Blason  Abdij Saint-Joseph de Clairval

F-21150 Flavigny-sur-Ozerain

Frankrijk


[Cette lettre en français]
[This letter in English]
[Dieser Brief auf deutsch]
[Esta carta en español]
[Questa lettera in italiano]
9 juni 2005
H. Efren


Dierbare Vriend van de Abdij Saint-Joseph de Clairval,

In een straat in Dublin (Ierland), op de zondag van de H.Drie-eenheid, 7 juni 1925, zakt een man 's ochtends wanneer hij zich naar de naburige kerk begeeft in elkaar en is dood. Zijn lichaam wordt naar het ziekenhuis vervoerd waar het wordt gewassen door een non-verpleegster; deze is stomverbaasd wanneer ze bij het ontkleden van de overledene een ketting ontdekt waaraan vrome medailles hangen en die tweemaal om het middel is gewikkeld. Weer andere kettingen of koorden zijn om de benen en de armen gewikkeld. Hoewel die verroeste kettingen diep in de huid vast zitten, is het lichaam onberispelijk schoon. Wie was die man ? Een gek of een heilige?

Van bier naar whisky

Matt Talbot is geboren in mei 1856 in Dublin, als zesde kind in een gezin van twaalf. Als jonge jongen gaat hij naar school bij de Broeders van de Christelijke Leer, waar hij nauwelijks enig succes boekt in de studie. Op twaalfjarige leeftijd gaat hij in dienst bij een firma die bier bottelt. In de van alcohol bezwangerde sfeer waarin hij werkt volgt hij weldra het slechte voorbeeld van de andere werknemers en begint de restjes in de flessen op te drinken. Wanneer hij hem iedere avond ongewoon vrolijk ziet thuiskomen, komt zijn vader tussenbeide en vindt ander werk voor hem, onder zijn persoonlijk toezicht, in de commissie voor haven en dokken. Maar de toestand van Matt verslechtert: vloeken en het gebruik van de ruwe dokwerkerstaal worden heel gewoon voor hem; tot overmaat van ramp wijden zijn nieuwe metgezellen hem in bij het drinken van whisky! Zijn vader probeert hem te overreden, gaat over op stokslagen, maar niets helpt. Tot wanhoop van zijn ouders onttrekt Matt zich aan het ouderlijk gezag en verzinkt in dronkenschap. Toch heeft de jongen een goed hart. Daar hij begrijpt hoe hij zijn ouders te schande maakt, verlaat hij de dokken en wordt metselaar. Hij brengt dan al zijn avonden door in bierhuizen en komt regelmatig dronken thuis; zijn hele loon gaat uit aan drank. Hij verzinkt zo diep in het kwaad dat hij soms zijn toevlucht neemt tot diefstal om aan alcohol te komen.

Zijn lichaam wordt langzaam te gronde gericht. Maar ernstiger nog is de zonde die de ziel ter dood veroordeelt: onmatig drankgebruik is een belediging van de Schepper. Door alcoholisme, evenals door drugs berooft de mens zich vrijwillig van het gebruik van de rede, het edelste kenmerk van de menselijke natuur. Wanneer deze ongeordendheid willens en wetens tot stand wordt gebracht vormt zij een ernstige tekortkoming tegenover God en ook tegenover de naaste die men, in staat van dronkenschap, blootstelt aan het gevaar hem ernstig te beledigen. Zoals iedere ernstige zonde brengt een dergelijk misbruik het verlies van de staat van genade met zich mee, het grootste ongeluk dat een mens kan treffen. De mens heeft inderdaad geen kostbaarder goed dan de vriendschap van God; welnu, door de ernstige zonde verliest men die vriendschap. Onze-Lieve-Heer waarschuwt zijn leerlingen voor een dergelijk ongeluk: Als iemand niet in Mij blijft, wordt hij weggeworpen als de rank en verdort; men brengt ze bij elkaar, gooit ze in het vuur, en ze verbranden (Joh 15, 6). Met deze woorden maakt Jezus ons duidelijk welk lot de mensen wacht die de goddelijke vriendschap verwerpen die iedere mens wordt aangeboden krachtens de Menswording die ons heeft verlost. Door die vriendschap te verwerpen veroordeelt men zich tot de eeuwige dood, de hel, waarover de Katechismus van de Katholieke Kerk ons het volgende leert: «Jezus spreekt vaak over de gehenna van het vuur dat nooit dooft, bestemd voor hen die tot hun levenseinde weigeren te geloven en zich te bekeren, een plaats waar zowel de ziel als het lichaam verloren kunnen gaan. Jezus kondigt in strenge bewoordingen aan dat Hij zijn engelen zal uitzenden, die allen die tot zonde verleiden en ongerechtigheid bedrijven (...) bijeen zullen brengen om hen in de vuuroven te werpen, en dat Hij de veroordeling zal uitspreken: Gaat weg van Mij, vervloekten, in het eeuwig vuur! De leer van de Kerk bevestigt het bestaan van de hel en haar eeuwige duur. De zielen van hen die sterven in staat van doodzonde, dalen onmiddellijk na de dood af in de hel, waar zij de straffen van de hel, het eeuwige vuur, ondergaan. De belangrijkste straf van de hel bestaat in het eeuwig van God gescheiden zijn; alleen in Hem kan de mens het leven en het geluk vinden. Hiertoe is hij immers geschapen en hiernaar streeft hij. De uitspraken van de heilige Schrift en de leer van de Kerk met betrekking tot de hel doen een beroep op het verantwoordelijkheidsgevoel waarmee de mens gebruik moet maken van zijn vrijheid met het oog op zijn eeuwige bestemming. Zij zijn tegelijkertijd een dringende oproep tot bekering: Gaat binnen door de nauwe poort; want de weg die naar de ondergang voert, is wijd en breed en velen zijn er die hem inslaan. Hoe nauw toch is de poort en hoe smal de weg die voert naar het leven, en weinigen zijn er die hem vinden (Mt. 7,13-14)» (KKK, 1034-36).

