Blason  Abdij Saint-Joseph de Clairval

F-21150 Flavigny-sur-Ozerain

Frankrijk


[Cette lettre en français]
[This letter in English]
[Dieser Brief auf deutsch]
[Esta carta en español]
[Questa lettera in italiano]
20 mei 2004
Hemelvaartsdag
Mariamaand


Dierbare Vriend van de Abdij Saint-Joseph de Clairval,

Toen Paus Johannes Paulus II op een dag een afbeelding van Onze-Lieve-Vrouw van Guadalupe bekeek deed hij de volgende vertrouwelijke mededeling: «Ik voel me tot deze beeltenis aangetrokken want dit gezicht is één en al tederheid en eenvoud; het roept me...» Later, op 6 mei 1990, op pelgrimsreis door Mexico verklaarde de Heilige Vader Juan Diego, boodschapper van Onze-Lieve-Vrouw, zalig en bij die gelegenheid zei hij: «De H.Maagd heeft Juan Diego uitgekozen onder de nederigsten, om dit beminnelijke en bekoorlijke optreden wat de verschijning van Onze-Lieve-Vrouw van Guadalupe was, te mogen meemaken. Haar moederlijk gelaat op de heilige beeltenis die zij ons als geschenk heeft nagelaten is er de voortdurende herinnering aan». Geroerd door medelijden met het Aztekenvolk, dat leefde in het schimmenrijk van de afgoderij en zijn afgoden ontelbare mensenoffers aanbood, heeft de Heilige Maagd in de XVIe eeuw zich verwaardigd de evangelisatie van deze Midden-Amerikaanse Indianen die ook haar kinderen waren, persoonlijk ter hand te nemen. Een god van de Azteken aan wie de vruchtbaarheid werd toegeschreven had zich mettertijd ontpopt als een wreedaardige god. Als symbool van de zon was deze god in voortdurend gevecht met de maan en de sterren en had, zo dacht men, menselijk bloed nodig om zijn krachten te hernieuwen, want als hij ten val zou komen zou het leven ophouden. Het leek dus onontbeerlijk dat er altijd weer nieuwe slachtoffers als eeuwigdurende offergave moesten worden aangeboden.

Een adelaar op een cactus

De Azteekse priesters hadden voorspeld dat hun nomadenvolk zich zou vestigen op de plek waar het een adelaar zou zien die hoog gezeten op een cactus een slang verslond. Wanneer ze op een moerasachtig eiland zijn aangekomen, in het centrum van het Texocomeer, zien de Azteken hoe het aangekondigde voorteken zich voor hun ogen voltrekt: een hoog op een cactus gezeten adelaar verslindt een slang; we zijn in het jaar 1369. Zij stichtten daar hun stadstaat Tenochtitlan, het latere Mexico. De stadstaat ontwikkelt zich tot een stad op palen met talrijke tuinen met een overvloed aan bloemen, groenten en fruit. Dankzij de voortschrijdende organisatie van het Azteekse koninkrijk wordt het een geordend en zeer gestructureerd rijk. Voor hun tijd blonken de wiskundigen, astronomen sterrenkundigen, wijsgeren, architecten, geneeskundigen, kunstenaars en handwerkers uit door hun kennis. Maar de wetten van de natuurkunde zijn nog altijd weinig bekend. De macht en de welvaart van Tenochtitlan zijn voornamelijk te danken aan oorlogen. De veroverde steden moeten een verplichte bijdrage leveren in de vorm van diverse waren en mannen voor de oorlog en offering. De mensenoffers en het eten van mensen door de Azteken hebben in de geschiedenis nauwelijks hun weerga gekend.

In 1474 komt er een kind ter wereld dat de naam Cuauhtlatoazin («de sprekende adelaar») krijgt. Na de dood van zijn vader komt het kind onder de zorg van zijn oom. Vanaf zijn derde leert het zoals alle kleine Azteken deel te nemen aan de huishoudelijke taken en zich waardig te gedragen. Op school leert het zang, dans en vooral de godsdienst met zijn talrijke goden. De priesters hebben zeer grote invloed op de bevolking die aan hen is onderworpen, soms zelfs met een schrikbewind. Cuauhtlatoazin is dertien jaar als men overgaat tot de wijding van de grote Tempel in Tenochtitlan. Vier dagen lang offeren de priesters 80000 mensen op aan hun god. Na zijn militaire dienst trouwt Cuauhtlatoazin met een meisje van zijn stand. Ze leiden samen een bescheiden bestaan als landbouwers. In 1519 komt de Spanjaard Cortés aan het hoofd van meer dan 500 soldaten in Mexico aan. Hij verovert het land voor rekening van Spanje maar is bepaald niet te lui om de Azteken ook te evangeliseren; hij krijgt het voor elkaar om in 1524 twaalf Franciscanen naar Mexico te halen. Deze missionarissen integreren snel in de plaatselijke bevolking; hun goedheid staat in contrast met de hardvochtigheid van de Azteekse priesters alsook van die van sommige conquistadores. Men begint met de bouw van een aantal kerken. De Indianen blijken echter tamelijk wars te zijn van het idee zich te laten dopen, vooral vanwege de polygamie die ze dan zouden moeten opgeven.

