Blason  Abdij Saint-Joseph de Clairval

F-21150 Flavigny-sur-Ozerain

Frankrijk


[Cette lettre en français]
[This letter in English]
[Dieser Brief auf deutsch]
[Esta carta en español]
[Questa lettera in italiano]
3 september 2004
H. Gregorius de Grote


Dierbare Vriend van de Abdij Saint-Joseph de Clairval,

Op een dag in 1890, leest men bij de Jezuïeten in de refter voor uit een artikel over lepralijders. Een novice schuift zijn bord van zich af en zegt: «het verbaast me dat men dergelijke gruwelijke dingen kan voorlezen tijdens het eten». Zijn buurman die met heel andere oren luistert is bewogen door de beschrijving van het leed« Een paar jaar later spreekt hij erover met zijn biechtvader, de eerwaarde Beyzym. Deze laatste die op zijn beurt diep onder de indruk is, grijpt de gelegenheid aan om te vragen of hij mag vertrekken om voor de lepralijders te gaan zorgen. «Ik weet heel goed, schrijft hij aan de algemeen overste van de Jezuïeten, wat lepra inhoudt en waarop ik voorbereid moet zijn; dit alles boezemt mij echter geen schrik in, integendeel, ik vind het aantrekkelijk».

Jan Beyzym is geboren op 15 mei 1850 te Beyzymy Wielkie, in de tegenwoordige Republiek Oekraïne. Hij is loyaal en een harde werker, maar een grote jeugdige verlegenheid is zijn zwak punt. Vanaf zijn vroegste jeugd deelt hij met zijn familie de zeer bijzondere devotie tot Maria. Jan denkt erover priester te worden in een bescheiden plattelandsparochie, maar zijn vader stuurt hem eerder de kant van de Jezuïeten op. Na een lange innerlijke strijd begint hij aan het noviciaat van de Sociëteit van Jezus, op 10 december 1872. In de twee noviciaatsjaren maakt Jan een ontdekkingstocht door het religieuze leven waarbij hij geestelijke oefeningen vermengt met materiële bezigheden en werken van liefdadigheid. Daar hij een hard leven gewend is lijdt hij niet al te zeer onder de discipline waaraan hij zich moet onderwerpen, maar blijft een weinig onbehouwen in zijn betrekkingen met de naaste. Wanneer zijn noviciaatsperiode voorbij is, zet hij zijn studie filosofie en theologie voort tot aan zijn priesterwijding op 26 juli 1881 in het Poolse Krakau. Zijn vurige ziel komt tot uiting in de woorden: «Wij werken voor God, voor de hemel, en wij zouden ons in onze arbeid en onze opofferingen niet moeten laten voorbijstreven door hen die voor materiële goederen of slechts voor het aardse leven werken».

«We lichten het anker ...en weg varen we! »

Pater Beyzym wordt aangewezen als studieprefect van de leerlingen van het Jezuïetencollege in Tarnapol, vervolgens in Chyrów. Nadat hij Frans en Russisch heeft onderwezen wordt hij benoemd tot hoofd van de ziekenboeg, een functie die een zware verantwoordelijkheid met zich meebrengt en een welhaast vrouwelijke waakzaamheid verlangt over de tien zalen waarin de zieke leerlingen worden opgenomen. Hij loopt van bed naar bed, doet zijn best om de zieken en herstellenden te verstrooien met verhalen en spelletjes die het moreel van de kinderen en de verplegers weer opvijzelen. Een vernuftige humor verlicht enigszins zijn streng leven. Op een dag begint een leerling door hoge koorts te ijlen; hij wil zich aankleden en zegt dat hij de boot naar Amerika moet halen. De dienstdoende verpleger probeert vergeefs hem tot rede te brengen. Dan komt pater Beyzym naar voren: «Waar ga jij zo naartoe? Naar de boot. Dat komt goed uit: ik ben de kapitein van de boot, dus kunnen we samen vertrekken». Hij neemt de patiënt in zijn armen en legt hem in een andere kamer in bed: «Nu zijn we veilig en wel aan boord, we lichten het anker en weg varen we!» Het kind is zo verbouwereerd dat het terstond tot rust komt.

