Blason  Abdij Saint-Joseph de Clairval

F-21150 Flavigny-sur-Ozerain

Frankrijk


[Cette lettre en français]
[This letter in English]
[Dieser Brief auf deutsch]
[Esta carta en español]
[Questa lettera in italiano]
15 november 2006
Heilige Albertus de Grote


Dierbare Vriend van de Abdij Saint-Joseph de Clairval,

Een jongeman gaat een biechtstoel in van de H.Augustinuskerk in Parijs, buigt zich voorover naar de priester en zegt: «Eerwaarde, ik bezit het geloof niet; ik kom u vragen mij te onderrichten». De priester neemt hem op... «Kniel neer, spreek je biecht uit voor God en je zult geloven. Maar daar kwam ik niet voor... - Biecht!» De man die wilde geloven voelde dat de vergeving voor hem een voorwaarde was voor het licht. Hij knielt neer en biecht zijn hele leven op. Als de boeteling eenmaal de absolutie heeft ontvangen voor zijn zonden, hervat de pastoor: «Ben je nuchter? – Ja. – Ga ter communie!» De jongeman gaat terstond naar de communiebank; het was zijn «tweede eerste Communie»... Het is eind oktober 1886. De priester die bekend staat om zijn kunst van het leiding geven aan zielen is de eerwaarde Huvelin; de jongeman, 28 jaar, heet Charles de Foucauld.

Charles is geboren op 15 september 1858 in een zeer christelijk gezin, in Straatsburg.Hij verliest zijn moeder en daarna zijn vader, in hetzelfde jaar 1864. Hij wordt, samen met zijn zus Marie, toevertrouwd aan zijn grootvader, de heer de Morlet, gepensioneerd kolonel. Als liefdevolle, vurige en leergierige jongen wordt Charles het voorwerp van de verwennerijen van zijn grootvader, die in het geheim toegeeflijk staat tegenover de woedeaanvallen van de jongen die hij beschouwt als karaktertekens. De heer de Morlet en de twee kinderen vestigen zich in Nancy in 1872. Van dan af ontwikkelt Charles de gewoonte zijn studie te vermengen met een massa lectuur die zonder enig onderscheid wordt uitgekozen. Aan het einde van zijn schooljaren verliest hij zijn hele geloof, «en dat was niet het enige kwaad, zal hij later bekennen... Kinderen worden op de wereld geschopt zonder ze de wapenen te geven die onontbeerlijk zijn om de vijanden te bestrijden die zij in zichzelf en buiten zichzelf aantreffen en die zich in groten getale aandienen. De christelijke filosofen hebben al zo lang en zo duidelijk een oplossing gevonden voor zovele kwesties waarvoor iedere jongeman zich koortsachtig ziet gesteld zonder te vermoeden dat het antwoord, klaar en helder, op twee passen van hem vandaan te vinden is!» Hij zal met aandrang vragen dat zijn kleinkinderen door christelijke meesters zullen worden opgevoed: «Ik heb geen enkele slechte leermeester gehad, maar de jeugd heeft geen behoefte aan neutrale leermeesters maar aan gelovige en heilige zielen en bovendien aan mannen die hun geloof begrijpelijk kunnen maken en jonge mensen inspireren tot vertrouwen in de waarheid van hun geloof...»

Een en al goddeloosheid, een en al verlangen naar het kwade

Als middelbaar scholier is hij overal nieuwsgierig naar en vastbesloten van het leven te genieten en toch is hij triest. Zo vertrekt Charles naar Parijs voor een vooropleiding voor de Militaire Academie Saint-Cyr. Hij zal over zichzelf zeggen dat hij één en al zelfzucht, ijdelheid, goddeloosheid en verlangen naar het kwade was... Zijn luiheid is zo groot dat hij in de loop van het tweede jaar wordt weggestuurd... Toch wordt hij in 1876 tot de academie toegelaten als een van de laatsten van zijn lichting. In 1878 gaat hij naar de cavalerieschool van Saumur waar hij, naar zeggen van een vriend, «het aangename bestaan van een epicuristische filosoof leidt»: Charles leeft op grote voet, kleedt zich met grote zorg, organiseert het ene feest na het andere. Zijn oom komt in beweging en zadelt hem op met een curator, tot grote woede van zijn neef. In 1880 vertrekt 2e luitenant de Foucauld met zijn regiment naar Algerije. Daar voegt een jonge vrouw zich bij hem. Zij stelt zich voor als zijn wettige echtgenote. Wanneer zijn superieuren achter de waarheid komen verzoeken ze hem zijn gezellin terug te sturen naar Frankrijk. Charles weigert categorisch. De sanctie blijft niet lang uit: hij wordt op non-actief gesteld om reden van tuchteloosheid en wangedrag. Dan breekt in Algerije de opstand uit van de mohammedaanse leider Bou-Amama. Foucauld kan de gedachte niet verdragen dat zijn kameraden strijd gaan voeren, eer behalen en zich aan gevaren blootstellen zonder hem. Hij krijgt het voor elkaar dat hij opnieuw in zijn regiment wordt opgenomen. «Temidden van de gevaren en ontberingen, zal een vriend van hem, generaal Laperrine, later zeggen, ontpopt hij zich als een echte soldaat en aanvoerder...»

