Blason  Abdij Saint-Joseph de Clairval

F-21150 Flavigny-sur-Ozerain

Frankrijk


[Cette lettre en français]
[This letter in English]
[Dieser Brief auf deutsch]
[Esta carta en español]
[Questa lettera in italiano]
31 juli 2006
H. Ignatius de Loyola


Dierbare Vriend van de Abdij Saint-Joseph de Clairval,

«Verkondiging van het Rijk Gods is het verkondigen van een aanwezige God, van een God die ons kent en naar ons luistert; een God die de geschiedenis binnentreedt om recht te doen. Deze prediking houdt dus ook het verkondigen van het oordeel en van onze verantwoordelijkheid in. De mens heeft dus niet het recht om naar eigen fantasie maar te doen wat hem behaagt. Hij zal worden geoordeeld. Hij zal rekenschap moeten afleggen. Deze zekerheid geldt zowel voor de machtigen als voor de eenvoudigen. Door deze zekerheid te eerbiedigen wordt aan iedere macht op deze wereld paal en perk gesteld» (Lezing van kardinaal Ratzinger, 10 december 2000). De heilige Benedictus herinnert in zijn Regel vaak aan de realiteit van het oordeel van God dat ons te wachten staat. Dat is een heilzame gedachte, geëigend om onze harten te verlichten en een leidraad te bieden voor onze levens. De koning der Belgen, Boudewijn I, geloofde in deze fundamentele waarheid. Na te hebben geweigerd de abortuswet die door het parlement was goedgekeurd te ondertekenen, schreef hij in zijn geheime dagboek: «Ik zit alleen in het schip, met mijn geweten en met God».

Boudewijn is geboren op 7 september 1930, als tweede kind van Leopold, die in 1934 koning is geworden, en zijn echtgenote, Astrid van Zweden. Op 29 augustus 1935 komt koningin Astrid om het leven bij een auto-ongeluk. Haar verdwijnen heeft op Boudewijn diepe indruk gemaakt: de foto van zijn moeder zal altijd op zijn nachtkastje blijven staan. Leopold III vertrouwt de opvoeding van zijn drie kinderen (Joséphine-Charlotte, geboren in 1927, Boudewijn en Albert, geboren in 1934) toe aan een Hollands kindermeisje; Boudewijn is zeer aan haar gehecht. Tijdens zijn schooljaren blijkt hij een kind te zijn als alle anderen.

In het hart gegrift

Aan het begin van de oorlog, in 1940, vlucht de koninklijke familie, behalve koning Leopold, naar Frankrijk, maar na de capitulatie van de Belgische legers keert zij terug naar België waar zij gevangen wordt genomen door de Duitsers. In 1944 wordt de familie gedeporteerd naar Duitsland en vervolgens naar Oostenrijk. Na het wereldconflict maakt het politiek klimaat het Leopold niet mogelijk zijn functies weer op te nemen en in september 1945 bereikt hij Zwitserland waar hij samen met zijn kinderen zal blijven tot 1950. Bij zijn terugkeer in België geeft een ruime meerderheid per referendum te kennen er voor te zijn dat hij zijn koninklijke functies weer opneemt. Wanneer er bloedige opstanden tegen hem georganiseerd worden doet hij echter liever troonsafstand dan te moeten aanzien hoe de Belgen om zijn persoon ernstig met elkaar in conflict geraken. Dit bewonderenswaardige voorbeeld van een koning die zich opoffert voor zijn volk, zal diep gegrift komen te staan in het hart van Boudewijn. Om de overgang zeker te stellen regeert Leopold III nog een jaar door en op 16 juli 1951 wordt Boudewijn koning. Hij aanvaardt deze taak uit plichtsbesef. Hoewel verlegen en onervaren, bewaart hij onder alle omstandigheden een onverstoorbare ernst en verwerft met tegenzin de nodige onafhankelijkheid. De tekortkomingen die hij in het begin van zijn regeerperiode vertoont zijn niet te wijten aan een gebrek aan karakter; Boudewijn heeft temperament en hij aarzelt niet voor zijn overtuigingen uit te komen. Hij moet alleen zijn «vak» van koning beetje bij beetje ontdekken.

