Blason  Abdij Saint-Joseph de Clairval

F-21150 Flavigny-sur-Ozerain

Frankrijk


[Cette lettre en français]
[This letter in English]
[Dieser Brief auf deutsch]
[Esta carta en español]
[Questa lettera in italiano]
15 september 2003
Maria, Moeder van Smarten


Dierbare Vriend van de Abdij Saint-Joseph de Clairval,

«Omdat de mens tijdens zijn aardse leven op een of andere manier de weg van het lijden gaat...» Het menselijk lijden roept medelijden en respect op. Het maakt de mens ook angstig, want het draagt in zich de grootheid van een bijzonder mysterie...» Door de tijden heen hebben vele mensengeslachten steeds weer kunnen vaststellen dat er in het lijden een bijzondere kracht ligt verborgen, een bijzondere genade, die de mens innerlijk tot Christus brengt. Vele heiligen, zoals Franciscus van Assisië, Sint-Ignatius van Loyola enz. danken hieraan hun radicale bekering. De vrucht van die bekering is niet alleen het feit dat de mens de verlossende zin van het lijden ontdekt, maar vooral dat hij in het lijden een geheel nieuwe mens wordt» (Apostolisch schrijven Salvifici doloris, 3,4,26). Het leven van de zalige Anna Schäffer is merkwaardigerwijze een illustratie van wat de Heilige Vader daarin vaststelt.

Anna Schäffer wordt op 18 februari 1882 geboren in Mindelstetten, een dorp in Neder–Beieren in het diocees Regensburg (Zuid-Duitsland), in een kinderrijk gezin waarvan de vader houtbewerker is. De Schäffers zijn goede christenen, trouw aan het ochtend-, middag- en avondgebed; op zon- en feestdagen gaan ze naar de mis en als het kan ook in de week. Anna is een bescheiden, zachtaardig en verlegen kind, kan goed leren en weet ook haar handen te gebruiken. In 1896 sterft haar vader op veertigjarige leeftijd en laat zijn gezin achter in grote armoede. Anna, die als het kan graag religieuze wil worden in een missiecongregatie, moet gaan werken om haar bruidsschat (de financiële bijdrage die destijds onontbeerlijk was om in te treden) te verdienen. Op veertienjarige leeftijd treedt ze in dienst als «meisje-alleen», eerst in Regensburg bij een apotheekster, daarna in Landshut bij een raadslid van de kantonrechtbank. Daar ontvangt ze voor de eerste keer op een avond in juni 1898, een boodschap uit de hemel: er verschijnt haar een heilige (wiens naam ze niet zou kunnen zeggen) die tegen haar zegt: «Voor je twintig bent zal je veel gaan lijden. Bid de rozenkrans». Later zal ze spreken over de gevaren voor haar maagdelijke zuiverheid waaraan ze in die jaren weerstand heeft weten te bieden dankzij de heilige rozenkrans.

Op de avond van 4 februari 1901 staat het meisje in het boswachtershuis van Stammhamde waar ze in dienst is, de was te doen, in gezelschap van Wally Kreuzer. De kachelpijp die boven de wasketel uitsteekt is van de muur losgeraakt; om de schade te herstellen stapt Anna op een vooruitstekend muurtje. Plotseling verliest ze haar evenwicht en valt met beide benen tot aan de knieën in het kokende water van de wasketel. Wally is zo geschrokken dat ze in plaats van haar vriendin zelf te hulp te schieten, wegsnelt om hulp te halen. Er komt snel een koetsier toegelopen die het gewonde meisje uit de wasketel trekt; het geblesseerde ongelukkige meisje wordt in een karretje zeven kilometer verder naar het ziekenhuis gebracht. Om elf uur 's avonds wordt ze eindelijk door een arts in behandeling genomen en twee uur lang geopereerd. De daaropvolgende weken zijn een verschrikking: onophoudelijk moeten er verbrande en gerotte stukken vlees worden weggesneden.