Hij is vierentwintig jaar. Wat hem aantrekt zijn de stilte die gewoonlijk heerst in de Noordafrikaanse landen, de ruimte, het onvoorspelbare en primitieve karakter van het leven, het geheimzinnige van de bewoners... Hij neemt zijn ontslag uit het leger en werpt zich op een van de moeilijkste expedities: het doorkruisen van Marokko, een land dat dan nog zeer gesloten is, vooral voor christenen. In het gezelschap van een joodse rabbijn die in dit land is geboren overschrijdt Charles, die zichzelf ook laat doorgaan voor rabbijn, de grens in juni 1883. Elf maanden lang reist hij door Marokko; verschillende meetinstrumenten die hij heeft verborgen in de plooien van zijn kleren stellen hem in staat, op het voortdurende gevaar af te worden betrapt, bepaalde waarnemingen te doen en aantekeningen te maken over dit land dat dan nog onbekend is. In mei 1884 keert hij terug naar Frankrijk met een vracht aan wetenschappelijke gegevens die hij vastlegt in zijn Verkenningen in Marokko, een boek dat weldra respect afdwingt in wetenschappelijke kringen.

Liefdevol en met blijdschap wordt hij in zijn familie verwelkomd. Zij weten van zijn uitspattingen en kennen zijn geestesgesteldheid. Er wordt hem echter niets verweten; zij feliciteren hem in tegendeel met het succes van zijn onderneming en brengen hem in contact met de meest aangewezen personen voor wat hun geestelijke kwaliteiten en christelijke opvattingen betreffen. Charles is nog altijd bewogen door hetgeen hij in Noord-Afrika heeft gezien en in het bijzonder het voortdurend aanroepen van God. Al de religieuze gebruiken binnen de mohammedaanse godsdienst brengen hem tot de uitspraak: «En ik die geen godsdienst heb!» Hij denkt er zelfs over mohammedaan te worden; maar na een eerste onderzoek blijkt hem dat de religie van Mohammed niet de ware kan zijn aangezien zij «te materieel is». Ondanks het aangename leven dat hij leidt neemt zijn droefheid alleen maar toe. In zijn vrije uren opent hij de boeken van de heidense filosofen: hun antwoorden lijken hem maar armzalig...

Niemand heeft die hem kunnen ontroven...

En nu ontmoet Charles, als door de Voorzienigheid beschikt, op een avond in 1886, pastoor Huvelin, bij zijn tante Moytessier. Iedereen, zelfs de onverschilligste, is onder de indruk van de liefde van deze man Gods voor de zondaars; hij denkt voor hen aan het definitieve uur waarop ze geoordeeld, voor altijd veroordeeld, zullen worden. Op die avond wisselen de twee mannen alleen wat alledaagsheden uit; maar de Voorzienigheid maakt er de oorzaak van dat Charles daarop de biecht aflegt die een radicale verandering in zijn leven teweeg zal brengen. In november 1888 scheept Charles in naar het Heilig Land dat hij vier maanden lang doorkruist. Hij is vooral verrukt van Nazaret: hij houdt er een liefde aan over voor het verborgen leven, gehoorzaamheid en vrijwillig gekozen nederige levensomstandigheden die hem voor altijd bij zal blijven. Want hij denkt aan Degene die er dertig jaar heeft gewoond en van wie pastoor Huvelin zei: «Onze-Lieve-Heer heeft zozeer de laatste plaats ingenomen dat niemand die Hem ooit heeft kunnen ontroven». Na zijn terugkeer vindt hij dankzij drie retraites de nodige steun bij het zoeken naar zijn roeping: God roept hem om trappistenmonnik te worden. Hij verlaat huis en haard en vertrekt eind 1889 naar het trappistenklooster van Notre-Dame des Neiges in de Ardèche. Op 26 januari 1890 ontvangt hij van de abt het kloosterkleed en de naam Broeder Albéric.

