Blason  Abdij Saint-Joseph de Clairval

F-21150 Flavigny-sur-Ozerain

Frankrijk


[Cette lettre en français]
[This letter in English]
[Dieser Brief auf deutsch]
[Esta carta en español]
[Questa lettera in italiano]
2 februari 2004
Opdracht van Jezus in de Tempel
Reiniging van de H.Maagd


Dierbare Vriend van de Abdij Saint-Joseph de Clairval,

«Een tegenwoordig wijd verbreide dwaling is de onachtzaamheid voor de wet van menselijke solidariteit en naastenliefde, opgelegd zowel door de gemeenschappelijke oorsprong en de gelijkheid van de redelijke natuur bij alle mensen, tot welk volk ze ook behoren, alsook door het verlossend offer, dat door Christus op het altaar van zijn kruis aan zijn hemelse Vader is gebracht voor de zondige mensheid» (Pius XII, encycliek Summi pontificatus). Het is dus dringend noodzakelijk deze maatschappelijke solidariteit, een vereiste voor menselijke en christelijke broederschap, te ontwikkelen. In het bijzonder «sociaal-economische problemen kunnen slechts worden opgelost met behulp van alle vormen van solidariteit: solidariteit tussen armen, tussen rijken en armen, tussen arbeiders, tussen werkgevers en werknemers in de ondernemingen, tussen naties en volkeren. Internationale solidariteit is een eis van morele aard. De wereldvrede hangt er ten dele van af» (Katechismus van de Katholieke Kerk, KKK, 1939-1941).

Op 1 oktober 2000 heeft de Paus een moedige Amerikaanse vrouw, Katharine (Catherine) Drexel, heilig verklaard; door altijd eerst het Koninkrijk Gods en zijn gerechtigheid te zoeken, heeft ze het belang begrepen van solidariteit en heeft aldus een bijdrage geleverd aan de ontwikkeling en de sociale vrede.

Een goede belegging voor de toekomst

Catherine Drexel is geboren op 26 november 1858 te Philadelphia in Pennsylvania (in het oosten van de VS). Haar vader, Francis, bezit met haar twee broers een internationale banktrust welke maatschappijen in New York en in Londen omvat. Haar moeder, Hannah, overlijdt vier weken na haar geboorte en laat twee dochters achter: Elisabeth en Catherine. Francis gaat dan een tweede huwelijk aan met Emma Bouvier; uit deze verbintenis zal een dochter, Louise, geboren worden. De Drexels, die tot de hoge kringen van Philadelphia behoren, zijn zeer gul en leveren royale bijdragen aan liefdadige werken. Francis doet zijn best om aan de behoeftigen de nodige bijstand te verlenen, zonder dat zijn omgeving er weet van heeft. Hij heeft een bijzondere belangstelling voor en steunt vooral buitenlandse priesters die zijn gekomen om hun hulpbehoevende landgenoten te dienen. Iedere dag brengt hij na zijn werk geruime tijd in zijn kamer alleen door in gebed. Teneinde haar kinderen met de armen in contact te brengen stelt Emma driemaal per week haar huis voor hen open. Beide echtgenoten zijn ervan overtuigd dat hun rijkdom God toebehoort en dat zij er zich van moeten bedienen om de armen te helpen. Zij passen de raadgeving van de heilige Paulus naar de letter toe: De rijken van deze wereld moet u dringend vermanen niet overmoedig te zijn en hun hoop niet te stellen op de ongewisse rijkdom, maar op God die ons alles rijkelijk te genieten geeft. Zeg hun dat zij wel doen, zich verrijken door goede daden, en vrijgevig zijn en milddadig. Zo bezorgen zij zich een goede belegging voor de toekomst, om eenmaal het leven te verwerven dat waarlijk leven is (1 Tim 6, 17-19). Het gezin komt dagelijks bij elkaar om te bidden en iedere ochtend woont men de heilige mis bij. Emma zorgt voor een complete vorming tot mens van haar dochters: literatuur, wiskunde, wijsbegeerte, kunst, muziek, vreemde talen. De materiële welstand stelt de meisjes niet vrij van het leren koken en eigen jurken maken.

