Blason  Abdij Saint-Joseph de Clairval

F-21150 Flavigny-sur-Ozerain

Frankrijk


[Cette lettre en français]
[This letter in English]
[Questa lettera in italiano]
6 juli 2003
H. Maria Goretti


Dierbare Vriend van de Abdij Saint-Joseph de Clairval,

Precies een eeuw geleden, op 6 juli 1902, overleed Maria Goretti, «de Agnes van de twintigste eeuw», zoals Paus Pius XII haar noemde bij de heiligverklaring op 26 juni 1950. Wat voor de wereld zwak is, heeft God uitverkoren, om het sterke te beschamen, wat voor de wereld van geringe afkomst is en onbeduidend,... wat niets is... opdat tegenover God geen mens zou roemen op zichzelf (1Kor, 1, 27-29). Tijdens een pelgrimstocht naar de plek van het martelaarschap van de jonge heilige, merkte Paus Johannes Paulus II op: «God heeft gekozen, Hij heeft een eenvoudig meisje van het platteland en van arme afkomst verheerlijkt. Hij heeft haar verheerlijkt met de kracht van zijn Geest... Dierbare broeders en zusters! Kijk naar Maria Goretti... Zij is een vreugde voor de Kerk geworden en een bron van hoop voor ons».

Maria zag het daglicht op 16 oktober 1890, te Corinaldo, in de provincie Ancona (Italië), in een aan aardse goederen arm, maar aan geloof en deugden rijk gezin: iedere dag gemeenschappelijk gebed en rozenkrans; op zondag de mis en de heilige communie. Maria is het derde van de zeven kinderen van Luigi Goretti en Assunta Carlini. Daags na haar geboorte wordt ze gedoopt en toegewijd aan de Heilige Maagd. Het Vormsel ontvangt ze op de leeftijd van zes jaar.

Omdat hij te arm is om in de streek waar hij vandaan komt verder te leven, emigreert Luigi Goretti, met zijn gezin naar de uitgestrekte en destijds nog ongezonde vlakten van het Romeinse platteland. Hij vestigt zich in Le Ferriere di Conca, in dienst van graaf Mazzoleni. Maria geeft daar weldra blijk van haar vroegrijpe intelligentie en onderscheidingsvermogen. Men betrapt haar geen enkele keer op een gril, ongehoorzaamheid of leugen. Zij is werkelijk de engel van het gezin.

Na een jaar van uitputtend werk wordt Luigi getroffen door een ziekte die hem tien dagen later ten grave sleept. Voor Assunta en haar kinderen het begin van een lange lijdensweg. Maria huilt vaak om de dood van haar vader en maakt van iedere gelegenheid gebruik om neer te knielen voor het hek van het kerkhof: haar vader is misschien in het Vagevuur en daar ze niet over de middelen beschikt om missen te laten opdragen voor zijn zielerust, doet ze haar best dat te compenseren met gebeden. Men moet niet denken dat het kind van nature zo goed is. Haar verbazingwekkende vrolijkheid is de vrucht van het gebed. Haar moeder zal zeggen dat de rozenkrans voor haar iets onontbeerlijks is geworden en ze draagt hem inderdaad altijd om haar pols gewikkeld. Uit de aanschouwing van het kruisbeeld put ze een intense liefde voor God en de zonde is haar een gruwel.

«Ik wil Jezus»

Maria dorst naar de dag waarop ze de heilige Eucharistie zal ontvangen. Naar de gewoonte van die tijd moet ze wachten tot ze elf jaar is. «Mama, vraagt ze op een dag, wanneer zal ik mijn communie doen?... Ik wil Jezus. Hoe wil jij je communie doen? Je kent je catechismus niet, je kan niet lezen, wij hebben geen geld om de jurk te kopen en de schoenen en de sluier en we hebben geen moment vrij. Mama, ik zal dus nooit mijn Eerste Communie doen! Maar ik wil niet meer zonder Jezus! Maar wat moet ik daar aan doen? Ik wil niet dat je je communie doet zonder te weten wat het inhoudt». Maria vindt uiteindelijk een manier om zich voor te bereiden met de hulp van iemand uit de omgeving. Het hele dorp komt haar te hulp om het communiecantje van de nodige kleren te voorzien. Ze ontvangt de Eucharistie op 29 mei 1902.