In de ziel van pater Beyzym zijn daadkracht en zachtmoedigheid met elkaar verenigd. Hij houdt van de natuur, de bloemen die hij kweekt ter versiering van het altaar en de kamers van de zieken. Hij heeft een aquarium, een kanariekooi, en nog een andere kooi die hij zelf heeft gemaakt en waarin een eekhoorn zich mag uitleven. De aanblik van deze dieren helpt hem zijn gedachten en die van de leerlingen te verheffen naar God. Hij doet zijn best om aan de kinderen zijn devotie tot Maria door te geven: een van de lezingen die hij hun geeft begint als volgt: «De noodzakelijkste en betrouwbaarste hulp voor onze bekering, onze heiliging en voor ons eeuwig heil is de devotie tot de Allerheiligste Maagd». Pater Beyzym kent de jeugd, haar zwakheden en haar kwaliteiten, bewonderenswaardig goed. Zijn bedroefde blik wanneer iemand iets doms heeft gedaan, volstaat om de schuldige te vervullen van berouw.

Geheel en al in dienst van de jeugd, voelt pater Beyzym in zich de behoefte groeien de ongelukkigen nog meer lief te hebben en zich nog meer voor hen op te offeren. Dat is het moment waarop hij vraagt zich ten dienste te mogen stellen van de lepralijders. Zijn verlangen wordt beantwoord en hij wordt aangesteld in de missie in Madagascar. Hij verlaat zijn land op 17 oktober 1898 en bereikt Tananarive op 30 december daaropvolgend. Hem wordt het leprozenhuis van Ambahivoraka, op 10 km ten noorden van de stad, toevertrouwd. De 150 lepralijders die daar leven lijden een meer dan ellendig bestaan. Buitengesloten van de maatschappij, gekweld door pijn, uitgehongerd en dorstig,wonen ze daar in barakken die op instorten staan, zonder vensters, zonder vloeren, verstoken van het allernoodzakelijkste. In het regenseizoen leven ze in het water en de vochtigheid. Bij de aanblik van dergelijk leed bidt pater Beyzym God deze ongelukkige mensen enige verlichting te brengen en, wanneer niemand hem ziet, schreit hij bittere tranen van verdriet want hij kan dit menselijk leed niet zonder compassie aanzien. In het begin woont hij in Tananarive en gaat naar het leprozenhuis (drie tot vier keer per week) voor de begrafenissen en de zondagsmis. Maar weldra wordt hem toestemming verleend permanent bij de lepralijders te gaan wonen.

«Hij is niet bang de wonden aan te raken!»

Om dringend hulp te krijgen schrijft pater Beyzym talloze brieven aan zijn confraters in Europa en aan zijn vrienden. Daarin kan men lezen: «Niemand staat de lepralijders bij, geen dokter, geen priester, geen verpleegster, volstrekt niemand. Ik vervul hier alle functies: aalmoezenier, postbode, koster, tuinman, dokter. Voor wat de kleding betreft, bedekt iedereen zich zo goed en zo kwaad als het kan met een oude zak of iets dergelijks, ergens gevonden. Het voedsel bestaat voornamelijk uit rijst, te weten een kilo per week, dat wil zeggen juist het noodzakelijke om niet van honger om te komen. Dat is alles wat ze hebben; geen enkel geneesmiddel, geen verband om hun wonden te verbinden. Niets«Het is moeilijk om hier zieken te verzorgen want, behalve lepra, hebben ze ook syfilis en scabies en zitten ze onder de luizen. Dat verbaast me echter niet. Hoe zouden deze ongelukkigen zich ook kunnen wassen en kappen, als ze geen vingers meer hebben, die door de lepra van hun handen zijn gevallen?....Als iemand klaagt over buikpijn, hoeft men niet te vragen: «Wat heb je gegeten? En wanneer?...» Ik word onpasselijk bij de gedachte aan het groot aantal mensen dat zoveel geld uitgeeft aan bevliegingen of aan onbegrijpelijke pleziertjes terwijl het hier aan alles ontbreekt».

Paters Beyzyms hart wordt nog door een andere zorg gekweld: «Hetgeen me echter nog meer zorgen baart is hun morele ellende, gevolg van hun materiële situatie. Zij staan bloot aan duizenden gelegenheden tot zondigen«Ik kijk naar de kleine kinderen die niet alleen niet leren God lief te hebben, maar zelfs niet weten dat er ook een God is, terwijl de grote mensen hun al leren Hem te beledigen!... Ik vraag voortdurend aan de Maagd Maria medelijden te hebben met deze ongelukkigen en hen te redden« Zodra de liefde voor en het vertrouwen in de Allerheiligste Maagd in deze armzalige harten verankerd zullen zijn, zit alles goed en zal ik wat hen betreft gerust kunnen zijn».