Geregelde reizen naar Europa, voor de bankbelangen van hun vader, bieden Catherine en haar zusters de gelegenheid de wonderen en de beroemde plekken van het oude continent te bezoeken. Catherine die altijd blij is en genoegen schept in het reizen, beoordeelt dankzij een diep religieus gevoel alle dingen naar hun juiste waarde. De schilderijenverzamelingen, de paleizen en kunstwerken die ze in de Europese steden te zien krijgt, laten uiteindelijk een onbevredigd gevoel achter. Geen enkele plek, geen enkel cultuurmonument kunnen de vurige verlangens van haar hart bevredigen. Natuurlijk, «alleen God verzadigt», zoals de heilige Thomas van Aquino heeft geschreven (Commentaar op het Credo). Zeker, ieder mens draagt het verlangen naar geluk in zich, zo schrijft de heilige Augustinus: « Wij willen allen gelukkig leven en in het mensengeslacht is er niemand die niet zou instemmen met deze stelling, zelfs niet voordat ze helemaal uitgesproken is ». Maar dit verlangen is van goddelijke oorsprong; God heeft het in het hart van de mens gelegd om het mensenhart naar Zich te trekken, want Hij is de enige, die in staat is om het te vervullen. Want « God roept ons tot zijn eigen zaligheid... Hij heeft ons in de wereld gezet om Hem te kennen, Hem te dienen en Hem te beminnen, en zo in het paradijs te komen » (KKK, 1718-1721).

In 1879 wordt Emma ziek. Ze wordt tijdens de drie jaren van haar ziekte met liefde verzorgd door Catherine die dan 21 is. Haar reeds heldere blik op het leven wordt door dit contact met het lijden gezuiverd. Ze realiseert zich dat rijkdom de afgod van de dag is en dat niets van het grote fortuin van de Drexels het lijden kan opheffen of de dood van Emma beletten. Catherine stelt zich de vraag wat de ware betekenis van rijkdom en eer is en door ernstig na te denken over de zin van het bestaan begrijpt ze dat « het ware geluk niet ligt in rijkdom of welzijn, noch in menselijke eer en macht, noch in welk menselijk werk dan ook, hoe nuttig dit ook moge zijn, zoals wetenschap, techniek en kunst, noch in enig schepsel, maar in God alleen, bron van alle goed en alle liefde » (KKK, 1723).

Geven voor niets

Emma sterft in januari 1883. Om zijn dochters te verstrooien besluit vader Drexel met hen opnieuw een reis naar Europa te maken. Op 18 november 1883 ziet Catherine in de basiliek van San Marco in Venetië een schilderij van de heilige Maagd en hoort deze tegen haar zeggen: Voor niets hebt gij ontvangen, voor niets moet gij geven. Zij herkent ogenblikkelijk de passage uit het evangelie (Mt 10,8) die de heilige Franciscus van Assisië diep heeft beïnvloed. Het meisje heeft inderdaad een grote devotie voor deze heilige wiens liefde voor de natuur en ijver voor de armen zij deelt. De woorden die zij heeft gehoord komen haar voor als een wegwijzer voor haar toekomst, zelfs al begrijpt ze nog niet op welke manier zij zou moeten «geven».

Na een volgende reis, deze keer naar het verre westen van Amerika, waar Catherine voor het eerst in contact treedt met het leven van de Indianen en waar zij haar eerste schenkingen doet aan de missie, wordt de familie Drexel opnieuw beproefd. Vader, Francis, sterft op 15 februari 1885 en laat een onmetelijk fortuin na aan zijn drie dochters en erfgenamen.