Meer dan dertig chirurgische ingrepen

Drie maanden later stopt de ziekteverzekering met het terugbetalen van de kosten van de behandeling. Mevrouw Schäffer kan de ziekenhuisopname niet langer betalen; ze moet haar arme kind weer mee naar huis nemen. Op aandringen van dokter Wäldin is een instelling voor invaliden bereid de zorg voor Anna op zich te nemen. Anna wordt van augustus 1901 tot mei 1902 in de universiteitskliniek van Erlangen (bij Nürmberg) opgenomen. De behandelingen leveren echter geen enkel resultaat op. Wanneer ze weer terug thuis is wordt Anna bekwaam verzorgd door dokter Wäldin. Middels meer dan dertig chirurgische ingrepen probeert deze arts tevergeefs huidtransplantaties uit te voeren. Doordat hij het leed van de zieke niet weet te verlichten, berust hij er uiteindelijk in haar benen in steriele verbanden te wikkelen. De behandeling blijft de twintig jaar dat Anna verder zal leven beperkt tot het wekelijks vernieuwen van die verbanden.

Het plan van Anna om religieuze te worden is van dan af niet meer te verwezenlijken. Het meisje schikt zich niet zonder moeite in haar lot; ze schreeuwt haar leed uit en klampt zich vast aan de hoop weer beter te worden. Op de harde school van het Kruis groeit haar ziel echter wel. De pastoor van Mindelstetten, de eerwaarde Rieger, die haar geestelijk leidsman wordt, zegt in zijn getuigenis dat hij uit haar mond nooit een klacht heeft gehoord. In haar voortdurende lijden wordt Anna gesterkt en getroost door de levende God en in het bijzonder door de Heilige Eucharistie.

«Dit innerlijk proces ontwikkelt zich echter niet steeds op dezelfde manier. Het begin, maar ook het verdere verloop gaan dikwijls met moeilijkheden gepaard. Reeds het uitgangspunt is verschillend; verschillend is immers de gesteldheid waarmee de mens het lijden aanvaardt. Toch kan men er zeker van zijn dat bijna iedere mens het lijden binnengaat met een verweer dat heel menselijk is en met de vraag: «Waarom?» Iedereen vraagt zich af wat de zin is van het lijden en zoekt op menselijk vlak een antwoord op deze vraag. Ongetwijfeld zal hij de vraag ook herhaaldelijk tot God en tot Christus richten. Bovendien kan de lijdende mens niet zien dat Degene aan wie hij een verklaring vraagt, zelf lijdt en hem vanaf het Kruis, vanuit de diepte van zijn eigen lijden wil antwoorden. Het vraagt dikwijls tijd, zelfs veel tijd, vooraleer dit antwoord innerlijk wordt waargenomen... Christus heeft geen abstracte verklaring voor de oorzaken van het lijden, maar zegt op de eerste plaats: «Volg mij! Kom! Neem door uw lijden deel aan het werk van de verlossing der wereld, dat wordt voltrokken door mijn eigen lijden, door mijn Kruis!» Naarmate de mens zijn kruis opneemt en zich geestelijk verenigt met het Kruis van Christus, zal de verlossende zin van het lijden hem steeds duidelijker worden» (S.D., n.26).

Van 1910 tot 1925 schrijft Anna Schäffer haar overwegingen op in twaalf aantekenboekjes; bovendien bleven er 183 van haar brieven of briefjes bewaard. Haar taal is heel simpel; de oorspronkelijkheid en het persoonlijk karakter van haar geschriften vallen de lezer echter meteen op. Daarin ontdekt deze een ziel die gedegen is verankerd in het geloof in de gestorven en verrezen Jezus Christus en in de levende gemeenschap met alle uitverkorenen van God. Dit onwankelbaar vertrouwen in God, de zekerheid van zijn oneindige liefde die zich door haar lijden heen manifesteert, stralen af op hen die haar benaderen om haar hun gebedsintenties toe te vertrouwen of om haar te vragen om bemoediging of om raad. Deze bezoekers, die aanvankelijk met weinigen zijn, nemen geleidelijk in getal toe. De mensen die men het meest tegen Anna heeft gewaarschuwd zijn onveranderlijk onder de indruk van haar geduld en haar goedheid.

