Blason  Abdij Saint-Joseph de Clairval

F-21150 Flavigny-sur-Ozerain

Frankrijk


[Cette lettre en français]
[This letter in English]
[Dieser Brief auf deutsch]
[Esta carta en español]
[Questa lettera in italiano]
13 december 2004
H.Lucia, Maagd en Martelares


Dierbare Vriend van de Abdij Saint-Joseph de Clairval,

Op 13 mei 1981 werd Paus Johannes Paulus II door de Turk Mehemet Ali Agca en diens vuurwapen zwaar gewond. Terwijl hij per ambulance naar het ziekenhuis wordt vervoerd roept de veel pijn lijdende Heilige Vader voortdurend Maria aan: «Maria, mijn Moeder! Maria, mijn Moeder!». Er komt geen woord van wanhoop of wrok over zijn lippen. Wanneer hij door een snelle chirurgische ingreep is gered, is de Paus vier dagen later, op een zondag, reeds bekwaam om zich tot de gelovigen te richten tijdens het Regina Cæli, gebed, waarbij hij degene die had gepoogd hem te doden «broeder» noemt: «Zeer beminde broeders en zusters, ik weet dat u dezer dagen en op het moment van het Regina Cæli met mij bent verenigd. Met ontroering dank ik u voor uw gebeden en zegen u allen. De twee personen die tegelijk met mij werden gewond zijn me bijzonder na aan het hart. Ik bid voor de broeder die me heeft getroffen en die ik oprecht heb vergeven».

Door deze daad van vergeving te stellen heeft de Heilige Vader het voorbeeld gevolgd van Christus die op het kruis zijn beulen vergaf. Ter gelegenheid van het Jubeljaar stelde Johannes Paulus II op 20 mei 2000 de christenen voor een voorbeeld te nemen aan de H.Rita die eveneens onder heldhaftige omstandigheden heeft weten te vergeven. De lering die we kunnen trekken uit het leven van de H. Rita kenmerkt zich door «het aanbieden van de vergeving en het aanvaarden van het lijden, zei de Paus. Laten we hopen dat het leven van alle gelovigen door de hartstochtelijke liefde voor Onze Heer Jezus Christus wordt ondersteund; dat het een bestaan is dat antwoord kan geven op het lijden en de doornen, door middel van de vergeving en de volledige gave van zichzelf, om overal de goede reuk van Christus te verspreiden».

Rita is geboren rond 1381 in Roccaporena, in Umbrië (midden Italië) en is gedoopt in de kerk van de H.Johannes de Doper van Cascia. Cascia (op 5 km van Roccaporena) is een vestingstad en maakt deel uit van de pauselijke domeinen en is ongeveer 200 km ten noorden van Rome gelegen. De plaatselijke gezagsdragers voeren er een politiek die wordt gekenmerkt door een verheven gevoel voor recht en goed bestuur. De maatregelen die worden genomen en de wetten die worden ingevoerd dienen de bevordering van de openbare hygiëne, de bescherming van de weduwen en wezen, het onderricht van de gemeenschap, de werken van godsvrucht. Buiten de talrijke wereldlijke geestelijkheid telt het stadje van tweeduizend inwoners elf kloosters en talloze liefdadige instellingen. De streek leidt een karig bestaan van de landbouw, het kleine handwerk en vooral van de handel want het is gelegen aan een belangrijke verbindingsweg tussen Milaan en Napels. Cascia is, zoals zovele Italiaanse steden in die tijd, een stad waar de menselijke en burgerlijke evenals de godsdienstige waarden in hoog aanzien staan en worden bevorderd. De ouders van Rita, fatsoenlijke burgerlieden, zijn «pacieri», wat letterlijk betekent «bewerkers van de vrede», dat wil zeggen bemiddelaars. Het was de taak van de «pacieri» strijdende partijen met elkaar te verzoenen omwille van de liefde voor God. In alle gevallen kwam de vredestichting tot stand in het bijzijn van getuigen en werd ze beklonken met een notariële akte. Die vredestichting was bedoeld om een proces te voorkomen en de helse kringloop van de wraak te doorbreken. Het kon ook zo lopen dat men werd verplicht de aangerichte schade te vergoeden. Aan de vredestichting waren beide partijen en hun erfgenamen voor altijd gebonden.