De gezondheid van Catherine heeft een zware klap gekregen door de dood van haar ouders; om haar weer te been te brengen bieden haar zusters haar een verblijf in het kuuroord Schwalbach in Duitsland aan. Zij maken van hun verblijf in Europa gebruik om priesters en religieuzes te werven ten gunste van de Indianenmissies in de Verenigde Staten en gaan naar Rome waar ze in januari 1887 door paus Leo XIII in particuliere audiëntie worden ontvangen. Wanneer Catherine de Heilige Vader smeekt missionarissen naar de Indianen te zenden ontvangt ze het onverwachte antwoord: «Waarom, lieve kind, word je zelf geen missionaris? – Heiligheid, zegt ze, ik heb niet om religieuzes gevraagd maar om priesters». Ze heeft de betekenis van de vraag van de paus niet goed begrepen maar de onrust waarmee ze al zo lang rondloopt bereikt haar hoogtepunt: al vanaf haar veertiende heeft ze een aanhoudende aantrekkingskracht gevoeld voor het religieuze leven; ze heeft er zelfs vaak over gesproken met haar stiefmoeder zonder er ook maar enigszins in te zijn aangemoedigd. De roeping voor het kloosterleven, akkoord, maar de missie....daar heeft ze nog nooit aan gedacht!

In september van dat zelfde jaar bezoekt Catherine met haar zusters de Indianenmissies in Noord- en Zuid-Dakota, te paard, met de huifkar en per trein, door onherbergzaam en gevaarlijk gebied. Daar ontmoet ze Red Cloud, het beroemde opperhoofd van de Sioux en ervaart in welke erbarmelijke omstandigheden de Indianen moeten leven. Zodra ze is teruggekeerd besluit Catherine over te gaan tot stelselmatige hulpverlening ten gunste van de Indianenmissies. In vier jaar financiert ze de bouw van dertien scholen. De aandacht voor de Indianen gaat gepaard met extra zorg voor het lot van de zwarte Amerikanen die, ondanks officieel uit de slavernij te zijn bevrijd, nog altijd onrechtvaardig worden behandeld.

«De geest van solidariteit moet groeien in de wereld om het egoïsme van personen en volkeren te overwinnen. Alleen op deze manier kunnen we het zoeken naar politieke macht en economische rijkdom buiten iedere verwijzing naar andere waarden afremmen» (Johannes Paulus II ter gelegenheid van de jubeljaarviering voor de politiek-verantwoordelijken op 4 november 2000).

Een heilzaam vooruitzicht

Catherine herkent in al die armen kinderen van God die naar Hem moeten worden geleid. Al wat gij gedaan hebt voor een dezer geringsten van mijn broeders, hebt gij voor Mij gedaan (Mt 25,40) zal Jezus zeggen op de laatste dag, tegen hen die de werken van liefde hebben beoefend. Het vooruitzicht van het oordeel van God is een noodzakelijk licht voor ons leven hier op aarde; H. Benedictus raadt dan ook aan er dikwijls aan te denken (Regel, hfst. 4). « Het laatste oordeel zal tot in zijn uiterste consequenties openbaren wat iedereen tijdens zijn aardse leven aan goed heeft gedaan of nagelaten heeft te doen » (KKK 1039). H.Augustinus merkt op: «De Heer zal zich dan tot de kwaden richten: Ik had, zo zal Hij zeggen, mijn arme kleine lieden op de wereld gezet voor u. Ik, hun leider, troonde in de hemel aan de rechter zijde van mijn Vader, maar op de aarde hadden mijn ledematen honger. Als u aan mijn ledematen had gegeven, zou hetgeen u zou hebben gegeven tot het hoofd gekomen zijn. Toen Ik mijn arme kleine lieden op de aarde plaatste, heb Ik ze aangesteld tot commissionnairs om uw goede werken naar mijn schatkist te dragen: u heeft niets in hun handen gelegd, daarom bezit u niets bij mij». «Jezus zal de uitverkorenen herkennen aan datgene wat zij voor de armen gedaan hebben» (KKK, 2443).

