Blason  Abdij Saint-Joseph de Clairval

F-21150 Flavigny-sur-Ozerain

Frankrijk


[Cette lettre en français]
[This letter in English]
[Dieser Brief auf deutsch]
[Esta carta en español]
[Questa lettera in italiano]
16 april 2006
Pasen


Dierbare Vriend van de Abdij Saint-Joseph de Clairval,

«Wij moeten de handen aan het werk houden en het hart bij God», was een gezegde van Moeder Marie-Thérèse Scherer. Bij de zaligverklaring van deze Zwitserse zuster op 29 oktober 1995 merkte Paus Johannes Paulus II op: «Hoe groter haar innerlijk leven werd, hoe meer aandacht ze ontwikkelde voor de noden van de wereld van haar tijd».

Catherine Scherer is, als vierde van zeven kinderen, geboren op 31 oktober 1825 in Meggen, op de oever van het Vierwoudenmeer (Zwitserland) in een grandioos decor van bergen. Al vroeg leert men haar huishoudelijke bezigheden op zich te nemen, in de tuin en op de velden te helpen, te leven in soberheid en eenvoud. Op 15 februari 1833 wordt haar vader uit deze wereld weggerukt door een acute longontsteking. Catherine wordt aan familie toevertrouwd: twee vrijgezellen broers waarvan er een haar peetoom is en wordt zo gescheiden van haar moeder en haar broers en zusjes die echter in hetzelfde dorp, Meggen, wonen.

Catherine is geen modeldochter: «Ik was een babbelkous, verstrooid en onoplettend, zal ze later in haar oprechtheid bekennen... Ik was prikkelbaar en had de neiging gauw kwaad te worden. Ik hield van mooie kleren, ik schiep er genoegen in door anderen geprezen te worden. De dienstmeid kreeg vaak lik op stuk van mij en naar haar luisteren deed ik evenmin vaak.» Ze is evenwel intelligent, gewetensvol, begenadigd met een uitstekend geheugen en de studie levert haar geen enkel probleem. «Ik hield van de preken, schrijft ze ook, en ontving de sacramenten wanneer ik daartoe in de gelegenheid was».

Op zestienjarige leeftijd vertrekt ze naar Luzern. «De pastoor van mijn parochie, evenals mijn moeder, mijn oudste broer en zus, zal ze later schrijven, die wisten hoe driftig, ijdel en verzot op muziek ik was, besloten om mij bij mijn peetoom weg te halen en me toe te vertrouwen aan de liefdezusters van Besançon, in Luzern, waar ik met tegenzin heen ging». De beginperiode in het hospitaal is niet gemakkelijk. Aangesteld als ziekenverzorgster, wordt ze voortdurend geconfronteerd met lijden en dood. Haar geest wordt belaagd door een stortvloed van vragen. Ze gaat gebukt onder de strenge eentonigheid van het strakke werkschema en dito voorschriften. Het werk staat haar zo tegen dat ze door overspanning in een crisis belandt. Maar op een dag breekt, dankzij de tussenkomst van de goddelijke genade, het licht weer door in haar ziel: «Ik begon meer te bidden en kwam meer in contact met de sacramenten». Er doet zich een radicale verandering voor: ze overwint haar afkeer en vindt vreugde in het wegschenken van zichzelf ten dienste van de zieken. Drie jaar in het hospitaal maken het meisje rijp. In juli 1844 maakt ze een pelgrimstocht naar de benedictijner abdij van Einsiedeln, denkt er ernstig na over de keuze verbonden aan haar roeping en neemt korte tijd later de beslissing in te treden in een actieve religieuze orde. Een kapucijner monnik van het klooster van Altdorf is dan juist bezig met het opzetten van een vrouwelijke communauteit die wel eens aan Catherines verlangens zou kunnen beantwoorden. «Reeds voor 1839, zo zal ze schrijven, had ik het plan opgevat het antigodsdienstige onderwijs te vervangen door een katholieke christelijke vorming; aan armen, behoeftigen en gevangenen, door middel van religieuze congregaties die aan de noden van het land zouden zijn aangepast, hulp verlenen die zou berusten op de beginselen van het geloof en van de christelijke naastenliefde». Het project van pater Théodose is bedoeld als antwoord op de sterke laïcisering die zich laat gelden in de leidinggevende posities in het confederale Zwitserland dat genadeloos katholieke scholen en religieuze communauteiten opheft.