Cuauhtlatoazin en zijn vrouw zijn bij de eersten die het Doopsel ontvangen onder de namen Juan Diego en María Lucía. Na de dood van de laatste trekt Juan Diego zich terug in Tolpetlac, 14 km van Mexico, bij zijn oom Juan Bernardino die ook christen is geworden. Op 9 december 1531 vertrekt hij op zaterdag, heel vroeg zoals hij gewend is, om de mis bij te wonen die wordt opgedragen ter ere van de Heilige Maagd bij de Paters Franciscanen, dichtbij Mexico. Hij komt langs de voet van de heuvel van Tepeyac. Plotseling hoort hij een zacht en welluidend gezang dat afkomstig lijkt te zijn van een grote menigte vogels. Wanneer hij omhoog kijkt naar de top van de heuvel ziet hij een stralend witte wolk. Hij kijkt om zich heen en vraagt zich af of hij niet droomt. Plotseling houdt het gezang op en wordt hij geroepen door een zachte, fijngevoelige vrouwenstem: «Juanito, Juan Dieguito!» Snel loopt hij de heuvel op en treft een heel mooi meisje aan wier kleren schitteren als de zon.

«Een tempel waarin ik van mijnliefde blijk zal geven»

Ze richt zich tot hem in het nahuatl, zijn moedertaal, en zegt: «Mijn zoon, Juanito, waar ga je naartoe? Edele Vrouwe, mijn Koningin, ik ga naar de mis in Mexico om er de dingen Gods te leren die de priester ons onderwijst. Ik wil, lieve zoon, dat je met zekerheid weet dat ik Maria ben, de volmaakte en altijd Maagd, Moeder van de ware God van wie alle leven afkomstig is, de Heer van alle dingen, Schepper van hemel en aarde. Ik koester het onmetelijk groot verlangen dat men hier, te mijner ere, een tempel bouwt waarin ik van mijn liefde, mijn medelijden en mijn bescherming blijk zal geven. Ik ben jullie moeder, vol van medelijden en liefde voor jullie. Allen die mij beminnen, schenken mij hun vertrouwen en roepen mijn bijstand in. Ik zal hun klagen aanhoren en hun droefenis en lijden verlichten. Ga nu naar de bisschop in Mexico en zeg hem dat ik je stuur om hem kennis te geven van mijn groot verlangen dat hier een tempel wordt gebouwd die aan mij zal worden opgedragen, opdat ik al mijn liefde zal kunnen tonen».

Juan Diego gaat regelrecht naar het bisschoppelijk paleis. Mgr. Zumárraga, Franciscaner geestelijke, eerste bisschop van Mexico, is een vroom en zeer ijverig man, met een hart dat overloopt van goedheid jegens de Indianen; hij luistert aandachtig naar de arme man maar daar hij vreest dat het misschien zinsbedrog is hecht hij niet te veel geloof aan het verhaal. Tegen de avond gaat Juan Diego weer op weg naar huis. Op de top van de heuvel van Tepeyac treft hij tot zijn blijde verrassing weer de Verschijning aan.Hij brengt verslag uit van zijn missie en voegt eraan toe: «Ik smeek u uw boodschap aan iemand toe te vertrouwen die bekender is en gerespecteerder, zodat ze hem zullen geloven. Ik ben maar een bescheiden Indiaan die u naar hogerhand heeft gestuurd als boodschapper. Ik word dan ook niet geloofd en heb u slechts een grote teleurstelling kunnen bezorgen. Liefste zoon van mij, antwoordt de Vrouwe, je moet begrijpen dat ik mijn boodschap aan heel wat edelere mensen had kunnen toevertrouwen, maar toch zal mijn plan dankzij jou worden verwezenlijkt. Keer morgen terug naar de bisschop...zeg hem dat ik, de Heilige Maria, Moeder van God in persoon degene ben die jou naar hem toestuur».

