Blason  Abdij Saint-Joseph de Clairval

F-21150 Flavigny-sur-Ozerain

Frankrijk


[Cette lettre en français]
[This letter in English]
[Dieser Brief auf deutsch]
[Esta carta en español]
[Aquesta carta en català]
[Questa lettera in italiano]
3 januari 2006
Sint-Geneviève


Dierbare Vriend van de Abdij Saint-Joseph de Clairval,

Het heeft de hele nacht geregend in het oorlogsgevangenkamp in de buurt van Stuttgart en op de ochtend van 2 oktober 1940 hangen hier en daar nog druppeltjes aan het prikkeldraad. «Wat een vreemde rozenkrans, meneer de aalmoezenier! Daar hangen bewegingloos, een beetje dom en zo kleurloos, al onze verdrietjes... één straaltje zon en u ziet ze in het licht uiteenspatten. Wat ben je vroom vandaag, gefeliciteerd». De aalmoezenier kijkt met verbazing naar luitenant Darrenberg die er na een grapje aan toevoegt: «Het is maar poëzie en literatuur...een elegante manier om u gedag te zeggen».

Luitenant Darreberg, de aalmoezenier kent hem goed. Van een begin aan christelijke opvoeding is weinig overgebleven en daar is hij heel trots op. Wanneer hij verklaart: «Ik heb helemaal geen zin om heilig te worden, volstrekt niet, integendeel juist», wordt men getroffen door een vreemd soort oprechtheid. In het kamp heeft hij zich tot taak gesteld zijn medegevangenen te verstrooien, dat is zijn roeping, zegt hij. Men verveelt zich inderdaad nooit met hem.

Vrome kletskoek?

Maar op die ochtend ziet Darreberg er niet uit zoals gewoonlijk. «Is er iets?» vraagt de aalmoezenier. Wanneer hij die vraag herhaalt, antwoordt de luitenant alsof het hem speet: «Ok: in het begin van onze gevangenschap heeft u ons het verhaal verteld van La Salette. Dat is natuurlijk vrome kletskoek, maar het heeft heel wat kerels in het kamp geraakt. Het is heel aardig dat soort dingen te bedenken om de dagen minder dom door te komen. Het is geen «vrome kletskoek», protesteert de priester. Ik wil ter plekke gaan bekijken wat die legende om het lijf heeft. Wat moet ik precies doen om die mysterieuze berg van u te bereiken?... Je zult betere dagen moeten afwachten, we zitten nog maanden vast hier... Welnu, eerwaarde, dan maak ik me vandaag los! Wat zegt u? Ik neem vanavond de benen». Die avond herneemt luitenant Darreberg inderdaad weer zijn vrijheid, handig verborgen onder het zeildoek van een vrachtwagen die brood had geleverd. De aalmoezenier spreekt een snelle zegen uit: Onze-Lieve-Vrouw van La Salette, Maagd die ketenen draagt, symbolen van onze zielen die leven in de gevangenschap van de zonde, begeleid uw stoutmoedige pelgrim op zijn reis!» Op iedere slaapzaal wordt die nacht deze onbezonnen onderneming becommentarieerd. «Als Onze-Lieve-Vrouw van La Salette op haar berg op hem wacht, heeft Zij geen kaart, ravitaillering, kompas of rationele methode nodig. Eerder in tegendeel».

Op 12 november ontvangt de aalmoezenier een brief van Darreberg uit La Salette die gedateerd is op 20 oktober: «Weet eerst dat ik een nogal lange reis heb moeten maken en weinig comfort heb gehad». Hij is inderdaad, nadat hij zich naar Stuttgart had begeven in de broodvrachtwagen, naar het spoorwegstation gegaan en is erin geslaagd op een buffer aan de buitenkant van een treinwagon te klimmen en zo Constanz te bereiken. Bij iedere stop gleed hij onder het wielas van de wagon om niet ontdekt te worden. Op dezelfde manier is hij van Constanz naar Basel gereisd. Eenmaal in Zwitserland, was hij vrij en kon hij Lyon en daarna La Salette bereiken: «Ik kan u nu wel zeggen, vervolgt hij, dat ik me onweerstaanbaar geroepen voelde. Ik moest vertrekken... Ik ben hier sedert vijf dagen en ik leef als in een droom... Wat was ik dwaas om te spreken over «vrome kletskoek»; het is wel zo dat ik het toen al niet meer meende. In de loop van mijn reis begon ik al heel wat te begrijpen. Ik heb hier een priester gevonden die me het verhaal van deze berg heeft uitgelegd».