Door zijn eerste reis naar Congo, toenmalige Belgische kolonie, in mei-juni 1955 komt hij in een nieuw licht te staan. Wanneer hij wordt verwelkomd door een uitbundige, van geestdrift overlopende menigte, laat hij zijn gebruikelijke gereserveerdheid varen en aarzelt niet zelf handelend op te treden. Bij zijn terugkeer in België heeft hij meer vertrouwen in zijn capaciteiten en vertoont een glimlach waarmee hij het hart verovert van zijn landgenoten. Vier jaar later gaat hij naar de Verenigde Staten. De Amerikanen zijn verrukt van zijn jeugdigheid en charme en de reis wordt een klinkend succes. Op een dag in februari 1960 wandelt Boudewijn in het park van het koninklijk kasteel Laken, bij Brussel, in gezelschap van Mgr. Suenens, de latere aartsbisschop van Mechelen-Brussel en kardinaal. De conversatie verloopt op vertrouwelijke toon. Er wordt heel wat afgepraat en het protocol speelt geen rol. Tijdens de wandeling komt als bij toeval de stad «Lourdes» ter sprake. De prelaat stelt de koning dan voor er eens heen te gaan, op een dag, incognito, en op te gaan in de menigte pelgrims: «Maar, antwoordt de koning, ik kom er juist van terug: ik heb er de nacht in gebed doorgebracht aan de rand van de grot en ik heb Onze-Lieve-Vrouw van Lourdes gevraagd de kwestie van mijn huwelijk op te lossen». Daar de ene confidentie de andere waard is, vertelt de kardinaal hem wat Lourdes voor hem betekent als gevolg van de ontmoeting met een uitzonderlijke persoonlijkheid, Veronica O'Brien. De reactie van de koning laat niet op zich wachten: «Zou ik haar kunnen ontmoeten?» Miss O'Brien, een Ierse, geeft leiding aan het Legioen van Maria. De koning stuurt haar een protocollaire uitnodiging voor 18 maart 1960. De audiëntie duurt vijf uur. Veronica O‚ Brien stuurt vervolgens aan de koning een brief in het Engels: «23 maart 1960. Dear King... Mag ik u op dit mooie feest van Maria Boodschap deze kostbare boekjes waarover wij gesproken hebben aanbieden? (Het geheim van Maria en de Verhandeling over de ware devotie, van de heilige Louis Marie Grignion de Montfort). Ze bereiken u beladen met genade, want vanaf het feest van de Heilige Jozef heb ik iedere dag trouw voor u gebeden... Maria is veel en veel meer geïnteresseerd in uw toekomst dan u het zelf zou kunnen zijn».

Het wezenlijke delen

In de loop van een tweede ontmoeting bekent de koning aan Veronica dat hij een vrouw wenst te huwen die zijn diepe godsdienstige overtuigingen deelt. Hij denkt dat een dergelijke echtgenote te vinden zou kunnen zijn in Spanje waar de godsdienst nog in het geweten van vele mensen is verankerd. Tijdens de daarop volgende nacht neemt Veronica een «ínnerlijke stem», een oproep van God waar: «Ga naar de koning en biedt hem aan naar Spanje te gaan om daar het terrein te verkennen». 's Morgens tijdens het stil gebed begrijpt ze dat die oproep werkelijk van God komt. Verrast en ontroerd verleent de koning haar in het grootste geheim alle volmacht. Veronica zet al haar andere plannen opzij om zich onverwijld te wijden aan deze zeer bijzondere missie. Ze schrijft de koning: «U zult in feite zelf het zware werk moeten doen door bij iedere ademtocht voor honderd procent een heilige te zijn. Dat wil zeggen: ieder kind van uw grote familie beminnen. En «beminnen» wil zeggen: naar de mensen toe gaan, met hen spreken, ieder een deel van zichzelf schenken».

