Blason  Abdij Saint-Joseph de Clairval

F-21150 Flavigny-sur-Ozerain

Frankrijk


[Cette lettre en français]
[This letter in English]
[Dieser Brief auf deutsch]
[Esta carta en español]
[Questa lettera in italiano]
10 november 2004
H.Leo, paus en kerkleraar


Dierbare Vriend van de Abdij Saint-Joseph de Clairval,

«Net als een gebed voor de vrede, is de rozenkrans ook, en altijd geweest, een gebed van en voor het gezin. Ooit was dit gebed bijzonder dierbaar voor christelijke gezinnen en het bracht hen zeker dichter bij elkaar. Het is belangrijk deze kostbare erfenis niet te verliezen... Ik kijk naar jullie allemaal, broeders en zusters, in welke levenssstaat dan ook... pak vol vertrouwen de rozenkrans weer op... Moge mijn oproep niet voor niets zijn!» Aldus drukte de Heilige Vader zich uit in zijn apostolische brief Rosarium Virginis Mariæ van 16 oktober 2002 en stelde daarmee een jaar van de rozenkrans in (n. 41-43). Kan het voorbeeld van een heilige die aan de oproep van Onze-Lieve-Vrouw gevolg heeft weten te geven, ons aanmoedigen met Maria te leven omdat de devotie tot Maria ware dienaren van Jezus Christus vormt? Deze devotie kunnen we concreet maken door het bidden van de rozenkrans.

Op 20 december 1801 doorzoeken arbeiders het oude klooster van de H.Clara, in Carignano, in Piemonte (Italië), niet ver van Genua, graven onder de bestrating in de hoop er waardevolle voorwerpen of op zijn minst lood in aan te treffen. In een doodkist ontdekken ze het in volledig ongeschonden staat verkerende lichaam van een vrouw. Het opschrift onthult dat het gaat om Virginia Centurione, echtgenote van Gaspard Bracelli, overleden op 65-jarige leeftijd op 15 december 1651, dat wil zeggen honderdvijftig jaar eerder. Het burgerlijk gezag, dat nogal antiklerikaal is (de Piemonte staat dan onder de heerschappij van Napoleon) doet zijn best de geestdrift die deze wonderbaarlijke ontdekking onder de Geneefse bevolking teweeg brengt te temperen. Notaris Piaggio heeft tot taak wetenschappelijk aan te tonen dat het behoud van dit lichaam het gevolg is van balseming. Maar wanneer hij constateert hoe soepel en buigzaam het lijk is geeft meester Piaggio het onderzoek op en stelt de zusters van Bessagno ervan in kenis dat de stoffelijke resten van de stichteres van hun orde zijn geïdentificeerd. Deze blijk van oprechtheid wordt door de regering beschouwd als verraad en hij wordt geschorst van de lijst van notarissen. Nu hij zijn vak niet meer mag uitoefenen aanvaardt hij een leven in de grootste armoede en zet zich in voor het verzamelen van herinneringen betreffende de dode met het oog op haar zaligverklaring.

Virginia Centurione, geboren op 8 april 1587, behoort zowel van moeders als van vaders kant tot de welgestelde Geneefse adel. De vader speelde een verantwoordelijke rol in de slag van Lepante (1571), vervolgens in de landdag van Regensburg (1582); nadat hij in 1599 de taak van ambassadeur in Madrid had vervuld, wordt hij doge in 1621 en 1622. Virginia is een vrouw van een uitzonderlijke vroomheid, intelligentie en schoonheid en wenst zich aan God toe te wijden in het religieuze leven, maar op vijftienjarige leeftijd wordt ze gedwongen een edelman, de negentienjarige Gaspard Bracelli te trouwen. Ondanks de geboorte van twee dochters, Lelia en Isabella, is het echtbaar nauwelijks gelukkig. De man denkt slechts aan spel en plezier en wordt zelfs het slachtoffer van zijn bandeloos bestaan. De artsen sturen hem naar Alexandria (Italië) waar het klimaat beter is. De vader van Virginia raadt zijn dochter aan van haar man te scheiden, maar zij weigert dit en voegt zich bij hem. De toewijding van zijn echtgenote raakt het hart van Gaspard, die tot inkeer komt, christelijk sterft op vierentwintigjarige leeftijd en een weduwe van twintig achterlaat. Ondanks de aandrang van haar familie weigert Virginia halsstarrig te hertrouwen. Zij zorgt voor de opvoeding van haar beide dochters. Isabella zal eenentwintig kinderen krijgen waarvan er tien voor een godgewijd leven zullen kiezen; zij zelf zal haar dagen eindigen als religieuze. Wat Lelia betreft, die zal tamelijk jong sterven en haar twee dochters treden vervolgens ook in.