De «wraak» van Anna

Haar broer Michel, een arme jongen die aan de drank is, is er als de kippen bij om, wanneer hij gedronken heeft, de spot te drijven met «de Heilige». Anna neemt «wraak» door zich de moeite te getroosten altijd maar zachtaardig tegen hem te zijn en hem aldus te bekeren. Michels gedrag dwingt mevrouw Schäffer er echter toe in het dorp een kleine woning te huren en haar dochter daarheen te verhuizen. Aan deze bewonderenswaardige moeder die Anna tot aan haar dood bij zal staan en haar nog vier jaar zal overleven, schrijft Anna: «O, lieve moeder, welk een genade jou voortdurend aan mijn zijde te mogen hebben! Onze geliefde Verlosser stuurt zijn kinderen hulp op het goede moment wanneer we Hem daar in vertrouwen om vragen en vaak juist wanneer een beproeving of droefenis ons bijna teveel dreigt te worden, is Hij ons het dichtst nabij met zijn hulp en zijn zegening».

De kamer van de zieke die slechts toegankelijk is via een steile trap, heeft als enige versieringen een kruisbeeld, een «Ecce Homo» en beeltenissen van heiligen. Anna verlaat haar kamer en bed (dat ze ook wel haar kruis-bed noemt) nauwelijks. Bij een enkele gelegenheid wordt ze in een stoel meegenomen naar de kerk. Zodra Paus Pius X de dagelijkse communie toestaat brengt de eerwaarde Rieger haar iedere dag de Eucharistie waaruit haar kracht ook vandaan komt.

Anna houdt er niet van dat er over haar wordt gepraat. Haar dagen gaan voorbij met gebed, handenarbeid en schrijven. «Ik heb drie sleutels van het paradijs, zegt ze: de grootste is van grof ijzer en weegt zwaar: dat is mijn lijden. De tweede is de naainaald en de derde is de penhouder. Met deze verschillende sleutels probeer ik iedere dag de deur van de Hemel open te maken; elke sleutel moet versierd worden met drie kruisjes welke het gebed, de opoffering en de zelfverloochening zijn». De kinderen van het dorp brengen Anna vaak een bezoek. Ze voelen zich tot haar aangetrokken. De zieke spreekt met hen over de Verlosser, de Heilige Maagd en de Heiligen. Zij legt hun uit hoe men in de Hemel komt. Over het algemeen gedraagt de bevolking van Mindelstetten zich sympathiek tegenover Anna; ze is bemind, men heeft medelijden met haar en men probeert haar plezier te doen. Op feestdagen komt een delegatie uit het dorp op bezoek; soms speelt een hele fanfare een serenade onder haar venster.

De liefde jegens de naaste die eveneens lijdende is maakt dat Anna haar gebruikelijk stilzwijgen verbreekt. Zodra ze iemand ziet die wordt beproefd vindt ze honderd en één vrolijke en vriendelijke woorden om hem op te beuren en lijkt zelf het gelukkigste wezen op aarde. Ze bewaart zorgvuldig alle gebedsintenties die men haar toevertrouwt en biedt ze onvermoeibaar God aan. Alle geschriften van Anna geven blijk van een diepgaande onderwerping aan de Goddelijke Voorzienigheid en een blijmoedige aanvaarding van de kruisen die ze krijgt te dragen. Heel vaak dragen haar brieven een kleine gekleurde versiering die met de pen in twee of drie kleuren is aangebracht en het Kruis, een met doornen omringde kelk of nog een ander moment uit het Lijdensverhaal voorstelt. «Beste Fanny, schrijft ze op 14 december 1918 aan een vriendin, wij moeten ons lijden beschouwen als onze dierbaarste vriendin, die onophoudelijk bij ons wil zijn, dag en nacht, om ons eraan te herinneren dat wij onze blik omhoog moeten richten, naar het Heilig Kruis van Christus».

