Blason  Abdij Saint-Joseph de Clairval

F-21150 Flavigny-sur-Ozerain

Frankrijk


[Cette lettre en français]
[This letter in English]
[Dieser Brief auf deutsch]
[Esta carta en español]
[Questa lettera in italiano]
3 december 2002
H. Franciscus Xavier


Dierbare Vriend van de Abdij Saint-Joseph de Clairval,

Op 25 maart 1858, rond vier uur in de ochtend, verlaat Bernadete Soubirous het «cachot», het oude krot dat wordt bewoond door haar familie, om zich naar de grot te begeven waar sedert 11 februari een geheimzinige Vrouwe haar verschijnt. Het veertienjarige meisje sluipt het ingeslapen Lourdes binnen, vergezeld van enkele personen die door haar tante in het geheim zijn ingewijd. Nauwelijks heeft ze een tientje van de rozenkrans gebeden voor de grot of de Vrouwe vertoont zich al aan haar. Glimlachend beduidt ze haar dat ze naderbij mag komen. Bernadette bevindt zich dan heel dicht bij de Bezoekster aan wie ze in haar plaatselijk dialect de dringende vraag van haar pastoor overbrengt: «Mevrouw, wilt u zo goed zijn mij te zeggen wie u bent?» De Verschijning glimlacht en antwoordt niet. Tweemaal herhaalt het kind haar vraag. Bij de derde keer voegt de Vrouwe haar open gehouden handen ineen ter hoogte van haar borst en zegt: «Que soy era Immaculada Concepciou... (d.w.z.: Ik ben de Onbevlekte Ontvangenis). Ik wens hier een kapel...». Nog altijd glimlachend, verdwijnt ze vervolgens.

Op de terugweg herhaalt Bernadette, uit vrees ze te vergeten, onophoudelijk die voor haar onbegrijpelijke woorden: «Que soy era Immaculada Concepciou». Ze snelt naar meneer Pastoor en verklaart, zonder zelfs gedag te zeggen: «Que soy era Immaculada Concepciou. – Wat zeg je daar, eigenwijs ding? De Vrouwe heeft dat tegen me gezegd... – Jouw vrouwe kan die naam niet dragen! Je vergist je! Weet je wat dat wil zeggen, de Onbevlekte Ontvangenis? – Ik weet het niet; daarom heb ik die woorden tot hier de hele tijd herhaald om ze niet te vergeten».

Hoe zou zij die nog niet kan lezen en die zich nog maar net voor de catechismusles heeft ingeschreven kunnen weten wat «de Onbevlekte Ontvangenis» betekent? Maar de priester, hij weet het wel: nog geen vier jaar geleden heeft de Paus verkondigd dat de Heilige Maagd onbevlekt is ontvangen. In de Pauselijke Bul Ineffabilis van 8 december 1854 heeft hij gezegd: «Wij bepalen dat de leer volgens de welke de gelukzalige Maagd Maria bij het eerste ogenblik van haar ontvangenis door een bijzondere genadegave en voorrecht van de almachtige God met het oog op de verdiensten van Christus Jezus, de Verlosser van het menselijk geslacht, gevrijwaard is van elke smet van de erfzonde, een door God geopenbaarde leer is die aldus door alle gelovigen vast en gedurig geloofd moet worden». Meer dan achttien eeuwen na Jezus Christus heeft de Paus met deze daad een nieuw dogma geformuleerd. Sommigen vragen zich af: hoe is het mogelijk? Heeft de Kerk een dergelijke macht? Is de Openbaring niet afgerond met Jezus Christus?

Men leest inderdaad in de Brief aan de Hebreeën: Nadat God eertijds vele malen en op velerlei wijzen tot onze vaderen gesproken had door de profeten, heeft Hij nu, op het einde der tijden, tot ons gesproken door de Zoon (Heb 1, 1-2). De Heilige Johannes van het Kruis geeft het volgende commentaar op deze passage: «Want Hij heeft zijn Zoon gegeven, zijn enig Woord. Hij heeft geen ander. Daarmee heeft Hij in dit éne Woord alles tegeljk gezegd in één keer. Méér heeft Hij niet te zeggen (...) Datgene immers wat Hij vroeger broksgewijze aan de profeten meedeelde, heeft hij nu in zijn geheel tot ons gezegd door ons het Al te geven, namelijk zijn Zoon». Het Tweede Vaticaans Concilie brengt ons hetzelfde in herinnering: «De christelijke heilsbedeling, die immers het nieuw en definitief verbond is, zal nooit voorbijgaan en er is geen nieuwe publieke openbaring te verwachten voor de glorievolle verschijning van onze Heer Jezus Christus» (Dei Verbum, n. 4).

