Blason  Abdij Saint-Joseph de Clairval

F-21150 Flavigny-sur-Ozerain

Frankrijk


[Cette lettre en français]
[This letter in English]
[Dieser Brief auf deutsch]
[Esta carta en español]
[Questa lettera in italiano]
21 december 2006
H. Petrus Canisius


Dierbare Vriend van de Abdij Saint-Joseph de Clairval,

Zalig zijt gij, wanneer men u beschimpt, vervolgt en lasterlijk van allerlei kwaad beticht om Mijnentwil: verheugt u en juicht, want groot is uw loon in de Hemel! (Mt 5,11-12). Deze laatste zaligspreking die Onze-Lieve-Heer met bijzondere nadruk heeft voorgelegd bewaart in iedere periode van de geschiedenis zijn actualiteit. Zo kon de heilige Paus Pius X in 1911 zeggen: «De Kerk is een vervolgde Kerk. Als de Kerk niet het slachtoffer van vervolging was zou zij niet langer de Kerk van Jezus Christus zijn en zou zij een bewijs van haar authenticiteit kwijt zijn». Deze woorden, gericht aan de in Rome gehouden synode van de katholieke Armeense Kerk waren profetisch van aard: een paar jaar later onderging de Armeense Kerk een ware genocide. Onder de slachtoffers bevond zich Mgr. Ignatius Maloyan die op deze synode aanwezig was. Tijdens zijn martelaarschap verklaarde de bisschop tegenover zijn vervolgers: «Moge het God niet welgevallig zijn dat ik Jezus mijn redder verloochen. Mijn bloed vergieten ten gunste van mijn geloof is het vurigste verlangen van mijn hart!»

Choukrallah (of Shoukr Allah) Maloyan is, als vierde van acht kinderen in april 1869 geboren, in Armenië, de zuidwestelijke provincie van Turkije. Armenië, dat is geëvangeliseerd door de apostelen H.Thaddeus en H.Barthelomeus, wordt in 305 een christelijke natie, wanneer koning Tiridates door H.Gregorius de Verlichter, de eerste patriarch van Armenië, wordt gedoopt. Vanaf de XIe eeuw valt het land in de handen van de Turken; in de loop van de daarop volgende negen eeuwen wist het volk echter stand te houden om zijn taal en zijn christelijke godsdienst te bewaren. De Armeniërs zijn verdeeld in twee kerken: «de apostolische Kerk» die geen band heeft met de Heilige Stoel en de katholieke Armeense Kerk waartoe de familie Maloyan behoort. In de XIXe eeuw doet zich een renaissance van de Armeense cultuur voor die haar oorsprong heeft in het christelijk geloof en in het bijzonder in de gezinnen tot uiting komt.

Al heel vroeg vertoont de jonge Choukrallah de tekenen van een religieuze roeping. Op veertienjarige leeftijd stuurt zijn pastoor hem naar een opleidingsinstituut voor de clerus van de Armeense ritus, in Bzommar in Libanon. Daar wijdt hij zich vijf jaar lang aan de studie van het Armeens, het Turks, het Arabisch, het Frans en het Italiaans. Ondanks gezondheidsproblemen, die hem dwingen zijn studie drie jaar lang te onderbreken, wordt hij op 6 augustus 1896 priester gewijd en zal voortaan Eerwaarde Ignatius worden genoemd.

In 1897 wordt hij uitgezonden naar Alexandrië en vervolgens naar Cairo en verwerft er de reputatie van een voorbeeldige priester te zijn. Hij zelf schrijft in die tijd: «Van 's morgens tot 's avonds bezoek ik de zieken, de armen, de behoeftigen. Wanneer ik 's avonds naar bed ga ben ik volledig uitgeput. Er is niemand om voor die ongelukkigen te zorgen want iedereen loopt achter zijn eigen belangen en het persoonlijk gewin aan. Wat mij betreft, ik ben van vreugde vervuld in de wetenschap dat ik de wil van God volbreng». De bekendheid, die pastoor Ignatius heeft verworven met zijn retraites en lezingen, maakt dat hij vaak wordt gevraagd om zowel in het Arabisch als het Turks te preken. In zijn ijver de zaak te dienen van de eenheid onder de christenen, knoopt hij contacten aan met de koptische christenen van Egypte, een van Rome gescheiden Kerk, en doet zijn best om met liefde te antwoorden op de vragen aangaande de katholieke Kerk. In zijn vrije tijd wijdt hij zich aan de studie van de Heilige Schrift en van de diverse vreemde talen. De Patriarch van de katholieke Armeniërs, woonachtig in Konstantinopel (Istanbul) die zijn uitzonderlijke kwaliteiten heeft opgemerkt ontbiedt hem in 1904 als secretaris. Om gezondheidsredenen is hij echter kort daarop gedwongen naar Egypte terug te keren waar hij blijft tot 1910.