Hier volgt in het kort dit verhaal. Op 19 september 1846 hoeden twee kinderen, Maximin (elf jaar) en Melanie (bijna vijftien jaar), hun kudden op de berg, boven het dorp La Salette, in het bisdom Grenoble. Ze staan plotseling voor een hel schijnsel waarin ze, in diepe smart gebogen, degene die ze de «Schone Vrouwe» zullen noemen, zien zitten, het hoofd in de handen en met een van snikken schokkend bovenlijf. De twee herdertjes reageren eerst geschrokken, maar de Schone Vrouwe staat op en roept hen heel zacht: «Kom naar voren, kinderen, wees niet bang». Ze aarzelen niet langer, vliegen op haar af en gaan zo dichtbij haar staan dat ze haar bijna aanraken. Ze draagt over haar schouders en borst twee ketenen waarmee een kruis wordt vastgehouden waaraan een bloedende en van licht stralende Christus hangt.

Haar ogen zijn vervuld van een onpeilbaar verdriet: «Ze heeft al de tijd dat ze met ons sprak gehuild, zal Mélanie verklaren; ik heb haar tranen zien stromen». Ze zei tegen de kinderen: «Als mijn volk zich niet wil onderwerpen, ben ik gedwongen de arm van mijn Zoon los te laten; die is zo sterk en zwaar dat ik hem niet meer kan ophouden... Ik heb jullie zes dagen gegeven om te werken, de zevende heb ik mezelf voorbehouden en dat wordt me niet toegestaan... De karrenvoerders kunnen nog geen vloek uitspreken zonder de naam van mijn Zoon daarin (in hun vloeken) op te nemen. Dat zijn de twee dingen die de arm van mijn Zoon zo zwaar maken». Nadat ze heeft gesproken over rampzalige oogsten die te wijten zijn aan de zonden van de mensen, voegt ze eraan toe: «Als ze zich bekeren, zullen de stenen en rotsen in hopen koren veranderen...» En tot besluit: «Vooruit maar, kinderen, zorgen jullie ervoor dat deze boodschap aan heel mijn volk wordt doorgegeven». Wanneer ze tenslotte de top van het plateau bestijgt, verheft ze zich boven de aarde en langzaam verdwijnt ze.

Zoals zovelen, op de knieën

Het verhaal van deze verschijning raakt Darreberg ten diepste. Hij vervolgt zijn brief aan de aalmoezenier aldus: «Daar waar de gebeurtenissen precies hebben plaatsgehad, staat men voor een schitterend levende pagina, een parool, een heilig bevel, een uitnodiging om onmiddellijk in de houding te gaan staan om de orders aan te horen die moeten worden uitgevoerd, die onvoorwaardelijk en tot in de puntjes moeten worden verwezenlijkt. Welnu, de jonge snuiter die u hebt gekend heeft dan ook gedaan zoals vele anderen, hij is neergeknield en heeft gebiecht als een kind, behalve dat hij veel meer te vertellen had. De biechtvader reageerde op heel wat dingen die ik veel liever aan een dove had toevertrouwd, omdat het weinig verheffend was, met «goed» of «heel goed». Hij ging zelfs zover dat hij iets «uitstekend» noemde dat – dat geef ik u op een briefje – het helemaal niet was. Toen heb ik geprotesteerd: «Welnee, dat is niet uitstekend», waarop hij antwoordde: «Oh, zeker, goede jongen, dat is uitstekend!... Het is uitstekend wat de Heilige Maagd voor je gedaan heeft, en de manier waarop je dit aanvaardt». Ik heb kort en goed grote schoonmaak gehouden...Ik voelde me er heel licht door en ook een beetje trots».

«Maria, Moeder vol van liefde, schreef Paus Johannes Paulus II op 6 mei 1996, heeft in La Salette haar droefheid getoond over het morele kwaad van de mensheid. Door haar tranen, helpt ze ons een beter begrip te krijgen van de smartelijke ernst van de zonde, van de verwerping van God, maar ook van de hartstochtelijke trouw die haar Zoon betuigt ten aanzien van haar kinderen, Hij, de Verlosser wiens liefde wordt gekwetst door onze vergeet- en onze weigerachtigheid».