Zondagochtend gaat Juan Diego direct na de mis naar de bisschop. De prelaat stelt hem talloze vragen en verlangt vervolgens een tastbaar bewijs dat de verschijning werkelijk heeft plaatsgevonden. Wanneer Juan Diego weer naar huis terugkeert laat de bisschop hem onopvallend volgen door twee dienaren. Bij de brug van Tepeyac verdwijnt Juan Diego uit hun gezichtsveld en ondanks al hun zoeken op en rond de heuvel vinden ze hem niet terug. Woedend verklaren ze tegenover de bisschop dat het een oplichter is die hij volstrekt niet moet geloven. Intussen brengt Juan Diego aan de schone Vrouwe die op de heuvel op hem wachtte verslag uit van het nieuwe onderhoud dat hij met de bisschop heeft gehad. «Kom morgen vroeg terug om het teken te halen waar hij om vraagt, antwoordt de Verschijning».

Rozen midden in de winter!

Bij thuiskomst treft de Indiaan zijn oom ziek aan en de volgende dag moet hij aan zijn ziekbed blijven om hem te verzorgen. Daar de ziekte ernstiger wordt vraagt de oom zijn neef een priester te gaan halen. Bij het aanbreken van de dag, dinsdag 12 december, gaat Juan Diego weer stadwaarts. Wanneer hij de heuvel van Tepeyac nadert is hij van oordeel dat hij maar beter een omweg kan maken om de Vrouwe niet tegen te komen. Maar plotsklaps ziet hij haar op zich toekomen. In grote verlegenheid gebracht, zet hij haar de situatie uiteen en belooft dat hij terug zal komen zodra hij een priester heeft gevonden om zijn oom te bedienen. «Lieve jongen, herneemt de Verschijning, wees niet bedroefd om de ziekte van je oom want hij zal er niet aan sterven. Ik verzeker je dat hij zal genezen... Ga naar de top van de heuvel, pluk de bloemen die je daar ziet en breng ze naar mij». Wanneer hij boven op de heuvel aankomt is de Indiaan stomverbaasd daar een groot aantal bloeiende bloemen aan te treffen, rozen van Castilië die een zeer zoete geur verspreiden. Het is inderdaad wintertijd en de kou laat niets in leven en de plek is bovendien te droog voor het telen van bloemen. Juan Diego plukt de rozen, legt ze in de holte van zijn mantel, «tilma» genoemd, en daalt de heuvel weer af. «Lieve zoon, zegt de Vrouwe, deze bloemen zijn het teken dat je aan de bisschop moet geven... Dan zal hij zich bereid tonen de tempel te bouwen die ik hem heb gevraagd».

Juan Diego holt naar het bisschoppelijk paleis. Als hij daar aankomt laten de dienaren hem urenlang wachten. Daar ze verbaasd zijn over zijn geduld en geïntrigeerd door hetgeen hij in zijn tilma draagt, wordt de bisschop uiteindelijk gewaarschuwd die, hoewel hij in gezelschap is van meerdere mensen, hem onmiddellijk laat binnenkomen. De Indiaan vertelt zijn belevenis, vouwt zijn tilma open en laat de nog van de dauw glinsterende rozen her en der op de grond neerkomen.. Met tranen in de ogen valt Mgr. Zumárraga op de knieën en bewondert de rozen van zijn land. Plotseling ziet hij dat het portret van Onze-Lieve-Vrouw op de tilma is afgebeeld. Daar is Maria, alsof ze staat afgedrukt op de mantel, heel knap en één en al liefelijkheid. De twijfels van de bisschop maken plaats voor een gedegen geloof en wonderbare hoop. Hij pakt de tilma en de rozen, legt ze eerbiedig neer in zijn particuliere bidkapel. De volgende dag begeeft hij zich met Juan Diego naar de heuvel van de verschijningen. Nadat hij de plek aan een onderzoek heeft onderworpen laat hij de ziener weer naar zijn oom terugkeren. Juan Bernardino is geheel en al genezen. Zijn genezing had op hetzelfde tijdstip plaatsgevonden als dat waarop Onze-Lieve-Vrouw aan zijn neef was verschenen. «Ik heb haar ook gezien, zegt hij. Zij is hierheen gekomen en heeft met mij gesproken. Ze wil dat we een tempel voor haar bouwen op de heuvel van Tepeyac en dat we haar portret «Heilige Maria van Guadalupe» noemen. Maar ze heeft niet uitgelegd waarom». De naam Guadalupe is onder Spanjaarden wel bekend, want er bestaat in hun land een zeer oud heiligdom dat is opgedragen aan Onze-Lieve-Vrouw van Guadalupe.