Het is Pater Beyzym's eerste zorg te beletten dat de lepralijders niet omkomen van de honger. Zijn lange ervaring als verpleger komt hem goed van pas. Hij treedt de zieken tegemoet, verbindt hun wonden tot grote bewondering van de ooggetuigen: «Toen ik voor het eerst een stuk linnen ontving en ik de wonde van een van hen begon te verbinden, schrijft hij, stonden ze allemaal om me heen alsof het een buitengewoon schouwspel was en zeiden tegen elkaar: «Kijk! Kijk nou! Hij is niet bang om de wonden aan te raken?»». Deze dienstbaarheid verlangt echter een heldhaftige zelfverloochening: «Men moet onophoudelijk verenigd blijven met God en in staat zijn om altijd te bidden. Men moet een beetje wennen aan de kwalijke lucht want hier ruikt men geen bloemengeuren, maar de stank van de lepra. De aanblik van de wonden is evenmin erg aantrekkelijk. Wanneer ik drie tot vier uur in de open lucht voor de barakken medicijnen heb toegediend, kom ik thuis en nadat ik me heb gewassen en me heb ontsmet met phenol, ruik ik dat er uit alles op en aan me nog een kwalijke geur opstijgt In het begin kon ik de wonden niet zien en als ik een open wond zag die bijzonder afstotelijk was, overkwam het me soms dat ik flauw viel. Nu kijk ik gewoon naar de wonden van mijn ongelukkige patiënten, ik raak ze aan bij het verzorgen of bij het toedienen van het Heilig Oliesel, zonder ervan onder de indruk te geraken. Ik ervaar eerlijk gezegd iets in mijn hart, wanneer ik bezig ben met die wonden, maar alleen omdat ik ze allemaal op mijn eigen lijf zou willen hebben in plaats van ze te zien op dat van die arme ongelukkigen».

Een blijk van vrijheid

In navolging van Christus die de voeten wast van zijn discipelen, stelt pater Beyzym zich op als dienaar. «Waar in de huidige cultuur, aldus Paus Johannes Paulus II,degene die dient, aanzien wordt als inferieur, is de dienaar in de Kerkgeschiedenis die door God is geroepen om een buitengewoon werk van heil en verlossing te verrichten.Hij die weet dat alles wat hij heeft en wat hij is, hem is geschonken en zich dus geroepen voelt wat hij heeft ontvangen ten dienste te stellen van de naasten. Dienen is een geheel en al natuurlijke roeping want de mens is een van nature dienend wezen: hij is geen meester over zijn eigen leven en heeft op zijn beurt vele diensten van de anderen nodig; wie dienstbaar is geeft blijk van vrijheid met betrekking tot zijn allesoverheersende 'ik' en van verantwoordelijkheid jegens de naaste; en dienen is voor iedereen mogelijk door middel van ogenschijnlijk kleine, maar in werkelijkheid grote gebaren, indien deze zijn ingegeven door een oprechte liefde. De ware dienaar is nederig, hij weet dat hij nutteloos is (cf.Lc 17,10), hij zoekt niet egoïstisch het eigen belang te dienen, maar spant zich in voor de anderen en doet daarbij de ervaring op van de vreugde zichzelf gratis weg te schenken» (Boodschap voor de Dag van de Roepingen, 11 mei 2003). Zoveel naastenliefde van de zijde van pater Beyzym wekt een volledig vertrouwen in zijn woorden op wanneer hij spreekt over God, het eeuwige leven en de leer van Jezus Christus. Na een paar maanden heeft dan ook een groot aantal lepralijders het Doopsel aangevraagd en ontvangen. De pater is de Allerheiligste Maagd innig dankbaar: «Ik weet niet of ik ooit in staat zal zijn de Maagd Maria behoorlijk te bedanken voor haar bescherming. Ik spreek niet meer over de duizend andere genaden die ik van haar heb mogen ontvangen, maar over de genade dat ze mij benut ten dienste van de lepralijders».