«De zonde is een belediging jegens God: Jegens U alleen heb ik gezondigd, wat U tegenstaat heb ik gedaan (Ps. 51,6). De zonde keert zich tegen de liefde van God voor ons en wendt onze harten van Hem af. Zoals de eerste zonde is ze een ongehoorzaamheid, een opstand tegen God, door te willen worden als goden, door het goede en het kwade te kennen en te bepalen (Gen. 3,5). De zonde is ook «eigenliefde die zo ver gaat dat men God veracht» (H.Augustinus). Door deze hoogmoedige verheerlijking van zichzelf is de zonde diametraal tegengesteld aan de gehoorzaamheid van Jezus die het heil voltrekt...De verscheidenheid van de zonden is groot. De Schrift geeft hiervan verschillende lijsten. De brief aan de Galaten stelt de werken van het vlees tegenover de vruchten van de Geest: De uitingen van de zelfzucht zijn bekend, zoals ontucht, onreinheid, losbandigheid; afgodendienst, toverij; vijandschap, twist, afgunst, uitbarstingen van woede, intriges, ruzies, partijschappen, jaloersheden; drinkgelagen, orgieën en dergelijke. Ik waarschuw u zoals ik u al eerder gewaarschuwd heb: wie zich zo misdragen zullen het koninkrijk van God niet erven (Gal. 5,19-21)» (KKK 1850,1852).

In La Salette legt Onze-Lieve-Vrouw in het bijzonder de nadruk op de zonden tegen God uit gebrek aan eerbied jegens zijn Naam. De Katechismus van de Katholieke Kerk leert: «Onder alle woorden van de openbaring is één woord heel bijzonder: namelijk de openbaring van zijn naam. God vertrouwt zijn naam toe aan degenen die in Hem geloven: Hij openbaart zich aan hen in zijn persoonlijk mysterie. De gave van zijn naam behoort tot het domein van het intieme vertrouwen. 'De naam van de Heer is heilig'. Daarom mag de mens er geen misbruik van maken. Hij moet hem in zijn geheugen bewaren, in de stilte van een liefdevolle aanbidding. Alleen om hem te zegenen, te loven en te prijzen zal hij hem in de mond nemen. De eerbied, waarmee men de naam gebruikt, vertolkt de eerbied die men aan het mysterie van God zelf verschuldigd is en aan heel de sacrale werkelijkheid, die deze naam oproept... Men spreekt van godslastering, wanneer iemand tegen God - inwendig of uitwendig - woorden van haat spreekt, Hem verwijten maakt, Hem uitdaagt, kwaad spreekt van God, in zijn woorden blijk geeft van een gebrek aan eerbied tegenover Hem, of de naam van God misbruikt... Het verbod van godslastering betreft ook uitspraken tegen de Kerk van Christus, de heiligen of gewijde voorwerpen. Het is eveneens godslasterlijk de naam van God te gebruiken om misdadige praktijken te verhullen, om volkeren te onderwerpen, om mensen te folteren of te doden... De godslastering is op zichzelf een zware zonde... Vloeken, waarin de naam van God voorkomt, zonder de bedoeling God te lasteren, getuigen van een gebrek aan eerbied tegenover de Heer» (KKK 2143-2144, 2148-2149).

De zevende

Door tussenkomst van de H.Maagd zegt God tegen de kinderen van La Salette: «Ik heb u zes dagen gegeven om te werken, ik heb me de zevende voorbehouden en het wordt me niet toegestaan». Aldus worden we herinnerd aan onze plicht de zondag te heiligen. In 1998 heeft Paus Johannes Paulus II een apostolisch schrijven gepubliceerd om ons te herinneren aan de zin van de christelijke zondag: «Zij die de genade ontvangen hebben te geloven in de verrezen Heer, kunnen de betekenis van die wekelijkse dag alleen maar doorzien met de huivering van emotie die de heilige Hiëronymus deed zeggen: «De zondag is de dag der verrijzenis, de dag der christenen, het is onze dag»... Ik heb dan ook niet nagelaten sinds het begin van mijn pontificaat te herhalen: «Wees niet bevreesd! Open de deuren wagenwijd voor Christus!» En vandaag zou ik u met aandrang willen uitnodigen de zondag opnieuw te ontdekken: Wees niet bang uw tijd aan Christus te geven. Ja, laten we onze tijd openstellen voor Christus opdat Hij er licht en richting aan kan geven» (Dies Domini, 31 mei 1998, 2, 7).