Ieder die het eeuwige leven verlangt is genoodzaakt de zonde op te geven en zich tot God te bekeren. Aan de jongeman die vraagt: Meester, wat voor goeds moet ik doen om het eeuwig leven te verwerven? antwoordt Jezus: Als gij het Leven wilt binnengaan, onderhoud dan de geboden (Mt 19, 16-17). De H.Benedictus drukt zich niet anders uit tegenover de leerling die zich meldt om in te treden in het monastieke leven: «Aldus besluit de Heer zijn onderricht en verwacht nu van ons, dat wij nu ook daadwerkelijk elke dag aan zijn heilige vermaningen zouden beantwoorden Daarom worden de dagen van dit leven met het oog op een verbetering van ons slecht gedrag bij wijze van uitstel verlengd, zoals de Apostel zegt: Weet gij niet, dat Gods geduld u tot boetvaardigheid wil brengen? Want in zijn goedheid zegt de Heer: Ik wil niet de dood van de zondaar, maar dat hij zich bekere en leve... Wij hebben de Heer nu ondervraagd, broeders, over de bewoner van zijn tent en hebben vernomen op welke voorwaarden men er kan wonen. Als wij nu ook maar die plichten van de bewoner nakomen. Laten wij ons hart en lichaam dan uitrusten voor de strijd, dat wil zeggen voor de heilige gehoorzaamheid aan Gods geboden. En als er iets niet mogelijk blijkt te zijn voor onze natuur, vragen wij dan aan de Heer, dat Hij ons met de hulp van zijn genade wil bijstaan. Wanneer wij de straffen van de hel dan ook willen ontvluchten en willen geraken tot het eeuwige leven, dan moeten wij thans, nu er nog tijd is en wij nog in dit lichaam verkeren, en nu het nog mogelijk is om dit alles bij het licht van dit leven te volbrengen, ons voortspoeden en datgene doen wat ons voor eeuwig ten goede zal komen» (Regel, Proloog). Zo ook moeten wij onze terugkeer tot de Heer niet uitstellen tot morgen, zoals de H.Chrysostomos opmerkte: «Laten wij aan ons heil denken, draal niet met uw terugkeer tot de Heer, en stel die niet uit van dag tot dag (Sir 5,7); want u weet niet wat de dag van morgen zal brengen... U hebt zich bedronken, u hebt uw maag overladen, u hebt geroofd en geplunderd? Stop er nu mee, keer terug op uw schreden; zeg God dank dat Hij u niet midden in uw zonden heeft weggerukt...Bedenk dat waar u over spreekt het belang van uw ziel betreft...» (Homilie over het tweede epistel aan de Korinthiërs).