Een vergissing

De Kerk heeft altijd een gezonde laïciteit van de burgermaatschappij erkend, dat wil zeggen het onderscheid gemaakt tussen de wereldlijke en de geestelijke macht waarbij ieder op zijn terrein blijft. Maar de laïciteit die buiten het kader van het privé-leven geen rekening wil houden met God en de godsdienst is een ernstige vergissing, is in strijd met de waarheid en het welzijn van de mens en de maatschappij. «Het is een vergissing te denken dat publieke verwijzingen naar het geloof op de een of andere manier de rechtmatige autonomie van de staat en burgerlijke instellingen zullen ondermijnen, of dat hierdoor zelfs een houding van onverdraagzaamheid wordt aangemoedigd» (Mane nobiscum, Domine, 7 oktober 2004).

Op 20 oktober 1939 schreef Paus Pius XII reeds: «Eerwaarde broeders, kan er een grotere en dringendere plicht bestaan dan het verkondigen van de ondoorgrondelijke rijkdom van de Christus (Ef 3,8) aan de mensen van onze tijd?... De weg die naar de geestelijke en morele armoede van de huidige tijd voert, is toegankelijk gemaakt door de rampzalige bemoeienissen van een groot aantal mensen om God te onttronen, door het loslaten van de wet van de waarheid die Hij heeft verkondigd, van de wet van de liefde die leven inblaast in zijn heerschappij. De erkenning van de koninklijke rechten van Christus en de terugkeer van ieder afzonderlijk en van de maatschappij in haar geheel naar de wet van zijn waarheid en zijn liefde zijn de enige weg naar het heil....

Voor alles staat het vast dat de diepere en uiteindelijke wortel van de kwaden die wij betreuren in de moderne maatschappij de ontkenning en de verwerping van een regel van universeel moreel besef is, hetzij in het leven van het individu, hetzij in het leven van de maatschappij en in de internationale betrekkingen: dat wil zeggen het tegenwoordig wijd verspreide miskennen en verloochenen van de natuurwet welke haar oorsprong heeft in God zelf, almachtige Schepper en Vader van allen, verheven en absolute wetgever, alwetende en rechtmatige wreker van het menselijk handelen. Wanneer God wordt afgezworen, staat iedere grondslag van moreel besef gelijk op losse schroeven.

Het Heilig Evangelie vertelt dat, toen Jezus werd gekruisigd, er duisternis viel over het hele land (Mt. 27,45): schrikwekkend symbool van wat zich heeft voorgedaan en zich nog steeds voordoet in de geesten. Overal waar de blinde en hovaardige ongelovigheid Christus daadwerkelijk heeft uitgesloten van het moderne leven, namelijk van het openbare leven en tegelijk het geloof in Christus, is het geloof in God op losse schroeven gezet. De morele waarden waarmee in andere tijden particuliere en openbare daden werden beoordeeld, zijn bijgevolg als het ware in onbruik geraakt. De zo geroemde laïciteit van de maatschappij die steeds snellere vooruitgang heeft geboekt en zodoende de mens, het gezin en de staat heeft onttrokken aan de weldoende en herstellende invloed van de Godsidee en van het onderwijs van de Kerk, heeft, zelfs in regionen waar zoveel eeuwen lang de glans en luister van de christelijke beschaving intact was gebleven, steeds duidelijkere, onmiskenbaardere en angstwekkendere tekenen van een verdorven en verderfelijk heidendom te zien gegeven» (Pius XII, Summi Pontificatus). Het is deze heidense geest, die in de XIXe eeuw reeds werkte, die pater Théodose wilde bestrijden.