Zich vermaken of de zielen redden?

Op een keer wordt Virginia 's nachts door Onze-Lieve-Vrouw der Zeven Smarten gewaarschuwd dat haar Zoon verlangt dat zij de armen hulp gaat bieden. Vandaar dat ze onverschrokken en ondanks de verwijten van haar familie zich op de boten begeeft om de galijboeven morele steun te verlenen. Het is een fraai schandaal in de ogen van de hele stad en van haar adellijke familie om een dame van haar stand zich zien te verlagen tot omgang met het «uitvaagsel van het volk». «Waarom de schepen opgaan om er ons te vermaken en niet om de zielen te redden?» is haar weerwoord. Deze tussenkomst van de Allerheiligste Maagd Maria ten gunste van de armen laat ons zien dat haar missie als «dienares» van de Heer niet af is. «Want, ten hemel opgenomen, heeft H.Maria deze heilbrengende taak niet neergelegd, maar door haar menigvuldig voorspraak gaat zij voort met ons de gaven van het eeuwig heil te bezorgen.... Met moederlijke liefde draagt zij zorg voor de broeders van haar Zoon, die nog op pelgrimstocht zijn en in gevaren en angsten verkeren, totdat zij het gezegend vaderland bereiken» (Vaticaans Concilie II, Lumen gentium, 62). De Kerk drukt haar geloof uit in deze waarheid waarbij zij Maria aanroept onder de titels van Voorspreekster, Helpster, Toeverlaat en Middelares.

«Jij zult bij mij blijven»

Op een winternacht in 1630 hoort Virginia, terwijl ze thuis in gebed is, een kreet op straat. Ze stuurt dadelijk een van haar dienstbodes naar buiten om te zien wat er aan de hand is. Het is het klaaglijke roepen van een meisje dat half dood is van de kou en van de honger. Virginia laat het kind dan binnenkomen en terwijl het zich opwarmt zegt ze tegen het meisje: «Jij zult bij mij blijven, jij wordt mijn dochter». Op die manier wordt haar ware opdracht in het leven duidelijk: verlaten of in ellende levende meisjes opnemen. Ze gaat terstond op zoek en een paar dagen later heeft ze er vijftien opgenomen. Weldra heeft ze er veertig. Om ze te kunnen onderbrengen huurt ze van de hertogin van Tursi het Monte Calvario klooster en de kinderen gaan op 13 april 1631 in processie naar hun nieuwe huis dat de naam krijgt van «Onze-Lieve-Vrouw van de Toevlucht op de Monte Calvario».

Virginia's ouderlijk erfdeel is echter niet onuitputtelijk: de adellijke dame aarzelt echter niet uit bedelen te gaan, op straat, in de winkels en paleizen om haar beschermelingen te eten te kunnen geven. In 1633, wanneer het aantal beschermelingen is opgelopen tot meer dan tweehonderd, huurt ze van haar schoonzoon, de echtgenoot van Leila, een ander paleis dat vroeger eigendom was van haar eigen man en dat is gelegen op de oever van de bergstroom Bisagno: vandaar de naam «Dochters van Bisagno» die men aan de meisjes geeft die er komen te wonen. Een derde huis dat vervolgens wordt geopend in Carignano wordt in zekere zin het moederhuis. De eigenares bezit er haar kamertje dat is gemeubileerd met een oude kast, een bidstoel, twee krukjes, een bureau en, bij wijze van bed, twee schragen waarop een paar planken rusten.