In Madrid wordt ze in contact gebracht met de nuntius die haar een aanbevelingsbrief geeft en zo begint Veronica aan een onderzoek naar het apostolaat binnen de Spaanse aristocratie. Weldra wordt ze verwezen naar een jonge vrouw van tweeëndertig jaar, Fabiola de Mora y Aragón, levenslustig, intelligent, opgewekt, rechtschapen en helder van geest. De bevallige, edelmoedige jonge vrouw zorgt voor zieken en armen. Bij hun eerste ontmoeting heeft Veronica de intuïtie dat ze de persoon heeft gevonden die ze zocht. «Hoe komt het dat u tot nu toe het huwelijk uit de weg bent gegaan? Vraagt ze. Wat wilt u, ik ben tot nu toe nooit verliefd geworden. Ik heb mijn leven in de handen van God gelegd, ik geef me aan Hem over, misschien heeft Hij iets met me voor». Wanneer Fabiola haar woning aan Veronica laat zien, is deze diep onder de indruk wanneer ze aan de muur een schilderij herkent dat ze de nacht tevoren in een droom had gezien.

Met toestemming van de koning onthult Veronica aan Fabiola waarom ze eigenlijk in Spanje is en dat de koning haar officieus wenst te ontmoeten. Het meisje denkt dan het voorwerp te zijn van een ongelooflijke mystificatie en de nuntius moet tussenbeide komen om haar te doen besluiten het voorstel aan te nemen. De officieuze verloving van de koning en Fabiola vindt plaats in Lourdes op 8 juli 1960. «Wat me het meest aan haar bevalt is haar nederigheid, haar vertrouwen in de Allerheiligste Maagd en haar openheid...Ik weet dat ze mij altijd weer zal stimuleren God steeds meer te beminnen». Het huwelijk wordt ingezegend op de 15e december daaropvolgend. In het hart van de koninklijke echtelieden wordt jarenlang de levendige hoop gekoesterd kinderen te mogen krijgen. In de loop der tijd realiseren ze zich echter dat ze er geen zullen krijgen. «Wij hebben ons de vraag gesteld naar de zin van deze beproeving, bekent de koning op een dag; langzaamaan hebben we begrepen dat ons hart vrijer was om alle kinderen lief te hebben, werkelijk alle kinderen». Bij de vijfentwintigjarige verjaardag van zijn troonsbestijging, in 1976, roept de koning de «Stichting koning Boudewijn» in het leven die tot doelstelling heeft «allerlei initiatieven te ontplooien ter verbetering van de levensomstandigheden van de bevolking, daarbij rekening houdend met de economische, sociale, wetenschappelijke en culturele factoren die van invloed zijn op de ontwikkeling van het land in de komende jaren». Hij zal aan deze stichting vragen kwesties aan te pakken zoals de vrouwenhandel, de gevangenisproblematiek, de toegankelijkeid van het gerecht, seksueel misbruik van kinderen, enz.

Met open mond

In 1979 ontvangt het vorstelijk paar zevenhonderd kinderen op Laken. In een hoek zit een groep gehandicapte kinderen waarvan verschillenden met het syndroom van Dow. «Ik breng een schaaltje vol karamels naar een meisje dat nauwelijks controle heeft over haar hand, vertelt de koning. Met de grootste moeite lukt het haar een karamel te pakken, maar, tot mijn stomme verbazing, geeft ze die aan een ander kind. Zonder er ooit een voor zichzelf te houden deelt ze een tijd lang de snoepjes uit aan alle gezonde kinderen die haar met open mond aanstaarden... Welk een geheim van liefde in deze lichamelijk misvormde wezens...». Tot besluit van de ontvangst houdt de vorst een kleine toespraak voor zijn jeugdig gehoor: «De wereld heeft behoefte aan liefde en vreugde. Jullie zijn in staat die te geven. Het is gemakkelijk gezegd, maar het is heel moeilijk. Men moet er zich in oefenen en iedere dag opnieuw beginnen. Door dit te doen zullen jullie de dingen om je heen zien veranderen, bijvoorbeeld door jullie ouders te helpen, door hun jullie liefde te betuigen zullen jullie hen gelukkiger maken, zullen ze door jullie zin krijgen hetzelfde te doen onder elkaar en tegenover anderen. En zo zullen de betrekkingen tussen de mensen beter worden. Probeer het, blijf pogen metterdaad lief te hebben. Laat je nooit ontmoedigen. Nogmaals, als jullie doen wat ik zeg zullen jullie zelfs het gezicht van de mensen om jullie heen zien veranderen en iedere avond zullen jullie een zeer grote vreugde in het hart ervaren. Word bouwers van liefde».

