|
Geestelijke Brief |
Copyright © 1996-2010 Abdij Saint-Joseph de Clairval |
|
[Cette lettre en français] [This letter in English] [Dieser Brief auf deutsch] [Esta carta en español] [Questa lettera in italiano] |
25 november 2003 H. Catharina Labouré |
De jonge John Henry, die op 21 februari 1801 als zoon van een Londense bankier is geboren, ontvangt van zijn moeder, die afstamt van Franse protestanten, een godsdienstige opvoeding die is doordrenkt van calvinisme. Zeer vooringenomen jegens het katholicisme, is hij er vast van overtuigd dat de Paus de antichrist is. Er vindt echter op vijftienjarige leeftijd, wanneer hij begint aan zijn opleiding aan de hogeschool van Ealing, dichtbij Londen, een serieuze verandering in zijn geest plaats, dankzij een van boven gekomen licht. «Ik ervoer voor het eerst, schrijft hij, de invloed van een bepaald credo en ik werd me bewust van wat een dogma is, een indruk die godzijdank nooit is uitgewist noch verduisterd». Bovendien maakte zich een gedachte, die strijdig was met zijn protestantisme, zich van hem meester: hij voelt zich door God geroepen tot een celibatair leven. Daarom besluit hij iedere gedachte aan een huwelijk terzijde te schuiven en vrijgezel te blijven en een kerkelijke loopbaan binnen de anglicaanse kerk te omhelzen.
De eerste plaatsbekleder van Christus
In 1820 behaalt de jonge student zijn baccalaureaatsdiploma en twee jaar later wordt hij benoemd tot fellow (onderscheiding die wordt toegekend aan de besten onder de gediplomeerden van ieder college) van het Oriel College, hetgeen betekent dat hij rechtstreeks zijn intrede doet in de fijnste kringen van Oxford. In 1828 wordt hem een baan gegeven als mentor waarbij hij tegelijk belast is met het literatuuronderwijs en met de morele opvoeding van de studenten. Door de omgang met de andere stafleden van het college ondergaat hij de invloed van de destijds heersende ideeën: een overmatig groot vertrouwen in de mensen en in de menselijke vrijheid in weerwil van iedere beteugeling en iedere wet. «Ik begon de intellectuele boven de morele superioriteit te stellen; ik begon af te drijven», zal hij schrijven. Onder de goede invloed van een vriend, Hurrel Froude, verlaat Newman deze funeste weg. Wanneer hij in 1824 diaken van de anglicaanse kerk wordt gewijd, wordt hij weldra kapelaan van de Saint Clement kerk in Oxford om vervolgens pastoor te worden van de Saint Mary kerk, de kerk van de universiteit (1828).
De kerk waarvan hij dan lid is verkeert volop in een crisis. Na drie eeuwen van vervolging van het katholicisme wordt de officiële godsdienst van Engeland niet meer betwist maar is wel kwijnende en levenloos. De geestelijkheid, gedreven door zuiver menselijke motieven, is vooral bezig met allerlei winstgevende zaken en bekommeren zich weinig om de geestelijke leiding die zij worden geacht te geven of om het verrichten van enig apostolaatswerk. De eredienst is ontdaan van luister en zonder enige waardigheid. De anglicaanse kerk lijkt niet zozeer de hoedster van de religieuze overtuiging die zich aan de rede opdringt en het geweten belicht als wel een instelling die zeer nauw is verbonden met de staat waarvan zij politieke privileges en grote rijkdommen heeft ontvangen.
De hartstochtelijke belangstelling voor de Oudheid
In 1830 komt de heer Hugh Rose, uit Cambridge, die op zoek is naar medewerkers voor een kerkelijke bibliotheek, bij Newman met het voorstel een geschiedenis te schrijven van de eerste Concilies. Om dit werk te kunnen uitvoeren bestudeert John Henry nauwkeurig de kerkvaders van Alexandrië, in het bijzonder de heilige Athanasius en Origines; hij houdt er de overtuiging aan over dat de Voorzienigheid, met de engelen als tussenpersonen, de gebeurtenissen en de volkeren, joden en heidenen, naar de volledige Openbaring van de Waarheid in Jezus Christus heeft geleid. Pas tegen het einde van 1833 zal de vrucht van deze studie worden gepubliceerd onder de titel: De Arianen van de IVe eeuw.