Het aantal opgenomen kinderen bereikt weldra de vijfhonderd en Virginia kan een dergelijke gemeenschap niet meer in haar eentje beheren; de Senaat van de Republiek Genua benoemt drie bijzonder liefdadige beschermers, eerst drie, vervolgens een vierde, Emmanuele Birgnole. In die tijd begint Virginia in navolging van de heilige Catherina van Genua (1477-1510) de oudste meisjes naar het gasthuis Pammatone te sturen om er voor de zieken te zorgen. Een tijd later, tijdens een epidemie, in 1656-1657, zullen er drieënvijftig onder hen sterven als slachtoffers van hun toewijding.

Medio 1644 stelt Virginia voor hen een constitutie op: ze moeten zo volmaakt mogelijk het Evangelie in acht nemen en werken aan de bekering van de vissers door middel van gebed, versterving en dienstvaardigheid jegens de zieken. Als geestdriftige bewonderaar van de stichteres organiseert Emmanuele Brignole ter plekke het leven van werken, studeren, godsdienstige opvoeding en de zorg voor het huishouden. Hij doet dit met zoveel ijver dat de «Zusters van Onze-Lieve-Vrouw van de Toevlucht op de Monte Calvario» door het volk de «Brignolines» worden genoemd.

Wanneer ze zich heeft teruggetrokken in het huis van Carignano, verlaat Virginia Centurione deze aarde voor de Hemel op 15 december 1651 en wordt de volgende dag begraven in de kerk van het klooster Santa Clara. Wat haar Dochters betreft, die zetten hun liefdadig apostolaat voort in verschillende gasthuizen van Genua of in opvangstehuizen voor de armen. In het begin van het derde millennium zijn ze met bijna tweehonderd religieuzes, verdeeld over meer dan 30 huizen in Italië, India, Centraal- Afrika en Latijns-Amerika.

Het licht van een boodschap

Op zondag 22 september 1985 heeft Zijne Heiligheid Paus Johannes Paulus II Virginia Centurione Bracelli te Genua zalig verklaard; in zijn preek zei hij: «Als iemand de eerste wil zijn, moet hij de laatste van allen en de dienaar van allen zijn (Mc 9,35)... De dienaar van allen zijn, dat is de opdracht die de Zoon van God op zich heeft genomen door de lijdende «Dienaar» van de Vader voor de Verlossing van de wereld te worden. Jezus illustreert met een bewonderenswaardig gebaar de betekenis die Hij wil geven aan het woord «dienaar»: de leerlingen die zo graag willen weten wie van hen de grootste is leert Hij dat het integendeel noodzakelijk is zichzelf op de laatste plaats te stellen, ten dienste van de geringsten: Hij nam een kind en zette het in hun midden; hij omarmde het en sprak tot hen: Wie een kind als dit opneemt in mijn Naam, neemt mij op (Mc 9, 36-37)... Het leven van Virginia Centurione schijnt geheel en al te verlopen in het licht van deze boodschap: afstand doen van eigen goed teneinde de nederigen, de bedelaars te dienen en op te vangen, zich te wijden aan de laatsten, hen die door de mensen het meest worden verwaarloosd... Een diepgewortelde liefde voor Christus en een oprechte liefde voor de armen en behoeftigen: dat is de boodschap die Virginia bij deze gelegenheid herhaalt tegenover de stad Genua, zoals zij nu is... Genua is een stad die is toegewijd aan Maria, een echte stad van de Moeder Maagd, want Virginia Centurione wilde dat Maria tot Koningin van deze stad zou worden verklaard en uitgeroepen...».

Laten wij ons, naar het voorbeeld van de gelukzalige Virginia Centurione, tot de Allerheiligste Maagd Maria wenden. Paus Johannes Paulus II nodigt ons uit ons tot Maria te richten door het bidden van de Rozenkrans. Reeds in het begin van zijn pontificaat zei hij: «De Kerk stelt ons een heel eenvoudig gebed voor, de Rozenkrans, het rozenhoedje, dat we in alle rust kunnen verdelen over de regelmaat der dagen. Door de Rozenkrans langzaam in het gezin, in de gemeenschap of individueel te bidden en te overdenken kunt u zich beetje bij beetje leren verplaatsen in de gevoelens van Christus en Maria, wanneer we alle gebeurtenissen memoreren die de sleutel vormen van ons heil. Met Maria zult u uw ziel openstellen voor de Heilige Geest opdat Hij de inspirator moge zijn van alle grote taken die u wachten» (6 mei 1980).