Ten prooi aan moeilijkheden

Het diocees Mardine verkeert echter in een moeilijke situatie; de plaatselijke bisschop is hoog bejaard en niet meer in staat het hoofd te bieden aan de ernstige problemen die er aan de orde zijn: gebrek aan goed opgeleide priesters, moeilijke economische situatie. Uitgeput trekt hij zich terug en de patriarch vertrouwt het beheer van het diocees toe aan pastoor Ignatius. Hij wordt enthousiast ontvangen in zijn geboortestad, maar valt weldra ten prooi aan dezelfde moeilijkheden. «Het spijt me zeer voor dit diocees, schrijft hij. Het leven hier is een marteling; niettemin zijn we hiervoor priester geworden». Op 21 oktober 1911, tijdens de Armeense bisschoppensynode die bijeen was in Rome, wordt pastoor Ignatius gekozen en gewijd als aartsbisschop van Mardine. Zodra hij weer terug is opent hij scholen waarin de Armeense tradities en de Armeense literatuur een ereplaats krijgen, en buigt zich over alle moeilijkheden van zijn gelovigen; hij probeert met name hen te hulp te komen die worden vervolgd om reden van hun geloof in Christus. Sultan Abdul-Hamid probeert inderdaad sinds het einde van de XIXe eeuw de opleving van een Armeens nationaal bewustzijn de kop in te drukken daar hij deze een gevaar acht voor de eenheid in het Ottomaanse rijk. In 1895 worden honderden christelijke kerken en kloosters verwoest en honderdduizenden gelovigen vermoord; anderen, niet minder talrijk, hebben hun vaderland verlaten. Wanneer Mgr. Maloyan plaats neemt op de zetel van Mardine is aan de vervolging nog niet geheel een einde gekomen.

Ondanks een verzwakte gezondheid geeft de bisschop blijk van grote moed. Zijn eerste zorg is de priesters te hulp te komen en de seminaristen goed op te leiden. Daar ligt een zorg die in het hart van alle gelovigen, ieder op zijn plaats, zou moeten leven: « Het is vooral nu dringend noodzakelijk dat zich de overtuiging vestigt en verbreidt dat alle leden van de Kerk zonder uitzondering de genade en de verantwoordelijkheid hebben voor de zorg voor de roepingen... Een heel bijzondere verantwoordelijkheid is toevertrouwd aan het christelijk gezin, dat krachtens het sacrament van het huwelijk op eigen en oorspronkelijke wijze deelneemt aan de opvoedkundige zending van de Kerk, lerares en moeder» (Johannes Paulus II, Pastores dabo vobis, 41, 25 maart 1992).

«God zorgt voor hen die lijden»