Met zijn tweeëndertig jaren weet hij zich zonder moeite aan te passen aan het bestaan van kloosterling; het enige wat hem met zijn trotse natuur zwaar valt is de gehoorzaamheid. In de strijd die hij moet leveren vindt hij steun bij het voornemen dat hij in het begin had genomen: «Ik wilde intreden in het religieuze leven om Onze-Lieve-Heer gezelschap te houden in zijn verdriet... Jezus heeft mij in de hand, bewaart mij in zijn vrede en verjaagt de droefheid zodra die naderbij wil komen». Op 27 juni 1890 verwezenlijkt Broeder Albéric een plan dat hij meteen na aankomst had besproken met zijn abt: een verblijf in een zeer arm klooster in Syrië, de trappistenabdij van Akbès, om er onbekend en nog armer te leven en er dichtbij het Heilig Land te zijn waar de Zoon van God heeft geleden en gewerkt. Daarginds leven de religieuzen temidden van een bevolking die bestaat uit Koerden, Syriërs, Turken en Armenen die, zo schrijft hij « een dapper, arbeidzaam en fatsoenlijk volk zouden vormen als het onderricht, bestuurd en vooral zou worden bekeerd... Wij zijn degenen die de toekomst van deze volken bepalen. De toekomst, de enige ware toekomst is het eeuwig leven: dit leven is slechts de kortstondige beproeving die het andere voorbereidt... Prediking in mohammedaanse landen is niet gemakkelijk, maar de missionarissen van zovele voorbije eeuwen hebben heel wat meer moeilijkheden overwonnen... Laten we hun het voorbeeld geven van een volmaakt leven, van een verheven goddelijk leven». In 1892, een paar maanden na het afleggen van zijn geloften, ontvangt broeder Albéric de opdracht om te beginnen aan zijn theologiestudie met het oog op zijn priesterschap. Ondanks de «extreme afkeer» die hij heeft van al wat hem verre houdt van de laatste plaats die hij is komen zoeken, zet hij zich aan het werk. Tegelijkertijd zet hij de generaalabt uiteen wat de aanhoudende aantrekkingskracht is naar een nog nederigere levensvorm, buiten de cisterciënzerorde. Vader Abt laat hem naar Rome komen voor twee jaar studie. Gehoorzaam vertrekt broeder Albéric en komt er in oktober 1896 aan. De generaalabt verleent hem echter al in de daaropvolgende maand januari de toestemming om het trappistenklooster te verlaten en gevolg te geven aan de roep van God.

«Ik geniet eindeloos»

Broeder Charles de Jezus – zo noemt hij zich voortaan – keert dan terug naar Nazaret. De Clarissenzusters nemen hem aan als huisbediende: «Ik geniet er eindeloos van arm te zijn, gekleed als arbeider, in de nederige levensomstandigheden als die van Jezus...» Hij brengt uren lang door in aanbidding voor het Allerheiligste. Op een dag laat hij uit zijn hart deze woorden van erkenning opwellen: «Mijn God, wij moeten allen uw barmhartigheid bezingen, wij allen die zijn geschapen voor de eeuwige heerlijkheid en verlost door het Bloed van Jezus, door uw Bloed, Heer Jezus, die naast mij in het tabernakel bent; maar als wij dat allen moeten, hoezeer moet ik het dan wel niet! ik die vanaf mijn jeugd met zoveel genaden ben omringd en met een heilige moeder door wie ik U heb leren kennen, liefhebben en aanbidden zodra ik één woord begreep! En het catechismusonderricht, de eerste biechten... die voorbeelden van vroomheid die ik in mijn familie heb gekregen... en na een langdurige goede voorbereiding, de eerste Communie!...

Toen ik me, ondanks zoveel genaden, van U begon te verwijderen, hoe zachtmoedig riept Gij mij weer terug naar U, via de stem van mijn grootvader, hoe barmhartig belette Gij mij te vervallen in de ergste buitensporigheden door in mijn hart de liefde voor Hem te bewaren!... Maar ondanks al die dingen verwijderde ik mij helaas steeds verder van U, van U, mijn Heer en mijn leven... en mijn leven begon dan ook een dood te worden, of beter gezegd: het was al een dood in uw ogen... En in die staat van dood, behoedde Gij mij nog altijd: alle geloof was verdwenen, maar de eerbied en de achting voor de godsdienst waren intact gebleven...