Groeien in het begrip van het geloof

De Katechismus van de Katholieke Kerk leert ons evenwel dat «de openbaring, ook al is zij voltooid, niet geheel is ontvouwd; het zal de taak van het christelijk geloof zijn in de loop der eeuwen geleidelijk de gehele omvang ervan te begrijpen» (KKK n. 66). De Openbaring is door God aan de Kerk toevertrouwd opdat zij haar zou doorgeven en verklaren. «De taak om op authentieke wijze het geschreven of overgeleverde Woord van God te verklaren is alleen aan het levend leergezag van de Kerk toevertrouwd dat zijn gezag uitoefent in de naam van Jezus Christus... Het leergezag van de Kerk maakt ten volle gebruik van het van Christus ontvangen gezag, wanneer het dogma's definieert, d.w.z. wanneer het, op een manier die het christenvolk verplicht tot een onherroepelijke aanhankelijkheid aan het geloof, waarheden voorhoudt die vervat zijn in de goddelijke openbaring of waarheden die noodzakelijkerwijs hiermee in verband staan.... Door de bijstand van de Heilige Geest kan aldus het verstaan van zowel de werkelijkheden als van de woorden van de geloofsoverlevering, groeien in het leven van de Kerk» (KKK, n. 85-88-94); hetgeen met name werkelijkheid is geworden toen het dogma van de Onbevlekte Ontvangenis is opgesteld.

Dit dogma is gegrondvest op de Heilige Schrift, op de begroeting van de Maagd Maria door de Engel Gabriël: Wees gegroet, vol van genade (Lc 1, 27: Verheug u, Begenadigde); deze volheid van genade is pas waarlijk volledig als zij zich in de tijd uitstrekt tot het eerste ogenblik van het leven van de Heilige Maagd, dat van haar ontvangenis. Deze passage uit het Evangelie is weliswaar een waardevolle aanwijzing, maar volstaat op zichzelf niet om de waarheid van de de Onbevlekte Ontvangenis van de Allerheiligste Maagd aan te tonen; opdat het licht dat erin is vervat in zijn geheel kan worden begrepen moeten we teruggrijpen op de Overlevering. De Kerk «put haar zekerheid niet uit de Heilige Schrift alleen. Daarom moeten beide – Overlevering en Schrift – met gelijke toewijding, vroomheid en eerbied aanvaard en vereerd worden» (Vaticaans Concilie II, Dei Verbum, n. 9).

Het geloof in de Onbevlekte Ontvangenis van Maria gaat terug tot de eerste eeuwen van de kerkgeschiedenis. De kerkvaders die zich erover hebben uitgelaten erkennen unaniem dat de Moeder van Jezus Christus de zeer schone en smetloze bruid is waarvan sprake is in het Hooglied der Liefde (4, 7). De Heilige Efraïm († 373) schrijft dat de Moeder van God «vol van genade... zeer zuiver, zeer onbevlekt en geheel zonder zonde is, gevrijwaard van elke smet en iedere vlek van de zonde» (Oratio ad Deiparam). Het liturgisch feest van de Ontvangenis van Maria (8 december) bestaat op zijn minst reeds sedert de zevende eeuw in de Griekse Kerk. Het is waar dat belangrijke theologen uit de middeleeuwen bezwaren hebben aangetekend tegen het geloof in de Onbevlekte Ontvangenis, die in hun ogen afbreuk deed aan het universele karakter van Christus' Verlossing. De gelukzalige Duns Scot (1266-1308) en, in zijn navolging, de theologen van de Franciscaner school hebben geantwoord dat Maria gevrijwaard is gebleven van iedere smet van de erfzonde, met het oog op de toekomstige verdiensten van Jezus Christus, Redder van het menselijk geslacht; de Heilige Maagd is dus ook verlost door het Bloed van Jezus Christus, maar op een zeer verheven wijze doordat ze van de zonde was gevrijwaard.