Evenals kinderen nadoen wat hun ouders doen, ze hun taal leren door ze te horen spreken, zo ook worden zij die de Rozenkrans bidden en met ernst en devotie de deugden van Jezus Christus in de geheimen van zijn leven in beschouwing nemen, inderdaad gelijk aan de goddelijke Meester, met de hulp van zijn genade en op voorspraak van de Heilige Maagd. «Uit het bidden van de heilige Rozenkrans, wanneer dat zo wordt gedaan dat het zijn volledige effect bereikt, vloeien niet alleen voor de mensen afzonderlijk, maar voor de hele christelijke gemeenschap voordelen voort van onschatbare waarde», verklaarde paus Leo XIII (Encycliek Laetitiæ sanctæ, 8 september 1893). Dezelfde Kerkvorst zette de weldaden uiteen die voortvloeien uit de overdenking van de vreugdevolle geheimen: «De grote voorbeelden van bescheidenheid en nederigheid, van geduld in het werk, van welwillendheid jegens de naaste, van het tot in de perfectie volbrengen van de geringste plichten in het privé- leven en van alle deugden (van de Heilige Familie van Nazareth) zouden niet overdacht kunnen worden noch aldus beetje bij beetje in het geheugen kunnen worden vastgelegd, zonder dat dit ongemerkt een heilzame verandering in de gedachten en de levensgewoontes tot gevolg heeft».

In het leven van alle dag

Paus Johannes Paulus II die ons voorstelt de geheimen van het licht in beschouwing te nemen schreef: «Als we overgaan van de kindertijd en de periode in Nazareth naar het openbare leven van Jezus brengt de contemplatie ons naar de geheimen die op een bijzondere manier «geheimen van het licht» kunnen worden genoemd. Het gehele Christusgeheim is in werkelijkheid een geheim van licht. Hij is het «licht van de wereld» (Joh 8,12). Deze waarheid wordt op bijzondere wijze tot uitdrukking gebracht tijdens Zijn openbaar leven als Hij het Evangelie van het Koninkrijk Gods verkondigt... Hoe zou mogelijkerwijs iemand in de voetstappen van de Verrezen Christus, in de geheimen van het licht kunnen treden zonder getuigenis af te leggen van Zijn «Zaligheden» in het dagelijks leven?» (Rosarium Virginis Mariæ, 21; 40).

Over de smartelijke geheimen zei Paus Leo XIII: «Hoe zou wie dan ook die herhaaldelijk, niet alleen met de ogen van het lichaam, maar in gedachten en al mediterend dergelijke grote voorbeelden van kracht en deugd (als die van Jezus en Maria tijdens Christus' Lijden) in ogenschouw neemt, niet van verlangen branden om hen na te volgen?... Maar wanneer we spreken over geduld, bedoelen we geenszins de ijdele vertoning van een door de smart verharde ziel...maar juist het geduld dat een voorbeeld neemt aan Hem die in plaats van de vreugde die Hem toekwam een kruis op zich heeft genomen en de schande niet geteld heeft (Heb 12,2)».

Wat de glorierijke geheimen betreft voegde hij eraan toe: « In de glorierijke geheimen leren we dat de dood geen ondergang is die niets achter zich laat, maar de overgang van een leven naar een ander en dat de weg naar de hemel voor ieder open is. Wanneer we er de Christus Jezus naar zien opstijgen herinneren wij ons zijn belofte er ons een plaats te bereiden (Joh 14,2 ). De heilige Rozenkrans herinnert er ons aan dat er een tijd zal komen waarin God iedere traan in onze ogen zal drogen, waarin er geen rouw meer zal zijn, noch gekerm, noch enige smart, waarin wij voor altijd bij Onze-Lieve-Heer zullen zijn, naar Gods gelijkenis omdat wij Hem zullen zien zoals Hij is; wij zullen bedwelmd worden door de stroom van zijn zaligheden, medeburgers van de heiligen, en dus van de Heilige Maagd, onze Moeder... Hoe zou een ziel die wordt gevoed met dergelijke gedachten zich niet getroost weten wanneer zij bedenkt dat de lichte kwelling van het ogenblik ons een alles overtreffende volheid van eeuwige glorie bezorgt (cf.2 Kor 4,17). Voorwaar, hier alleen in schuilt het geheim van de eenheid, zoals die hoort te bestaan, tussen tijd en eeuwigheid, de aardse en de hemelse stad, en van de vorming van edele karakters».

