheid: God bevordert in alles het heil van hen die Hem liefhebben (Rom. 8,28). Zo zegt de heilige Catharina van Siena tot «hen die aanstoot nemen aan en in opstand komen tegen hetgeen hun overkomt»: «Alles komt voort uit de liefde, alles is besloten tot het heil van de mens, God doet alles slechts met dit doel». En de heilige Thomas More troost vlak voor zijn marteldood zijn dochter als volgt: «Er kan niets gebeuren tenzij dat wat God wil. En ik ben er vast van overtuigd dat dit, wat het ook moge zijn, ook al lijkt het nog zo erg, in feite het beste zal zijn»» (nn.303, 311-313).

De voorwaarden waaronder de hechtenis op de Solovki eilandengroep verloopt zijn bepaald onzachtzinnig te noemen: zware werkzaamheden, voedselvoorziening onder het strikte minimum, ontberingen en onmenselijke behandelingen van allerlei aard. Een groot aantal gevangenen vindt er de dood. Mgr. Sloskans en de andere gevangen priesters op de eilanden organiseren zich onderling voor de viering van de mis. Ze krijgen een vertrek tot hun beschikking dat ze de «St.-Germanus kapel» zullen noemen. Een glas doet dienst als kelk en het deksel van een conservenblik als pateen. Hun enige liturgische kleding bestaat uit een stool die ze zelf vervaardigd hebben: de meeste misteksten kennen ze uit het hoofd. Dankzij de welwillendheid van een bewaker komen ze aan hosties en wijn, maar wanneer de wijn ontbreekt maakt Mgr.Sloskans die zelf met behulp van in water gedrenkte rozijnen. Op 7 september 1928 wordt Donat Nowicki, een van de gevangenen, in het grootste geheim door Mgr. Sloskans tot priester gewijd.

De draad die de eeuwen met elkaar verbindt

Eind oktober 1928 wordt de St.-Germanus kapel door de kampautoriteiten gesloten. De priesters besluiten dan de mis 's nachts in het geheim, op een zolder boven hun cel, te vieren. 's Morgens deelt Mgr. Sloskans in het konvooi dat naar het werk gaat de geconsacreerde hosties uit aan de katholieken die dat wensen en verbergt de hosties die overblijven, gewikkeld in een stuk purperen stof, onder de wortels van een boom, zodat degenen die 's ochtends niet de communie hebben ontvangen dat overdag kunnen doen. Deze episode illustreert de volgende verklaring van het Compendium van de Katechismus van de Katholieke Kerk: «De Eucharistie is de rode draad die vanaf het laatste Avondmaal alle eeuwen van de geschiedenis van de Kerk tot op heden met elkaar verbindt. De consecratiewoorden – «Dit is mijn lichaam« Dit is mijn bloed» – zijn altijd en overal uitgesproken, ook in de goelags, in de concentratiekampen en in de duizenden gevangenissen die er ook vandaag nog zijn. Op dit eucharistisch vergezicht heeft de Kerk haar leven, haar gemeenschap en haar zending gegrondvest» (Inleiding van deel 2: Uitleg van het schilderij «Jezus geeft de communie aan de twaalf apostelen»).

Maar in januari 1929 worden de priesters verspreid onder andere groepen gevangenen of in afzonderlijke cellen. Mgr. Sloskans wordt overgebracht naar het eiland Anser. Midden oktober 1930 wordt hij, na zijn straf van drie jaar te hebben uitgezeten, weer in vrijheid gesteld. Hij verkiest naar Mohilev terug te keren; daar stelt hij vast dat veel van zijn gelovigen verdwenen zijn zonder een spoor achter te laten, vooral degenen die pakjes hadden gestuurd naar de priesters in gevangenschap. Talloze kinderen, beïnvloed door het atheïstisch onderwijs, zijn bereid hun ouders aan te geven bij de politie wanneer zij blijk geven van overtuigingen die niet stroken met de communistische propaganda. Een week na zijn terugkeer wordt Mgr. Sloskans opnieuw gearresteerd: in zijn afwezigheid en zonder vorm van proces was hij veroordeeld tot een aanvullende periode van ballingschap.