«Het wonder van de bijen»

«Rita» is het verkleinwoord van Margherita (Margriet). Kort na haar geboorte is het kind op een dag omgeven door bijen waarvan er een paar haar mond binnendringen en er zonder haar te steken weer uit komen. Deze episode die «het wonder van de bijen» wordt genoemd en door talloze getuigenissen wordt bevestigd, schept tussen Rita en de bijen een band die lijkt verordend door de Voorzienigheid en die niet is gespeend van spirituele betekenis. De H.Ambrosius stelt de bij voor als een voorbeeld ter naleving: «Maak dat uw werk lijkt op dat in een bijenkorf, want uw zuiverheid en kuisheid moeten worden vergeleken met nijvere, bescheiden en ingetogen bijen. De bij voedt zich met dauw, kent de zonden van de zinnelijkheid niet en brengt kostbare honing voort. De dauw van een maagd is het woord van God zelf dat, zoals de dauw van de bijen, goedgunstig en zuiver uit de hemel neerdaalt». Rita ontvangt van haar ouders een zorgzame opvoeding en een gedegen godsdienstige vorming die wordt gekenmerkt door de devotie voor de Heilige Eucharistie. In Cascia draagt de processie van de H.Sacramentsdag een bijzonder uitbundig karakter: men vereert er de relikwie van een authentiek eucharistisch wonder waarvan melding wordt gemaakt in een notariële akte die wordt bewaard in de gemeentearchieven. Het wonder vond plaats in Sienna: een priester die een zieke de communie moet brengen stopt de gewijde Hostie een beetje slordig in zijn brevier. Aan het ziekbed opent hij het boek en treft er de hostie in geheel vloeibare, bijna bloedige toestand aan. Een van de bladzijdes en de wonderdadige hostie worden toevertrouwd aan het klooster van de H.Augustinus in Cascia waar speciaal een reliekhouder wordt vervaardigd om ze erin te bewaren. Ieder jaar op de H.Sacramentsdag wordt de reliekhouder in processie rondgedragen.

Op een dag woont Rita in de kerk van het klooster H.Maria-Magdalena van de Augustinessen van Cascia de H.Mis bij en hoort diep in haarzelf Christus tegen haar zeggen: Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven (Joh 14,6). Deze innerlijk gehoorde woorden schijnen het beginsignaal te zijn van haar religieuze roeping. Rita denkt diep na over een manier om van haar ouders de toestemming te krijgen zich aan God toe te wijden, maar slaagt er niet in. In tegendeel, wanneer ze twaalf is wordt ze toegezegd aan Paolo di Fernando als zijn aanstaande bruid. Zij weet met haar vriendelijke manieren de ruwe zeden van hem te verzachten. Na hun huwelijk leven ze in goede verstandhouding en er worden twee zonen geboren. Ook getrouwd en moeder van een gezin geworden, zet Rita haar intens geestelijk leven voort. Maar ongeveer vijftien jaar later doet zich een drama voor: de echtgenoot van Rita wordt vermoord zonder dat men met zekerheid kan zeggen wat het motief van deze moord was.

De «vendetta»

Van die dag af vraagt Rita in haar gebed dat ze de kracht zal opbrengen de moordenaar te vergeven en smeekt Onze-Lieve-Heer onophoudelijk om hem ook te vergeven. Maar ze vreest dat haar zonen op een dag zullen proberen hun vader te wreken (de «vendetta» maakte deel uit van de zeden en gewoonten van de landen om de Middellandse Zee). Om ze niet in de verleiding te brengen verstopt ze het bebloede overhemd van haar man en spoort ook hen aan te vergeven, waarbij ze Onze-Lieve-Heer bezweert dat Hij eerder haar kinderen van haar mag afnemen dan toe te staan dat ze zich overgeven aan hun verlangen naar wraak. Een paar maanden later overlijden beide zonen van Rita door ziekte zonder zich te hebben gewreekt. Rita's vergeving komt ook tot uiting in haar weigering aan haar schoonfamilie de naam bekend te maken van de moordenaar van haar man. Dat komt haar duur te staan door de grote verontwaardiging van de familie.