Een vastberadenheid die de overhand krijgt

Op 5 oktober 1844 ontmoet Catherine pater Théodose en besluit in de daarop volgende lente zich bij zijn nieuwe congregatie aan te sluiten. Haar familie acht deze beslissing onverstandig, maar door haar vastberadenheid is men bereid haar te laten gaan. Op 27 juni 1845 begint ze met nog een jonge vrouw aan haar noviciaatperiode in Menzingen waar pater Théodose een school heeft geopend voor jonge meisjes die aan de wieg staan van zijn religieuze familie, de «zusters van het Heilig Kruis», in de geest van de Derde Orde van de H.Franciscus, onder de leiding van een Moeder Overste, Marie-Bernarde. Catherine neemt de naam aan van zuster Marie-Thérèse. Haar noviciaatstijd maakt het haar mogelijk zich beter bewust te worden van haar tekortkomingen: «In die tijd, zo biecht ze op, waren mijn voornaamste tekortkomingen lichtgeraaktheid, hovaardigheid en ijdelheid». Ze leert God grondiger kennen en ook te leven in diens aanwezigheid. Eind oktober 1845 spreken vijf religieuzes hun eerste geloften uit. Direct daarna wordt zuster Marie-Thérèse, vergezeld van een andere zuster, uitgezonden om een school in Galgenen op te zetten. Als geboren pedagoge laat ze zich moeiteloos en met succes vormen tot onderwijzeres. Daar ze evenwel tegelijk voor de klas en voor het huishouden moet zorgen en daarbij haar vrije tijd moet besteden aan de persoonlijke studie, raken haar lichamelijke krachten snel uitgeput. «Ik begon gewetensbezwaren te krijgen, zegt ze, ik werd overstelpt door innerlijk verdriet en daar ik dacht dat ik verloren was deed ik nooit genoeg versterving». Ze wordt ziek en moet terug naar Menzingen. Daar vindt ze een beetje innerlijke vrede terug en legt met goed gevolg het staatsexamen voor onderwijzeres af. In de hierop volgende jaren wordt ze benoemd in verschillende tehuizen; overal wordt ze gewaardeerd om haar energie, haar gewetensvolle manier van werken en haar goed humeur.

Gedenkwaardige handdruk

Op 1 maart 1852 wordt zuster Marie-Thérèse op verzoek van pater Théodose naar Korea gestuurd om zich daar te belasten met een klein hospitaal dat door de pater is gesticht. Het huis waarin het hospitaal is gevestigd voldoet niet: er moet dus worden gebouwd, maar men bezit noch terrein, noch de nodige fondsen. «Pater Théodose verklaarde zich bereid om, met de hulp van God, dit werk op zich te nemen als ik hem hulp, vertrouwen en trouw beloofde, zal Moeder Marie-Thérèse schrijven. Ik verbond me aan zijn project met een handdruk en hij nam heel blij afscheid van me. Twee dagen later was er een terrein gekocht en werd er onmiddellijk begonnen met de bouw van het hospitaal van het Kruis». Deze handdruk sleept zuster Marie-Thérèse, die we voortaan «Moeder» Overste zullen noemen, mee op een nieuwe weg van naastenliefde, in dienst van de zieken.

Met een tamelijk ongewone energie en een groot organisatietalent belast de Moeder Overste zich met de bouw van het nieuwe hospitaal, in weerwil van allerlei soorten obstakels en moedeloos stemmende vernederingen. Voor haar zusters die zijn geroepen om de zieken te verzorgen maakt ze een gebed waaruit hier een fragment volgt: «Heer, mogen zij in de armen en de zieken uw broeders en zusters zien! Mogen zij met heel hun hart van hen houden, hen onvermoeibaar met vreugde bijstaan, hun tekortkomingen en kun klagen met geduld verdragen, kwaad met goed vergelden, ondanks alle moeilijkheden eenvoudig, gehoorzaam en zuiver blijven en hun leed dragen uit liefde voor U, mijn God, en voor het heil van hun zielen». De armoede van het nieuwe hospitaal is groot en de zusters geven voorrang aan de behoeften van de zieken; sommige dagen lijden de zusters dan ook honger. Dankzij een opmerkelijke opbloei van de roepingen stort men zich in allerlei maatschappelijke activiteiten. Naast het hospitaal wordt een weeshuis geopend, een tehuis voor ouden van dagen, een school voor handenarbeid en een meisjespensionaat. Voorts komt in andere steden de ene stichting na de andere tot stand. Om al deze grote uitgaven te kunnen doen stuurt Moeder Marie-Thérèse zusters uit bedelen in Zwitserland en vervolgens ook in het buitenland. Maar weldra bemerkt pater Théodose dat de zusters die in Menzingen zijn gebleven, onder de leiding van Moeder Marie-Bernarde, hebben besloten zich van hem en van de zusters die zich wijden aan andere werken van liefdadigheid af te scheiden; zij willen zich uitsluitend aan het onderwijs wijden. Het wordt de oorzaak van veel verwarring binnen de congregatie. Uiteindelijk wordt besloten tot scheiding en iedere zuster wordt volstrekt vrij gelaten in haar keuze tussen de twee instituten. «De scheiding in twee instituten, zal een zuster schrijven, heeft nooit aanleiding gegeven tot vijandigheid. De Moeders Oversten van de twee tehuizen en pater Théodose hielpen en ondersteunden elkaar wederzijds wanneer de nood aan de man kwam. Hierin herkent men de geest van pater Théodose die graag mocht zeggen: «Is het niet om het even door wie het goede gedaan wordt in de Kerk, als het maar gedaan wordt? Dank God ervoor»».

