|
15 november 2006 |
Charles is geboren op 15 september 1858 in een zeer christelijk gezin, in Straatsburg.Hij verliest zijn moeder en daarna zijn vader, in hetzelfde jaar 1864. Hij wordt, samen met zijn zus Marie, toevertrouwd aan zijn grootvader, de heer de Morlet, gepensioneerd kolonel. Als liefdevolle, vurige en leergierige jongen wordt Charles het voorwerp van de verwennerijen van zijn grootvader, die in het geheim toegeeflijk staat tegenover de woedeaanvallen van de jongen die hij beschouwt als karaktertekens. De heer de Morlet en de twee kinderen vestigen zich in Nancy in 1872. Van dan af ontwikkelt Charles de gewoonte zijn studie te vermengen met een massa lectuur die zonder enig onderscheid wordt uitgekozen. Aan het einde van zijn schooljaren verliest hij zijn hele geloof, «en dat was niet het enige kwaad, zal hij later bekennen... Kinderen worden op de wereld geschopt zonder ze de wapenen te geven die onontbeerlijk zijn om de vijanden te bestrijden die zij in zichzelf en buiten zichzelf aantreffen en die zich in groten getale aandienen. De christelijke filosofen hebben al zo lang en zo duidelijk een oplossing gevonden voor zovele kwesties waarvoor iedere jongeman zich koortsachtig ziet gesteld zonder te vermoeden dat het antwoord, klaar en helder, op twee passen van hem vandaan te vinden is!» Hij zal met aandrang vragen dat zijn kleinkinderen door christelijke meesters zullen worden opgevoed: «Ik heb geen enkele slechte leermeester gehad, maar de jeugd heeft geen behoefte aan neutrale leermeesters maar aan gelovige en heilige zielen en bovendien aan mannen die hun geloof begrijpelijk kunnen maken en jonge mensen inspireren tot vertrouwen in de waarheid van hun geloof...»
Een en al goddeloosheid, een en al verlangen naar het kwade
Hij is vierentwintig jaar. Wat hem aantrekt zijn de stilte die gewoonlijk heerst in de Noordafrikaanse landen, de ruimte, het onvoorspelbare en primitieve karakter van het leven, het geheimzinnige van de bewoners... Hij neemt zijn ontslag uit het leger en werpt zich op een van de moeilijkste expedities: het doorkruisen van Marokko, een land dat dan nog zeer gesloten is, vooral voor christenen. In het gezelschap van een joodse rabbijn die in dit land is geboren overschrijdt Charles, die zichzelf ook laat doorgaan voor rabbijn, de grens in juni 1883. Elf maanden lang reist hij door Marokko; verschillende meetinstrumenten die hij heeft verborgen in de plooien van zijn kleren stellen hem in staat, op het voortdurende gevaar af te worden betrapt, bepaalde waarnemingen te doen en aantekeningen te maken over dit land dat dan nog onbekend is. In mei 1884 keert hij terug naar Frankrijk met een vracht aan wetenschappelijke gegevens die hij vastlegt in zijn Verkenningen in Marokko, een boek dat weldra respect afdwingt in wetenschappelijke kringen.
Liefdevol en met blijdschap wordt hij in zijn familie verwelkomd. Zij weten van zijn uitspattingen en kennen zijn geestesgesteldheid. Er wordt hem echter niets verweten; zij feliciteren hem in tegendeel met het succes van zijn onderneming en brengen hem in contact met de meest aangewezen personen voor wat hun geestelijke kwaliteiten en christelijke opvattingen betreffen. Charles is nog altijd bewogen door hetgeen hij in Noord-Afrika heeft gezien en in het bijzonder het voortdurend aanroepen van God. Al de religieuze gebruiken binnen de mohammedaanse godsdienst brengen hem tot de uitspraak: «En ik die geen godsdienst heb!» Hij denkt er zelfs over mohammedaan te worden; maar na een eerste onderzoek blijkt hem dat de religie van Mohammed niet de ware kan zijn aangezien zij «te materieel is». Ondanks het aangename leven dat hij leidt neemt zijn droefheid alleen maar toe. In zijn vrije uren opent hij de boeken van de heidense filosofen: hun antwoorden lijken hem maar armzalig...