De dingen zijn zo gelopen dat Gij mij verplichtte kuis te zijn en toen Gij mij aan het eind van de winter van 1886 weer terug had gevoerd in mijn familie, werd de kuisheid mij weldra dierbaar en een behoefte van het hart. Dat hebt Gij gedaan, Heer, Gij alleen; ik had er geen enkel aandeel in, helaas! Het was nodig om mijn ziel voor te bereiden op de Waarheid... Gij kont niet naar binnen, Heer, in een ziel waarin de duivel van de onreine hartstochten heer en meester was... Mijn God, hoe zal ik uw barmhartigheid kunnen loven?... «Een schone ziel kwam U te hulp, maar door stilzwijgen, zachtmoedigheid en volmaaktheid; zij liet zich zien, zij was goed en verspreidde haar aantrekkelijke geur, maar zij handelde niet. Gij, mijn Jezus, mijn Verlosser, Gij deed alles van buiten en van binnen. Gij schonkt mij toen vier genaden. De eerste was mij de volgende gedachte ingeven: daar deze ziel zo intelligent is kan de godsdienst waarin zij zo vast gelooft geen dwaasheid zijn zoals ik denk. De tweede was mij deze andere gedachte ingeven: daar de godsdienst geen dwaasheid is is de Waarheid die op aarde in geen enkele andere is, noch in welk filosofisch stelsel dan ook, misschien daar? De derde viel me ten deel toen ik bij mezelf zei: laten we die godsdienst dan maar eens bestuderen; laten we een katholieke godsdienstleraar nemen, een ontwikkelde priester, en laten we eens zien wat het voorstelt. De vierde en onvergelijkelijke genade schonkt Gij mij door mij naar pastoor Huvelin te sturen... En sindsdien beleef ik een aaneenschakeling van genaden... Opkomende vloed, die nog altijd opkomt!»

Een Mis meer, iedere dag

De reputatie van heiligheid van broeder Charles verspreidt zich zonder dat hij er weet van heeft. De Abdis van de Clarissen van Jeruzalem spoort hem aan zich voor te bereiden op het priesterschap. Om zijn weerstanden te overwinnen wijst ze hem erop dat er, indien hij zou accepteren, iedere dag in de wereld een Mis op aarde meer zou zijn. Zijn de gaven die hij heeft ontvangen voor hem alleen? Dat argument brengt hem uit zijn evenwicht; een antwoord van pastoor Huvelin zorgt voor de rest. Broeder Charles keert terug naar Frankrijk, naar Notre-Dame des Neiges waar hij zich voorbereidt op de wijding die plaats vindt op 9 juni 1901. Wat gaat hij nu doen? Met de instemming van de bisschop van Viviers en pastoor Huvelin gaat hij het Evangelie verkondigen aan de volken van de Sahara die tot de meest verwaarloosde behoren...

Het leven van pater Charles de Jezus speelt zich voortaan in de woestijn af: eerst in Beni-Abbès, in Zuid-Oran, dan in Tamanrasset, in het Hoggar- gebergte, op 1500 km ten zuiden van Algerije. Hij is er zich bewust van dat hij de eerste priester in de geschiedenis is die ter plaatse woont en de heilige Mis opdraagt. Zijn doel is het hart van de mohammedanen – Arabieren en vervolgens Touaregs – te openen door ze in contact te brengen met de christelijke beschaving en met een priester teneinde later hun evangelisatie door missionarissen in de volle zin van het woord mogelijk te maken. Hij betracht tegenover hen edelmoedige en belangeloze naastenliefde, praat met hen over God en onderwijst hun de voorschriften van de natuurlijke godsdienst.