De genade klopt aan

Ondanks de vernederende staat waarin hij verkeert, blijft Matt tamelijk fatsoenlijk. Hij heeft geen oneerbare verhouding met iemand; iedere ochtend is hij, ongeacht het drinkgelach van de vorige avond, om zes uur op de been om zich naar zijn werk te begeven; hij blijft uiteindelijk trouw de zondagse mis bijwonen, zonder de sacramenten ook te ontvangen. Op een zaterdag in 1884 kom de goddelijke genade aan zijn deur kloppen. Na een week werkloosheid, zit Matt, 28 jaar, zonder geld en kan hij onmogelijk aan drank komen. Maar de drankzucht houdt hem in haar onverbiddelijke greep. Rond het middaguur gaat hij samen met zijn broer Philippe op de hoek van een straat staan waar de arbeiders voorbij komen als ze hun loon hebben ontvangen: er is er zeker een bij die hem zal uitnodigen een glas met hem te gaan drinken. De arbeiders komen voorbij, groeten hem, maar niemand nodigt hem uit. Matt is hevig gepikeerd; alcohol te moeten ontberen is al een grote frustratie, maar het kwetst hem vooral dat zijn metgezellen die hij zo vaak een rondje heeft gegeven in het bierhuis zo hardvochtig zijn. Driftig gaat hij weer naar huis. Zijn moeder is heel verbaasd als ze hem zo vroeg weer ziet komen en zonder te hebben gedronken. Zijn moeder! Matt wordt gegrepen door de gedachte dat hij tegenover haar erg ondankbaar is geweest. Hij heeft zijn ouders bijna niets gegeven bij wijze van kostgeld (al zijn geld ging op aan drank!) en nu wordt zijn hart verscheurd bij de gedachte dat hij ze in hun eentje heeft laten tobben terwijl hij egoïstisch ging drinken. In die tijd is het in Ierland niet ongebruikelijk dat een man die van de drank af wil een gelofte aflegt. Na het eten zegt Matt plotseling als hij met zijn moeder alleen is: «Ik ga de gelofte van matigheid afleggen. Om Godswil! Doe het, maar leg haar niet af als je haar niet wil nakomen! Ik zal de gelofte afleggen in de naam van God». Nadat hij nette kleren heeft aangetrokken, gaat hij naar het Holy Cross College, vraagt om een priester bij wie hij biecht. Op diens aanraden is hij zo voorzichtig zijn gelofte voor de duur van drie maanden af te leggen. De volgende dag woont hij de mis van vijf uur bij in de Sint-Franciscus Xaverius kerk, gaat er te communie en komt als hernieuwd weer uit de kerk. Maar om trouw te blijven aan zijn gelofte zal hij een verschrikkelijk harde strijd moeten leveren. Matt besluit dan ook om uit de dagelijkse communie de geestelijke kracht te putten die hij nodig heeft om bij zijn besluit te blijven. Het moeilijkste moment is 's avonds na het werk. Om niet in de verleiding te komen gaat de bekeerling wandelingen in de stad maken. Op een dag gaat hij echter tegelijk met vele andere klanten een bierhuis binnen. De barman die het heel druk heeft schijnt Matt niet te zien en beledigd door deze onoplettendheid verlaat deze in allerijl het lokaal en is vastbesloten nooit meer een voet in een bierhuis te zetten.

«Zal ik ooit weer drinken?»

Op zijn wandelingen wordt Matt geconfronteerd met een ander probleem: de alcohol heeft zijn gezondheid ondermijnd en hij is gauw vermoeid. Hij gaat dan een kerk binnen en, op de knieën voor het tabernakel begint hij te bidden en smeekt God om kracht. Hij ontwikkelt op die manier de gewoonte het huis van God regelmatig te bezoeken. De drie maanden zijn niettemin erg lang; de gevolgen van het zich ontzeggen van alcohol: hallucinaties, depressie, braakneigingen maken van die tijd een ware kruisweg. Van tijd tot tijd vlamt de oude hartstocht weer op: hij moet wanhopig strijd leveren en zijn gebeden steeds langer maken. Op een dag valt hij bij thuiskomst op een stoel neer en zegt bedroefd tegen zijn moeder: «Het is allemaal zinloos, Mama, over drie maanden ga ik toch weer drinken...» Maar zij beurt hem op en moedigt hem aan door te bidden. Door deze raad letterlijk op te volgen krijgt Matt de smaak van het gebed te pakken en vaart er wel bij. Door het gebed raakt men inderdaad uit menselijk gesproken wanhopige situaties. Voor God is alles mogelijk (Mt 19,26). H.Alfonsus Maria van Liguori, kerkleraar, verklaart: «De genade van het gebed is iedereen gegeven, zodanig dat als iemand toch het spoor bijster raakt hij geen excuses heeft...Bid, bid en bid en geef nooit op te bidden: wie bidt, zal zeker gered worden; wie niet bidt, zal zeker verloren gaan» (cf. KKK, 2744). Wanneer de drie maanden voorbij zijn is Matt verbaasd dat hij «het heeft volgehouden» en hernieuwt zijn gelofte voor zes maanden, na afloop waarvan hij zich voor altijd ertoe zal verbinden geen alcohol meer te drinken.