«Vergeving! Christus heeft ons vergeving geleerd, zei de Paus kort na de aanslag van 13 mei 1981. Talloze malen en op verscheidene manieren heeft Hij ons vergeving geleerd. Wanneer Petrus Hem vraagt hoe vaak hij zijn naaste zou moeten vergeven, tot zeven maal toe, antwoordt Jezus hem dat hij tot zeventig maal zeven maal toe zou moeten vergeven (Mt 18,21-22). In de praktijk wil dat zeggen «altijd». Het getal zeventig vermenigvuldigd met zeven is inderdaad symbolisch en betekent minder een bepaalde hoeveelheid als wel een ontelbare, oneindige hoeveelheid. Als antwoord op de vraag op welke manier wij moeten bidden, heeft Christus enkele prachtige woorden gesproken, gericht tot de Vader: Onze Vader die in de hemel zijt en, na de vragen waaruit dit gebed bestaat, komt de laatste die spreekt over vergeving: Vergeef ons onze schuld zoals ook wij aan anderen (aan hen die bij ons in het krijt staan) hun schuld vergeven. Tenslotte bevestigt Christus zelf de waarheid van deze woorden op het kruis wanneer Hij zich tot zijn Vader richt en Hem smeekt: Vader, vergeef hun, want ze weten niet wat ze doen (Lc 23,34). «Vergeving» is een woord dat over de lippen kwam van een man die kwaad was gedaan. Het is zelfs een woord dat uit het hart van de mens komt. Met dit woord uit het hart probeert ieder van ons de barrière van de vijandschap te doorbreken die hem kan scheiden van de naaste en probeert daarmee ook de innerlijke ruimte van verstandhouding, contact en verbondenheid weer op te bouwen. Door het evangelie en vooral door zijn voorbeeld heeft Christus ons geleerd dat deze ruimte niet alleen open gaat voor de andere mens maar ook voor God zelf. De Vader die de God van vergeving en barmhartigheid is wenst nu juist te handelen in deze ruimte van menselijke vergeving. Hij wenst hen te vergeven die in staat zijn anderen te vergeven, die proberen de volgende woorden in praktijk te brengen: Vergeef ons... zoals wij vergeven» (21 oktober 1981).

Moeilijk maar mogelijk

Het kan moeilijk zijn om te vergeven. «Het is onmogelijk om het gebod van de Heer na te komen, als het hier een uiterlijke nabootsing van het goddelijke voorbeeld betreft. Het gaat om een levendige deelname die komt «uit de grond van het hart», aan de heiligheid, aan de barmhartigheid en aan de liefde van onze God. Alleen de Geest, 'door wie wij leven' kan dezelfde gevoelens die in Christus Jezus waren, tot «onze eigen» gevoelens maken. Dan wordt ook de eenheid in de vergeving mogelijk, waarbij wij elkaar vergeven zoals God ons vergeven heeft in Christus (Ef 4,32)... Met dat «uit de grond van het hart» staat of valt alles. Het ligt niet in onze macht gevoelens uit te schakelen en te vergeten wat ons is aangedaan, maar het hart dat zich aanbiedt aan de heilige Geest, verandert de verwonding in medelijden en zuivert de herinnering door de belediging om te vormen tot voorspraak» (KKK, 2842-2843).

Als ze weduwe is geworden, verlaat Rita de echtelijke woning in Roccaporena en vestigt zich in een kleiner huis waar ze zich geheel wijdt aan gebed en werken van naastenliefde. Van tijd tot tijd gaat ze naar de top van de Schioppo, een ongeveer 120 meter hoge rotsachtige bergtop, die oprijst wanneer men Roccoporena verlaat. Het is een moeilijk toegankelijke plek vanwaar men een schitterend uitzicht heeft over de omgeving en de eenzaamheid die men er vindt is bevorderlijk voor het gebed. Het oude verlangen dat Rita had om zich aan God toe te wijden duikt weer op en zij vraagt om tot het klooster H. Maria-Magdalena van de Augustinessen van Cascia te worden toegelaten. Ondanks haar aandringen wordt ze geweigerd. Diep bedroefd bidt ze twee keer zo intens en op een nacht hoort ze de heilige Johannes de Doper die haar uitnodigt naar de top van de Schioppo te komen. Daar wordt ze getroost met het visioen van de Voorloper in gezelschap van de heilige Augustinus en de heilige Nicolaas van Tolentino (die nog niet heilig was verklaard). De drie heiligen voeren haar op geheimzinnige wijze naar het klooster waar haar verzoek tenslotte wordt ingewilligd. De communauteit telt tien zusters die onder de leiding staan van een abdis. In het noviciaat leest Rita gretig in de Heilige Schrift, wijdt zich aan het zingen van de psalmen van de eredienst en bidt de rozenkrans. Voor ze de geloften aflegt schenkt ze al haar bezittingen aan het klooster.