De heilige Maximiliaan Kolbe, als martelaar van de naastenliefde gestorven in Auschwitz in 1941, behoort tot de Franciscanen die het best hebben gesproken over de Onbevlekte Ontvangenis. De heilige Franciscus Antonius Fasani die op 13 april 1986 door Paus Johannes Paulus II is heiligverklaard, is minder bekend; lang voor de afkondiging van het dogma heeft deze kloosterling de verdienste gehad de Onbevlekte bekend en bemind te maken.

De «zondaar van de Onbevlekte»

Antonio Giovanni Fasani werd geboren op 6 augustus 1681 te Lucera in Apulië (zuid-oost Italië). Zijn ouders zijn van nederige afkomst; zijn vader verdient de kost als dagloner. In de familie Fasani is men arm in materieel opzicht maar rijk aan geloof. Iedere avond wordt voor een beeltenis van de Onbevlekte Maria de rozenkrans gebeden. De wortels van Antonio's diepe devotie voor de Heilige Maagd vinden we bij zijn moeder. Reeds in 1695, op veertienjarige leeftijd, treedt de jongeman in een Franciscaner klooster in. Het jaar daarop legt hij zijn geloften af onder de naam Franciscus-Antonius, in het Monte Sant'Angelo klooster. De jonge kloosterling is levendig en vurig van inborst die wordt getemperd door een nederige gereserveerdheid. Hij is monnik geworden uit een streven naar volmaaktheid.

Van 1696 tot 1709 vervolgt Broeder Franciscus-Antonius zijn studie in de theologie die hij afsluit met het behalen van de graad van Meester waardoor hij voortaan «il Padre Maestro» wordt genoemd. Zijn liefde en verering voor de Onbevlekte worden voortdurend groter en in zijn nederigheid noemt hij zichzelf vaak «de zondaar van de Onbevlekte», d.w.z. een arme zondaar die is afgekocht door de bemiddeling van de Onbevlekte Maagd Maria.

Het ergste kwaad

Wanneer hij is teruggekeerd in Lucera, waar hij zijn hele leven zal blijven, preekt hij daar alsook in de hele regio van Apulië. Zijn prediking is gebaseerd op het Woord Gods en daarin is geen paats voor de retorische versiering die in zijn tijd in zo'n hoog aanzien staat. Pater Fasani geeft blijk van zijn afschuw en onuitsprekelijk ongenoegen wanneer hij ziet dat God wordt beledigd of wanneer men hem verslag doet van zondige handelingen. Die afschuw van de zonde die hij deelt met alle Heiligen, is geenszins overdreven. In zijn menigmaal door de Kerk aanbevolen Geestelijke Oefeningen, nodigt de Heilige Ignatius van Loyola de retraitant ertoe uit de Heilige Maagd te vragen om de genade diep van binnen kennis te nemen van zijn zonden en er van afschuw van vervuld te worden (n. 63). De Katechismus van de Katholieke Kerk leert ons: «Vanuit het geloof beschouwd, bestaat er geen groter kwaad dan de zonde en niets heeft ernstiger gevolgen voor de zondaars zelf, voor de Kerk en voor de gehele wereld» (n. 1488). Voor de zondaar is het gevolg van de doodzonde (d.w.z. van de zonde die is begaan met volle kennis en weloverwogen toestemming en een zwaarwegende materie tot object heeft) inderdaad het verlies van de heiligmakende genade; en, indien hij sterft in die staat, de ontbering van het eeuwig leven. De Heilige Paulus waarschuwt er de Korinthiërs voor: Weet gij niet dat zij die onrecht plegen het koninkrijk Gods niet zullen erven? Maakt uzelf niets wijs! Hoerenlopers, afgodendienaars, echtbrekers, schandknapen, knapenschenders, dieven, uitbuiters, dronkaards, lasteraars, oplichters, zij zullen het koninkrijk Gods niet erven (1, Kor 6, 9-10).