Aldus ontwikkelt de Rozenkrans door middel van de beschouwing van de geheimen het geloof in ons. Paus Leo XIII schreef: «De Rozenkrans biedt een praktisch middel de geesten te voeden met en te doordringen van de voornaamste dogma's van het christelijk geloof... De christen is dermate gepreoccupeerd met de diverse zorgen van alledag en zo snel afgeleid door futiliteiten dat hij, indien hij niet vaak wordt gewaarschuwd, beetje bij beetje de belangrijkste en noodzakelijkste dingen vergeet en het voorkomt dat zijn geloof verslapt en zelfs uitdooft... De Rozenkrans voert tot het beschouwen en vervolgens vereren van de voornaamste geheimen van onze godsdienst... Daarom kunnen we zonder overdrijving beweren dat onder personen, in gezinnen en onder volkeren waar het rozenkransgebed in praktijk is gebleven en in ere is gehouden zoals vroeger, niet gevreesd hoeft te worden dat onwetendheid en giftige dwalingen het geloof vernietigen» (Encycliek Magnæ Dei Matris, 7 september 1892)

Volkeren nieuw leven inblazen

Om het rozenkransgebed spiritueel volledig doeltreffend te maken brengt Louis-Marie Grignion de Montfort ons een paar richtlijnen in herinnering. Allereerst is het noodzakelijk dat de persoon die de rozenkrans bidt in staat van genade verkeert of op zijn minst besloten is de zonde de rug toe te keren als de persoon enige ernstige zonde heeft gedaan. De rozenkrans wordt echter iedereen aangeraden: de rechtvaardigen opdat ze volharden en groeien in de genade van God, en de zondaren opdat ze de zonde de rug toekeren. De Heilige Maagd zegt op een dag tegen de gelukzalige Alain de la Roche (1428-1475): «Zoals God de groet van de engel heeft gekozen (Wees gegroet, vol van genade; cf. Lc 1,28) voor de Vleeswording van het Woord en de Verlossing van de mensheid, zo moeten ook zij die de zeden van de volkeren wensen te hervormen en deze in Jezus Christus nieuw leven in te blazen, mij eren en groeten met dezelfde groet. Ik ben, voegt ze eraantoe, de weg waarlangs God tot de mensen is gekomen en na Jezus Christus verkrijgen zij genade en deugden via mij». Maar we kunnen niet volstaan met per rozenkrans onze verlangens te uiten; het komt er ook op aan dat wij het met grote aandacht doen want God beluistert eerder de stem van het hart dan die uit onze mond. Willens en wetens verstrooid tot God bidden zou inderdaad zeer oneerbiedig zijn. We kunnen als we eerlijk zijn geen rozenkrans bidden zonder onwillekeurig nu en dan verstrooid te raken; het is zelfs heel moeilijk een enkel weesgegroet te bidden zonder dat onze fantasie onze aandacht eniger mate parten speelt: «Daar er geen gebed bestaat dat verdienstelijker voor de ziel en eervoller voor Jezus en Maria is dan de naar behoren gebeden rozenkrans, zo verklaart de heilige Louis-Marie, zo is er ook geen dat moelijker naar behoren te bidden is en waarin het moeilijker is te volharden juist vanwege de verstrooidheid die op natuurlijke wijze optreedt bij het zo veelvuldig herhalen van hetzelfde gebed» (Het Geheim van de Rozenkrans). We merken ook hoe de overvloed aan beelden waaraan de televisie en de media ons hebben gewend ons veel tijd doet verliezen, de verstrooidheid verhoogt en het bidden van de rozenkrans belemmert.