Trekken aan de noodbel
Hoewel de doctrinaire positie van de anglicaanse kerk in de ogen van Newman onaantastbaar lijkt, heeft hij de indruk dat haar morele verval verband houdt met het loslaten van de patristieke Traditie. Door zijn contact met de kerkvaders hoopt hij op een verjonging van zijn kerk. Omdat hij ervan overtuigd is dat de leer van de anglicaanse kerk berust op de vaders is hij van mening dat terugkeer naar de vaders synoniem is met terugkeer naar de anglicaanse theologen van de XVIe eeuw. Newman stelt zich op ten gunste van een via media (middenweg), een soort van stellingname tussen het protestantisme en het rooms katholicisme, een stellingname naar welke hij tegen het eerste het gezag van de Traditie en de eerste kerkvaders volhoudt en in het tweede leerstellingen verwerpt die hem voorkomen als vernieuwingen die zich in de loop der eeuwen hebben voorgedaan.. Anderzijds beschouwt hij de anglicaanse kerk als een tak van de katholieke Kerk waarnaast nog de Griekse en de roomse Kerk zijn vertegenwoordigd.
Maar in 1839, wanneer hij de geschiedenis bestudeert van de monofysieten (ketters uit de Ve eeuw die volhielden dat er in Jezus maar een natuur vertegenwoordigd is), dringt het tot hem door dat het onmogelijk is het anglicanisme te blijven verdedigen. Het is een donderslag bij heldere hemel, totaal onverwacht.. «Voor mij werd het moeilijk, zo legt hij ons uit, aan te tonen dat de monofysieten ketters waren zonder toe te geven dat de protestanten en de anglicanen dat ook waren; tegen de vaders van het Concilie van Trente argumenten aan te voeren die geen consequenties zouden hebben voor die van Chalcedonië (Oecumenisch Concilie van 451 tegen de monofysieten); de pausen van de XVIe eeuw te veroordelen zonder tegelijkertijd die van de Ve te veroordelen. In het ene als in het andere geval ging het om precies dezelfde strijd tegen de dwaling en voor de waarheid. De beginselen en het gedrag van de huidige Kerk waren die van de Kerk van destijds; de beginselen en het gedrag van de ketters van destijds waren die van onze protestanten: dat was hetgeen ik constateerde, tot mijn spijt».
Een theorie waar niets van over bleef
Newman geeft echter zijn verdediging van het anglicanisme nog niet op. Hoewel hij erkent dat de anglicaanse Kerk noch de eenheid noch de universaliteit van de Kerk van Christus bezit, wil hij toch proberen te bewijzen dat zij op zijn minst de andere kenmerken van de ware Kerk vertoont. Hij stelt dan het «Tract 90» op waarin hij tracht aan te tonen dat de 39 artikelen die door koningin Elisabeth in 1571 zijn afgekondigd (de artikelen die de grondslag vormen van het anglicaanse Credo) verenigbaar zijn met de katholieke beginselen. Maar dat geschrift is de vonk in het kruitvat. De verantwoordelijken van de universiteit en het merendeel van de anglicaanse bisschoppen keuren het ten strengste af en alle aanhangers van het Tract zijn in hun ogen verdacht. Het is een verschrikkelijke klap voor Newman; hij ziet erin het bewijs dat zijn Kerk de katholieke elementen die hij er in wil aanbrengen niet kan en niet wil opnemen.
«Wat zouden de Vaders in mijn plaats doen?»
Tijdens zijn teruggetrokken bestaan kwam nog een andere gedachte op in Newmans geest: als de «nieuwe dogma's» waarvan de anglicanen de roomse Kerk het verwijt maken die te hebben gefabriceerd, nu eens een homogene ontwikkeling van het apostolisch geloof waren? Hij gaat dan van start met het schrijven van zijn Essay over de ontwikkeling van het christelijke dogma. Deze studie stelt hem in staat de laatste hindernis te overwinnen die hem nog buiten de roomse Kerk houdt; deze laatste heeft inderdaad niets verzonnen; zij heeft alleen uit het bezinksel van de Openbaring steeds duidelijker wordende, maar altijd in dezelfde richting wijzende leerstellingen gehaald. Op 6 oktober 1845 onderbreekt hij plotsklaps zijn werk en laat vervolgens twee dagen later een Italiaanse katholieke geestelijke, pater Dominicus, naar Littlemore komen. Nauwelijks is deze aangekomen of Newman valt aan zijn voeten neer en vraagt hem de biecht af te nemen. Na een nacht van gebed legt Newman met twee leerlingen zijn katholieke geloofsbelijdenis af en ontvangt voorwaardelijk het doopsel.