Het gerucht van de verschijning verspreidt zich als een lopend vuurtje; in korte tijd wordt Juan Diego bekend onder het volk, maar hij blijft nog altijd zeer nederig. Teneinde de aanschouwing van de Beeltenis te vergemakkelijken, laat Mgr. De Zumárraga de tilma naar zijn kathedraal overbrengen. Vervolgens wordt gestart met de bouw van een kleine kerk en een kluis voor Juan Diego, op de heuvel van de verschijningen. 25 December daaropvolgend wijdt de bisschop zijn kathedraal toe aan de Allerheiligste Maagd om haar te bedanken voor de buitengewone gunsten waarmee zij zijn bisdom vereert en vervolgens wordt de wonderdadige beeltenis in een schitterende processie naar het zojuist gereedgekomen heiligdom van Tepeyac gebracht. Om uiting te geven aan hun vreugde schieten de Indianen pijlen af. Een ervan die wat onvoorzichtig was afgeschoten doorboort de keel van een aanwezige die dodelijk gewond ter aarde valt. Daarop volgt een indrukwekkende stilte en stijgt er een vurige smeekbede op naar de Moeder Gods. Plotseling komt de gewonde die men aan de voet van de wonderdadige Beeltenis heeft neergelegd weer bij en komt in zijn volle kracht weer overeind. De geestdrift van de menigte stijgt ten top.

Miljoenen Indianen die Christen zijn geworden

Juan Diego vestigt zich in zijn kleine kluis en waakt erover dat de plek goed wordt onderhouden en schoon blijft. Zijn leven blijft heel bescheiden: hij bebouwt zorgvuldig een veld dat hem dicht bij het heiligdom ter beschikking is gesteld. Hij ontvangt de steeds talrijker wordende pelgrims, schept er genoegen in over de Heilige Maagd te spreken en onvermoeibaar tot in details te vertellen van de verschijningen. Allerlei gebedsintenties worden hem toevertrouwd. Hij luistert, leeft mee en beurt op. Een groot deel van zijn vrije tijd wordt doorgebracht in aanschouwing van de beeltenis van zijn Vrouwe; hij boekt met rasse schreden vooruitgang op de wegen naar de heiligheid. Hij vervult dag in dag uit zijn missie van getuige, tot aan zijn dood die plaatsvindt op 9 december 1548, zeventien jaar na de eerste verschijning. Toen de Indianen het nieuws hadden vernomen van de verschijningen van Onze-Lieve-Vrouw, verspreidde zich onder hen een nooit eerder gekende vreugde en geestdrift. Velen deden afstand van hun afgoden, hun bijgeloof, hun mensenoffers en de polygamie en vroegen om te worden gedoopt. Negen jaar na de verschijningen hebben zich negen miljoen onder hen bekeerd tot het christelijk geloof, dat wil zeggen bijna 3000 per dag! De Indianen worden zeer diep geraakt door bepaalde bijzonderheden in de Beeltenis van Maria: de vrouw is groter dan de zonnegod daar ze staande voor de zon verschijnt; ze overtreft de maangod daar ze de maan onder haar voeten heeft; zij is niet meer van deze wereld want ze is omringd door wolken en wordt vastgehouden boven deze wereld door een engel; haar gevouwen handen tonen haar in gebed, hetgeen betekent dat er iemand is die groter is dan zij...

Maar tot op de dag van vandaag is het mysterie van deze wonderdadige Beeltenis niet opgehelderd. De tilma, een grote met de hand en van cactusvezels geweven voorschoot draagt de heilige beeltenis die 1.43 m hoog is. Het gelaat van de Maagd is volmaakt ovaal en grijs van kleur met een neiging naar roze. De ogen zijn zuiver en lieflijk en zeer expressief. De mond lijkt te glimlachen. Het zeer fraai gezicht, dat lijkt op dat van een halfbloed, is omlijst door zwart haar waarin, van dichtbij gezien, zijdeachtige haren voorkomen. Het wijde kleed dat ze draagt is van een karmijnrood dat men nooit heeft kunnen namaken en valt tot op haar voeten. Haar blauwgroene mantel is omzoomd met goudgalon en bezaaid met sterren. Een zon in diverse tinten vormt de prachtige achtergrond waarin gouden stralen schitteren.