Deelname aan de gemeenschappelijke viering van de zondagse Eucharistie is een getuigenis van toebehoren en trouw aan Christus: «De Mis is de levende verbeelding van het offer van het Kruis. Onder de hoedanigheden van brood en wijn waarover de uitstorting van de H.Geest is ingeroepen en handelend met een volstrekt unieke doeltreffendheid in de woorden van de consecratie, biedt Christus zichzelf aan aan de Vader door hetzelfde gebaar van offergave waarmee Hij zich aanbood op het Kruis... Het offer van Christus wordt verenigd met dat van de Kerk: «In de Eucharistie wordt het offer van Christus ook het offer van de ledematen van zijn Lichaam. Het leven van de gelovigen, hun lofzang, hun leed, hun gebed, hun werk worden verenigd met die van Christus en zijn totale offerande, en krijgen op deze wijze een nieuwe waarde» (KKK 1368)» (Ibid., 43).

«Daar de Eucharistie werkelijk het hart van de zondag is, begrijpt men waarom de zielenherders vanaf de eerste eeuwen tot op heden hun gelovigen steeds weer gewezen hebben op de noodzaak deel te nemen aan de liturgische samenkomst... Het huidige wetboek handhaaft dit voorschrift met de woorden: «Op zondag en op de andere verplichte feestdagen zijn de gelovigen verplicht aan de mis deel te nemen» (canon 1247). Dit voorschrift wordt gewoonlijk opgevat als een zware verplichting... Het deelnemen aan de Eucharistie is echt het hart van de zondag. De plicht om de zondag te «heiligen» mag niet daartoe beperkt blijven. De dag des Heren wordt werkelijk goed beleefd als deze van vroeg tot laat is vervuld van de dankbare en actieve gedachtenis van de wonderdaden van God. Daarom is iedere leerling van Christus gehouden ook andere ogenblikken van de dag – die niet in de context van de liturgie worden doorgebracht: gezinsleven, maatschappelijke contacten, tijd voor ontspanning – een stijl te geven die een hulp is bij het doen opbloeien van de vrede en vreugde van de Verrezene in het gewone kader van het leven» (Ibid., 46, 47, 52).

Waardeloos gelispel?

Tijdens haar verschijning aan Mélanie en Maximin had de Heilige Maagd nog gezegd hoe belangrijk het gebed was: «Doen jullie goed je gebed, kinderen? Nauwelijks, mevrouw. Oh! Kinderen, jullie moeten dat goed doen, 's avonds en 's ochtends, al baden jullie maar één Onze Vader en één Wees Gegroet. En wanneer jullie meer kunnen, bid dan meer». Luitenant Darreberg heeft die noodzaak van het gebed begrepen. Wanneer hij in Engeland is, in dienst van de luchtmacht, schrijft hij in zijn dagboek: «14 oktober 1941: Ik heb kennis gemaakt met de katholieke aalmoezenier.... Hij zei me dat er geen twijfel meer bestond aan de overwinning. Ik zei tegen hem: De oorlog zou morgen kunnen aflopen; daarvoor zouden we slechts één ding hoeven doen. En wat dan wel? Ons onderwerpen... Ons onderwerpen aan Gods bevel en bidden. Tot drie maal toe heb ik het nadrukkelijk voor hem herhaald: veelvuldige beoefening van het gebed!» Darreberg zelf begint te bidden: «Ik begrijp het rozenkransgebed nu beter: het maakt de ziel buigzaam om op de juiste wijze te reageren. Het kwam me altijd voor als het gebed voor vrome vrouwen en niet meer dan waardeloos gelispel. Wat een dwaasheid! Het is iets prachtigs. Vijftig keer achter elkaar «Wees gegroet, Maria» zeggen maakt dat je uiteindelijk het hoofd buigt zoals het hoort... Wanneer je vijftig keer «Bid voor ons, zondaars» hebt gezegd, geloof je eindelijk dat je niet veel waard bent...» Hij schrijft ook: «Veel meer dan de pijp van de aalmoezenier, heeft het, zelfs eentonig en werktuigelijk bidden van de rozenkrans iets vredigs en harmonieus».