Niemand heeft die hem kunnen ontroven...
Met zijn tweeëndertig jaren weet hij zich zonder moeite aan te passen aan het bestaan van kloosterling; het enige wat hem met zijn trotse natuur zwaar valt is de gehoorzaamheid. In de strijd die hij moet leveren vindt hij steun bij het voornemen dat hij in het begin had genomen: «Ik wilde intreden in het religieuze leven om Onze-Lieve-Heer gezelschap te houden in zijn verdriet... Jezus heeft mij in de hand, bewaart mij in zijn vrede en verjaagt de droefheid zodra die naderbij wil komen». Op 27 juni 1890 verwezenlijkt Broeder Albéric een plan dat hij meteen na aankomst had besproken met zijn abt: een verblijf in een zeer arm klooster in Syrië, de trappistenabdij van Akbès, om er onbekend en nog armer te leven en er dichtbij het Heilig Land te zijn waar de Zoon van God heeft geleden en gewerkt. Daarginds leven de religieuzen temidden van een bevolking die bestaat uit Koerden, Syriërs, Turken en Armenen die, zo schrijft hij « een dapper, arbeidzaam en fatsoenlijk volk zouden vormen als het onderricht, bestuurd en vooral zou worden bekeerd... Wij zijn degenen die de toekomst van deze volken bepalen. De toekomst, de enige ware toekomst is het eeuwig leven: dit leven is slechts de kortstondige beproeving die het andere voorbereidt... Prediking in mohammedaanse landen is niet gemakkelijk, maar de missionarissen van zovele voorbije eeuwen hebben heel wat meer moeilijkheden overwonnen... Laten we hun het voorbeeld geven van een volmaakt leven, van een verheven goddelijk leven». In 1892, een paar maanden na het afleggen van zijn geloften, ontvangt broeder Albéric de opdracht om te beginnen aan zijn theologiestudie met het oog op zijn priesterschap. Ondanks de «extreme afkeer» die hij heeft van al wat hem verre houdt van de laatste plaats die hij is komen zoeken, zet hij zich aan het werk. Tegelijkertijd zet hij de generaalabt uiteen wat de aanhoudende aantrekkingskracht is naar een nog nederigere levensvorm, buiten de cisterciënzerorde. Vader Abt laat hem naar Rome komen voor twee jaar studie. Gehoorzaam vertrekt broeder Albéric en komt er in oktober 1896 aan. De generaalabt verleent hem echter al in de daaropvolgende maand januari de toestemming om het trappistenklooster te verlaten en gevolg te geven aan de roep van God.
«Ik geniet eindeloos»
Toen ik me, ondanks zoveel genaden, van U begon te verwijderen, hoe zachtmoedig riept Gij mij weer terug naar U, via de stem van mijn grootvader, hoe barmhartig belette Gij mij te vervallen in de ergste buitensporigheden door in mijn hart de liefde voor Hem te bewaren!... Maar ondanks al die dingen verwijderde ik mij helaas steeds verder van U, van U, mijn Heer en mijn leven... en mijn leven begon dan ook een dood te worden, of beter gezegd: het was al een dood in uw ogen... En in die staat van dood, behoedde Gij mij nog altijd: alle geloof was verdwenen, maar de eerbied en de achting voor de godsdienst waren intact gebleven...