Zonder te zien, te voelen of te smaken

De heilige Louis-Marie spoort ons aan moedig voort te gaan, «ook al, zo zegt hij, heeft uw verbeelding tijdens de hele rozenkrans u vervuld van buitensporige gedachten, die u heeft getracht zo goed mogelijk te verjagen , zodra u zich ervan bewust werd... Daar u toch tijdens uw hele rozenkrans de strijd moet aanbinden met de optredende verstrooidheid, strijd dan dapper met de wapens in de hand, dat wil zeggen zonder uw rozenkrans te onderbreken, ook zonder enige voldoening of merkbare vertroosting te smaken... Laat nooit het geringste deel van uw rozenkrans achterwege door uw dorheid, uw afkeer en uw gevoelens van innerlijke verlatenheid: het zou een blijk van hoogmoed en ontrouw zijn; zegt u, als een dappere voorvechter van Jezus en Maria, maar gewoon droog uw onzevaders en weesgegroeten op, zonder iets te zien, te voelen of te smaken en overdenkt u daarbij zo goed als u kunt de verschillende geheimen. Verlang voor het eten van uw dagelijks brood niet het snoepje en de vruchtenmoes zoals kinderen, maar maak, om Jezus Christus nog volmaakter na te volgen in zijn doodsstrijd, uw rozenkrans van tijd tot tijd iets langer wanneer u voelt dat het u meer moeite zal kosten die te bidden, opdat men van u zal kunnen zeggen wat van Jezus Christus wordt gezegd toen Hij bad in zijn doodsstrijd: Hij bad met nog meer aandrang (Lc 22,43)» (Ibid.).

Men kan de rozenkrans bidden terwijl men handarbeid verricht want handarbeid is niet altijd in strijd met hardop bidden. Indien men niet genoeg tijd kan vinden om een hele rozenkrans aan één stuk te bidden kunt u nu eens hier, dan eens daar een tientje bidden zodat ondanks al uw bezigheden en bedrijvigheid op zijn minst één rozenhoedje af komt voor het slapen gaan. Maar het bidden van de rozenkrans in het gezin of met anderen is nog beter.

Het rozenkransgebed verlangt nederigheid, geloof en veel vertrouwen in de woorden van Jezus Christus: Alles wat ge in het gebed vraagt, geloof dat ge het al verkregen hebt, en ge zult het verkrijgen (Mc 11,24). De hemelse Vader wil niets liever dan ons de heilbrengende wateren van zijn genade en zijn barmhartigheid schenken. U doet Jezus Christus een genoegen als u Hem vraagt om zijn genaden en Hij zich wanneer u het niet doet beklaagt hij zich liefdevol: Tot nu toe hebt gij niets gevraagd... Vraagt en u zal gegeven worden; zoekt en ge zult vinden; klopt en er zal worden opengedaan (Joh 16,24 - Mt 7,7). Bovendien heeft Hij, om ons nog meer in vertrouwen tot Hem te laten bidden, zijn woord gegeven toen hij verklaarde dat de hemelse Vader ons alles zou geven wat we Hem in zijn naam zouden vragen (Joh 16,23).

Maar laten we zowel met vertrouwen als in volharding bidden. Alleen hij die met volharding vraagt, zoekt en klopt zal ontvangen, vinden en binnengaan (Mt 24,13). Het volstaat niet een maand, één, tien of twintig jaar lang een paar genaden aan God te vragen; men moet zich niet laten ontmoedigen, maar tot aan de dood blijven vragen. God laat ons soms lang zoeken en vragen naar de genaden om ze nog meer te vergroten opdat de persoon die ze ontvangt ze te meer waardeert en ervoor waakt ze niet te verliezen nadat hij ze heeft ontvangen, want men heeft niet veel waardering voor wat men in een oogwenk en met weinig moeite verkrijgt.

Laten we aan de gelukzalige Virginia Centurione vragen ons te helpen tot de Heilige Maagd te bidden en ons op God te verlaten naar haar eigen woorden: «Mij in en voor alles over te geven in de handen van Hem die mij geschapen heeft, van Hem die mij meer dan ik bedenken kan zal helpen».

Dom Antoine Marie osb

Om het Blad van de Abdij Saint-Joseph de Clairval te publiceren in een tijdschrift, blad... of on het internetsite of een website te plaatsen, is een toelating vereist. Deze dient te worden aangevraagd per E-Mail or bij http://www.clairval.com.

Index der Briefe  - Home Page

Webmaster © 1996-2017 Traditions Monastiques