De pater is er zich echter van bewust dat zijn kennis van het Madagaskisch maar oppervlakkig is; te veel woorden kent hij niet. Om zich verder in de taal te bekwamen besluit hij in 1901 twee maanden op een naburige post door te brengen en alleen op zondag voor de mis naar de inrichting terug te komen. De vooruitgang die hij boekt stelt hem in staat een eerste retraite te organiseren: «We hebben zojuist, zo schrijft hij vervolgens, een retraite van drie dagen beëindigd«volgens de methode van de H. Ignatius: drie lezingen per dag, met gewetensonderzoek, biecht, communie« Wat het in acht nemen van stilte en het vermogen in gebed te verzinken betreft, hoeven de lepralijders voor de maatschappelijk meest aangepaste retraitanten niet onder te doen. Ik bedank de goede Moeder onophoudelijk, vele van mijn patiënten zullen leven en sterven als echte katholieken».

Het is een feit dat gedurende de veertien jaren van het apostolaat van pater Beyzym niet een van zijn lepralijders is gestorven zonder het sacrament van de zieken te hebben ontvangen. Het leed van de missionaris heeft een vruchtbare uitwerking gehad op zijn apostolaat. Buiten de dagelijkse moeilijkheden in zijn leven lijdt hij ook onder «heimwee»: «Ik hunker, zo schrijft hij aan zijn vroegere confraters in Polen, naar het vaderland; in het bijzonder naar ons tehuis en de ziekenboeg met onze hummeltjes». Vele missionarissen maken dit innerlijk leed dat vaak God alleen kent, mee. «In de Heilige Schrift, schrijft Paus Johannes Paulus II, bestaat een sterk en overduidelijk verband tussen dienstbaarheid en verlossing, zoals tussen dienstbaarheid en lijden, tussen de Dienaar en het Lam Gods. De Messias is de lijdende Dienaar die op zijn schouders het gewicht laadt van de menselijke zonde, hij is het Lam dat ter slachting wordt geleid (Js 53,7) om de prijs te betalen van de door de mensheid begane fouten en haar aldus de dienst te bewijzen waar zij het meest behoefte aan heeft. De Dienaar is het Lam dat werd gefolterd en diep vernederd, maar zijn mond niet heeft geopend (Js 53,7) en op die manier blijk heeft gegeven van een buitengewone kracht: de kracht die niet op kwaad reageeert met kwaad, maar het kwaad beantwoordt met het goede. Het is de zachtmoedige energie van de dienaar die zijn kracht vindt in God en die om deze reden door Hem gemaakt is tot licht voor de volken en bewerker van het heil (cf. Js 49, 5-6). Het is een mysterie dat de roeping tot dienstbaarheid altijd een roeping is om deel te nemen aan het heilswerk op een zeer persoonlijke, en zelfs kostbare en moeizame wijze» (ibid.)

De schellen vielen mij van de ogen

Ondanks de inspanningen van pater Beyzym is de zorg die aan de lepralijders wordt besteed nog lang niet voldoende. Hij vat dus het plan op om een ziekenhuis te bouwen. Zijn superieuren verlenen hun goedkeuring op voorwaarde dat hij zelf aan de nodige fondsen weet te komen. De missionaris stuurt brieven in alle richtingen; sommige worden gepubliceerd in het Poolse blad «Katholieke Missies». Een paar jaar lang komen er offerandes binnen. Na talloze moeilijkheden te hebben overwonnen, dankzij een grenzeloos vertrouwen in de goddelijke Voorzienigheid, vindt de pater een passend terrein in Marana dichtbij Fianarantsoa, op een gezonde plek, maar op ongeveer 400 km van het leprozenhuis waar hij woont. Er wacht hem dan een zware beproeving want hij zal zijn lepralijders van Ambahivoraka in de steek moeten laten. Het lukt hem voor hen een plaats te bemachtigen in de inrichting van de regering, maar hij blijft voor hen vrezen: «Toen, zo schrijft hij, kreeg ik in al zijn rauwheid een beeld van het morele gevaar waaraan allen en vooral de kinderen, blootgesteld zouden worden in de officiële inrichting (700 lepralijders die uit het slijk van de maatschappij zijn opgevist, onder dwang zijn opgesloten en dag en nacht door de politie worden bewaakt). Ik vertrouwde allen en ieder in het bijzonder aan onze Hemelse Moeder toe, huilend als een kind. En dan te bedenken dat ik er niets aan kon doen!»