In de dagindeling van de koning neemt het gebed de eerste plaats in. Hij is gewoon er het begin van de dag aan te wijden. Geestelijke dorheid blijft hem niet bespaard: «Het was bijna altijd moeilijk, schrijft hij later, onbeweeglijk God te blijven beschouwen in stilte en dorheid des geloofs». De dagelijkse Mis is voor hem het mooiste moment van de dag. Overal ter wereld waar zijn taak hem heen voert vraagt hij of er een priester is om die op te dragen. De liturgie bepaalt de regelmaat in zijn leven: dagelijks noteert hij in zijn agenda een gedachte die is ontleend aan de teksten van de Mis. Hij ontvangt regelmatig het sacrament van de Verzoening en gaat vaak met de koningin in het weekend op retraite.

Ik besta voor U

Het onderhoud met Onze-Lieve-Heer dat zijn gebed is, helpt hem oplettend te zijn jegens de mensen die hij ontmoet. Zo schrijft hij: «Vandaag zal ik proberen extra oplettend te zijn jegens allen die Onze-Lieve-Heer op mijn weg brengt...God vraagt niet dat wij technisch deskundig zijn op de meest uiteenlopende gebieden, van muziek tot politiek, maar dat wij, geleid door zijn Geest, de mensen beminnen met zijn Liefde, hen bezien met zijn ogen, naar hen luisteren met zijn oren, tegen hen spreken met zijn woorden. Heer, dat verlangen wij, Fabiola en ik, met heel onze ziel.» Zo beschouwt hij zijn taak als koning. Om Gods wil in zijn dagelijkse bezigheden te leren kennen, roept hij de Heilige Geest aan: «Hoe moet ik dit aanpakken? Heilige Geest, laat me geen moment alleen, alstublieft. Wees mijn kracht, mijn wijsheid, mijn behoedzaamheid, mijn humor, mijn moed, mijn dialectiek. Ik voel me qua taal zo armoedig! Anderzijds weet ik dat Gij mijn zwakheid nodig hebt om Uw heerlijkheid te laten zien...Ik denk te vaak aan de opdracht die Gij mij hebt toevertrouwd en voor welke ik geboren ben. Ik vergeet te vaak dat ik, voor al het andere, besta voor U, om U te aanbidden, om U te aanschouwen, om al degenen die Gij op mijn weg brengt te beminnen».

Het geestelijk leven van de koning is hem tot steun en stimuleert hem in zijn gouvernementele functies, en hij volgt alle staatszaken van zeer nabij. Zich bewust van de beperkingen die hem door de grondwet worden opgelegd in zijn machtsuitoefening, oefent hij niettemin zijn invloed uit op het politieke leven, meer door de raad en de waarschuwingen die hij geeft dan door de beslissingen die hij neemt. Hiertoe laat hij zich nauwkeurig voorlichten over alle onderwerpen door de competente mensen die hij in audiëntie ontvangt rechtstreeks te ondervragen. Ordelijk noteert hij in een schrift de essentie van de diverse gesprekken. De mening die hij vervolgens aan zijn medewerkers kenbaar maakt wordt op prijs gesteld: «Hij beschikt over meer informatie dan wij, bekent een onder hen. Het is dus duidelijk dat wij naar hem luisteren en dat wij zijn raadgevingen vaak opvolgen». De koning vult zijn informatie aan dankzij de talloze bezoeken in den lande, waar hij een zo breed mogelijk geschakeerde groep mensen ontmoet: mannen en vrouwen van iedere politieke en ideologische kleur. Iedere reis, in België of naar het buitenland, iedere redevoering wordt zorgvuldig voorbereid. Hij leest de werken die zijn medewerkers hem aanbevelen en bestudeert nauwgezet de dossiers die hem worden voorgelegd en laat daarbij niets aan het toeval over. Hoewel hij goed het wezenlijke van het bijkomstige weet te onderscheiden, wordt geen detail veronachtzaamd.

Op de ochtend van de vierde april 1990 verneemt men via de radio een ongehoord bericht: België heeft geen koning meer! Daar Boudewijn geweigerd heeft de wet te ondertekenen die abortus toestaat, heeft de regering verklaard dat hij niet in de mogelijkheid verkeert te regeren. Op 29 maart had het parlement een wet goedgekeurd die abortus liberaliseert. Op 6 november daarvoor was de wet aanvaard door de senaat. Welnu, volgens de Belgische Grondwet kan geen enkele wet die aldus door beide Kamers is goedgekeurd afgekondigd worden zonder te zijn voorzien van de handtekening van de koning.