Job is niet schuldig

Te allen tijde hebben mensen gezocht naar de zin van het lijden. «In het boek Job wordt de vraag het scherpst gesteld. We kennen de geschiedenis van onze rechtvaardige man, die, zonder zelf ook maar één fout te hebben begaan, veelvuldig wordt beproefd... In deze afschuwelijke toestand ziet hij drie oude vrienden op bezoek komen, die ieder op zijn eigen manier probeert hem ervan te overtuigen dat hij een ernstige fout moet hebben begaan omdat hij door zo menigvuldig en verschrikkelijk lijden wordt getroffen... Job bestrijdt echter de waarheid van het principe dat lijden gelijkstelt met straf voor de zonde... Tenslotte verwijt God zelf de vrienden van Job hun beschuldiging en erkent dat Job niet schuldig is. Zijn lijden is dat van een onschuldige. Het moet worden aanvaard als een mysterie waarin de mens met zijn verstand niet volledig kan doordringen... Hoewel het waar is dat het lijden als straf zinvol is wanneer het met schuld gepaard gaat, is het tegendeel niet waar dat ieder lijden een gevolg zou zijn van een fout en een straffend karakter zou hebben...

«Om het ware antwoord op het «waarom» van het lijden te kunnen vinden, moeten wij onze blikken richten naar de openbaring van de goddelijke liefde... Zozeer immers heeft God de wereld liefgehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven, opdat al wie in Hem gelooft niet verloren zou gaan, maar eeuwig leven zou hebben (Joh 3,16)... De mens gaat verloren als hij het eeuwig leven verliest... De eniggeboren Zoon werd op de eerste plaats aan de mensheid gegeven om de mens tegen dit definitieve kwaad en tegen het definitieve lijden te beschermen...

«Christus lijdt vrijwillig en onschuldig... In het lijden van Christus heeft het menselijk lijden zijn hoogtepunt bereikt. Tegelijkertijd heeft het een volledig nieuwe dimensie gekregen en is het een nieuwe orde ingegaan: het werd verbonden met de liefde, de liefde die het goede heeft geschapen, de liefde die door middel van het lijden van het kwade uitging van het Kruis van Christus... Het Kruis van Christus moet ons opnieuw de vraag doen stellen naar de zin van het lijden en in het Kruis vinden wij het uiteindelijke antwoord op deze vraag» (S.D., n. 10, 11, 13, 14, 18).

Wat gaat de tijd snel!

Geruime tijd was Anna lid van de Derde Orde van Sint-Franciscus. Vanaf 4 oktober 1910 (feestdag van H. Franciscus), draagt ze enige tijd de stigmata van Christus' Lijden, maar ze bidt God dat deze mystieke wonden niet zichtbaar worden, hetgeen wordt ingewilligd. Het lijkt er niet op dat ze de heilige Schrift veel heeft gelezen, maar, als dochter van de katholieke Kerk, heeft zij zich haar leer en haar liturgie eigen gemaakt en er met behulp van haar jeugdherinneringen het hele jaar door opnieuw aan deelgenomen. «Bidden voor de heilige Kerk en haar herders is voor mij het belangrijkste», verklaart ze. Ze vat haar leven van zieke op als een deelnemen aan het kruis van Christus. «Tijdens de uren van lijden en de talloze slapeloze nachten, krijg ik de mooiste gelegenheid om in de geest voor het tabernakel te gaan staan en aan het Heilig Hart van Jezus boetedoening en genoegdoening aan te bieden. O, wat gaat de tijd dan voor mij snel voorbij! Heilig Hart van Jezus, verborgen in het Heilig Sacrament, ik dank U voor mijn kruis en mijn lijden, in eenheid met de daden van genade van Maria, de Moeder van Smarten».