Matt is een nieuw leven begonnen, een leven van intieme omgang met God. De dagelijkse mis is hierin de steunpilaar. Maar in 1892 wordt de mis van vijf uur die Matt gewoon was bij te wonen opgeheven; de eerste mis is voortaan om kwart over zes. Ondanks het feit dat hij een ware meester in het vak is geworden, aarzelt hij niet van baan te veranderen en gaat in dienst als eenvoudige handarbeider bij een houtkoopman waar het werk pas om acht uur begint. Zijn nieuwe bezigheid bestaat uit het laden van vrachtwagens. 's Avonds, direct na het werk, wast hij zich zorgvuldig en trekt zijn uitgaanskleren aan omdat hij het huis van God niet wil binnengaan in zijn werkplunje en begeeft zich naar de kerk voor een bezoek aan het Heilig Sacrament. Op een dag bekent hij tegenover zijn biechtvader: «Ik heb lang verlangd naar de gave van het gebed en ik ben volledig verhoord». Zijn bestaan is voortaan totaal op God gericht en meer in het bijzonder op de werkelijke tegenwoordigheid van de Heer in het tabernakel. «Zo lang de Eucharistie wordt bewaard in de kerken en gebedshuizen, is Christus de ware Emmanuel, God met ons, schreef Paus Paulus VI. Want dag en nacht verkeert Hij in ons midden en woont bij ons, vol van genade en waarheid; Hij herstelt de zeden, voedt de deugden, troost de bedroefden, sterkt de zwakken en nodigt voortdurend al degenen die tot Hem komen uit Hem na te volgen, opdat zij naar zijn voorbeeld leren zachtmoedig en nederig van hart te zijn, niet hun eigen belangen na te streven, maar die van God. Zo ervaart en begrijpt ieder die het eerbiedwaardig sacrament met bijzondere devotie benadert en tracht de ons oneindig liefhebbende Christus met een open edelmoedig hart, met veel innerlijke vreugde en vrucht, lief te hebben, de prijs van het verborgen leven met Christus in God; hij weet hoe kostbaar het is zich met Christus te onderhouden, want op aarde is er niets beminnelijkers, niets geschikters om vooruitgang te boeken op de wegen van de heiligheid» (Encycliek Mysterium fidei, 3 september 1965).

Betekenis van de kettingen

Matt Talbot heeft een speciale devotie voor de moeder van Jezus. Iedere dag bidt hij de rozenkrans en het officie van de Heilige Maagd. Omstreeks 1912 leest hij het Verdrag van de ware devotie tot de Heilige Maagd, van de H.Louis-Marie Grignion de Montfort. Hij leert eruit hoe men de «heilige slavernij» moet beoefenen door de toewijding van de hele persoon en van alle bezittingen ten dienste van Maria. Als praktisch middel om in de geest van deze kinderlijke gehechtheid aan Maria te leven, had de H.Grignion aanbevolen een kettinkje te dragen. Dat is de verklaring voor de kettingen die na diens dood op het lichaam van Matt Tabot werden aangetroffen.

Matt die zich van nature snel kwaad maakt, verdraagt maar moeilijk de vloeken en de grove taal van zijn metgezellen. Wanneer ze de heilige naam van God lasteren, licht hij eerbiedig de hoed op. Wanneer zij dat zien gaan zijn kameraden dubbel zo grof praten. In het begin worden ze streng door Matt gecorrigeerd maar vervolgens beperkt hij zich tot de liefdevolle opmerking: «Jezus Christus hoort jullie». Op een dag maakt hij felle verwijten aan het adres van zijn opperman die zich niet erg royaal betoont bij gelegenheid van de intekening voor een liefdewerk. Zijn baas maant hem aan zich inschikkelijk te gedragen en de volgende dag meldt Matt zich bij zijn opperman: «Onze-Lieve-Heer, verklaart hij, heeft me gezegd dat ik u om vergeving moet vragen: dat doe ik dus nu». Zijn voorbeeldige leven boezemt uiteindelijk respect in. In gezelschap is hij overigens altijd heel vriendelijk, altijd de eerste die lacht om een goede grap, op voorwaarde dat die binnen de perken van de eerbaarheid blijft.