Lange tijd werd Catherine door haar geestelijk leidsman, Mgr. James O'Connor, bisschop van Omaha (Nebraska), ontraden aan een religieuze roeping gevolg te geven omdat hij haar niet in staat acht tot zo'n uiterst sober leven; van hem moet ze nadenken, wachten en bidden. In november 1888, na lezing van een brief waarin Catherine gewag maakt van de ongerustheid en droefheid door het lange wachten, verandert Mgr. O'Connor tenslotte van mening en stelt haar drie religieuze congregaties voor. Catherine antwoordt dat zij een missieorde voor Indianen en zwarte Amerikanen verlangt; maar die bestaat niet! Mgr. O'Connor moedigt haar dan aan om zelf een nieuwe congregatie op te richten. Dat vooruitzicht boezemt Catherine weinig geestdrift in: «De verantwoording voor een dergelijke roeping verplettert mij welhaast, want ik bezit zo goed als geen van de nodige deugden». De bisschop blijft echter bij zijn mening en op het feest van de H. Jozef, 19 maart 1889, geeft Catherine zich gewonnen: «Het feest van de H. Jozef bracht me de genade om de rest van mijn leven aan de Indianen en de zwarten te geven en geheel uw zienswijze voor wat het beste is voor het heil van deze volken over te nemen». Mgr. O'Connor vraagt dan aan de Zusters van Barmhartigheid in Pittsburgh Catherines vorming voor het religieuze leven op zich te nemen. Zij wordt in hun noviciaat ontvangen op 7 november 1889; maar een paar maanden later wordt het oprichtingsproject door de dood van Mgr. O'Connor beroofd van de enige man die het steunde.

Deze dood die ogenschijnlijk op zo'n ongelukkig moment plaats vindt, zuivert de ziel van zuster Catherine en bereidt haar voor op haar toekomstige taak. Dan komt de aartsbisschop van Philadelphia, Mgr. Patrick Ryan, haar te hulp.

Het lot van de Heilige Familie

Op 12 februari 1891 doet Catherine Drexel professie als eerste «Zuster van het Heilig Sacrament voor de Indianen en de Zwarten». «De geloften, zegt ze, perken de vrijheid in maar zij geven ons de vrijheid om het goede te doen. Wij worden gesterkt om de lasten te dragen en de dingen te doen die onmogelijk lijken». Aan de gebruikelijke geloften van armoede, kuisheid en gehoorzaamheid voegt ze de gelofte toe van «moeder en dienares van de Indianen en zwarte volken te zijn volgens de Regel van de Zusters van het Heilig Sacrament, en geen enkel werk op zich te nemen dat zou kunnen voeren tot verwaarlozing of in de steek laten van de Indianen of de Zwarten». Aangezien het klooster van haar nieuwe stichting nog niet af is opent ze haar noviciaat in Torresdale, in het zomerverblijf van haar familie. Tien novices en drie postulantes voegen zich weldra bij haar. Een jaar later telt de communiteit 21 leden! De zusters zitten in het klooster voor het einde van de werkzaamheden en leren aldus heel wat van het sobere leven kennen wanneer ze het moeten stellen zonder water, licht en verwarming. «Iedere beproeving die wij ondergaan, zo zal de stichteres schrijven, is een daad van Gods barmhartigheid, teneinde ons los te maken van het aardse en ons dichter bij God te brengen».

De communiteit ontvangt regelmatig bezoeken van bisschoppen en priesters-missionarissen die aan zuster Catherine vragen om religieuzes. Maar, op aanraden van Mgr. Ryan, wachten ze drieëneenhalf jaar alvorens een eerste pensionaat in de H.Catherina van Santa Fe Missie (Nieuw Mexico) te openen. De zusters kunnen zich er goed aanpassen ondanks het harde leven in deze bijna verlaten streek. Door de Indianen worden ze gerespecteerd en beschermd. Op een dag wordt moeder Catherine, die de slachtoffers van een epidemie in een dicht bij de missie gelegen dorp wil verzorgen, de toegang geweigerd: de Indianen zijn zo zeer op haar gesteld dat ze niet graag willen dat zij op die manier zou worden besmet.