Men heeft er geen verklaring voor dat de tilma van 1531 tot op de dag van vandaag bewaard is gebleven. Na meer dan vier eeuwen lijkt de stof van middelmatige kwaliteit altijd nog zo uit de stoffenmakerij te komen en bezit dezelfde frisse tinten als in het begin. Wanneer we een kopie van de Beeltenis van Onze-Lieve-Vrouw van Guadalupe die met grote zorg werd geschilderd in de XVIIIe eeuw en werd bewaard onder dezelfde klimatologische omstandigheden, vergelijken met die van Juan Diego, zien we dat de kopie in weinige jaren volledig in verval is geraakt.

In het begin van de XXe eeuw, een smartelijke periode van revoluties voor Mexico, werd er door ongelovigen, in een met bloemen gevulde vaas, een lading dynamiet onder de Beeltenis gedeponeerd. Door de explosie werden de marmeren treden van het hoofdaltaar, de kandelaars, alle bloemhouders vernietigd; het marmeren altaarstuk werd verbrijzeld, de geel koperen Christus op het tabernakel werd dubbelgebogen. De ramen van de meeste dichtbij de basiliek gelegen huizen werden verbrijzeld, maar het raam dat de Beeltenis beschermde vertoonde nog niet het geringste barstje; de Beeltenis bleef ongeschonden.

De meest bewogen gebeurtenis van mijn leven

In 1936 werd er een onderzoek uitgevoerd op twee vezels van de tilma, de ene rood en de andere geel en men kwam tot verbijsterende conclusies: de vezels bevatten geen enkele bekende kleurstof. De oogheelkundige en optische wetenschap bevestigen dat de aard van de beeltenis niet is te verklaren: deze lijkt op een op stof geprojecteerde dia. Een grondige studie toont aan dat er geen spoor van tekening of schets onder de verf te bekennen is, ook al zijn er op het origineel volstrekt herkenbare retouches te zien, retouches die overigens in de loop der tijd in slechte staat zijn geraakt. Daarbij was de stof nooit opgemaakt geweest, hetgeen onverklaarbaar lijkt als het werkelijk om een schildering gaat, want zelfs op een fijner doek brengt men altijd een grondlaag aan, al was het maar om te voorkomen dat het doek de verf absorbeert en de vezels aan de oppervlakte komen. Geen spoor ook van een penseelstreek. Na een onderzoek met infraroodlicht, dat werd uitgevoerd op 7 mei 1979, schrijft een professor van de NASA: «Wij kunnen met geen mogelijkheid de kwaliteit van de gebruikte kleurstoffen voor de roze jurk, de blauwe sluier, het gezicht en de handen verklaren en evenmin de duurzaamheid van de verf, noch de glans van de kleurstoffen na meerdere eeuwen waarin ze normaal gesproken toch in kwaliteit achteruit hadden moeten gaan... De bestudering van de Beeltenis is de meest bewogen gebeurtenis van mijn leven geweest».

Sterrenkundigen hebben vastgesteld dat alle aan het firmament aanwezige constellaties op het ogenblik waarop Juan Diego zijn tilma open doet voor bisschop Zumárraga, op 12 december 1531, op hun plaats terug te vinden zijn op de mantel van Maria. Men heeft ook ontdekt dat wanneer men een topografische kaart van Centraal Mexico op de japon van Maria legt, de bergen, rivieren en voornaamste meren precies passen in de decoratie van deze japon.

Oogheelkundige onderzoeken leiden tot de conclusie dat het oog van Maria een menselijk oog is dat lijkt te leven, met inbegrip van het netvlies waarin de beeltenis wordt weerspiegeld van een man met uitgestrekte armen: Juan Diego. De beeltenis in het oog beantwoordt aan de bekende wetten van de optiek, met name de wet die beweert dat een goed belicht voorwerp driemaal in het oog kan worden weerspiegeld (wet van Purkinje-Samson). Dankzij een onderzoek van latere datum heeft men ontdekt dat behalve de ziener ook Mgr. Zumárraga en verschillende andere personen die erbij waren toen de beeltenis van Onze-Lieve-Vrouw op de tilma is verschenen, in het oog te zien zijn. Het microscopische normale adernet op de oogleden en het hoornvlies van de ogen zijn tenslotte heel goed herkenbaar. Geen enkele menselijke schilder had dergelijke bijzonderheden kunnen weergeven.