Er is wel beweerd dat pater de Foucauld geenszins het geloof preekte en zich ertoe beperkte aanwezig te zijn onder de mohammedanen zonder de mond open te doen. Generaal Laperrine was er al geïrriteerd door: «En zijn conversatie! En zijn uitdossing!» noteerde deze in zijn dagboek. Wanneer er zich iemand meldt aan de deur van de kluis verschijnt broeder Charles, de ogen één en al sereniteit, de hand die hij uitsteekt gehuld in een witte gandourah waarop een rood hart staat afgebeeld met daarboven een kruis. Dit beeld van het Heilig Hart verkondigt het geloof van deze blanke man; en zijn hele leven getuigt van het Evangelie. Voor de inboorlingen is er geen misverstand. In een verslag aan de Apostolisch Prefect van de Sahara, noteert broeder Charles: «Voor de slaven (slavernij was een gangbare praktijk in de woestijn), heb ik een kamertje waar ik ze bijeenbreng...; beetje bij beetje leer ik ze tot Jezus bidden... De armlastige reizigers vinden eveneens in de Broederschap een nederig onderkomen en een sobere maaltijd, naast een vriendelijke ontvangst en een paar woorden om ze naar het goede en naar Jezus te verwijzen...» Aan een vriend schrijft hij: «Ik ben diep bedroefd wanneer ik de kinderen van het dorp doelloos rond zie hangen, zonder iets te doen te hebben, zonder onderricht, zonder godsdienstige vorming... Enkele goede zusters van Liefde zouden in korte tijd, met de hulp van God, dit hele land aan Jezus geven».

Een remedie tegen de droefheid

Al heel lang droomt hij ervan een gemeenschap om zich heen bijeen te brengen: de «Kleine Broeders van het Heilig Hart van Jezus», missionarissen die Jezus bekend en geliefd zouden maken door een leven van gebed, naastenliefde en armoede dat ze zouden leiden temidden van deze ontelbare volken die de unieke Verlosser nog niet kennen. Toch schrijft hij: «Op dit moment verkeer ik in innige vrede. Dat zal duren zolang Jezus wil. Ik heb het Heilig Sacrament, de liefde van Jezus; anderen hebben de aarde, ik heb de goede God... Wanneer ik bedroefd ben, is dit mijn remedie: ik bid de glorierijke mysteries van de rozenkrans en zeg bij mezelf: wat maakt het uiteindelijk uit dat ik in ellende verkeer en dat er niets van het goede gebeurt waar ik naar verlang? Dat alles verhindert de welbeminde Jezus – die het goede wel duizend keer meer wil dan ik – niet gelukzalig te zijn, eeuwig en oneindig gelukzalig!...»

Wanneer de oorlog van 1914-18 in Europa uitbreekt is de pater sinds negen jaar in het Hoggar-gebergte gevestigd. Van de zes Touaregstammen temidden waarvan hij leeft hebben er drie zich onderworpen aan Frankrijk en blijven haar trouw, maar de anderen maken van het Europees conflict gebruik om ze de geest van de opstand in te blazen. Zij kennen de beslissende invloed die de kluizenaar heeft op de Touaregs van de Hoggar: «Het groot belang van Tamanrasset, schrijft een Franse arts in januari 1914, is de aanwezigheid van pater de Foucauld. Door zijn goedheid, zijn heiligheid en zijn wetenschap heeft hij grote bekendheid verworven onder de bevolking». De pater wordt het doelwit van de opstandelingen die een overval beramen. Op 1 december 1916 naderen ze geruisloos het kleine fort waar hij zich ophoudt en kloppen aan de deur die de niets vermoedende kluizenaar half opent: hij wordt dan vastgepakt en geboeid. Hij begrijpt alles en rekent alleen nog op zijn dood. Het zozeer begeerde ogenblik dat hij naar zijn welbeminde kan gaan is aangebroken! «Laten we alle beledigingen verdragen, had hij geschreven, de klappen, de verwondingen, de dood, al biddend voor hen die ons haten... naar het voorbeeld van Jezus, zonder andere reden of nut dan Jezus te verklaren dat wij Hem liefhebben».

Verrast door twee soldaten die Frankrijk trouw zijn gebleven raken de gezworenen in paniek. Degene die de pater moet bewaken schiet hem pardoes een kogel door het hoofd. Pater Charles de Foucauld glijdt langzaam tegen de muur en zakt ineen: hij is dood... slachtoffer van zijn liefdesijver voor deze volken waaronder het licht van het geloof nog nooit had geschenen. Hij had zijn leven gewijd aan het bekend maken van de ware God, mensgeworden in Jezus Christus, aan het delen met hen van Gods barmhartigheid die hij zo overduidelijk heeft ervaren en waarvan hij uit dankbaarheid de boodschapper heeft willen zijn! Pas op 21 december kan kapitein de La Roche, districtscommandant van de Hoggar, zich naar Tamanrasset begeven. Op het graf van de pater plant hij een kruis van hout. Vervolgens gaat hij het fort binnen dat door de bandieten is geplunderd. Hij vindt er de rozenkrans van de pater terug, een kruisweg die met een fijne pen is getekend op plankjes, een houten kruis waarop ook een zeer fraaie beeltenis van Christus...