Moeder Catherine wordt vaak op haar reizen door dit land de deur gewezen en deelt aldus het lot van de heilige familie, hetgeen haar inspireert tot de volgende overdenking: «Het is voor ons heel goed dat de mensen van deze stad geen plaats voor ons en ons werk hebben. Het is maar al te waar dat de grot van Bethlehem de grote opvoedster van de wereld is... Laat niet na te denken aan Degene op wie ik plechtig verklaar verliefd te zijn! Wees verliefd op zijn vernederingen».

Catherine heeft afstand gedaan van een fortuin om vrijwillig de armoede te omhelzen die haar dierbaar is, zoals blijkt uit deze regels die ze schreef aan een van haar religieuzes: « Als u zich los hebt gemaakt van de aardse dingen, draagt u het koninkrijk Gods in u. Als u zich niet los hebt gemaakt, zult u zich inbeelden dat veel dingen noodzakelijk zijn en zult u uiteindelijk een gemakzuchtig leven leiden. God maakt vol wat leeg is». Zij heeft zich gerealiseerd dat « de liefde voor de armen niet te verzoenen is met een buitensporig verlangen naar rijkdom of met het egoïstisch gebruik ervan » (KKK 2445). Maar vooral heeft ze begrepen dat de beste manier om hen die arm zijn en aan de zelfkant van de maatschappij leven te helpen is te werken aan hun algehele ontwikkeling. «Het gaat er niet alleen om alle volken te verheffen tot het niveau dat nu de rijkste landen genieten, zo zal Paus Johannes Paulus II ons in herinnering brengen, maar in solidaire arbeid werken aan een waardiger leven op te bouwen, daadwerkelijk de waardigheid en de creativiteit van iedere afzonderlijke mens te vergroten, alsmede zijn vermogen om te beantwoorden aan zijn eigen roeping en dus aan de daarin begrepen oproep van God. Op het hoogtepunt van de ontwikkeling staat de uitoefening van het recht en de plicht om God te zoeken en te kennen en om dienovereenkomstig te leven» (Encycliek Centesimus annus, 1 mei 1991, n. 29). Daarom beperken de inspanningen van de nieuwe stichting zich niet tot eenvoudige naastenliefde, maar richten zich op een menselijke en christelijke vorming van misdeelde bevolkingsgroepen. De liefde voor de armen «betreft niet enkel de materiële armoede, maar eveneens de vele vormen van culturele en religieuze armoede» (KKK, 2444).

De diepste band

Als stichteres stelt moeder Catherine een levensregel op voor de zusters van het Heilig Sacrament. In juli 1907 ontvangt ze in Rome een eerste goedkeuring van Paus H.Pius X en wordt enige tijd later gekozen tot generale Overste van de stichting van de «Zusters van het Heilig Sacrament voor de Indianen en de Kleurlingen».

Waarom «Zusters van het Heilig Sacrament»? Met de haar eigen scherpzinnigheid had ze begrepen dat de Eucharistie, de levende aanwezigheid van Jezus, de diepste band tussen de mensen is en dus die tussen alle rassen die zijn geroepen in hetzelfde land samen te leven. «Jezus is de enige bron van ware vrede in de wereld, zal Johannes Paulus II opmerken. Er kan geen hoop op ware vrede in de wereld bestaan buiten Christus... Hoe verschaft Christus deze vrede? Hij heeft deze verdiend door zijn Offer. Hij heeft zijn leven gegeven om God weer met de mens te verzoenen.... Dit offer dat de familie der mensheid doet verlangen naar eenheid wordt in de Eucharistie tegenwoordig gesteld. En aldus is iedere eucharistische viering de bron van een nieuwe gave van de vrede... De gave die Christus doet van Hem Zelf is machtiger dan alle krachten van verdeeldheid die de wereld verdrukken» (Eucharistisch Congres, 11 maart 1988).