Kort na zijn benoeming als aartsbisschop schrijft Mgr. Maloyan in een verslag aan de Heilige Stoel: «Het volk wordt belaagd door rampen: is het niet de droogte, dan zijn het wel de sprinkhanen en nog altijd is de harteloze regering even vrekkig». Hij verzoekt de burgerlijke autoriteiten om toestemming om naar Europa of Amerika te gaan om geld in te zamelen, maar tevergeefs. In deze situatie vraagt hij om ontheffing uit zijn ambt. «Armoede alom. Onophoudelijk word ik en mijn volk door de regering arglistig op de hielen gezeten. We worden door niemand beklaagd en niemand probeert deze hopeloze situatie recht te zetten. Wat kan ik alleen en door allen verlaten nog doen?» Maar de Patriarch weigert zijn ontslag te aanvaarden. God laat hem echter niet in de steek; Hij schenkt hem de genade trouw op zijn post te blijven en laat hem aan den lijve de waarheid ervaren van de woorden van de apostel Paulus: Gezegend is God, de Vader van Onze Heer Jezus Christus, de Vader vol ontferming en de God van alle vertroosting. Hij troost ons in al onze tegenspoed, zodat wij in staat zijn anderen te troosten in al hun noden, dankzij de troost die wij van God ontvangen (2 Kor I, 3-4). Mgr. Maloyan schrijft aan de Superieur van Bzommar: «Wees sterk, Eerwaarde. Wees ervan verzekerd dat God u alle genaden zal schenken die u nodig zult hebben. Wees niet bevreesd! God zorgt voor hen die lijden; u zult in al uw strijd de rust ervaren van zijn vaderlijke troost. Schenk dan ook geen aandacht aan de ondankbaarheid en de zelfzucht van de anderen. Zoals u weet heb ik uit deze bittere kelk gedronken. Deze kelk kan heel zoet zijn, vooral als we hem vermengen met de kelk van Christus zelf».

Op de avond van de 3e augustus 1914 vernemen de deelnemers aan een priesterlijke retraite in de kerk van de Kapucijnen in Mardine dat Turkije een bondgenootschap is aangegaan met Duitsland en Oostenrijk tegen Rusland, Frankrijk en Engeland. Velen weten niet wie tegen wie in oorlog is en waarom. In oktober geeft de Turkse gouverneur het bevel aan de Armeense religieuze leiders voor de maaltijden van de soldaten te zorgen. Mgr. Maloyan en een andere bisschop, Mgr. Tappouni aanvaarden het bevel. Met als voorwendsel christelijke deserteurs op te sporen betrekt de politie de wacht rond de kerken, belaagt woonhuizen en kloosters, mishandelt de vrouwen en neemt voorwerpen van waarde in beslag. Het is het begin van een vervolging van de Armeniërs. Om zijn ware bedoelingen te verhullen maakt de Turkse regering Mgr. Maloyan lid van de Keizerlijke Orde. Maar deze maakt zich geen illusies. De gouverneur van Diarbekir onthult inderdaad zijn plan tegenover moslimmilitanten: «Het wordt tijd Turkije te bevrijden van zijn vijanden die zich in het land zelf bevinden, ik bedoel de christenen. Wij zijn er zeker van dat de Europese naties hier niets tegen in zullen brengen en ons geen sancties zullen opleggen, want Duitsland staat aan onze kant; het zal ons ondersteunen en helpen». Regeringsafgevaardigden verspreiden het wachtwoord: «Spaar het leven van geen enkele christen». Via zijn medebisschoppen verneemt Mgr. Maloyan andere verontrustende berichten: de huizen van christenen en kerken worden geplunderd; op de identiteitspapieren van de soldaten moet worden aangetekend dat men «christen» is; de misdaden tegen christenen worden niet vervolgd enz. In januari 1915 worden alle christelijke politiemensen en soldaten ontwapend; de christenen in dienst van de overheid worden ontslagen; er wordt een gewapende militie ingesteld met de bedoeling de christenen te arresteren en te doden. De vrouwen worden verkocht als slavinnen.

«Mijn vurigste verlangen»