In december 1930, tijdens de lange uitputtende reis naar Siberië, is hij vervuld van een onwrikbare overtuiging: hij is niet alleen. Hij herinnert zich de woorden van de psalm: De Heer is mijn herder, mij zal niets ontbreken... Moest ik gaan door het dal van de schaduw des doods, kwaad zou ik niet vrezen... Want naast mij gaat Gij, uw stok en uw staf zij doen mij getroost zijn (Ps. 22[23]). In Ienisseï, stapt hij uit de trein; op het moment dat deze weer gaat vertrekken, werpt iemand hem een slecht dichtgebonden pakje toe. Daarin vindt hij een boekje dat de titel Geschiedenis van een ziel draagt. Het is de autobiografie van de H.Teresia van het Kindje Jezus. In de maand juni daarop moet hij in nog noordelijkere richting vertrekken, naar de plaats genaamd Sharo-Turuchansk. Daar leeft een kleine kolonie van dertien gezinnen die zich hebben gevestigd op de ijsvlakten. De woonhuizen bestaan uit barakken van één vertrek waarin het hele gezin woont. Mgr. Sloskans is gehuisvest in een van de gezinnen die een hoek van de barak voor hem hebben vrijgehouden. Hij is vrij in zijn bewegingen, maar het dorp is omringd door onmetelijk grote sneeuwvelden en de dichtstbijzijnde stad is 1400 km verder. In een van de zeldzame wouden ter plekke merkt hij een rots op die zich uit de bodem verheft. Daar, alleen temidden van de bomen, tegenover de uitgestrekte schepping van God, is hij in staat de mis te vieren, het mysterie van het geloof, de overwinning van het leven op de dood, de verrijzenis na het lijden.

Een straal die de wolken doordringt

Mgr. Sloskans put uit de Eucharistie de bovennatuurlijke kracht die voor hem onontbeerlijk is om zijn leven van banneling te kunnen leiden. «De Eucharistie is werkelijk een opening van de hemel die zich over de wereld spreidt! Verklaarde Paus Johannes Paulus II. Ze is een straal van de heerlijkheid van het hemelse Jeruzalem, die de wolken van onze geschiedenis doorbreekt en die met zijn licht onze weg beschijnt». (Encycliek Ecclesia de Eucharistia, 17 april 2003, n. 19). «De Kerk heeft de Eucharistie van Christus haar Heer niet ontvangen als een gave, hoe kostbaar ook, temidden van zovele andere, maar als de gave bij uitstek, want het is de gave van Hemzelf, van zijn persoon in zijn heilige mensheid, alsook de gave van zijn verlossingswerk... Wanneer de Kerk de heilige Eucharistie, de gedachtenis van de dood en de verrijzenis van haar heer, viert, wordt dit centraal geheim van het heil werkelijk tegenwoordig gesteld, en wordt het werk van onze verlossing voltrokken. Dit offer is voor de verlossing van het mensengeslacht zo beslissend, dat Jezus Christus het pas toen heeft voltooid en naar de Vader is teruggekeerd, nadat Hij ons het middel heeft nagelaten om eraan deel te nemen, alsof wij erbij aanwezig waren geweest» (Ibid. n.11). In de communie krijgt de verbannen bisschop een voorproef van de hemel: «Degenen die zich voeden met Christus in de Eucharistie hoeven niet te wachten tot het hiernamaals om het eeuwig leven te ontvangen: zij bezitten het reeds op aarde» (Ibid. n.18).

Om in zijn behoeften te voorzien maakt Mgr. Sloskans netten en brengt veel tijd met vissen door. In afwachting van betere tijden geeft de herder van Gods Kerk zich geheel over aan de Voorzienigheid, in een leven van gebed en offergave. In november 1932 wordt hij naar Krasnoïarsk gebracht, een stad die hij pas na een 35-daagse reis per slee bereikt. Hij komt er daags voor Kerstmis aan; hij wordt opgesloten in een ijskoude kerker waar hij twee dagen lang alleen is en zonder voedsel. Hij zal erover schrijven: «Het was het zwaarste Kerstfeest van mijn leven!» Weldra verlaat hij zijn kerkerhol en wordt overgebracht naar Moskou. Daar wordt hij in een betrekkelijk gerieflijke cel gestopt waar hij bezoek krijgt van de ambassadeur van de Letlandse Republiek die hem aankondigt dat hij de volgende dag wordt vrijgelaten. Die vrijlating is een uitwisseling van een door Letland gevangen gehouden Russische spion en hem.