Het Engelenbrood verhoogt in Maria de liefde voor de zuiverheid en maakt dat ze het besluit neemt tot iedere prijs de engelendeugd te bewaren. Nadat ze op een dag een onfatsoenlijke woordenwisseling tussen een jongen en een van diens vriendinnen had beluisterd, zei ze verontwaardigd tegen haar moeder: «Mama, wat praat dat meisje lelijk! Pas goed op dat je nooit aan dergelijke gesprekken deelneemt. Ik moet er niet aan denken, mama.; ik ga nog eerder liever...» maar het woord «dood»‚ komt haar niet over de lippen. Een maand later zal de stem van haar bloed de zin afmaken...

Toen hij in dienst trad bij graaf Mazzoleni, deed hij dat in samenwerking met Jean Serenelli en zijn zoon, Alessandro. Beide gezinnen wonen in gescheiden appartementen maar delen dezelfde keuken. Luigi zal het weldra betreuren dat hij en Jean Serenelli, een personage dat in alles anders is als de zijne, een drinker die zich uitdrukt zonder enige terughoudendheid, zo dichtbij elkaar wonen. Na de dood van haar man komen Assunta en haar kinderen onder het juk van de despotische familie Serenelli. Maria, die de situatie doorzien heeft, doet haar best haar moeder tot steun te zijn: «Houd goede moed, mama, wees niet bang, wij worden groter. Het is al goed als we van Onze-Lieve-Heer gezond mogen blijven. De Voorzienigheid zal ons te hulp komen. Strijden zullen we, strijden!»

Daar ze voortdurend in het veld is om in de behoeften van haar kinderen te voorzien, heeft mevrouw Goretti de tijd niet om zich met het huishouden te belasten, noch om zich bezig te houden met het godsdienstig onderricht van de kleinsten. Maria zorgt naar beste vermogen overal voor. Bij de maaltijden gaat ze pas zitten als ze iedereen heeft bediend en neemt voor zichzelf slechts hetgeen overblijft. Haar dienstbaarheid strekt zich ook uit tot het gezin Serenelli. Jean, wiens echtgenote is overleden in het psychiatrisch ziekenhuis van Ancona, houdt zich van zijn kant nauwelijks bezig met zijn zoon, Alessandro, een uit de kluiten gewassen kerel van negentien jaar die er genoegen in schept zijn kamer te behangen met onzedige afbeeldingen en het lezen van slechte boeken. Op zijn sterfbed heeft Luigi Goretti het gevaar van het gezelschap van de Serenelli's voor zijn kinderen voorvoeld en tegenover zijn echtgenote heeft hij bij herhaling gezegd: «Assunta, keer terug naar Corinaldo!» Jammer genoeg heeft Assunta schulden en is contractueel gebonden aan de pacht.

«Doe dat niet... Het is een zonde»!

Door het contact met de familie Goretti zijn er in Alessandro enige religieuze gevoelens ontwaakt. Hij bidt soms de rozenkrans in het gezin mee; op feestdagen woont hij de mis bij en gaat zelfs van tijd tot tijd te biechten. Toch doet hij de onschuldige Maria oneerbare voorstellen die zij aanvankelijk niet begrijpt. Vervolgens is het meisje, dat een vermoeden krijgt van de perversiteit van de jongen, op haar hoede en weert zowel de vlijerij als de dreigementen van zich af. Ze smeekt haar moeder haar nooit meer alleen in huis te laten, maar durft haar niet de ware redenen van haar angst uit de doeken te doen. Want Alessandro heeft haar gewaarschuwd: «Als je iets tegen je moeder zegt, maak ik je dood». Ze kan slechts in het gebed haar toevlucht zoeken. Daags voor haar dood vraagt Maria nog in tranen aan haar moeder om haar niet alleen te laten. Daar ze geen andere verklaring krijgt, denkt mevrouw Goretti nog dat het een gril is en schenkt geen aandacht aan de herhaalde smeekbede.

Op 5 juli 1902 worden de tuinbonen gedorst op de dorsvloer, zo'n veertig meter van het woonhuis vandaan. Alessandro bestuurt een kar die wordt getrokken door ossen en laat die om en om draaien op de bonen die op de grond liggen. Tegen drie uur, wanneer Maria alleen in huis is, vraagt Alessandro: «Assunta, zou u even de ossen van mij willen overnemen?» De vrouw die niets vermoedt, doet dat. Maria zit op de drempel van de keuken en verstelt een hemd dat Alessandro haar na het eten had gegeven en past tegelijk op haar kleine zusje, Teresina, die vlak bij haar ligt te slapen.