Op 24 april 1915 kondigt de Turkse minister van Binnenlandse Zaken, Talaat Bacha, de eliminering van de Armeniërs aan, met als voorwendsel dat ze verraad zouden plegen jegens Turkije. Op 30 april omsingelen Turkse soldaten de Armeense kerk en de zetel van de aartsbisschop van Mardine, waarbij de Kerk ervan beschuldigd wordt er een wapenopslagplaats op na te houden. Wanneer ze geen wapens vinden storten ze zich op de vernietiging van de archieven en dossiers. Begin mei roept Mgr. Maloyan zijn priesters bijeen en brengt hen op de hoogte van de komplotten die tegen de Armeniërs worden gesmeed: «Ik moedig u alleszins aan uw geloof te versterken, zegt hij tegen hen. Stop al uw hoop in het Heilig Kruis dat gevestigd is op de rots van Sint-Petrus. Onze Heer Jezus Christus heeft zijn Kerk op deze steenrots en op het bloed van de martelaren gesticht. Voor wat ons, arme zondaren, betreft, moge ons bloed worden vermengd met dat van de zuivere en heilige martelaren...Het is ons verlangen dat u uw hoop stelt op de Heilige Geest... Ik ben altijd volledig trouw en gehoorzaam geweest aan het hoofd van de Kerk van God, de heilige Paus van Rome. Het is mijn vurigste verlangen dat mijn geestelijken en mijn kudde mijn voorbeeld volgen en altijd gehoorzaam blijven aan de Heilige Stoel... En nu, o mijn geliefde zonen, vertrouw ik u toe aan God. Ik vraag u God te bidden mij de kracht en de moed te geven deze vergankelijke wereld te doorstaan met zijn genade en in zijn liefde en, zo nodig, mijn bloed te vergieten voor Hem». Met deze woorden geeft de prelaat blijk van zijn achting voor de zo kostbare gave van het geloof, als ook van zijn verlangen ervan te getuigen tot het bittere einde. De Katechismus van de Katholieke Kerk biedt ons wat dat betreft een zeer verhelderende lering: «Geloven in Jezus Christus en in Hem die Hem tot ons heil gezonden heeft, is noodzakelijk om dit heil te verwerven. Omdat het zonder het geloof onmogelijk is aan God te behagen (Heb. 11,6) en deel te krijgen aan de gemeenschap van zijn kinderen, wordt niemand zonder dit geloof ooit gerechtvaardigd en zal niemand het eeuwig leven verwerven. Het geloof is een gave om niet die God de mens schenkt. Wij kunnen deze onschatbare gave verliezen. Wat dit betreft waarschuwde de heilige Paulus Timoteus als volgt: Strijd daardoor gesteund de goede strijd, gewapend met geloof en een goed geweten. Omdat sommigen dit hebben prijsgegeven, heeft hun geloof schipbreuk geleden (1 Tim. 1,18-19). Om te leven, te groeien en ten einde toe te volharden in het geloof moeten wij het met Gods woord voeden; wij moeten de Heer smeken het te vermeerderen, het moet zich uiten in de liefde, worden gedragen door de hoop en geworteld zijn in het geloof van de Kerk» (KKK 161-162).

De gebeurtenissen volgen elkaar in snel tempo op: op 15 mei worden meerdere Armeniërs gearresteerd en gevangen genomen; de 26e wordt een Armeens gezin in Diarbekir vermoord. Terwijl hem de mogelijkheid wordt geboden te vluchten, verklaart Mgr. Maloyan: «Wij hebben onze roeping van herder van de kudde omhelsd, waar deze zich ook bevinde. Wij zijn vastbesloten onze plichten jegens Onze-Lieve-Heer en jegens onze kudde te vervullen., zelfs tot in de dood». Op 3 juni, de plechtige feestdag van het H.Sacrament geeft Mgr. Maloyan in zijn preek commentaar op deze woorden van Jezus: Want wie zijn leven wil redden, zal het verliezen. Maar wie zijn leven verliest om Mijnentwil zal het vinden (Mt 16,25). De avond van diezelfde dag wordt hij gearresteerd en naar de gevangenis gevoerd in gezelschap van een vijftigtal leden van de gemeenschap. In de dagen daarop worden meerdere honderden christenen van verscheidene riten samen met een vijftiental priesters gearresteerd.

«Nooit zal ik mijn geloof verloochenen!»