«U hebt lelijke kleren»

In navolging van de oude Ierse monniken die in de traditie van de H.Columbanus leefden, legt Matt Talbot zich een ascetische voedingsregel op, zowel als boetedoening voor de zonden als om te versterven en in zichzelf het leven van de geest te begunstigen. Wanneer zijn vrienden hem uitnodigen eet hij echter zoals allemaal. Wanneer hij lid is geworden van de Derde Orde van de H.Franciscus, legt hij zich toe op de navolging van Christus‚ armoede, waarbij hij zijn behoeften tot het stricte minimum herleidt en de rest aan de armen geeft. De eerste tijd na zijn bekering had hij nog de gewoonte te roken. Op een dag vraagt een van zijn kameraden hem om tabak. Hij heeft zojuist een pijp gekocht en een pakje tabak: met een heldhaftig gebaar geeft hij ze allebei weg en zal voortaan niet meer roken. Hij draagt gewoonlijk armoedige en versleten kleren en opeens wordt hem een nieuw kostuum gegeven; hij wil weigeren, maar zijn biechtvader komt tussenbeide: «Talbot, je hebt heel lelijke kleren. Er wordt je een nieuw kostuum aangeboden... Vader, ik heb de Goede God beloofd nooit meer nieuwe kleren te dragen. Welnu! hervat de priester, de Goede God is juist degene die je dit stuurt! Nou, als het de Goede God is die me dit stuurt, zal ik het aannemen».

Als er een luxe is die Matt zich toestaat, zijn het boeken: hij brengt graag zijn tijd door met lezen en zijn lievelingslectuur zijn de Heilige Schrift en de geschriften van de heiligen. Wanneer men de bijbel doorbladert die men na zijn dood in zijn huis heeft gevonden, stelt men vast dat hij een bijzondere voorkeur had voor de psalmen van boetedoening waarin de zondaar tegenover God zijn spijt uit over zijn zonden, maar ook zijn onwankelbaar vertrouwen in de goddelijke barmhartigheid: Wees mij genadig, God die liefde bent; U, grenzeloze barmhartigheid, wis uit wat ik heb misdaan. Was mij schoon van mijn schuld, reinig mij van mijn zonde...Laat blijdschap weer volop mijn deel zijn (Psalm 51 [50], «Miserere»). Hij maakt ook een paar notities die getuigen van een verbazingwekkend verheven denkwijze voor een man die zo weinig onderwijs heeft genoten. Hier volgt een van die overpeinzingen: «De tijd van leven is slechts een race naar de dood waarbij het geen enkele mens is toegestaan onderweg te stoppen... De vrijheid van geest verwerft men door zich van de eigenliefde te bevrijden, wat maakt dat de ziel genegen is Gods wil te doen in de kleinste dingen... Je wil gebruiken bestaat erin het goede te doen, je wil misbruiken is het kwade doen... In het mediteren zoeken wij God door te redeneren en door verdienstelijke daden, maar in de contemplatie zien wij Hem zonder er moeite voor te doen...». Dit leven van gebed en penitentie wordt gesterkt door buitengewone genaden. Op een dag vertrouwt hij zijn zus toe: «Wat is het erg om te zien hoe weinig liefde de mensen voor God hebben!...O, Suzanne! Als je eens wist welk een diepe vreugde ik vorige nacht heb ervaren tijdens mijn gesprekken met God en zijn heilige Moeder!» om vervolgens van onderwerp te veranderen wanneer hij bemerkt dat hij over zichzelf spreekt.

De periode van 1911 tot 1921 is er een van grote verwarring in Ierland: arbeidsconflicten die in het teken staan van werkloosheid en stakingen, strijd om politieke autonomie, de eerste wereldoorlog en tenslotte de oorlog tussen Ierland en Engeland. Temidden van al dit strijdgewoel weet Matt zijn ziel in vrede te bewaren. De zaak van de arbeiders gaat hem niettemin aan het hart. Hij veroordeelt onomwonden de ontoereikende lonen van de getrouwde arbeiders die hij zoveel als hij kan probeert te helpen. Maar hij verlangt nooit iets voor zichzelf. Wanneer de kameraden het werk neerleggen of ontslagen worden betoont hij zijn solidariteit.