«Maria! Roept Alessandro. Wat wil je? Ik wil dat je met me mee komt. Waarom? Kom met me mee! Zeg wat je van me wilt, anders ga ik niet met je mee». Vanwege haar weerbarstigheid grijpt de jongeman haar met geweld bij de arm en sleept haar de keuken in en doet de deur achter zich op slot. Het kind schreeuwt, maar het geluid dringt niet tot buiten door. Daar zijn slachtoffer niet wil zwichten, knevelt Alessandro haar en zwaait dreigend met een mes. Maria beeft maar bezwijkt niet. Woedend probeert de jongeman haar de kleren van het lijf te rukken. Maria bevrijdt zich van de prop in haar mond en roept: «Doe dat niet...Het is een zonde... Je komt in de hel!» De ellendeling die zich weinig om Gods oordeel bekommert heft zijn wapen op: «Als je niet wilt, maak ik je dood». Doordat ze zich blijft verzetten, doorboort hij haar met messteken. Het kind roept uit: «Mijn God! Mama!» en valt op de grond neer. Omdat hij denkt dat ze dood is, smijt de moordenaar zijn mes weg en opent de deur om weg te vluchten, maar hoort dan dat ze nog kermt. Hij keert op zijn schreden terug, raapt zijn wapen op en doorboort haar opnieuw van boven tot onder, klimt dan naar boven naar zijn kamer en sluit zich daar op. Maria heeft veertien ernstige verwondingen opgelopen.; ze is bewusteloos.

Teresina die door het lawaai wakker is geworden, slaakt een ijle kreet die mevrouw Goretti hoort. Zij vraagt geschrokken aan haar jonge zoon Mariano: «Ga vlug Maria halen; zeg dat Teresina haar roept». Op dat moment loopt Jean Serenelli de trap op en bij het aanschouwen van het verschrikkelijke tafereel dat hem onder de ogen komt, roept hij luid: «Assunta en ook jij, Mario, kom hier!» Mario Cimarelli, een werkman op de boerderij, klimt met vier treden tegelijk de trap op. De moeder komt op haar beurt ter plekke aan: «Mama! kreunt Maria die weer bij kennis is gekomen. Wat is er gebeurd? Alessandro wilde me kwaad doen!» De dokter wordt geroepen en ook de gendarmes die op tijd komen om de buren te beletten in hun opgewondenheid Alessandro terstond ter dood te brengen.

«Ik vergeef hem uit liefde tot Jezus»

Na een lange en zeer moeizame weg per ambulance komen ze tegen acht uur in het ziekenhuis aan. De dokters verbazen zich erover dat het kind niet aan haar verwondingen is overleden: het hartzakje, het hart, de linker long, het diafragma, de ingewanden, ze zijn allemaal geraakt. Wanneer ze zien dat ze verloren is, roepen ze de aalmoezenier. Maria biecht in volledige helderheid van geest. Vervolgens wordt ze twee uur door de artsen behandeld zonder narcose. Maria klaagt niet. Ze bidt onafgebroken en biedt haar lijden aan de Allerheiligste Maagd, Moeder van Smarten, aan. Haar moeder mag aan haar ziekbed blijven. Maria vindt de kracht om haar te troosten: «Mama, mijn lieve mama, ik maak het goed nu!... Hoe gaat het met de broertjes en zusjes?»

Maria vergaat van de dorst: «Mama, geef me een druppel water. Arme Maria, de dokter wil het niet, het zou je nog maar meer kwaad doen». Verbaasd vraagt Maria verder: «Hoe is het mogelijk dat ik geen druppel water mag hebben!» Ze werpt dan een blik op Jezus aan het kruis die eveneens had gezegd: «Ik heb dorst!» en berust. De aalmoezenier van het ziekenhuis staat haar vaderlijk ter zijde. Wanneer hij haar de heilige communie uitreikt stelt hij haar de vraag: «Maria, vergeeft u uw moordenaar van ganser harte?» Ze onderdrukt de weerzin die instinctmatig in haar opkomt en antwoordt dan: «Ja, ik vergeef hem uit liefde tot Jezus... en ik wil dat ook hij met mij in het Paradijs komt... Ik wil hem aan mijn zijde... Moge God hem vergeven, want ik heb hem al vergeven...». In deze gemoedsgesteldheid welke die van Christus zelf op de Kruisberg is, ontvangt ze de Eucharistie en het Heilig Oliesel, sereen, in alle rust en nederigheid, dankzij haar heldhaftige overwinning. Het einde nadert. Men hoort haar roepen: «Papa». Tenslotte treedt ze na een laatste beroep op Maria binnen in de immense vreugde van het Paradijs, op 6 juli 1902, om drie uur 's namiddags.