En degene die zich op grond van Gods goedheid toestaat in staat van zonde te blijven en gerust is op zijn eeuwig lot, krijgt van de heilige Paulus ten antwoord: Miskent gij zijn rijkdom aan goedertierenheid en geduld en lankmoedigheid, en beseft ge niet dat Gods goedheid u tot inkeer wil brengen. Met uw botte onboetvaardige gezindheid stapelt gij voor uzelf een kapitaal van toorn op tegen de dag van de toorn, wanneer Gods rechtvaardig oordeel openbaar zal worden. Hij zal eenieder vergelden naar zijn werken, met het eeuwige leven hen die door standvastig het goede te doen streven naar onvergankelijke heerlijkheid en eer, met straf en toorn hen die weerspannig de waarheid verwerpen en de ongerechtigheid omhelzen (Rom 2, 4-8).

Op de preekstoel ontsteekt de heilige Franciscus-Antonius in toorn tegen het openlijk kwaad en de openbare oorzaken van aanstoot. Vandaar dat hij bedolven wordt onder woedende reacties en scheldtirades: hij wordt uitgemaakt voor een hystericus en een lomperd, maar uiteindelijk komt men toch bij hem te biechten. Iedere dag is hij meerdere uren aan zijn biechtstoel gekluisterd en ontvangt allerlei soorten mensen met het grootste geduld en een blij gezicht. Met zijn woorden tracht hij berouw op te wekken en het voornemen zich te beteren. Zijn tijd gaat grotendeels aan deze ambtsdienst op. Groot is zijn vreugde als hij mensen van losse of aanstootgevende zeden, onverbeterlijke zondaars, zo ver kan krijgen dat zij zich weer tot God keren.

Maria, toevlucht van de zondaars

In zijn strijd tegen de zonde neemt de heilige zijn toevlucht tot de Onbevlekte Maagd Maria. Hij benadrukt dat de Moeder van God juist onbevlekt is om de toevlucht van de zondaars te kunnen zijn. Haar zuiverheid wist onze smetten uit en maakt ons zuiver; haar klaarheid verjaagt onze duisternis. Na de zonde van Adam en Eva zegt God tegen de slang (d.w.z. tegen de duivel): Vijandschap sticht Ik tussen u en de vrouw, tussen uw kroost en het hare. Het zal uw kop bedreigen, en gij zijn hiel! (Gn 3, 15 [Vulgata]). De Kerkvaders hebben gezien hoe deze profetie in vervulling is gegaan in de de Onbevlekte Maagd Maria, de nieuwe Eva, die op eenmalige wijze haar goddelijke Zoon, de nieuwe Adam, heeft bijgestaan in zijn strijd tegen het kwaad. Tegenover de zondaars die zich willen bekeren herhaalt Pater Fasani onvermoeibaar dat Maria, vijandin van de zonde, tegelijkertijd de Moeder van Barmhartigheid is en de «Poort naar de Hemel», omdat zij ons aanzet tot gebed en tot het veelvuldig gebruik maken van de sacramenten van de biecht en de eucharistie en tot luisteren naar haar goddelijke Zoon en diens navolging. De heilige Maximiliaan Kolbe zal twee eeuwen later niet schromen te zeggen dat de Onbevlekte Maagd de verpersoonlijking van de goddelijke barmhartigheid is: zij voegt niets toe aan de barmhartigheid van God die verloopt via het Heilig Hart van Jezus, maar, overeenkomstig het welbehagen van zijn Vader, wil Jezus dat wij de barmhartigheid uit de handen van Maria ontvangen.

In de Onbevlekte Ontvangenis ziet de heilige Franciscus-Antonius op de eerste plaats de praktische werkelijkheid en het sublieme karakter van de genade die vanaf het eerste ogenblik de persoon van Maria, volmaakt geheiligd met het oog op haar opdracht van Moeder van God, verheft. Hij stelt, bij wijze van contrast met de grootheid van de goddelijke gave, de nederigheid van de Heilige Maagd als schepsel in het licht; haar sublieme karakter is uitsluitend van God afkomstig: zij is geen verdienste van de menselijke natuur. Pater Fasani onderstreept ook dat het leven van Onze-Lieve-Vrouw na dit eclatante begin is getekend door een gestadige geestelijke groei in een vrije overeenstemming met de genaden van God.

Bij gelegenheid van zijn preken deelt de heilige royaal, en vooral aan de kinderen, plaatjes uit van de Onbevlekte Maagd waarop aan de achterkant een vrome aanbeveling staat, een kort gebed of een verheven gedachte. De geestelijke vruchten van dit zeer eenvoudige gebruik zijn talrijk. De Heilige Maagd verricht in haar goedheid zelfs wonderbaarlijke genezingen door het aanraken van die plaatjes.