«De Grote Genezer bedanken»

Op zevenenzestigjarige leeftijd is Matt Talbot lichamelijk versleten: ademgebrek en hartkloppingen dwingen hem om het langzamer aan te doen. Nadat hij twee keer in het ziekenhuis heeft gelegen in 1923 en 1925 herstelt hij min of meer en hervat zijn werk. Tijdens de ziekenhuisopnames gaat hij zodra hij kan naar de kapel. Tegenover een zuster die hem verwijt dat hij haar schrik heeft bezorgd door uit zijn kamer te verdwijnen antwoordt hij glimlachend: «Ik heb de zusters en de doktoren bedankt, was het niet terecht dat ik ook de Grote Genezer ben gaan bedanken?» Op zondag 7 juni 1925 begeeft hij zich naar de H.Zaligmaker kerk. Uitgeput zakt hij op de stoep in elkaar. Een dame biedt hem een glas water aan. Matt opent de ogen, glimlacht en laat het hoofd weer zakken: het is de grote en zo verlangde ontmoeting met Christus die niet is gekomen om de rechtvaardigen te roepen maar de zondaars (Mt 9,13). In 1975 heeft Matt de titel van «eerbiedwaardige» ontvangen. Tegenwoordig staan tal van werken die bestemd zijn om de slachtoffers van alcohol en drugs te hulp te komen onder zijn beschermheerschap.

Matt Talbot is een toonbeeld voor alle mannen. De slachtoffers van alcoholisme of drugs laat hij door zijn voorbeeld zien dat het met de hulp van Gods genade mogelijk is er van af te komen. «De verslaving aan alcohol is soms zo sterk dat de naaste omgeving van de persoon die alcoholist is geneigd is te denken dat die er nooit van af zal komen, en de persoon die alcoholist is, is zelf geneigd wanhopig te worden. Het is dan goed zich weer de Verrijzenis van Jezus te herinneren. Dat doet er ons weer aan denken dat mislukking nooit het laatste woord van God is» (Sociale Commissie van de bisschoppen van Frankrijk, verklaring van 1 december 1998). De verslaafden aan andere zonden (afgoderij, godslastering, abortus, euthanasie, anticonceptie, overspel, losbandigheid, homoseksualiteit, masturbatie, diefstal, valse getuigenis, laster, enz.), brengt hij in herinnering dat ze «nooit moeten wanhopen aan de barmhartigheid van God», volgens de aanbeveling van de H.Benedictus (Regel, hfdst.4). Onze-Lieve-Heer heeft de H.Marguerite-Marie beloofd dat de zondaren in zijn Hart de bron en de onmetelijke oceaan van barmhartigheid zouden vinden. Zoals het een schip eigen is over het water te varen, is het God eigen te vergeven en barmhartig te zijn, zoals de Kerk verklaart in een van haar gebeden. Ook de H.Theresia van Lisieux, kerkleraar, heeft in het slot van haar dagboek geschreven: «Al had ik alle zonden die men maar kan begaan op mijn geweten, zou ik met een van berouw gebroken hart me in de armen van Jezus storten want ik weet hoe zeer Hij de verloren zoon die naar Hem terugkeert lief- heeft». Ze voegde er mondeling aan toe: «Al had ik alle mogelijke misdaden begaan, zou ik nog altijd even veel vertrouwen hebben, ik zou voelen dat dit veelvoud aan zonden te vergelijken zou zijn met de druppel water die in een gloeiende vuurzee wordt geworpen». Het leven van Matt Talbot bewijst op sprekende wijze dat men door zich oprecht tot Onze-Lieve-Heer te keren om Hem om vergiffenis te vragen, door middel van het sacrament van Boetedoening, de normale weg van verzoening met God, een nieuw leven kan beginnen onder het moederlijk oog van Maria.

Eerbiedwaardige Matt Talbot, verkrijg voor ons de genade dat wij ons in vertrouwen keren tot de goddelijke barmhartigheid en tot het uiterste gaan in onze vurige liefde voor Jezus en Maria!

Dom Antoine Marie osb

Om het Blad van de Abdij Saint-Joseph de Clairval te publiceren in een tijdschrift, blad... of on het internetsite of een website te plaatsen, is een toelating vereist. Deze dient te worden aangevraagd per E-Mail or bij http://www.clairval.com.

Index der Briefe  - Home Page

Webmaster © 1996-2017 Traditions Monastiques