Het Lijden van Cristus

Rita's leven in het klooster gaat met de nodige beproevingen gepaard. Op zijn minst één keer komt ze in de verleiding in de wereld terug te keren; anderzijds wordt ze belaagd door talloze verleidingen, met name tegen de deugd van de kuisheid. Die verleidingen bestrijdt ze met gebed en penitentie. Maar de duivel blijft haar op verscheidene manieren kwellen. Om hem te overwinnen richt Rita haar blik op het Lijden van Christus. In een heel oud relaas van haar leven krijgen we te zien hoe serieus ze daarmee bezig is, al voor haar intreden in het klooster: «Om haar verbeeldingskracht te helpen altijd bezig te zijn met de hemelse geheimen zonder zich onnodig te laten afleiden door minder-waardige voorwerpen, stelde ze zich de verscheidene delen van haar arme woning voor als de verschillende plekken waar het gruwelijk Lijden van de Verlosser zich heeft afgespeeld. Zo herkende ze in een hoek de Calvarieberg, in een andere het Heilig Graf, weer ergens anders de Geselpaal en zo ook voor alle andere geheimen. Deze manier hielp haar zozeer dat ze die later opnieuw invoert in het klooster in de beperkte ruimte van haar kleine cel».

Het geestelijk leven van Rita staat onder inspiratie van de Franciscanen voor wie de devotie tot het Lijden van Christus een centrale plaats inneemt. De H. Bonaventura schrijft aan een zuster: «Hij die de vroomheid in zichzelf niet wil zien doven moet vaak, altijd zelfs, met de ogen van het hart de stervende Christus aan het Kruis aanschouwen... Als u iets droevigs, iets pijnlijks, iets vervelends, iets bitters overkomt of als u tegenzin ervaart om iets goeds te doen, neem onverwijld uw toevlucht tot de gekruisigde Jezus, hangend aan het Kruis; zie de doornenkroon, de ijzeren nagels, het spoor van de lans in zijn zijde; aanschouw de wonden aan zijn voeten, de wonden in zijn zijde, de wonden over het hele lichaam en weet weer hoezeer Hij u heeft liefgehad, Hij die voor u zo heeft geleden en voor u dergelijke kwellingen heeft doorstaan!» (De Perfectione vitæ).

In de Vastenperiode van 1425 preekt de H.Jacques de la Marche, een Franciscaan, iedere dag in Cascia. Rita is het meest van iedereen onder de indruk van zijn preek op Goede Vrijdag en geeft zich geheel over aan het verlangen op de een of andere wijze te delen in de kwellingen die de Verlosser heeft ondergaan. Wanneer ze zich heeft teruggetrokken in haar cel werpt ze zich aan de voet van het Kruisbeeld en smeekt Onze-Lieve-Heer haar te vergunnen dat ze minstens de smart van een punt van de doornenkroon mag ondervinden. Jaren later, in 1432, ontvangt ze de genade van een heel bijzonder stigma: ze wordt op wonderbare wijze aan het voorhoofd verwond door een doorn uit de kroon van Christus en wel zo dat de wond tot haar dood niet meer dichtgaat. De documenten die dit feit bevestigen laten er geen twijfel over bestaan. Bijna twee eeuwen na de dood van Rita verklaart de schrijver van de Breve racconto dat de wond aan haar voorhoofd nog zichtbaar is op haar lichaam dat niet door bederf is aangetast. Bij de lijkschouwingen van de Heilige in 1972 en 1997 en ook van recenter datum, hebben de deskundigen het bestaan van een overduidelijke verandering in het voorhoofdsgebeente geconstateerd. Ter gelegenheid van de herdenking dat zeshonderd jaar geleden de H.Rita werd geboren schreef Paus Johannes Paulus II: «We kunnen een veelbetekenend punt van overeenkomst ontdekken tussen de twee kinderen van Umbrië, Rita en Franciscus van Assisi. Waarlijk, wat de stigmata voor Franciscus waren, was voor Rita de doorn: een teken van rechtstreekse deelname aan het verlossende Lijden van de Heer Jezus Christus... Deze verbintenis met het Lijden kwam bij beiden voort uit de liefde die de intrinsieke kracht bezit eenwording te bewerkstelligen» (10 februari 1982).