«Centraal in ons geloof staat Christus, Verlosser van de mens, zo bracht Paus Johannes Paulus II het ons in herinnering op 16 oktober 2002. Maria verduistert Hem niet; zij verduistert zijn heilswerk niet. Ten hemel opgenomen, met lichaam en ziel, heeft de H.Maagd als eerste mogen proeven van de vruchten van het Lijden en de Wederopstanding van haar Zoon en is de zekerste manier om ons naar Christus te voeren, uiteindelijk doel van onze daden en ons hele bestaan... Bestaat er, om Christus' aangezicht met Maria te aanschouwen, een beter werktuig dan het rozenkransgebed? Wij moeten echter opnieuw ontdekken welke mystieke diepgang besloten ligt in de eenvoud van dit gebed dat traditioneel gezien onder het volk zo is geliefd. In zijn opbouw is dit Mariagebed inderdaad en vooral een overpeinzing van de mysteries van het leven en het werk van Christus. Door de aanroep Ave Maria te herhalen kunnen wij onze kennis verdiepen van de wezenlijke gebeurtenissen in de opdracht van Gods Zoon op aarde, die ons door het Evangelie en de Overlevering zijn doorgegeven» (Algemene Audiëntie).

Het gebed en in het bijzonder de rozenkrans maakt de weg vrij voor de hoop. Paus Johannes Paulus II schrijft over La Salette: «Onze-Lieve-Vrouw vraagt dat haar boodschap aan «heel haar volk wordt doorgegeven» door het getuigenis van twee kinderen. En hun stem wordt inderdaad snel gehoord. De pelgrims komen; er vinden heel wat bekeringen plaats. Maria was verschenen in een licht dat doet denken aan de pracht van de gedaanteverandering van de mensheid door de Wederopstanding van Christus: La Salette is een boodschap van hoop, want onze hoop wordt gevoed door de tussenkomst van Haar die de Moeder der mensen is. De breuken zijn niet onherstelbaar. De nacht van de zonde maakt plaats voor het licht en de barmhartigheid van God. Het aanvaarde menselijke lijden kan bijdragen tot de zuivering en het heil» (6 mei 1996).

Zes penny's boete

De geschiedenis van Darreberg maakt gewag van meerdere bekeringen. Die van de luitenant zelf, maar ook die van zijn werktuigkundige: «5 april 1942: Pasen. De werktuigkundige zei: «Ik ga altijd naar de kerk met Kerstmis en Pasen...En uw geval; dat zet je toch wel aan het denken, die medaille (van Onze-Lieve-Vrouw van La Salette), dat verhaal dat u aan de jongens heeft verteld...» Hij heeft gebiecht, hij is te communie gegaan... Dat was al twintig jaar.... De aalmoezenier gaf toe: die Maagd van La Salette is geweldig». Een paar dagen later komt de werktuigkundige Darreberg opzoeken: «Er is iets dat u moet zien. In zijn grote werkplaats: een bord... Ik lees: «Voortaan is het verboden te vloeken tijdens het werk. Boete: zes penny's voor de kas waarmee de rondjes whisky worden betaald»». Dat was zijn manier om gevolg te geven aan de aanbeveling van de Allerheiligste Maagd met betrekking tot het vloeken...

Nog verbazingwekkender is de bekering van een andere jachtvliegtuigpiloot, Norton. «Norton is de eerste-klas-vlieger van de groep, schrijft Darreberg. Maar hij is een vulgaire, sceptische geest. Hij vroeg me: «Wat betekent die datum van de 19e (verschijning in La Salette, 19 september)?» Ik wilde niet reageren maar bedacht: «Jullie moeten hem aan heel mijn volk doorgeven». In het kort heb ik het hem uitgelegd. Hij verklaarde met een spottend gezicht: «Ik dacht dat u minder dom was». Dat was even slikken. Ik heb niet verder aangedrongen... 25 december 1941: Kerstmis. Wat blijft er van zo'n dag over als men het Kindje Jezus heeft verjaagd!... Norton was hatelijker dan ooit. Ik ben van tafel gelopen. Hij zei: «De kakkerlakken (in het Frans tevens benaming van huichelachtige vromen) verdwijnen, weersverandering op komst». Ik heb me gedwongen de deur geluidloos dicht te doen».