Het goed humeur bewaren

In 1855 besluit pater Théodose tot de aankoop van de heuvel die uitziet over heel het dorp Ingenbohl, in midden Zwitserland, om hierin het moederhuis van de zusters te vestigen. Op 13 oktober 1857 wordt Moeder Marie-Thérèse gekozen tot Generaal Overste van de Zusters van Liefde van het Heilig kruis van Ingenbohl. Dan komen de jaren van overstelpende activiteit waarin de ene stichting na de andere tot stand komt. Om het apostolaat van de zusters te ondersteunen voert pater Théodose in Ingenbohl de eeuwigdurende aanbidding van het Allerheiligst Sacrament in. Moeder Marie-Thérèse laat zich door de Eucharistie inspireren tot een zeer eenvoudig geestelijk leven. Wat telt in haar ogen is de liefde die het handelen aanvoert, de trouw aan de plicht van staat en de broederlijke naastenliefde. «Het is nodig vurig te bidden, zegt ze, en een intens innerlijk leven te leiden onder al de omstandigheden van het leven, zonder daarom het boetekleed aan te trekken». Een zuster vraagt haar om raad voor de vasten en de penitentie: «De zusters moeten niet zo streng vasten dat hun gezondheid erdoor wordt ondermijnd; zij hebben hun krachten nodig om de naaste te dienen. Ik hecht weinig belang aan het haren boetekleed. Ik heb meer waardering voor de zelfbeheersing, de naastenliefde in de woorden die wij spreken en de strijd tegen de eigenliefde... Onze ware verstervingen zijn: ons tevreden stellen met wat we krijgen, daarheen gaan waar we naartoe gestuurd worden en het goed humeur bewaren».

Moeder Marie-Thérèse geeft blijk van grote goedhartigheid. Ze weet dat een ongelukkige meer belang hecht aan de egards waarmee hij ontvangen wordt dan aan de materiële goederen die hem worden gegeven. In een tehuis waar ze juist is aangekomen staan de zusters om haar heen wanneer er een bedelaar verschijnt. De plaatselijke Overste schiet toe en hoort de bedelaar met geduld aan. De zusters voelen zich een beetje beschaamd en verontschuldigen zich, maar Moeder Marie-Thérèse zegt: «Zo stel ik me een armenzuster voor.Haar liefde voor hen moet zo groot zijn dat zij ze als eersten zal dienen en niet zal vrezen de Generaal Overste op zich te laten wachten. Sterker zelfs, ze zal haar gebed onderbreken indien nodig om een arme te hulp te komen. Ze zal hem niet alleen op voet van gelijkheid behandelen, maar zal zich tegenover hem gedragen als een moeder met haar diep ongelukkig kind».