De stigmatisatie van Rita houdt in dat ze ook de beproeving van de eenzaamheid moet ondergaan doordat de wond aan haar voorhoofd zo walgelijk stinkt dat ze verplicht is zich vaak terug te trekken uit de communauteit omdat de zusters er anders onpasselijk van worden. Wanneer deze laatsten, waarschijnlijk in 1446, zich naar Rome moeten begeven voor de heiligverklaring van Nicolaas van Tolentino, sporen ze Rita uit grote naastenliefde aan in Cascia te willen blijven vanwege het stigma dat wel eens ophef zou kunnen veroorzaken in de Eeuwige Stad. Rita verzinkt in gebed en verkrijgt dat het stigma verdwijnt, maar bij terugkeer uit Rome verschijnt de wond opnieuw, volgens het getuigenis van alle schrijvers uit die tijd.

Een roos op de sneeuw

Tijdens de laatste maanden van haar leven ontvangt de door ziekte gekwelde Rita bezoek van een familielid. Bij het afscheid vraagt het familielid haar of ze iets wenst uit haar huis. Rita antwoordt dat ze graag een roos en twee vijgen uit haar tuin had gehad. Het familielid glimlacht, want het is hartje winter en denkt dat de zieke ijlt. Wanneer ze thuis komt ontwaart ze tot haar grote verbazing aan een bladerloze besneeuwde rozenstruik een prachtige roos, evenals twee vijgen aan de vijgenboom. Ze plukt de roos en de twee vijgen en brengt die naar de zieke. Dit wonder levert Rita de naam «Heilige van de rozen» op. Rita is waarschijnlijk overleden in 1447, op 22 mei. De Breve racconto zegt dat Rita, toen haar dood naderde, het genoegen mocht smaken van een verschijning van Jezus en Maria. Vervuld van blijdschap vraagt ze dan om de sacramenten der stervenden en geeft in alle rust de geest. De klokken van de kerk beginnen terstond vanzelf te luiden. Het lichaam van Rita is niet tot ontbinding overgegaan: dit feit is meermaals en met tussenpozen van meerdere eeuwen bevestigd. Een lichaam dat op wonderbare wijze bewaard is gebleven na de dood wordt door de christenen beschouwd als een teken van heiligheid van de betreffende persoon en een waarborg voor de toekomstige verrijzenis. Op 20 mei 2000 zei de Paus toen hij voor de reliekschrijn stond die het lichaam van de H.Rita bevat: «De stoffelijke resten van de H.Rita zijn een betekenisvol getuigenis van het werk dat God in de geschiedenis voltrekt, wanneer Hij harten aantreft die nederig zijn en ontvankelijk voor zijn liefde... Diep verankerd in de liefde voor Christus, vond Rita in haar onwankelbaar geloof de kracht om onder alle omstandigheden een vrouw van de vrede te zijn. Met haar voorbeeld van volledige overgave aan God, transparant van eenvoud en haar onwrikbaar vasthouden aan het Evangelie, is het voor ons ook mogelijk de juiste aanwijzingen te vinden om authentieke christenen te zijn aan deze vooravond van het derde millennium... Door de spiritualiteit van de H. Augustinus te beoefenen, werd ze een leerling van de Gekruisigde en als «lijdensexpert» leerde ze de pijnen van het menselijk hart begrijpen. Rita werd op die manier de voorspreekster van de armen en bezitlozen en verkreeg voor hen die haar aanriepen in de uiteenlopendste situaties talloze genaden van vertroosting en bemoediging».

«Als ik niet kreupel was...»