Op 14 april 1942 wil Norton gebruik maken van een gunstige gelegenheid tijdens een luchtgevecht om op Darreberg te schieten; het volgende ogenblik redt deze hem het leven door diens achtervolger te verslaan. 's Avonds, op de basis: «Norton komt naar me toe: «Darreberg, ik heb op je geschoten. Waarom? Ik haatte je. En nu? Je hebt mij het leven gered. Vergeef me». Wij hebben elkaar de hand geschud... Dank u, Lieve-Vrouw van La Salette». Op 13 juni wordt Norton geraakt door vijandelijke kogels. «14 juni: Norton is opgegeven. Amputatie van beide benen en de rechterarm. Hij heeft zijn laatste krachten verzameld om me te vragen: «Geef me haar medaille... Niet om beter te worden...Om niet te sterven als een hond». Zijn gezicht was één en al rimpel van de pijn. «Wat heeft ze gezegd, Darreberg, ik wil het weten, nu, voor ik sterf». Het is nooit te laat... Ik heb nooit gebeden, bekent Norton. Hoe moet dat? Ik heb er altijd de spot mee gedreven...Ben je gedoopt? Nee, maar ik wil, zoals jij... Darreberg, ik heb je willen doden... Ik vraag je om vergeving. Zeg dat je me hebt vergeven». De katholieke aalmoezenier is gekomen. Norton heeft het Sacrament van het Doopsel ontvangen. Daarna zei de verpleegster: «Ik ga u een beetje morfine geven. Dan kunt u slapen. Nee. Dank u... Laat mij lijden tot het einde... Ik moet het goed maken, ik heb iets goed te maken». «Tot morgen, beste Norton. Misschien... Zeg tegen de jongens... Zeg jij hun dat het me spijt». De priester had de volgende overdenking: «De H.Maagd is een grote zielendief. U hebt het gezien: Zij is handiger dan de duivel!» 15 juni: Norton is vanochtend gestorven. De verpleegster zei: Hij heeft de hele nacht uw naam genoemd. Hij zei steeds: «Ik geloof zoals Darreberg... Ik wil bergen koren». Ik heb hem toch maar morfine gegeven en toen is hij ingeslapen. Daarstraks maakte hij zijn ogen open en mompelde nog: «Daar is de Vrouwe van de Berg. Ze glimlacht. Ze huilt niet. Waarom zei Darrebeg dat Zij huilde?» Dat zijn zijn laatste woorden. Hij is zojuist gestorven».

«Ik verwacht een grandioze blijdschap!»

In maart 1943 raakt Darreberg gewond. Na meerdere maanden van herstel hervat hij zijn bezigheden. Op 19 januari 1944 keert hij niet naar de basis terug. Later zal de werktuigkundige vertellen: «Voor hij die dag opsteeg, zei hij tegen mij: «Vaarwel, beste vriend!» Het is uw 19! antwoordde ik, het zal u geluk brengen! Zijn antwoord zal zo lang als ik leef in mijn binnenste blijven weerklinken: «Vandaag, kerel, verwacht ik een grandioze blijdschap!» Zijn ogen fonkelden en ik heb pas later begrepen wat die fonkeling in zijn blik betekende... Hij glimlachte heel mooi... Ik hoorde een ogenblik zijn motoren ronken. Alles ging prima... Gewoonlijk steeg hij een beetje langzaam op, alsof hij aarzelde. Die dag is hij vertrokken alsof hij werd opgeslokt door de hemel... Je zou bijna geloven dat hij aan een koord naar boven werd getrokken». Niemand heeft ooit geweten hoe Darreberg is overleden. Maar is die vraag zo belangrijk? Voor hem was de dood al niet meer de dood, maar de blijdschap van het kind dat teruggaat naar zijn Moeder in de Hemel, de blijdschap van de trouwe dienaar die van de Koningin der Hemelen de beloning voor zijn werken gaat ontvangen: «Wanneer men werkt in dienst van de Heilige Maagd, had hij een week eerder, op 10 januari, in zijn dagboek opgetekend, weet Zij haar schulden te betalen, vorstelijk als een Koningin en fijngevoelig als een Moeder».

«In La Salette heeft Maria duidelijk blijk gegeven van haar standvastigheid in het gebed voor de wereld. Zij zal de mensen die geschapen zijn naar het beeld en de gelijkenis van God en aan wie het gegeven is kinderen van God te worden (cf. Joh. 1,12) nooit in de steek laten» (Johannes Paulus II, 6 mei 1996). De bekering van Darreberg toont aan hoe machtig de bemiddeling van onze Moeder in de Hemel is: laten wij volledig vertrouwen op Haar!

Dom Antoine Marie osb

Om het Blad van de Abdij Saint-Joseph de Clairval te publiceren in een tijdschrift, blad... of on het internetsite of een website te plaatsen, is een toelating vereist. Deze dient te worden aangevraagd per E-Mail or bij http://www.clairval.com.

Index der Briefe  - Home Page

Webmaster © 1996-2017 Traditions Monastiques