Heldhaftige trouw

Pater Théodose is vervuld van bezorgdheid om de maatschappelijke en geestelijke situatie van de arbeiders, mannen, vrouwen en kinderen, voor wie de ontvangstcentra door de zusters zijn opgezet. In 1860 koopt hij een lakenfabriek die enige honderden arbeiders in Oberleutensdorf in Bohemen in dienst heeft en die juist failliet is gegaan. Moeder Marie-Thérèse vindt dat dit werk niet geschikt is voor de zusters. Na rijp beraad stuurt ze vijf zusters naar deze fabriek. In de loop van de tijd blijkt dat de vrees van Moeder Marie-Thérèse niet ongegrond was. De zusters zijn niet geschikt voor dit werk en de uitzonderlijke moed die zij aan de dag leggen vermag een rampzalige afloop niet voorkomen. Pater Théodose loopt zich moe over de wegen van Europa, op zoek naar hulp. Zijn gezondheid is er niet tegen bestand: op 15 februari 1865 geeft hij de ziel aan God. Het is een tragisch moment voor Moeder Marie-Thérèse. Ze houdt zich op de been dankzij haar gebed en haar vertrouwen op God en laat vervolgens met een verbazingwekkende zelfbeheersing de balans opmaken van de schulden welke uitzonderlijk ongunstig blijkt uit te vallen. Op 15 september, na maanden van moreel leed dat ze voor zich heeft gehouden, neemt ze, uit trouw aan de stichter en om te voorkomen dat de schuldeisers voor de gevolgen van de niet betaalde schulden moeten opdraaien, de beslissing de negatieve erfenis van de pater te aanvaarden. Tot in 1870 steekt de Moeder Overste, geholpen door een zeer actief steuncomité, al haar energie in het tevreden stellen van de schuldeisers, met een schijnbaar onverklaarbare kalmte. In de hele congregatie zijn de zusters zo edelmoedig te accepteren heldhaftige inspanningen te leveren. «De Goede God, zo zegt ze, zal ons helpen als wij de eendracht onder elkaar behouden en als wij geen ander doel nastreven dan zijn heerlijkheid en het welzijn van de mensen. Maar wij moeten eveneens hard werken». Tenslotte geraken ze door het onvermoeibaar geduld en het onwankelbaar vertrouwen van de Moeder Overste uit de schulden en kan de congregatie, eenmaal van deze last bevrijd, opnieuw aanzienlijk de vleugels uitslaan.

De schulden zijn nauwelijks afgelost of de Moeder Overste wordt met een nieuw kruis op de proef gesteld. Een neef van pater Théodose, verblind door ambitie en hebzucht, laat vermeende rechten gelden op de erfenis van zijn oom. Pater Théodose had in die neef die hem waardevolle diensten bewees meer vertrouwen gesteld dan deze verdiende. Er komt een drie jaar durend kostbaar proces uit voort waar Moeder Marie-Thérèse zwaar onder gebukt gaat. Eind 1872 wordt de zaak geregeld met een vonnis dat ten gunste van de zusters uitvalt. Moeder Overste schenkt de neef van de pater, gezien diens bewezen diensten aan pater Théodose, toch nog een behoorlijk bedrag.

Aan de beproevingen komt nog geen eind. In augustus 1872 wordt, ter vervanging van pater Théodose die pas is overleden, een nieuwe Overste, kapucijner pater Paul, in Ingenbohl benoemd. Maar weldra vat deze pater het plan op de congregatie te veranderen om haar contemplatiever te maken en probeert de bisschop, zijn eigen kapucijner Oversten, de zusters en de novices voor zijn zienswijze te winnen. Hij bezoekt meerdere zusterhuizen en zaait overal verwarring in de zielen. De Generaal Overste, die vaak op reis is krijgt slechts langzaam maar zeker een idee van de situatie. Met de nodige egards geeft ze de pater te kennen het niet eens te zijn met de maatregelen die hij neemt. Daar deze volhardt in zijn zienswijze richt Moeder Marie-Thérèse zich tot haar bisschop in een brief waarin ze hem verzoekt haar te ontslaan van haar taak van Overste. De prelaat aanvaardt het ontslag. «Laten we denken aan onze Verlosser en de talloze beledigingen die Hem iedere dag worden aangedaan, schrijft Moeder Marie-Thérèse aan een van haar dochters. Ik word niet beter behandeld, zoals u ongetwijfeld weet. Het is ook niet erg, men kan niet iedereen tevreden stellen. Als God maar tevreden met ons is!» De bisschop krijgt echter petities aangeboden die niet alleen afkomstig zijn van de zusters, maar van priesters en talrijke belangrijke persoonlijkheden die eisen dat de Moeder Overste in functie blijft. In juli 1873 wordt een kerkelijk raadsman benoemd om de zaak te onderzoeken; zijn rapport komt tot de volgende conclusie: «Het idee van pater Paul is niet te verwezenlijken in canoniek opzicht en in praktisch opzicht weinig heilzaam». Wanneer de bisschop hierover is ingelicht stelt hij Moeder Marie-Thérèse opnieuw in haar functies van Overste aan en wordt pater Paul overgeplaatst.