Het wordt een smartelijk vertrek. Als hij in oktober 1902 op de plaats van bestemming is aangekomen, gaat de missionaris aan het werk en belast zich tevens met een nieuwe groep lepralijders. De bouw vordert langzaam maar zeker. Op een dag doet zich onverwachts iets voor: drie lepralijders, een vrouw en twee mannen, uitgeput van een lange voettocht, vragen of ze hem kunnen spreken. «Waar komt u vandaan? Als u hier opgenomen wilt worden, moet u eerst naar de dokter in Fianarantsoa en terugkomen met een certificaat. «Je spreekt alsof je ons niet kent, zegt de vrouw. Maar ik ken u echt niet. Herinner je je Ambahivoraka nog, dan herken je ons ook weer». Toen ik dat hoorde had ik het gevoel of de schellen mij van de ogen vielen. Ik had mijn dierbare pupillen niet herkend, ten eerste omdat ik ze twee jaar niet gezien had, vervolgens vanwege hun deerniswekkende aanblik en tenslotte omdat ik niet had kunnen denken dat ze in staat waren zo'n lange reis te maken. Jullie kunnen je voorstellen hoe mijn hart klopte en hoe blij ik was dat ze waren aangekomen!...Toen mijn reizigers na een paar dagen een beetje waren uitgerust, ging de moedige vrouw te biecht en te communie; waarna ik haar al wat ik kon geven voor onderweg overhandigde, haar zegende en haar naar de rest van mijn dierbare menselijke wrakken stuurde». Een paar weken later komt de een na de andere voormalige patiënt van Ambahivoraka aan: «Ik ontvang ze alsof het mijn meest naaste familieleden zijn».

Maar tezelfdertijd als deze vreugden krijgt de pater ook te maken met beproevingen die hij splinters van het Kruis van Jezus noemt. Sommigen vinden zijn plannen te stoutmoedig en hun bezwaren maken indruk op de lokale bisschop die aarzelt de nodige vergunningen te verlenen. Daarnaast wordt er in regeringskringen over gesproken dat de inrichtingen door leken moeten worden beheerd. Maar pater Beyzyms vertrouwen in de bescherming van Maria, Troosteres der Bedroefden, maakt het hem mogelijk vol te houden. Het gebed van de H. Ignatius dat hij meerdere malen per dag bidt helpt hem ook zeer: «Neem, Heer, en aanvaard al mijn vrijheid, mijn geheugen, mijn verstand, mijn wil, al wat ik heb, al wat ik bezit. Gij hebt het me gegeven, aan u geef ik het terug. Alles is van u, beschik overal over zoals het u behaagt. Geef mij uw liefde en uw genade, dat alleen al is mij voldoende».

Bang van een kraan

Eindelijk opent het ziekenhuis in 1911 zijn deuren. «Het is geen werk van mensen, schrijft de pater: de Onbevlekte Ontvangenis zelve heeft dit ziekenhuis gesticht en zorgt er ook voor». Niet zonder een zekere ontreddering neemt men bezit van het gebouw: «In het begin, zo schrijft hij, liepen alle lepralijders ontredderd en verward rond. Daar hebben ze opeens een onderkomen met een plafond en een vloer, met bedden voorzien van lakens, tafels met laden, een beeltenis van de Maagd en op ieders plaats een nummer en ook nog eens napjes, bekers en lampen. Ze keken elkaar stomverbaasd aan«Op de eerste dag viel er heel wat te lachen vanwege de duizend-en-een naïeve reacties die aangaven hoe weinig ze nog aan het leven in de maatschappij waren aangepast. Wanneer de bel luidde voor het avondeten kwamen ze wel naar de refter maar wisten niet wat ze daar moesten doen? De een opent een kraan en wanneer er onder flinke druk water water uitstroomt, wordt mijn nieuwkomer in de beschaafde wereld bang: in plaats van de kraan dicht te draaien, laat hij alles los en slaat luid om hulp roepend op de vlucht!«»

Gelukkig wordt «na een paar dagen het reglement toegepast en lijkt ons huis meer op een klooster dan op een ziekenhuis. Scheiding tussen mannen en vrouwen wordt in acht genomen, evenals de stilte op bepaalde uren; geen getwist, of, wanneer er zure woorden worden gesproken, wordt ogenblikkelijk weer vrede gesloten« Ieder werkt al naar gelang zijn gezondheid hem dat toestaat en lachen behoort tot de orde van de dag« Bijna allemaal gaan ze nu dagelijks te communie. In één woord, God wil dat het zo blijft, want het ziekenhuis is een eiland van geloof in een voortdurend hoger wordende zee van zonde welke de wereld is. En denk niet dat ik het mooier voorstel dan het is: het is de pure waarheid».