Voortaan hoort hij «door een werking van de goddelijke barmhartigheid, bij de Kerk die Christus heeft gesticht en die wordt geleid door de opvolgers van Petrus en van de andere apostelen, in wier handen de instellingen en de leer van de oorspronkelijke apostolische gemeenschap heel en levend blijven» (Verklaring Mysterium Ecclesiæ van de Congregatie voor de Geloofsleer, 24 juni 1973). Hoewel een zekere vreugde te mogen behoren bij de katholieke Kerk is gerechtvaardigd, is het niet gepast er hoogmoedig van te worden en dient men er eerder nederig dank voor te zeggen. Het is inderdaad zo «dat alle kinderen van de Kerk dienen te gedenken dat zij hun verheven levensstaat niet aan hun eigen verdiensten, maar aan een bijzondere genade van Christus te danken hebben; indien zij aan die genade niet beantwoorden met gedachte, woord en werk, zullen ze geenszins gered, maar veeleer strenger worden veroordeeld» (Tweede Vaticaans Concilie, Lumen gentium, 14).
De dierbaarste vriendin
De Kerk is het werk van Jezus Christus, «het werk waarin Hij wordt voortgezet, wordt weerspiegeld en waardoor Hij altijd aanwezig is in de wereld. Zij is zijn echtgenote aan wie Hij zich volledig heeft gegeven; Hij heeft haar gekozen voor zich, Hij heeft haar gesticht en houdt haar altijd levend. Bovendien heeft Hij zijn leven gegeven opdat zij zou leven... Broeders, weest welbewust van deze waarheid: Jezus Christus heeft de Kerk bemind... Indien God de Kerk zozeer heeft bemind dat Hij zelfs zijn leven voor haar heeft opgeofferd, betekent dat dat zij ook onze liefde waardig is» (Johannes Paulus II, preek uitgesproken in Costa Rica op 3 maart 1983). De H.Augustinus kon het aldus kort formuleren: «In de mate waarin iemand de Kerk bemint, bezit hij de Heilige Geest». Dat is wellicht een van de kostbaarste lessen uit het leven van kardinaal Newman. Zijn geschriften werpen een zeer helder licht op de Kerk als onafgebroken uitstorting van de liefde van God voor de mens, in ieder tijdvak van de geschiedenis. De kardinaal had een authentieke en bovennatuurlijke visie die hem in staat stelde alle aanwezige zwakheden in het menselijk weefsel van de Kerk op te merken maar ook om het voor onze menselijke blik onzichtbare mysterie feilloos waar te nemen. Wij mogen ons het vurig gebed tot Jezus Christus dat spontaan in zijn hart opwelde, eigen maken: «Maak dat ik nooit vergete dat Gij op aarde een koninkrijk hebt gesticht dat het Uwe is, dat de Kerk de Uwe is, gevestigd door U, Uw werktuig; dat wij onderworpen zijn aan Uw regels, Uw wetten, Uw blik en dat wanneer de Kerk spreekt, Gij het zijt die spreekt. Maak dat de innerlijke wetenschap van deze wonderbare waarheid mij jegens haar niet ongevoelig make, maak dat de zwakheid van Uw menselijke vertegenwoordigers mij niet doet vergeten dat Gij het zijt die door hen spreekt en handelt».
Paus Johannes Paulus II zei tot de jongeren die in juli, vorig jaar, in Toronto samen waren gekomen: «Als jullie Jezus beminnen, bemin de Kerk». Laten we aan Maria onze Moeder vragen dat wij mogen leven als ware zonen en dochters van de heilige katholieke Kerk ten einde voor het eeuwig leven waardig te worden bevonden.