Toonbeeld van de ziel van innerlijk gebed

De Mariapreken van Pater Fasani eindigen altijd met een praktische les: de christenen kunnen en moeten Maria, meer dan volmaakt toonbeeld van trouw aan het Evangelie, navolgen, om, door haar vergezeld, te geraken tot de liefdevolle vertrouwelijkheid met Jezus en Hem volledig toe te behoren. Hij ziet in de Moeder van God graag het toonbeeld van de ziel van innerlijk gebed. Het leven van de Onbevlekte Maagd is een voortdurende samenspraak met God geweest. Wie kan ons, na haar goddelijke Zoon, beter dan zij leren bidden? De heilige maakt er zijn kloosterlingen op opmerkzaam: «We bestuderen God, we preken God, we spreken over God, maar de geest blijft dor, zonder devotie: veel wetenschap en geen innerlijk gebed». Maar wat is innerlijk gebed? Op die vraag antwoordt de Katechismus van de Katholieke Kerk met een citaat van de heilige Theresia van Avila: «Het innerlijk gebed is, naar mijn mening, alleen maar een vertrouwelijke omgang in vriendschap, waarin men zich vaak onder vier ogen onderhoudt met die God door wie men zich bemind weet». Het inwendig gebed is op zoek naar «mijn zielsbeminde» (Hl 1, 7), Jezus en in Hem de Vader. Het is ook luisteren naar het Woord van God. Verre van passief is dit luisteren de gehoorzaamheid van het geloof, een onvoorwaardelijke aanvaarding door de dienstknecht en liefdevolle instemming van het kind (cf. KKK, n. 2709-2716).

De keuze van het tijdstip en van de tijdsduur van het innerlijk gebed hangt af van een vastbesloten wil, die de geheimen van het hart blootlegt. Men doet niet slechts aan innerlijk gebed wanneer men daarvoor de tijd heeft: men neemt de tijd om er te zijn voor de Heer, vastbesloten om Hem de tijd onderweg weer niet af te nemen, welke ook de beproevingen en de dorheid mogen zijn die men tijdens de ontmoeting ervaart. Het innerlijk gebed kan beschouwing worden («contemplatie»), een op Jezus gerichte blik vol geloof. «Ik kijk Hem aan en Hij kijkt mij aan», zei de boer uit Ars, toen hij voor het tabernakel in gebed was, tot zijn heilige pastoor. Het licht van de blik van Jezus verlicht de ogen van ons hart; het leert ons om alles te zien in het licht van zijn waarheden, van zijn medelijden voor alles mensen. De beschouwing laat ook haar blik gaan over de geheimen van het leven van Christus. Zo leert de beschouwing ons «de Heer van binnen kennen» om Hem lief te hebben en Hem meer te volgen (cf. Heilige Ignatius, Geestelijke Oefeningen, n. 104).

Verdediger van de armen

Pater Franciscus-Antonius beoefent de deugd van armoede door in zijn smalle cel op een stromatras te slapen, zich met weinig tevreden te stellen en versleten kleren te dragen. De aanblik van arme lieden vervult hem met smart en in zijn preken wijst hij nadrukkelijk op de naastenliefde jegens de armen. Voor hen zamelt hij geld en kleren in. Op een dag vraagt een half naakte bedelaar hem een kledingstuk waarmee hij zijn naaktheid kan bedekken. Pater Franciscus trekt zijn voornaamste kleren uit en keert slechts in zijn hemd gekleed terug in het klooster. Met wijsheid voert hij de leiding over de «kredietbank» die is gevestigd in het klooster en waarvan het doel is de armen te beschermen tegen de speculaties van de woekeraars. Dankzij deze instelling kan hij een eetruimte inrichten waar dagelijks de behoeftigen worden ontvangen. Iedere dag ziet men een nederige vrouw uit het volk, Isabelle, Pater Fasani's eigen moeder, er naartoe gaan. In het door de oorlogen geruïneerde land waar de grootgrondbezitters de boeren overstelpen met belastingen, herinnert de Franciscaan de rijken aan hun plicht de goederen van deze wereld te delen en aan hun arbeiders een billijk loon te geven.