Keuzes die soms pijn doen

In onze maatschappijen lijkt het erop dat de stem van de meerderheid niet meer ter discussie mag worden gesteld en dat zij volstaat om een wet te legitimeren. Maar in zijn encycliek «Evangelium vitae» die werd gepubliceerd op 25 maart 1995, herinnert Paus Johannes Paulus II ons eraan dat een democratisch besluit geen eeuwigheidswaarde bezit: «In onze huidige democratische cultuur heeft zich in elk geval de mening ruim verspreid dat de rechtsorde van een maatschappij zich ertoe moet beperken de overtuiging van de meerderheid over te nemen en zich die eigen te maken... Het is niet goed als de democratie dusdanig tot de rang van mythe wordt verheven... De «morele» aard ervan ontstaat niet automatisch, maar is afhankelijk van de overeenstemming met de morele wet, waaraan de democratie onderworpen moet zijn, zoals elk menselijk gedrag» (nn. 69-70). koning Boudewijn bevindt zich in de situatie die Johannes Paulus II in genoemde encycliek heeft beschreven: «De invoering van onrechtvaardige wetten plaatst rechtschapen mensen vaak voor moeilijke gewetensproblemen wat betreft medewerking, omdat zij verplicht zijn op hun recht te staan niet gedwongen te worden deel te nemen aan moreel slechte handelingen. Deze onontkoombare keuzes zijn soms pijnlijk en kunnen vereisen belangrijke beroepsposities op te offeren»(n. 74). Boudewijn weet dat hij door te weigeren de wet te ondertekenen hij zich blootstelt aan het onbegrip van talrijke medeburgers met een verzwakt moreel besef en hij zelfs het gevaar loopt te moeten aftreden.

Welnu, de abortuswet die door het Belgisch parlement is goedgekeurd is in tegenspraak met het goede dat wordt uitgedrukt in de wet van God. «Onder de misdrijven die de mens tegen het leven kan plegen bezit abortus provocatus kenmerken waardoor die bijzonder zwaarwegend en verwerpelijk wordt. Het Tweede Vaticaans Concilie omschrijft abortus, samen met kindermoord, als «afschuwelijke misdaden» (Gaudium et spes, 51). Tegenwoordig is in het geweten van heel wat mensen het besef van de ernst ervan geleidelijk verduisterd. Dat abortus in de mentaliteit en de zeden van de mensen en zelfs in de wet aanvaard wordt, is een sprekend teken van een zeer gevaarlijke crisis van het morele bewustzijn dat steeds minder in staat is het goede van het kwade te onderscheiden, zelfs wanneer het fundamenteel recht op leven in het geding is... Rechtstreekse abortus, dat wil zeggen gewild als doel op zich of als middel, is altijd een ernstige morele ongeordendheid, als zijnde moord met voorbedachte raad op een onschuldig menselijk wezen... Geen enkele omstandigheid, geen enkel oogmerk, geen enkele wet ter wereld zal ooit een daad die intrinsiek ongeoorloofd is geoorloofd kunnen maken, want in strijd met Gods wet, geschreven in het hart van iedere mens, te onderscheiden met het verstand en afgekondigd door de Kerk» (Evangelium vitae, nn. 58,62).

Eerbiediging van het leven van het te geboren worden kind is een heilig en universeel beginsel. «Het kind, zo heeft koning Boudewijn een paar maanden eerder verklaard, heeft vanwege zijn gebrek aan lichamelijke en verstandelijke rijpheid, behoefte aan bijzondere bescherming, bijzondere zorg, met name aan adequate juridische bescherming zowel voor als na de geboorte». In de wetenschap dat hij voor God rekenschap zal moeten afleggen voor zijn beslissingen, schrijft Boudewijn aan zijn eerste minister: «Dit wetsontwerp stelt mij voor een groot gewetensprobleem...ik ben van oordeel dat ik onvermijdelijk een zekere medeverantwoordelijkheid voor mijn rekening zou nemen. Dat kan ik niet doen».