«U verdoet uw tijd, Monseigneur»

Drie maanden na het drama vindt het proces van Alessandro plaats. Op aanraden van zijn advocaat bekent hij: «Ik vond haar aantrekkelijk. Ik heb haar tweemaal tot kwaad aangezet en niets gedaan gekregen. Van nijd heb ik het mes klaar gelegd waarvan ik me zou bedienen». Hij wordt veroordeeld tot dertig jaar dwangarbeid. Hij heeft ogenschijnlijk geen enkele spijt van zijn misdaad. Men hoort hem soms roepen: «Wees vrolijk, Serenelli, nog negentwintig jaar en zes maanden en je wordt een burgerman!» Maar Maria hoog in de hemel vergeet hem niet. Een paar jaar later krijgt monseigneur Blandini, bisschop van het diocees waarin zich de gevangenis bevindt, de ingeving de moordenaar een bezoek te brengen om hem tot berouw aan te sporen. «U verdoet uw tijd, Monseigneur, beweert de bewaker, het is een harde!» Alessandro ontvangt de bisschop met gegrom. Maar bij de herinnering aan Maria, haar heldhaftige vergeving, aan de oneindige goedheid en barmhartigheid van God, laat hij zich aanraken door de genade. Bij het vertrek van de prelaat huilt hij in de eenzaamheid van zijn cachot, tot de stomme verbazing van zijn bewakers.

Op een nacht verschijnt Maria hem in een droom, gekleed in het wit in de fleurige tuinen van het Paradijs. Geheel ontdaan, schrijft Alessandro aan Monseigneur Blandini: «Ik betreur mijn misdaad, te meer nu ik besef dat ik een onschuldig meisje, dat tot het laatste moment haar eer heeft willen redden en zichzelf daarbij eerder heeft willen opofferen dan te zwichten voor mijn misdadige wil, van het leven heb beroofd. Ik vraag openlijk om vergeving aan God en aan de arme familie voor de door mij begane grote misdaad. Ik koester de hoop dat ook ik zoals vele anderen op deze aarde vergeving mag verkrijgen». Zijn oprechte berouw en zijn goede gedrag in de strafinrichting hebben tot gevolg dat hij vier jaar voor hij zijn straf heeft uitgezeten, wordt vrij gelaten. Hij vindt dan een betrekking als tuinman in een kapucijner klooster en gedraagt er zich voorbeeldig; hij wordt toegelaten tot de Derde Orde van Sint-Franciscus. Dankzij zijn goede instelling wordt Alessandro opgeroepen om te getuigen tijdens het proces ter zaligverklaring van Maria. Het is iets zeer delicaats en pijnlijks voor hem. Maar hij getuigt: «Ik heb iets goed te maken en ik moet alles doen wat in mijn vermogen ligt voor haar verheerlijking. Ik ben geheel en al verantwoordelijk voor het aangerichte kwaad. Ik heb me laten gaan in brute hartstocht. Zij is een heilige, een echte martelares. Zij is een van de voornaamsten in het Paradijs, na wat zij te lijden heeft gehad door mijn schuld».

Kerstmis 1937 gaat hij naar Corinaldo waar Assunta Goretti zich met haar kinderen heeft teruggetrokken, enkel en alleen om het goed te maken en om vergeving te vragen aan de moeder van zijn slachtoffer. Nauwelijks is hij aangekomen of hij vraagt haar in tranen: «Assunta, zult u mij vergeven? Maria heeft u vergeven, waarom zou ik u ook niet vergeven?» stamelt ze. Op de dag van Kerstmis zijn de bewoners van Corinaldo niet weinig verbaasd en geroerd wanneer ze Alessandro en Assunta zij aan zij de Eucharistische tafel zien naderen.