De goede herder

De dierbaarste wens van Mgr. Sloskans is niet naar zijn geboorteland terug te keren, maar zijn parochianen in Mohilev en in Minsk weer te zien: «De goede herder laat zijn kudde niet in de steek!» roept hij uit. Alleen een bevel van de Paus zou hem kunnen doen besluiten de Sovjet-Unie te verlaten. Welnu, een invloedrijk persoon slaagt erin hem ervan te overtuigen dat zulks inderdaad de wens van de Paus is en, in een geest van gehoorzaamheid, aanvaardt hij die en komt op 22 januari 1933 in Riga, de hoofdstad van Letland, aan. Korte tijd later vertrekt hij naar Rome waar hij wordt ontvangen als een «belijder des geloofs». De Paus nodigt hem uit aan zijn zijde de opening van de Heilige Deur van de Sint Pieter voor het heilig jubileumjaar 1933, de 1900ste gedenkdag van de dood van Christus, te vieren. Vervolgens stelt de Heilige Vader hem voor een jaar in Rome te blijven voor zijn gezondheid. Op een dag, wanneer hij met de Paus spreekt over de omstandigheden waaronder hij weer in vrijheid is gesteld, verneemt hij dat deze, in tegenstelling tot wat men hem gezegd had, nooit gevraagd had de Sovjet-Unie te verlaten en zijn Russische gelovigen in de steek te laten. Deze onthulling treft hem zeer pijnlijk; tot aan zijn dood bewaart hij het als een bitter geheim in zijn hart en zal er slechts met enkele intieme vrienden over spreken.

Weer terug in Riga geeft Mgr. Sloskans colleges moraaltheologie aan de theologische faculteit en reist het land door om lezingen te verzorgen of retraites te preken. Op 17 juni 1940 wordt Letland binnengevallen door het sovjet leger en door Stalin geannexeerd. De vervolging van de gelovigen komt op gang. Mgr. Sloskans slaagt erin aan de agenten van de politieke politie door wie hij gezocht wordt te ontsnappen. Maar in juni 1941 overmeestert Duitsland op zijn beurt Letland. De vrije toegang tot gebouwen voor de eredienst wordt hersteld. In 1944 worden de Duitsers door de Russen uit Letland verjaagd. Daar ze vrezen dat hun bisschop opnieuw naar Siberië wordt verbannen, organiseren gelovigen zijn vlucht naar Duitsland.

In de lente van 1947 begeeft Mgr. Sloskans zich naar België waar hem de zorg voor de naar dat land gevluchte Letlandse seminaristen wordt toevertrouwd. Deze jonge lieden gaan in 1948 aan de universiteit van Leuven studeren, waar de Letlandse bisschop zich bij hen voegt. In 1951 nodigt Vader Abt van de Keizersberg Mgr. Sloskans uit zich in zijn abdij te vestigen. Daar leeft hij voortaan samen met de monniken. Hij is evenwel niet van de wereld afgesloten: Paus Pius XII vertrouwt hem enige opdrachten toe. Anderzijds oefent hij zijn bisschoppelijk ambt bij talrijke gelegenheden uit: vormsels, wijdingen. Ieder jaar gaat hij met de Belgische Boerenbond op bedevaart naar Lourdes. Hij neemt ook de gewoonte aan ieder jaar een paar dagen naar de zusters van het Arme Kind Jezus in Simpelveld, in de provincie Limburg, te gaan. Maar hij leidt vooral een innig gebedsleven, biedt zijn ballingschap aan voor zijn gelovigen en bidt voor zijn vroegere beulen jegens wie hij geen enkele wrok koestert. Geknield of zittend brengt hij soms urenlang door met mediteren voor het Allerheiligste.