Monstrans in het zand

Al woelend met zijn voet door de grond ontdekt de jonge officier in het zand een zeer kleine monstrans waar de heilige Hostie nog in zit. Hij raapt hem met eerbied op, veegt hem af en wikkelt hem in een doek. Wanneer het ogenblik is gekomen om Tamanrasset te verlaten zet hij hem voor zich op het zadel van zijn mehari en legt zo de 50 km af die Tamanrasset scheiden van Fort-Motylinski: dat is in de Sahara de eerste processie van het Heilig Sacrament! Onderweg herinnerde de heer de La Roche zich een gesprek dat hij heeft gehad met pater de Foucauld: «Als u een ongeluk overkwam, vroeg hij, wat zouden we dan met het Heilig Sacrament moeten doen? – Er zijn twee oplossingen: een oefening van volmaakt berouw doen en u zelf de communie geven; of anders de geconsacreerde Hostie per post opsturen naar de Witte Paters». Hij kan onmogelijk besluiten tot de tweede mogelijkheid. Toen heeft hij een onderofficier geroepen, voormalig seminarist en vroom christen, trok witte, tot dan toe ongebruikte handschoenen aan om het dekkleed van de monstrans op te lichten. De Hostie zit erin, zoals de priester haar geconsacreerd en aanbeden heeft. Beide jongemannen stellen elkaar de vraag: «Ontvangt u haar of ik?» Uiteindelijk knielt de onderofficier en geeft zichzelf de communie.

In Béni-Abbès had Charles een levensreglement opgesteld waarin het gebed de eerste plaats innam: Heilige Mis en dankzegging, Brevier, Kruisweg, Rozenkrans... Maar de aanbidding van het Allerheiligste spant de kroon: hij besteedt er iedere dag drieëneenhalf uur aan, verdeeld over drie momenten van stilte. In zijn dagboek leest men: «Mei 1903 – Vandaag dertig jaar geleden dat ik mijn eerste Communie deed, dat ik de Goede God voor het eerst ontving... En nu houd ik Jezus in mijn miserabele handen! Hij die in mijn handen komt! En nu put ik dag en nacht vreugde uit het heilig tabernakel, heb ik Jezus zogezegd voor mij alleen! Nu consacreer ik iedere ochtend de Heilige Eucharistie waarmee ik iedere avond de zegen geef!»

Met zijn vurige liefde voor Jezus-Hostie liep broeder Charles vooruit op de oproep die Gods Dienaar, Johannes Paulus II een eeuw later deed aan de gehele Kerk: «Dierbare broeders en zusters,...hier is de schat van de Kerk... In de Eucharistie vinden we Jezus, is voor ons zijn Offer van verlossing aanwezig, ontmoeten we zijn verrijzenis, ontvangen we de gave van de heilige Geest, hebben de aanbidding, de gehoorzaamheid en de liefde jegens de Vader. Als we de Eucharistie zouden verwaarlozen, hoe zouden we dan onze erbarmelijkheid kunnen genezen ?... Onder de nederige gedaanten van brood en wijn, substantieel veranderd in zijn lichaam en bloed, gaat Christus met ons mee als onze kracht en ons voedsel voor onderweg en maakt Hij ons voor allen tot getuigen van de Hoop» (Ecclesia de Eucharistia, 17 april 2003, nn. 59,60,62).

Charles de Foucauld die in Rome op 13 november 2005 is zalig verklaard, heeft de Eucharistie liefgehad alsof hij in haar, met zijn ogen, de aanwezige Christus zag. Laten wij hem vragen in onze zielen een steeds vurigere liefde te doen ontbranden jegens Hem die onder ons wil blijven om onze vertrouweling, onze steun, onze ware trouwe Vriend te zijn.

Dom Antoine Marie osb

Om het Blad van de Abdij Saint-Joseph de Clairval te publiceren in een tijdschrift, blad... of on het internetsite of een website te plaatsen, is een toelating vereist. Deze dient te worden aangevraagd per E-Mail or bij http://www.clairval.com.

Index der Briefe  - Home Page

Webmaster © 1996-2017 Traditions Monastiques