De weldaden van de Eucharistie bereiken alle dochters van Moeder Catherine, die schrijft: «De religieuze heeft kracht nodig. Dichtbij het tabernakel vindt de ziel kracht, troost en berusting. De religieuze heeft deugden nodig. Jezus in het Heilig Sacrament is het toonbeeld der deugden. De religieuze heeft hoop nodig. In het Heilig Sacrament bezitten wij de kostbaarste waarborg voor onze hoop. De Hostie bevat de kiem van het toekomstig leven».

In september 1912, tijdens een bezoek aan de missies in Nieuw Mexico, wordt Moeder Catherine aangestoken door tyfus. Wanneer ze dichtbij de dood lijkt te zijn, vertrouwt ze haar omgeving toe: «Ik verkeer in volmaakte vrede». Maar na een verblijf op de ziekenafdeling van het moederhuis herstelt ze weer en hervat haar activiteiten. In april 1913 scheept ze opnieuw in naar Rome waar ze de definitieve goedkeuring voor haar congregatie ontvangt.

Een doeltreffende manier van bidden

In 1935 krijgt ze tijdens een bezoek aan de missies in het Verre Westen een ernstige hartaanval en moet zich uit het actieve leven terugtrekken. Ze leeft echter nog een twintigtal jaren in voortdurend gebed en draagt de fysieke ongemakken met geduld. «Nederige en geduldige aanvaarding van het kruis, wat de aard ervan ook moge zijn, is het verhevenste werk dat ons te doen staat», had ze geschreven. Ze geeft zich volledig over aan het contemplatieve leven waarvan ze in haar kinderjaren heeft gedroomd en dat haar eindelijk is toegestaan. « Ik heb een uiterst doeltreffende manier van bidden ontdekt, zegt ze. Het Hart van Jezus is ook mijn hart, daar ik lidmaat van zijn Lichaam ben en met zijn Hart bid ik tot God, mijn Vader, en zo wordt mijn gebed altijd verhoord». Op 3 maart 1955 geeft ze vredig haar ziel terug aan God en vervoegt zich in de eeuwige zaligheid bij Jezus, haar goddelijke echtgenoot. Tegenwoordig telt de congregatie 229 zusters die zich in de educatieve en de pastorale sector en in de gezondheidszorg nuttig maken voor de allerarmsten en meest verlatenen onder de Indianen en de Zwarten in 14 staten van Amerika, in Haïti en Guatamala.

Het mooie voorbeeld van de heilige Catherine Drexel is een aanmoediging voor ieders persoonlijk gedrag. De heilige Rosa van Lima zei ooit: «Wanneer wij de armen en de zieken dienen, dienen wij Jezus». Daarom heeft de Kerk altijd een bijzondere liefde gekoesterd voor de armen.

Voor hen die noch de middelen, noch de kracht bezitten om de armen rechtstreeks te hulp te komen, vormen de laatste twintig jaar van het leven van de heilige Catherine een lichtend voorbeeld. Zij richtte zich naar Gods wil in haar aanvaarding van haar lijden en in haar vurige gebed. «Door zijn Lijden en Dood aan het Kruis heeft Christus een nieuwe betekenis gegeven aan het lijden: het geeft ons voortaan de mogelijkheid met Hem gelijkvormig te worden en ons met zijn verlossend lijden te verenigen. (...) Door het gebed kunnen wij uitmaken wat God van ons wil en de volharding verkrijgen om Gods wil te doen. Jezus leert ons dat men het rijk der hemelen binnengaat, niet door woorden, maar doordat men de wil doet van mijn Vader die in de hemel is (Mt 7,21) » (KKK, 1505 en 2826).

Moge de Heer u deze genade verlenen evenals aan allen die u dierbaar zijn!

Dom Antoine Marie osb

Om het Blad van de Abdij Saint-Joseph de Clairval te publiceren in een tijdschrift, blad... of on het internetsite of een website te plaatsen, is een toelating vereist. Deze dient te worden aangevraagd per E-Mail or bij http://www.clairval.com.

Index der Briefe  - Home Page

Webmaster © 1996-2017 Traditions Monastiques