De dingen zijn zo gelopen dat Gij mij verplichtte kuis te zijn en toen Gij mij aan het eind van de winter van 1886 weer terug had gevoerd in mijn familie, werd de kuisheid mij weldra dierbaar en een behoefte van het hart. Dat hebt Gij gedaan, Heer, Gij alleen; ik had er geen enkel aandeel in, helaas! Het was nodig om mijn ziel voor te bereiden op de Waarheid... Gij kont niet naar binnen, Heer, in een ziel waarin de duivel van de onreine hartstochten heer en meester was... Mijn God, hoe zal ik uw barmhartigheid kunnen loven?... «Een schone ziel kwam U te hulp, maar door stilzwijgen, zachtmoedigheid en volmaaktheid; zij liet zich zien, zij was goed en verspreidde haar aantrekkelijke geur, maar zij handelde niet. Gij, mijn Jezus, mijn Verlosser, Gij deed alles van buiten en van binnen. Gij schonkt mij toen vier genaden. De eerste was mij de volgende gedachte ingeven: daar deze ziel zo intelligent is kan de godsdienst waarin zij zo vast gelooft geen dwaasheid zijn zoals ik denk. De tweede was mij deze andere gedachte ingeven: daar de godsdienst geen dwaasheid is is de Waarheid die op aarde in geen enkele andere is, noch in welk filosofisch stelsel dan ook, misschien daar? De derde viel me ten deel toen ik bij mezelf zei: laten we die godsdienst dan maar eens bestuderen; laten we een katholieke godsdienstleraar nemen, een ontwikkelde priester, en laten we eens zien wat het voorstelt. De vierde en onvergelijkelijke genade schonkt Gij mij door mij naar pastoor Huvelin te sturen... En sindsdien beleef ik een aaneenschakeling van genaden... Opkomende vloed, die nog altijd opkomt!»
Een Mis meer, iedere dag
Het leven van pater Charles de Jezus speelt zich voortaan in de woestijn af: eerst in Beni-Abbès, in Zuid-Oran, dan in Tamanrasset, in het Hoggar- gebergte, op 1500 km ten zuiden van Algerije. Hij is er zich bewust van dat hij de eerste priester in de geschiedenis is die ter plaatse woont en de heilige Mis opdraagt. Zijn doel is het hart van de mohammedanen Arabieren en vervolgens Touaregs te openen door ze in contact te brengen met de christelijke beschaving en met een priester teneinde later hun evangelisatie door missionarissen in de volle zin van het woord mogelijk te maken. Hij betracht tegenover hen edelmoedige en belangeloze naastenliefde, praat met hen over God en onderwijst hun de voorschriften van de natuurlijke godsdienst.
Er is wel beweerd dat pater de Foucauld geenszins het geloof preekte en zich ertoe beperkte aanwezig te zijn onder de mohammedanen zonder de mond open te doen. Generaal Laperrine was er al geïrriteerd door: «En zijn conversatie! En zijn uitdossing!» noteerde deze in zijn dagboek. Wanneer er zich iemand meldt aan de deur van de kluis verschijnt broeder Charles, de ogen één en al sereniteit, de hand die hij uitsteekt gehuld in een witte gandourah waarop een rood hart staat afgebeeld met daarboven een kruis. Dit beeld van het Heilig Hart verkondigt het geloof van deze blanke man; en zijn hele leven getuigt van het Evangelie. Voor de inboorlingen is er geen misverstand. In een verslag aan de Apostolisch Prefect van de Sahara, noteert broeder Charles: «Voor de slaven (slavernij was een gangbare praktijk in de woestijn), heb ik een kamertje waar ik ze bijeenbreng...; beetje bij beetje leer ik ze tot Jezus bidden... De armlastige reizigers vinden eveneens in de Broederschap een nederig onderkomen en een sobere maaltijd, naast een vriendelijke ontvangst en een paar woorden om ze naar het goede en naar Jezus te verwijzen...» Aan een vriend schrijft hij: «Ik ben diep bedroefd wanneer ik de kinderen van het dorp doelloos rond zie hangen, zonder iets te doen te hebben, zonder onderricht, zonder godsdienstige vorming... Enkele goede zusters van Liefde zouden in korte tijd, met de hulp van God, dit hele land aan Jezus geven».