De Waarheid zoeken

Deze edelmoedige weigering is de vrucht en bekroning van een langdurige en vaak pijnlijke opgang op de weg naar de heiligheid. Door zijn trouw aan de plichten van zijn staat in zijn dagelijks handelen is de koning voorbereid op deze voorbeeldige daad die blijk geeft van een rechtschapen geweten dat volstrekt onderdanig is aan de stem van God. «Het geweten, schrijft de heilige Bonaventure, is als het ware de heraut en de bode van God, en wat het zegt, beveelt het niet uit zichzelf, maar beveelt het als komende van God, op de wijze van een heraut wanneer die een edict van de koning afkondigt»(cf. Encycliek Veritatis splendor, 6 augustus 1993, n.58). «Zeker, om een «goed geweten» (1 Tim 1,5) te hebben dient de mens de waarheid te zoeken en overeenkomstig de waarheid te oordelen... De Kerk stelt zich alleen maar en altijd ten dienste van het geweten door het te helpen niet heen en weer te worden geslingerd door elke leerstellige windvlaag al naar gelang het vals spel van mensen (vgl. Ef 4, 14), niet af te dwalen van de waarheid omtrent het welzijn van de mens, maar vooral om in de moeilijkste kwesties met zekerheid tot de waarheid te komen en daarin te blijven» (Ibid., nn. 62-64).

Als antwoord op de brief van de koning en om uit de impasse te geraken waarin de regering zich bevindt, doet de eerste minister een beroep op een artikel uit de Belgische Grondwet dat voorziet dat de koning in extreme gevallen in de onmogelijkheid kan verkeren om te regeren. Op 3 april stelt de ministerraad vast dat in de gegeven situatie deze onmogelijkheid een feit is. Dezelfde raad handelt dan alsof er geen koning meer was en kondigt de wet af die door Boudewijn is geweigerd. Maar om de koning in zijn functies te kunnen herstellen moet er in het parlement worden gestemd. Op 5 april maakt de stemming van het parlement het mogelijk dat Boudewijn weer zijn plaats van staatshoofd inneemt.

De koning neemt dus weer zijn functies in dienst van het land op zich; maar zijn gezondheid is de laatste tien jaar achteruitgegaan en hij voelt de dood naderbij komen. In 1991 en 1992 ondergaat hij twee chirurgische ingrepen waaronder een openhartoperatie. Op 21 juli 1993, de nationale feestdag, richt hij zich tot zijn medeburgers en kort daarop verlaat hij België om in Spanje rust te gaan nemen. Op 31 juli neemt hij 's avonds plaats op het terras van zijn woning. Tegen negen uur roept de koningin hem voor het eten. Daar ze geen antwoord krijgt loopt ze naar hem toe en treft hem in elkaar gezakt op zijn fauteuil aan, getroffen door een hartaanval. Ter gelegenheid van zijn begrafenis komt een grote menigte op de been om blijk te geven van haar gehechtheid aan zijn persoon en de armsten onder de armen getuigen ervan hoe het hart van de koning in diens broederliefde de grootste menselijke noden nabij was geweest.

Koning Boudewijn «had zijn geheim: dat was zijn God op wie hij zo gek was en door wie hij zo werd bemind. Onder het gebladerte van zijn openbare en politieke activiteiten kabbelde vredig een verborgen bron: dat was zijn leven in God... Terwijl de koning de mensen diende dacht hij zonder ophouden aan God. In ieder mensengezicht dat hij te zien kreeg ontwaarde hij het gezicht van Christus» (kardinaal Danneels, Preek ter gelegenheid van de begrafenis van de koning op 7 augustus 1993). Paus Johannes Paulus II heeft hem de «voorbeeldige koning» en «vurig Christen» genoemd. Zijn voorbeeld is voor ons een aanmoediging om te werken voor de heerlijkheid van God in onze dagelijkse bezigheden: «O, mijn God, om U te beminnen op aarde, heb ik niets dan vandaag», zei de heilige Teresia van Lisieux in stralende bewoordingen (Poëzie 5).

Dom Antoine Marie osb

Om het Blad van de Abdij Saint-Joseph de Clairval te publiceren in een tijdschrift, blad... of on het internetsite of een website te plaatsen, is een toelating vereist. Deze dient te worden aangevraagd per E-Mail or bij http://www.clairval.com.

Index der Briefe  - Home Page

Webmaster © 1996-2017 Traditions Monastiques