«Kijk naar haar!»

De uitstraling van Maria Goretti is tot op vandaag nog altijd levendig. Paus Johannes Paulus II stelt haar als voorbeeld aan de jongeren: «We zijn geroepen tot heiligheid, het is de roeping van elke gedoopte en die roeping wordt gesterkt door het voorbeeld van deze jonge martelares. Kijk naar haar, vooral jullie, adolescenten, jullie jongeren. Wees zoals zij, bekwaam de zuiverheid van het hart en het lichaam te bewaren; doe jullie best te strijden tegen het kwaad en de zonde en voed daarbij jullie eensgezindheid met de Heer door het gebed, het dagelijks beoefenen van de versterving en het scrupuleus in acht nemen van de geboden» (29 september 1991).

Het volledig in acht nemen van de geboden is een vrucht van de liefde. «De liefde tot God en de liefde tot de naaste zijn niet te scheiden van het in acht nemen van de geboden van de Alliantie», bracht de Paus ons in herinnering in zijn Encycliek Veritatis splendor (6 augustus 1993, n.76). Hoe weten wij dat wij God kennen? Er is maar één bewijs: dat we ons houden aan zijn geboden. Wie zegt dat hij Hem kent, maar zich niet houdt aan zijn geboden, is een leugenaar; in zo iemand woont de waarheid niet... God beminnen wil zeggen zijn geboden onderhouden (1Joh 2, 3-4; 5, 3). Met de hulp van de genade gods is het altijd mogelijk de geboden te onderhouden. «God gebiedt geen onmogelijke dingen, maar met zijn bevelen nodigt Hij je uit te doen wat je kan en te vragen wat je niet kan en Hij zal je helpen zodat je het wel kan. Zijn geboden zijn niet moeilijk te onderhouden (1 Joh 5,3), zijn juk is zacht en zijn last is licht (cf. Mt 11, 30)» (Concilie van Trente, zitting VI, hfdst. 11). Onophoudelijk krijgt de mens de kans de deugd van de hoop te beoefenen. Juist in het Kruis van Jezus, in de gave van de Heilige Geest en in de sacramenten (in het bijzonder in dat van de Boetedoening en dat van de Eucharistie) vindt hij de kracht om zijn Schepper trouw te zijn, zelfs in de ernstigste moeilijkheden. (cf. Veritatis splendor, 103).

De werkelijkheid en de kracht van Gods hulp komen op bijzonder tastbare wijze tot uiting bij de martelaren. Door deze te verheffen tot de eer der altaren heeft «de Kerk hun getuigenis gecanoniseerd en hun oordeel voor juist verklaard, volgens het welk de liefde van God de verplichting impliceert zijn geboden, ook in de zwaarste omstandigheden, te respecteren en te weigeren ze te verraden, ook al heeft men de intentie het eigen leven te redden» (Veritatis splendor, 91). Maar weinig mensen zijn geroepen het martelaarschap van het bloed te ondergaan. Maar «ten opzichte van de talrijke moeilijkheden, die ook in de meest normale omstandigheden trouw kunnen verlangen aan de morele orde, is iedere christen geroepen, met de genade van God ingeroepen in het gebed, tot een soms heroïsche inzet, die wordt gesteund door de deugd van de sterkte, waardoor hij, zoals Gregorius de Grote leert, zelfs «de moeilijkheden van deze wereld met het oog op de eeuwige beloning kan liefhebben»» (Id., 93).

De Paus raadt de jongeren dan ook aan: «Wees niet bang tegen de stroom in te gaan, de afgoden van de wereld te verwerpen... Door de zonde keert men zich af van God, ons enig goed, en men kiest ervoor zich aan de zijde te scharen van de «afgoden», die ons naar de dood en de eeuwige verdoemenis in de hel voeren». Maria Goretti «moedigt ons aan de vreugde te ervaren van de armen, die overal afstand van kunnen doen, opdat ze het enig noodzakelijke niet zullen verliezen: de vriendschap met God... Beste jongeren, luister naar de stem van Christus die ook jullie roept op de smalle weg van de heiligheid» (29 september 1991).