Naar hen die nog verlatener zijn

Het nieuwe ziekenhuis met al zijn noodzakelijke sanitaire installaties telt 150 bedden. Het is toegewijd aan Onze-Lieve-Vrouw van Czestochowa en bestaat tegenwoordig nog en straalt nog altijd van de liefde en de hoop waarmee het tot stand is gekomen. Van buiten-af gezien lijkt het dat de pater eens en voor altijd verbonden zal zijn aan het apostolaatswerk onder de lepralijders van Madagscar. Maar diep in zijn hart bestaat nog steeds een angst om het zielenheil die hem ertoe brengt op zoek te gaan naar armen die nog verlatener zijn. Hij denkt aan de tot dwangarbeid veroordeelden die op het eiland Sakhaline (in het russische Verre Oosten) bij elkaar wonen en geestelijk verlaten zijn. Aan zijn superieur schrijft hij: «Sinds enige tijd spookt de gedachte aan Sakhaline mij door het hoofd en laat mij niet meer los. Door hetgeen u gezien en hebt gehoord weet u, Vader, dat talloze ongelukkigen er afschuwelijk leed ondervinden« We zouden deze onfortuinlijke mensen zeer waarschijnlijk te hulp kunnen komen«»

In afwachting van de voor dit nieuwe apostolaat te nemen beslissing intensiveert pater Beyzym het catechismusonderricht en de retraites. Daar hij zeer gevoelig is voor de te bewijzen eer aan Jezus in de Eucharistie, laat hij het altaar en het tabernakel in zijn kapel vergulden. Maar zijn gezondheid verzwakt. Hij lijdt aan arteriosclerose en zijn lichaam is bedekt met open wonden. Op een dag, overmand door hevige pijnen moet hij het bed houden. Een geestelijke die al werkend onder de lepralijders zelf lepra heeft opgelopen en die negen dagen later zal sterven, komt hem de laatste sacramenten toedienen. Tenslotte geeft pater Beyzym de geest op 2 oktober 1912. Hij is waarschijnlijk van uitputting en niet aan de lepra gestorven.

«Maar God die rijk is aan erbarming, heeft wegens de grote liefde waarmee Hij ons heeft liefgehad, ons met Christus ten leven gewekt, hoewel wij dood waren door onze zonden (Ef 2,4-5). De Kerk wenst onvermoeibaar deze boodschap uit te dragen... Het verlangen erbarming te brengen naar de meest behoeftigen heeft de gelukzalige Jan Beyzym, Jezuïet en groot missionaris, naar het verre eiland Madagascar gevoerd waar hij, uit liefde voor Christus, zijn leven heeft gewijd aan de lepralijders... Het charitatieve werk van de gelukzalige lag al vast in zijn fundamentele roeping: het Evangelie brengen naar hen die het niet kennen. Ziedaar de grootste gave van barmhartigheid: de mensen tot Christus voeren» (Johannes Paulus II, homilie bij de zaligspreking van Jan Beyzym, 18 aug. 2002). Wanneer weinig mensen worden geroepen tot de dienst aan de lepreuzen, moeten wij allen concreet getuigen van Gods barmhartigheid. Daarvoor «is een «verbeeldingskracht van de naastenliefde» nodig, vervolgt de Paus, dat die verbeeldingskracht niet ontbreke daar waar een mens in nood smeekt: Geef ons heden ons dagelijks brood! Dat dit brood niet ontbreke dankzij de naastenliefde! Zalig de barmhartigen, want zij zullen barmhartigheid ondervinden (Mat. 5, 7)».

Smeken wij de H. Maagd Maria ons missionarissen van Gods barmhartigheid in onze huidige wereld te maken, naar het voorbeeld van de gelukzalige Jan Beyzym.

Dom Antoine Marie osb

Om het Blad van de Abdij Saint-Joseph de Clairval te publiceren in een tijdschrift, blad... of on het internetsite of een website te plaatsen, is een toelating vereist. Deze dient te worden aangevraagd per E-Mail or bij http://www.clairval.com.

Index der Briefe  - Home Page

Webmaster © 1996-2017 Traditions Monastiques