Een remedie tegen de droefheid
Wanneer de oorlog van 1914-18 in Europa uitbreekt is de pater sinds negen jaar in het Hoggar-gebergte gevestigd. Van de zes Touaregstammen temidden waarvan hij leeft hebben er drie zich onderworpen aan Frankrijk en blijven haar trouw, maar de anderen maken van het Europees conflict gebruik om ze de geest van de opstand in te blazen. Zij kennen de beslissende invloed die de kluizenaar heeft op de Touaregs van de Hoggar: «Het groot belang van Tamanrasset, schrijft een Franse arts in januari 1914, is de aanwezigheid van pater de Foucauld. Door zijn goedheid, zijn heiligheid en zijn wetenschap heeft hij grote bekendheid verworven onder de bevolking». De pater wordt het doelwit van de opstandelingen die een overval beramen. Op 1 december 1916 naderen ze geruisloos het kleine fort waar hij zich ophoudt en kloppen aan de deur die de niets vermoedende kluizenaar half opent: hij wordt dan vastgepakt en geboeid. Hij begrijpt alles en rekent alleen nog op zijn dood. Het zozeer begeerde ogenblik dat hij naar zijn welbeminde kan gaan is aangebroken! «Laten we alle beledigingen verdragen, had hij geschreven, de klappen, de verwondingen, de dood, al biddend voor hen die ons haten... naar het voorbeeld van Jezus, zonder andere reden of nut dan Jezus te verklaren dat wij Hem liefhebben».
Verrast door twee soldaten die Frankrijk trouw zijn gebleven raken de gezworenen in paniek. Degene die de pater moet bewaken schiet hem pardoes een kogel door het hoofd. Pater Charles de Foucauld glijdt langzaam tegen de muur en zakt ineen: hij is dood... slachtoffer van zijn liefdesijver voor deze volken waaronder het licht van het geloof nog nooit had geschenen. Hij had zijn leven gewijd aan het bekend maken van de ware God, mensgeworden in Jezus Christus, aan het delen met hen van Gods barmhartigheid die hij zo overduidelijk heeft ervaren en waarvan hij uit dankbaarheid de boodschapper heeft willen zijn! Pas op 21 december kan kapitein de La Roche, districtscommandant van de Hoggar, zich naar Tamanrasset begeven. Op het graf van de pater plant hij een kruis van hout. Vervolgens gaat hij het fort binnen dat door de bandieten is geplunderd. Hij vindt er de rozenkrans van de pater terug, een kruisweg die met een fijne pen is getekend op plankjes, een houten kruis waarop ook een zeer fraaie beeltenis van Christus...
Monstrans in het zand
In Béni-Abbès had Charles een levensreglement opgesteld waarin het gebed de eerste plaats innam: Heilige Mis en dankzegging, Brevier, Kruisweg, Rozenkrans... Maar de aanbidding van het Allerheiligste spant de kroon: hij besteedt er iedere dag drieëneenhalf uur aan, verdeeld over drie momenten van stilte. In zijn dagboek leest men: «Mei 1903 Vandaag dertig jaar geleden dat ik mijn eerste Communie deed, dat ik de Goede God voor het eerst ontving... En nu houd ik Jezus in mijn miserabele handen! Hij die in mijn handen komt! En nu put ik dag en nacht vreugde uit het heilig tabernakel, heb ik Jezus zogezegd voor mij alleen! Nu consacreer ik iedere ochtend de Heilige Eucharistie waarmee ik iedere avond de zegen geef!»
Met zijn vurige liefde voor Jezus-Hostie liep broeder Charles vooruit op de oproep die Gods Dienaar, Johannes Paulus II een eeuw later deed aan de gehele Kerk: «Dierbare broeders en zusters,...hier is de schat van de Kerk... In de Eucharistie vinden we Jezus, is voor ons zijn Offer van verlossing aanwezig, ontmoeten we zijn verrijzenis, ontvangen we de gave van de heilige Geest, hebben de aanbidding, de gehoorzaamheid en de liefde jegens de Vader. Als we de Eucharistie zouden verwaarlozen, hoe zouden we dan onze erbarmelijkheid kunnen genezen ?... Onder de nederige gedaanten van brood en wijn, substantieel veranderd in zijn lichaam en bloed, gaat Christus met ons mee als onze kracht en ons voedsel voor onderweg en maakt Hij ons voor allen tot getuigen van de Hoop» (Ecclesia de Eucharistia, 17 april 2003, nn. 59,60,62).
Charles de Foucauld die in Rome op 13 november 2005 is zalig verklaard, heeft de Eucharistie liefgehad alsof hij in haar, met zijn ogen, de aanwezige Christus zag. Laten wij hem vragen in onze zielen een steeds vurigere liefde te doen ontbranden jegens Hem die onder ons wil blijven om onze vertrouweling, onze steun, onze ware trouwe Vriend te zijn.