De heilige Maria Goretti herinnert ons eraan dat deze smalle weg loopt via de trouw aan de deugd van de kuisheid. In onze dagen wordt de kuisheid vaak door het slijk gesleurd en misprezen. Kardinaal Lopez Trujillo schrijft: «Voor sommigen die in kringen leven waarin de kuisheid wordt beledigd en in discrediet gebracht, kan kuis leven een harde, soms heroïsche strijd verlangen. Hoe dan ook kunnen allen met de genade van Christus die voortvloeit uit zijn liefde van Echtgenoot van de Kerk, op een kuise wijze leven, zelfs wanneer ze in weinig gunstige omstandigheden verkeren» (Waarheid en betekenis van de menselijke seksualiteit, Pauselijke Raad voor het Gezin, 8 december 1995, n. 19).

Een traag en landurig martelaarschap

Kuisheid bewaren betekent bepaalde gedachten, woorden en daden waar zonde aan kleeft niet toelaten evenals het uit de weg gaan van gelegenheden tot zondigen. «Moge de blijde kinderjaren en de vurige jeugd ons leren ons nimmer hartstochtelijk over te geven aan de kortstondige en ijdele vreugden van de wellust, noch aan de genoegens van bedwelmende zedeloosheid die de vredige onschuld verwoesten, een duistere droefheid voortbrengen, vroeg of laat de krachten van de ziel en het lichaam verzwakken», waarschuwde Paus Pius XII tijdens de heiligverklaring van Maria Goretti. De Katechismus van de Katholieke kerk brengt het ons ook in herinnering: «Ofwel beheerst de mens zijn hartstochten en bereikt vrede, ofwel laat hij zich erdoor beheersen en wordt ongelukkig» (KKK 2339). Het is dan ook noodzakelijk dat men een levensregel in acht neemt die «kracht en voortdurende oplettendheid verlangt, evenals het moedig verloochenen van de wereldse verlokkelijkheden. We moeten blijk geven van onophoudelijke waakzaamheid waarvan we onder geen beding mogen afzien...tot aan het eind van onze aardse levensweg. Het gaat hier om een strijd tegen zichzelf die we kunnen vergelijken met een traag en langdurig martelaarschap. Het Evangelie spoort ons duidelijk aan tot deze strijd: Het Rijk der Hemelen breekt zich met geweld baan en geweldenaars maken het buit (Mt 11,12)» (Johannes Paulus II, ibid.).

Om een gunstig klimaat voor de kuisheid te scheppen is het van belang dat men bescheidenheid en schroomvalligheid beoefent in kijken, spreken, handelen en in de manier van zich kleden. Door deze deugden wordt iemand gerespecteerd en bemind om zijn persoon, in plaats van te worden bekeken en behandeld als een voorwerp van lust. De ouders moeten er ook op toezien dat bepaalde modes zich niet met geweld toegang verschaffen tot hun huis, met name via een slecht gebruik van de media. Men moet de kinderen en de adolescenten aanmoedigen zelfbeheersing en terughoudendheid te waarderen en te betrachten, andere mensen met respect te bezien, ordelijk te leven, persoonlijke offers te brengen in een geest van liefde tot God en edelmoedigheid jegens de andere mensen, zonder gevoelens en neigingen te verstikken maar deze juist te leiden in de goede banen van een deugdzaam leven. (cf. Pauselijke Raad voor het Gezin, id., n. 56-58). Door het voorbeeld van Maria Goretti te volgen zullen de jongeren ontdekken wat «de waarde van de waarheid die de mens vrij maakt van de slavernij van de materiële werkelijkheid» is en zullen ze «het intense genoegen smaken van de authentieke schoonheid en het goede dat het kwade overwint» (Johannes Paulus II, id.).

Heilige Maria Goretti, wees onze voorspraak. Daar de zuivering van het hart, welke onontbeerlijk is om toegelaten te worden God te zien in de Hemel, «gebed, beoefening van de kuisheid, zuiverheid van bedoeling en blik verlangt», verkrijg voor ons deze genaden die ons zullen leiden tot het eeuwig leven.

Dom Antoine Marie osb

Om het Blad van de Abdij Saint-Joseph de Clairval te publiceren in een tijdschrift, blad... of on het internetsite of een website te plaatsen, is een toelating vereist. Deze dient te worden aangevraagd per E-Mail or bij http://www.clairval.com.

Index der Briefe  - Home Page

Webmaster © 1996-2017 Traditions Monastiques