«De Verlosser heeft geleden in plaats van en voor de mens... Iedere mens is ook geroepen te delen in het lijden waardoor de verlossing is volbracht. Door lijdend de Verlossing te bewerken heeft Christus tegelijkertijd het menselijk lijden verheven en het verlossende waarde gegeven. Iedere mens kan dus door zijn lijden deelnemen aan het verlossend lijden van Christus... Wie in verbondenheid met Christus lijdt... vult door zijn lijden aan wat aan de verdrukkingen van Christus ontbreekt (Col 1,24) ...Het lijden van Christus heeft het goede van de Verlossing der wereld bewerkt. Dat goede is in zich onuitputtelijk en oneindig. Geen mens kan er iets aan toevoegen. Doch tegelijkertijd heeft Christus in het mysterie van de Kerk, dat zijn Lichaam is, in zekere zin zijn verlossend lijden voor elk menselijk lijden opengesteld... De verlossing leeft en ontwikkelt zich als lichaam van Christus – de Kerk – en in deze dimensie vult ieder menselijk lijden het lijden van Christus aan, krachtens de eenheid in liefde met Hem. Het vult dit lijden aan zoals de Kerk het verlossingswerk van Christus aanvult» (S.D., n. 19, 24).

Onze Heer Jezus Christus, de Heilige Maagd en de Heiligen spreken veelvuldig tot Anna in de loop van haar nachtelijke dromen en deze hemelse boodschappen zijn voor haar een verkwikking en als een voorproef van het Paradijs. Maar nimmer maken deze vertroostingen haar bovenmenselijk onbewogen. Tot aan het eind aanvaardt ze met erkentelijkheid de geringe verlichting die de geneeskunde haar heeft te bieden. In de loop van de vijfentwintig jaar van haar «martelaarschap», voltrekt zich een vooruitgang in de innerlijke aanvaarding van de beproevingen. Ze ontdekt geleidelijk het geheim van de innerlijke vrede die ze aldus in haar zo eenvoudige taal tot uiting brengt: «O! Welk een geluk en welk een liefde houden zich verborgen in het kruis en in het lijden!... Ik ken geen kwartier meer zonder lijden en al zo lang weet ik niet meer wat het is om geen pijn te hebben... Vaak lijd ik zozeer dat ik nauwelijks een woord kan uitbrengen. Op die momenten denk ik dat mijn Vader in de Hemel mij bijzonder lief moet hebben». Naar het woord van de H.Paulus: Dit doet mij overbloeien van blijdschap bij al mijn wederwaardigheden (2 Kor 7, 4), lijdt ze met een geheimvolle, niet zintuiglijke blijdschap.

Een bron van vreugde

«Het gevoel van nutteloosheid van lijden overwinnen... wordt een bron van vreugde. Het lijden dat de mens innerlijk verteert, kan hem ook tot een last voor anderen maken. De lijdende mens weet zich veroordeeld om hulp en bijstand van anderen te krijgen. Bovendien komt alles hem nutteloos voor. Door de ontdekking van de verlossende zin van het lijden in verbondenheid met Christus, wordt dit deprimerend gevoel omgevormd... Hij die lijdt in het geestelijk perspectief van het verlossingswerk is, evenals Christus nuttig voor het heil van zijn broeders en zusters... Zij die in het lijden van Christus delen, bewaren in hun eigen lijden een heel bijzonder deel van de oneindige schat van de Verlossing der wereld, die zij met anderen kunnen delen» (S.D., n.27).

Drie-en-eenhalf jaar voor haar dood moet Anna haar naaiwerkjes, die haar een zekere ontspanning boden en een gelegenheid om zich nuttig te maken, staken. Het is daarenboven volstrekt onmogelijk geworden haar naar de nabijgelegen parochiekerk te vervoeren om de Mis bij te wonen; dat ze hier van af moet zien is voor haar zeer pijnlijk. Ze schrijft: «Mijn leven dooft beetje bij beetje uit in lijden... De Eeuwigheid komt steeds dichterbij; weldra zal ik van God leven, die het Leven zelve is. De Hemel kent geen prijs en ik verheug me ieder ogenblik op de roep van de Heer naar het eindeloos schone vaderland te komen» (16 maart 1922). Op 5 oktober 1925, nadat ze de Heilige Communie heeft ontvangen en al mompelende: «Heer Jezus, ik bemin U» het kruisteken heeft gemaakt, ontslaapt Anna Schäffer in alle vrede op de leeftijd van 43 jaar. Haar lichaam rust op het kerkhof van Mindelstetten in afwachting van de «wederopstanding van het vlees» (cf. Katechismus van de Katholieke Kerk, 988; 1019). «Christus heeft de wereld voorgoed overwonnen door zijn Verrijzenis: omdat de Verrijzenis verbonden is met zijn lijden en dood, overwint Hij de wereld echter ook door zijn lijden. Het lijden heeft inderdaad op een bijzondere wijze te maken met de overwinning van de wereld, die in de Verrijzenis openbaar is geworden. Christus bewaart in zijn verrezen lichaam de lidtekens van de kruisiging in zijn handen, voeten en zijde. Door zijn Verrijzenis openbaart Hij de overwinnende kracht van het lijden» (S.D., n. 25).