Een ware liefdesdialoog

Het voorbeeld van Mgr. Sloskans moedigt aan tot gebed. In zijn apostolische brief Novo millenio ineunte, schreef Paus Johannes Paulus II: «Er is een christendom nodig dat zich in de eerste plaats onderscheidt door de kunst van het gebed« Maar wij weten ook dat het gebed niet vanzelfsprekend is. Bidden moeten we leren en net als de eerste leerlingen moeten we telkens opnieuw aan de goddelijke Leermeester deze kunst vragen: Heer, leer ons bidden! (Lc 11,1)« De grote mystieke traditie van de Kerk, zowel in het Oosten als in het Westen, kan ons op dat gebied veel leren. Zij toont hoe het gebed als een echte liefdesdialoog kan uitgroeien en de menselijke persoon totaal laat opgaan in de goddelijke Geliefde, beroerd door het contact met de Geest en zich kinderlijk toevertrouwend aan het hart van de Vader. Dan hebben we een levendige ervaring van Christus' belofte: Wie mij liefheeft zal ondervinden hoe de Vader hem liefheeft, en ook Ik zal hem liefhebben en Mij aan hem openbaren (Joh 14,21)« Onze christelijke gemeenschappen moeten authentieke «scholen» van gebed worden, waar de ontmoeting met Christus niet alleen tot uitdrukking komt in het smeken om hulp, maar ook in dankzegging, lof, aanbidding, contemplatie, luisterbereidheid, vurige genegenheid tot en met een waarachtige «dwaasheid» van het hart« Men vergist zich als men denkt dat eenvoudige christenen het kunnen stellen met een oppervlakkig gebed dat niet in staat zou zijn hun leven te vervullen. In een tijd dat het geloof sterk wordt uitgedaagd, zijn middelmatige christenen «christenen in gevaar»« Met het nodig doorzicht dient men de volkse gebedsvormen te herwaarderen en vooral tot liturgisch gebed op te voeden» (n. 32-34).

Mgr. Sloskans brengt de laatste achttien maanden van zijn leven door in een rusthuis dat wordt beheerd door de zusters van het klooster van Bethlehem van Duffel. Daar valt hij op door zijn vriendelijke eenvoud en zijn onafgebroken bidden: hij heeft zijn rozenkrans altijd bij de hand. Op 18 april 1981, Paaszaterdag, raakt hij buiten bewustzijn. Terstond beginnen degenen die hem omringen hardop voor hem te bidden. Ze heffen het Salve Regina aan en plotseling verandert zijn gezicht, zijn gelaatsuitdrukking klaart op: hij slaat de ogen op ten hemel en geeft de geest op het moment dat men zingt: post hoc exilium (na deze ballingschap)« O clemens Virgo Maria! (Oh goedertierende Maagd Maria). Op 10 oktober 1993 wordt het stoffelijk overschot van Mgr. Sloskans teruggegeven aan Letland dat opnieuw een vrij land is geworden. Het is bijgezet in de crypte van het nationaal heiligdom van de Maagd van Aglona, op 270 km van Riga, waar het voortaan wacht op de verrijzenis. Het zaligverklaringsproces van Mgr. Sloskans is in Rome geopend.

Het leven van Mgr. Sloskans, meer dan een halve eeuw in ballingschap doorgebracht, kan in de ogen van de mensen lijken op één reeks nederlagen. Maar God oordeelt er anders over: Zalig die vervolgd worden om de gerechtigheid, want hun behoort het Rijk der hemelen. Zalig zijt gij, wanneer men u beschimpt, vervolgt en lasterlijk van allerlei kwaad beticht om Mijnentwil: Verheugt u en juicht, want groot is uw loon in de hemel. Zo immers hebben ze de profeten vervolgd die vóór u geleefd hebben (Mt 5, 10-12). Mogen wij, naar het voorbeeld van Mgr. Sloskans, de kruisen van ons leven aanvaarden en ze aanbieden in vereniging met het Offer van Christus, voor het heil van de zielen!

Dom Antoine Marie osb

Om het Blad van de Abdij Saint-Joseph de Clairval te publiceren in een tijdschrift, blad... of on het internetsite of een website te plaatsen, is een toelating vereist. Deze dient te worden aangevraagd per E-Mail or bij http://www.clairval.com.

Index der Briefe  - Home Page

Webmaster © 1996-2017 Traditions Monastiques