Gesommeeerd om voor het gerecht te verschijnen wordt op Mgr. Maloyan een spervuur van vragen losgelaten aangaande de wapens die hij zou hebben verborgen; hij antwoordt dat het een zuiver verzinsel is. Wanneer hij wordt beschuldigd van een complot tegen de regering, is zijn antwoord: «Uw beschuldiging is verzonnen. Ik heb me nooit tegen de regering gekeerd. Ik heb in tegendeel haar rechten zowel privé als in het openbaar verdedigd en ik doe mijn best om haar belangen te beschermen, want ik ben haar burger die een keizerlijke onderscheiding en een Turkse titel heeft ontvangen». Dan stroopt de commissaris van politie de mouwen op en slaat de bisschop met zijn riem. Hij antwoordt op de eisen van deze laatste: «Vandaag wordt de regering vervangen door het zwaard». Wanneer hem gevraagd wordt moslim te worden legt de bisschop een bewonderenswaardige geloofsbelijdenis af: «U zult me moeten slaan, me met messen, zwaarden en geweren doorboren, me in kleine stukken hakken, want mijn geloof zal ik nooit verloochenen. Dat staat vast». Nadat hij is geslagen verzucht de belijder van het geloof: «Ik onderga in mijn lichaam de pijn van de klappen, maar in mijn ziel ben ik vervuld van vreugde». De Katechismus van de Katholieke Kerk leert: «Allen moeten bereid zijn om Christus tegenover de mensen te belijden en Hem te midden van vervolgingen die de Kerk nooit bespaard zullen worden, op Zijn kruisweg te volgen. De dienst en het getuigenis van het geloof zijn vereist voor het heil: Ieder die Mij bij de mensen belijdt, hem zal ook Ik als de mijne erkennen bij mijn Vader die in de hemel is. Maar ieder die Mij zal verloochenen tegenover de mensen, hem zal ook Ik verloochenen tegenover mijn Vader die in de hemel is (Mt. 10,32-33)» (KKK 1816).

Bij het vallen van de avond bindt men de voeten van de bisschop aan elkaar en wordt hij geslagen met een stok. «Moge hij die mij hoort mij de laatste absolutie geven», roept hij uit. Een priester die net als hij gevangen is spreekt dan de woorden van vergeving uit. Vervolgens rukt men de moedige bisschop de nagels van de tenen uit en spuugt men hem in het gezicht. Wanneer hij weer in het cachot terug is brengt hij zijn tijd door met bidden, de armen en ogen ten hemel opgeheven: «Mijn God, bij hebt toegestaan dat dit alles gebeurt. Alles hangt van U af. Leer ons uw macht kennen, want dat hebben wij nodig. Help ons in deze zeer moeilijke tijden want wij zijn zwak en het ontbreekt ons aan moed. Schenk ons de genade getuige van onze godsdienst te blijven en te volharden in de strijd om haar rechten».

«Ik stel mijn eer in het Kruis»

In de eerste dagen van juni worden ongeveer 1600 christenen uit Mardine gedeporteerd. Gedwongen met touwen aan elkaar vast en de armen geketend, komen de christenen uit Mardine na zes uur lopen in een Koerdisch dorp aan. Dan wordt het keizerlijk decreet voorgelezen dat hen ter dood veroordeeld wegens verraad. Zij echter die moslim worden kunnen heelhuids terugkeren naar hun dorp. In ieders naam antwoordt Mgr. Maloyan: «Wij zijn in uw handen, maar wij sterven voor Jezus Christus», vervolgens moedigt hij alle christenen aan om te biechten bij de priesters die zich in de groep bevinden en laat onder hen de heilige Communie uitdelen. Getuigen vertellen dat op dat moment een lichtgevende wolk de gevangenen bedekte. Sommigen worden daarna naar een plek gevoerd, Grotten van Sheikhan genaamd, weer anderen naar Kalaa Zarzawan. Zij worden er op brute wijze afgeslacht waarna hun lichamen in putten worden gegooid. Wij kennen de feiten dankzij getuigenissen van moslims die in hun rechtschapenheid deze slachting niet hebben goedgekeurd. De volgende dag worden de andere christenen, nadat ze van hun kleren zijn beroofd, gedwongen nuchter en blootsvoets over de stenen in de straat en de doornen in het veld te lopen. Op 11 juni, de feestdag van het Heilig Hart van Jezus, worden ze op vier uur loopafstand van Diarbekir gedood. Mgr. Maloyoan is een ander leed beschoren: na eerst zijn kudde te hebben zien sterven, zal hij alleen sterven. De commissaris van politie vraagt hem een laatste keer waar hij de wapens verborgen houdt en of hij niet wil verklaren moslim te zijn. De bisschop antwoordt: «Het verbaast me u de vraag te horen herhalen. Ik heb u reeds meerdere malen gezegd dat ik leef en sterf voor mijn geloof, het ware geloof en dat ik mijn eer stel in het Kruis van mijn dierbare Verlosser». Daarop schiet de commissaris hem een kogel door de nek. Mgr. Maloyan fluistert zijn laatste woorden: «Mijn God, heb medelijden met mij. In uw handen beveel ik mijn geest».