Naar het voorbeeld van de barmhartige Samaritaan

De kracht van het lijden is de mensen ook nagelaten met de bedoeling de «beschaving van de liefde» te bewerkstelligen: «De twee verklaringen van Christus over het laatste oordeel (Mt 25, 34-45) tonen ondubbelzinnig aan hoe essentieel het is in het perspectief van het eeuwig leven waartoe iedere mens is geroepen naar het voorbeeld van de barmhartige Samaritaan stil te staan bij het lijden van de naaste, medelijden te hebben en tenslotte te helpen. Het lijden is aanwezig in het messiaanse programma van Christus, dat het programma is van het Koninkrijk Gods, om de liefde op te wekken, om werken van naastenliefde tot stand te brengen, om heel de menselijke beschaving te veranderen in een «beschaving van liefde». In deze liefde wordt de verlossende zin van het lijden volledig werkelijkheid en bereikt het zijn definitieve dimensie» (S.D., n. 30).

De Paus besluit zijn pauselijke aansporing aldus: «Gij allen die lijdt vragen wij ons te helpen. Juist gij die zwak zijt, vragen wij een bron van kracht te worden voor de Kerk en voor de mensheid. Moge uw lijden in eenheid met het Kruis van Christus overwinnen in de verschrikkelijke strijd die zich in de wereld van onze tijd tussen de krachten van het goede en het kwade afspeelt!» (S.D., n. 31). De gelukzalige Anna Schäffer heeft gezegevierd dankzij het Kruis van Jezus. Zelfs voor het officiële oordeel van de Kerk hebben talloze mensen uit Beieren en vervolgens uit heel Europa zich naar haar graf begeven om haar hulp in te roepen. In 1998 zijn er in de parochie van Mindelstetten 551 genaden geregistreerd die op haar voorspraak werden verkregen. Sinds 1929 zijn zo'n 15000 genaden die aan haar gebed worden toegeschreven bekend geworden.

Tijdens haar zaligverklaring op 7 maart 1999 zei de Paus: «Als wij onze blik wenden naar de gelukzalige Anna Schäffer lezen we in haar leven een levend commentaar op hetgeen de heilige Paulus aan de Romeinen schreef: En de hoop wordt niet teleurgesteld, want Gods liefde is in ons hart uitgestort door de heilige Geest die ons werd geschonken (Rm 5, 5). De strijd die het kost om zich aan Gods wil over te geven is haar bepaald niet bespaard gebleven. Maar het was haar gegeven steeds beter te begrijpen dat juist zwakheid en lijden de bladzijden zijn waarop God zijn Evangelie heeft geschreven. Haar ziekbed is de bakermat geworden van een apostolaat dat overal ter wereld is begrepen».

Zowel in haar brieven als in haar handenarbeid beeldt de gelukzalige Anna Schäffer het liefst het Hart van Jezus af, symbool van de goddelijke liefde. Wij bevelen haar al degenen die lijden aan opdat zij hen zal helpen zich met het Hart van Christus te verenigen in afwachting van de eeuwige heerlijkheid.

Dom Antoine Marie osb

Om het Blad van de Abdij Saint-Joseph de Clairval te publiceren in een tijdschrift, blad... of on het internetsite of een website te plaatsen, is een toelating vereist. Deze dient te worden aangevraagd per E-Mail or bij http://www.clairval.com.

Index der Briefe  - Home Page

Webmaster © 1996-2017 Traditions Monastiques