Drie maanden zwanger

Aan de hand van gynaecologische metingen is komen vast te staan dat de Maagd van de Beeltenis de fysieke afmetingen bezit van een vrouw die drie maanden zwanger is. Onder de ceintuur die de japon bijeenhoudt en precies op de plaats van het embryo tekent zich een bloem met vier bladen af: de Zonnebloem, de bekendste onder de Azteekse hiërogliefen en die voor Azteken de goddelijkheid, het centrum van de wereld, de hemel, de tijd en de ruimte symboliseert. Aan de hals van de Maagd hangt een broche waarvan het midden is versierd met een kruisje ter herinnering aan de dood van Christus aan het Kruis voor het heil van alle mensen. Nog meer en andere details aan de Beeltenis van Maria maken het tot een buitengewoon document voor onze tijd die deze details dankzij de moderne technieken heeft kunnen vaststellen. Zo is de wetenschap, die vaak heeft gediend als voorwendsel voor ongelovigheid, ons tegenwoordig behulpzaam door tekenen aan het licht te brengen die eeuwenlang onbekend waren gebleven en die zij niet kan verklaren.

De Beeltenis van Onze-Lieve-Vrouw van Guadalupe bevat een boodschap ter evangelisatie: de basiliek van Mexico is een centrum «van waaruit een rivier van licht van het Evangelie van Christus stroomt dat zich over de hele aarde verspreidt door de goedertierende Beeltenis van Maria» (Johannes Paulus II, 12 december 1981). Bovendien heeft de Maagd door haar tussenkomst ten gunste van het Azteekse volk, bijgedragen tot de redding van talloze mensenlevens en haar zwangerschap kunnen we zien als een bijzondere oproep ten gunste van kinderen die nog moeten worden geboren en van de bescherming van het menselijk leven. Deze oproep is van een brandende actualiteit in onze dagen, nu we worden geconfronteerd met de ene nog ernstigere bedreiging van het leven van personen en volken na de andere, vooral wanneer dit leven zwak is en zich niet kan verdedigen. Het Tweede Vaticaans Concilie betreurde reeds nadrukkelijk de misdaden tegen het menselijk leven: «Al wat verder tegen het leven zelf ingaat, zoals alle soorten van moord, uitroeiing, abortus, euthanasie» dit alles en andere dergelijke dingen zijn onmiskenbaar schandelijk. Ze zijn een aantasting van de menselijke beschaving en ze werpen meer een smet op hen die zich zo gedragen dan op hen die het onrecht hebben te verdragen. En ze zijn volledig in tegenspraak met de eer van de Schepper» (Gaudium et spes, 27). Laten we tegenover deze plagen die zich onder begunstiging van de wetenschappelijke en technische vooruitgang uitbreiden en die een brede maatschappelijke consensus genieten alsook wettelijke erkenning, in vertrouwen Maria aanroepen.

Zij is een «onvergelijkelijk model van aannemen van het leven en zorgen voor het leven... Door ons haar Zoon te tonen, verzekert zij ons dat in Hem de krachten van de dood werden overwonnen» (Johannes Paulus II, Evangelium vitæ, 25 maart 1995, nn. 102, 105). «Dood en leven, o wonder, moeten strijden tezamen. Die stierf, Hij leeft, Hij is onze Koning» (Sequentie van Pasen).

Laten we aan de heilige Juan Diego, door Paus Johannes Paulus II op 31 juli 2002 heilig verklaard, vragen ons te inspireren tot een waarachtige devotie jegens onze Hemelse Moeder want «het medelijden van Maria strekt zich uit tot ieder die haar aanroept, al was het maar met een eenvoudig «Wees gegroet, Maria»» (Heilige Alfonsus Maria de Liguori). Zij verkrijgt voor ons de Barmhartigheid van God, in het bijzonder indien wij in ernstige tekortkomingen zijn vervallen, Zij die Moeder van Barmhartigheid is.

Dom Antoine Marie osb

Om het Blad van de Abdij Saint-Joseph de Clairval te publiceren in een tijdschrift, blad... of on het internetsite of een website te plaatsen, is een toelating vereist. Deze dient te worden aangevraagd per E-Mail or bij http://www.clairval.com.

Index der Briefe  - Home Page

Webmaster © 1996-2017 Traditions Monastiques