Zoals voorheen is ook nu nog de beoefening van maatschappelijke rechtvaardigheid een ernstige verplichting voor alle christenen, met name de meest welgestelden. «De heilige Johannes Chrysostomus herhaalt het met aandrang: «De armen niet laten delen in uw bezittingen is hen bestelen en beroven van het leven. Wat we bezitten is niet ons eigendom, het is het hunne». Op de eerste plaats moet men voldoen aan de eisen van de rechtvaardigheid, uit vrees dat men anders als liefdegave zou aanbieden, wat men in feite verschuldigd is krachtens de rechtvaardigheid. «Wanneer wij aan de armen de voor hen onmisbare goederen bezorgen, zijn dat geen bewijzen van onze persoonlijke vrijgevigheid; we geven hun immers slechts wat hun toekomt. Het is veel meer een plicht van rechtvaardigheid die we vervullen, dan een daad van naastenliefde». (H. Gregorius de Grote)» (KKK, n. 2446)

Deze rechtvaardigheidsplicht is bijzonder ernstig te nemen in onze tijd die wordt gekenmerkt door «de aanstoot die de tegenwoordige maatschappijen van overvloed geven, waarin de rijken steeds rijker worden omdat de rijkdom rijkdom voortbrengt en de armen steeds armer worden omdat de armoede de neiging heeft nieuwe armoede te scheppen. Dit schandaal bestaat niet alleen onder bepaalde volken: het neemt afmetingen aan die die grenzen verre overschrijden... Waar het op aankomt is de geest van solidariteit die in de wereld moet groeien, teneinde de zelfzucht van de mensen en de volken te overwinnen» (Johannes Paulus II, 4 november 2000).

De nederigheid die wonderen verricht

Wanneer hij in de situatie komt dat hij de deugdzaamheid moet verdedigen van een jong en onbemiddeld meisje van vijftien, op wie een jeugdige edelman zijn zinnen heeft gezet, brengt hij haar naar een weeshuis waar ze gratis zal worden opgevoed. Dat komt hem te staan op haat en dreigementen van de zijde van de edelman die hem aanklaagt in Rome waar hij zich moet gaan rechtvaardigen. Als hij tot de Paus wordt toegelaten, zegt hij niets ter eigen verdediging, maar wanneer hij nederig de voeten kust van de Heilige Vader die aan jicht lijdt ziet deze zich door de aanraking op slag bevrijd van zijn kwaal; zodoende is hij overtuigd van de onschuld van de Franciscaan. Diens gehoorzaamheid zorgt eveneens voor wonderen. Op een dag, terwijl hij op het preekgestoelte staat, komt zijn bisschop binnen die hem, waar iedereen bij is, vraagt te zwijgen. Dat doet hij terstond. Een paar dagen later komt de huisbediende van de bisschop hem halen: de prelaat die is overvallen door een hevige malaise, ontbiedt pater Franciscus-Antonius aan zijn ziekbed. «Niet nodig, antwoordt de heilige; hij heeft reeds van de Onbevlekte Maagd zijn genezing ontvangen».

Op 29 november 1742 bij het begin van de novene ter voorbereiding op het feest van de Onbevlekte Ontvangenis, sterft pater Franciscus-Antonius van uitputting. Op 16 april 1986 merkt Johannes Paulus II bij de heiligverklaring op: «De heilige Fasani ,als onvermoeibaar prediker, zwakte nimmer de eisen af die de Evangelische Boodschap aan ons stelt om bij de mensen in het gevlij te komen». Moge hij vanuit den hoge in de hemel ons helpen om steevast onze toevlucht te nemen tot Haar die, voor altijd gevrijwaard van iedere smet, ons kan bevrijden van alle kwaad dat in ons is.

«O, Maria, zonder zonde ontvangen, bid voor ons die onze toevlucht tot u nemen».

Dom Antoine Marie osb

Om het Blad van de Abdij Saint-Joseph de Clairval te publiceren in een tijdschrift, blad... of on het internetsite of een website te plaatsen, is een toelating vereist. Deze dient te worden aangevraagd per E-Mail or bij http://www.clairval.com.

Index der Briefe  - Home Page

Webmaster © 1996-2017 Traditions Monastiques