«Hij is het die ik zoek»!

«De Kerk loopt voorwaarts op haar pelgrimstocht doorheen de vervolgingen van de wereld en de vertroostingen van God», schreef H.Augustinus in de Stad Gods. Terwijl het geloof op de proef kan worden gesteld door een wereld die al te vaak een vijand van God blijkt te zijn, hebben wij de troost van de wetenschap dat wij in het voetspoor lopen van de Verlosser: Als de wereld u haat, bedenkt dan dat zij Mij eerder heeft gehaat dan u. Als gij van de wereld zoudt zijn, zou de wereld liefhebben wat haar toebehoort. Daar gij echter niet van de wereld zijt, maar Ik u uit de wereld heb uitgekozen, daarom haat de wereld u (Joh 15,18-19). De martelaren die Jezus hebben nagevolgd tot in de dood zijn er om er ons aan te herinneren. «Niets van de bekoorlijkheden van de wereld noch van de aardse koninkrijken zal mij van dienst zijn, schreef H.Ignatius van Antiochië. Het is voor mij beter te sterven om mij te verenigen met Christus Jezus dan te heersen over de uiteinden der aarde. Hij is het die ik zoek, die is gestorven voor ons, die is verrezen voor ons».

De christelijke bevolking van Turks Armenië is grotendeels afgeslacht in de loop van de vervolging van 1915 die volgens de geschiedkundigen tussen één miljoen en anderhalf miljoen slachtoffers heeft gemaakt. Talrijke gelovigen van de katholieke Armeense Kerk leven tegenwoordig echter in de Armeense republiek en in diverse delen van de wereld. In de loop van de XXe eeuw zijn er patriarchale vicariaten voor de Armeniërs opgericht in Jeruzalem, Damas, en in Griekenland en drie exarchaten in Noord-Amerika, Latijns-Amerika en Frankrijk. Eens te meer is het bloed der martelaren het zaad der christenen geworden.

Op 7 oktober 2001 is de heilige bisschop zalig verklaard door Paus Johannes Paulus II die aldus zijn lof verwoordde: «Mgr. Maloyan, als martelaar gestorven op de leeftijd van 46 jaar herinnert ons aan de geestelijke strijd van iedere christen wiens geloof is blootgesteld aan aanvallen van het kwade. Uit de Eucharistie put hij dag na dag de nodige kracht om edelmoedig en liefdevol zijn priesterambt te vervullen». Laten wij ons, verlicht door het voorbeeld van de gelukzalige, de aanbevelingen van dezelfde Paus in het begin van het eucharistisch jaar, op 7 oktober 2004, in herinnering brengen: «De H. Mis moet in het middelpunt van het christelijk leven worden geplaatst... De aanwezigheid van Jezus in het tabernakel moet een aantrekkingspunt worden voor een steeds groter aantal zielen die zijn vervuld van liefde tot Hem, bereid om geduldig te wachten tot ze zijn stem horen en als het ware zijn hartslag te voelen. Proeft en merkt op hoe mild de Heer is (Ps 33, 9)... Laten we er de tijd voor nemen te knielen voor Jezus in de Eucharistie om middels ons geloof en onze liefde eerherstel te brengen voor de daden van achteloosheid en verwaarlozing, en zelfs de beledigingen, die onze Verlosser in veel delen van de wereld te verduren krijgt. Laten we door aanbidding onze persoonlijke en gemeenschappelijke beschouwing verdiepen» (Mane nobiscum, Domine, 17-18).

Moge het getuigenis van de gelukzalige Ignatius evenals dat van alle Armeense martelaren niet alleen hen verlichten die hun kerkelijke tradities overnemen, maar allen die ware getuigen van het Evangelie willen zijn, voor de heerlijkheid van God en voor het heil van de zielen!

Dom Antoine Marie osb

Om het Blad van de Abdij Saint-Joseph de Clairval te publiceren in een tijdschrift, blad... of on het internetsite of een website te plaatsen, is een toelating vereist. Deze dient te worden aangevraagd per E-Mail or bij http://www.clairval.com.

Index der Briefe  - Home Page

Webmaster © 1996-2017 Traditions Monastiques