Het wezenlijk belang

In 1880 krijgt Moeder Marie-Thérèse weer een beproeving van dezelfde aard te verduren. In het moederhuis van Ingenbohl is een jonge aalmoezenier benoemd; daar hij het religieuze leven alleen uit de boeken kent beschuldigt hij de Moeder Overste ervan de constituties te schenden. Deze kwaadwillige beschuldiging treft haar in het diepst van haar ziel. Ze bewaart echter het stilzwijgen en praat slechts openlijk over deze pijnlijke kwestie met haar assistente: «Ik voel me gekweld, het valt me zwaar naar het moederhuis terug te keren, schrijft ze haar; moge het God behagen dat het ons allemaal ten goede komt. Van wezenlijk belang is dat we eendrachtig blijven en elkaar liefhebben, dat we gezamenlijk het kruis en het lijden dragen». In januari 1884 presenteert ze, in overeenstemming met de formele wens van de bisschop, per brief haar rechtvaardiging en wordt in het gelijk gesteld. De aalmoezenier zal vervolgens zijn ongelijk bekennen en wordt een inschikkelijke, welwillende priester.

Haar hele leven heeft de Moeder Overste gezondheidsproblemen gehad: hevige reumatiek, aderspatten, leverziekte... In de loop van 1887 stelt een arts een kankergezwel in de maag vast. Op 1 mei 1888 ontvangt ze het sacrament van de zielen. Tijdens haar laatste dagen lijdt ze bijzonder veel pijn. Op 16 juni begint ze tegen de avond haar doodsstrijd om vervolgens de laatste adem uit te blazen na «Hemel...Hemel!» te hebben gemompeld.

De Congregatie van de Zusters van Liefde van het Heilig Kruis telde op het moment van de dood van haar stichteres 1658 zusters, in meerdere landen werkzaam en verdeeld over 434 instellingen: scholen, weeshuizen, crèches, kinderbewaarplaatsen, instituten voor doofstommen, blinden, pensions voor leerjongens en arme studenten, opvanghuizen voor meisjes, hospitalen, thuisverpleegsters, krankzinnigengestichten, tehuizen voor ouden van dagen...

«Marie-Thérèse blijft voor ons een voorbeeld, zei Paus Johannes Paulus II tijdens de zaligverklaring van de zuster. Haar innerlijke kracht komt voort uit haar geestelijk leven; ze brengt veel uren door voor het Heilig Sacrament». In zijn encycliek «Ecclesia de Eucharistia» verklaart de Heilige Vader: «Ieder streven naar heiligheid... moet de noodzakelijke kracht halen uit het eucharistische geheim... In de Eucharistie vinden we Jezus, is voor ons zijn offer van verlossing aanwezig, ontmoeten we zijn verrijzenis, ontvangen we de gave van de heilige Geest, hebben de aanbidding, de gehoorzaamheid en de liefde jegens de Vader... Onder de nederige gedaanten van brood en wijn, substantieel veranderd in zijn lichaam en bloed, gaat Christus met ons mee als onze dracht en ons voedsel voor onderweg en maakt Hij ons voor allen tot getuigen van de hoop» (17 april 2003).

Laten we tijd maken voor de aanbidding van het Heilig Sacrament en ons in vuur laten zetten door de vlam die Jezus op aarde is komen ontsteken (Lc 12,49) om alle mensen aan te trekken naar het Koninkrijk van de Hemel !

Dom Antoine Marie osb

Om het Blad van de Abdij Saint-Joseph de Clairval te publiceren in een tijdschrift, blad... of on het internetsite of een website te plaatsen, is een toelating vereist. Deze dient te worden aangevraagd per E-Mail or bij http://www.clairval.com.

Index der Briefe  - Home Page

Webmaster © 1996-2017 Traditions Monastiques