De devotie voor de heilige Rita begint zodra ze dood is. Het eerste wonder van haar waarvan we kennis hebben vindt voor haar ter-aarde-bestelling plaats. Een timmerman die haar stoffelijk overschot was komen aanbidden, riep uit: «Als ik niet kreupel was, zou ik wel een doodkist voor haar maken!» Terstond is hij genezen en kan de eerste doodkist voor de Heilige vervaardigen. Even later wordt een familielid van Rita dat haar een laatste keer kwam omhelzen, genezen van een verlamde arm. Na iedere toegekende genade hangen de zusters bij haar graf kleine ex-voto's op. Begin XVIe eeuw is Rita in heel Italië bekend en vervolgens ook in de andere landen van Europa. Ze is na langdurige onderzoeken zalig verklaard in 1628, maar pas op 24 mei 1900 heilig verklaard. In 1710 wordt de heilige Rita door een Spaanse geestelijke uit de orde van de Augustijnen voor het eerst «voorspreekster in onmogelijke zaken» genoemd. Ze wordt ook wel «patrones van wanhopige zaken» genoemd. De uiteenlopendste problemen worden aan haar toevertrouwd: genezingen, werk, zaken succes op examens... Nu nog is haar voorspraak heel sterk, zoals de 595 ex-voto's aantonen die in de XXe eeuw bij het heiligdom zijn gedeponeerd.

Maar de voornaamste intentie die ons bezighoudt en waarvoor wij haar aanroepen is die van onze heiliging. «Dit is de wil van God: dat u zich heiligt (1 Tes 4,3)... Alle christengelovigen, tot welke stand of staat zij ook behoren, zijn geroepen tot de volheid van het christelijk leven en de volmaaktheid van de liefde... Indien het doopsel ons waarlijk binnenvoert in de heiligheid van God, door de opname in Christus en de inwoning van zijn Geest, het een misvatting zou wezen tevreden te zijn met een middelmatig leven vanuit een minimalistische ethiek en een oppervlakkige godsdienstigheid. Als men aan een doopleerling de vraag stelt: «Wil je gedoopt worden?» betekent dit hem het radicale karakter van de Bergrede voorhouden. Jullie zullen dus onverdeeld goed zijn, zoals jullie hemelse Vader onverdeeld goed is (Mt 5,48)... Men mag dit volmaaktheidsideaal niet verkeerd opvatten, alsof het een uitzonderlijke manier van leven zou veronderstellen die slechts voor enkele «genieën» in de heiligheid haalbaar zou zijn. De wegen naar de heiligheid zijn veelvuldig en op de maat van ieders roeping.» (Johannes Paulus II, Novo millennio ineunte, nr 30-31, 6 januari 2001).

Sommige woorden uit het Evangelie zijn echter zeer veeleisend en schijnen onze krachten te boven te gaan: Maar Ik zeg jullie: heb je vijanden lief en bid voor wie je vervolgen, dan zullen jullie kinderen worden van je Vader in de hemel (Mt 5,43). «Velen, aldus het commentaar van de H. Hieronymus, die Gods voorschriften meten aan hun eigen zwakheid vinden het onmogelijk wat hier wordt voorgeschreven en zeggen dat het voor een deugdzaam leven voldoende is zijn vijanden niet te haten, maar ze lief te hebben is meer verordenen dan de menselijke natuur kan opbrengen. Het is dus van belang te weten dat Christus niet het onmogelijke verordent, maar de volmaaktheid. David heeft het verwezenlijkt ten aanzien van Saul en Absalom. De martelaar Stefanus heeft eveneens voor zijn vijanden die hem stenigden gebeden en Paulus wenste een anathema te zijn voor het welzijn van zijn vervolgers. Dat is hetgeen Jezus heeft onderwezen en in praktijk gebracht...» Jezus heeft de liefde voor de vijanden in praktijk gebracht om ons de kracht te geven hetzelfde te doen.

Laten we de H.Rita vragen haar invloed bij God aan te wenden om voor ons te verkrijgen dat we barmhartig worden zoals onze Vader in de hemel barmhartig is.

Dom Antoine Marie osb

Om het Blad van de Abdij Saint-Joseph de Clairval te publiceren in een tijdschrift, blad... of on het internetsite of een website te plaatsen, is een toelating vereist. Deze dient te worden aangevraagd per E-Mail or bij http://www.clairval.com.

Index der Briefe  - Home Page

Webmaster © 1996-2017 Traditions Monastiques