Blason  Abdij Saint-Joseph de Clairval

F-21150 Flavigny-sur-Ozerain

Frankrijk


[Cette lettre en français]
[This letter in English]
[Dieser Brief auf deutsch]
[Esta carta en español]
[Aquesta carta en català]
[Questa lettera in italiano]
25 juli 2002
H. Jacobus


Dierbare Vriend van de Abdij Saint-Joseph de Clairval,

De kunst om uit het kwade het goede te halen is speciaal God eigen, zoals het volgende verhaal aantoont. Op een avond in 1924, in Auberive in het oosten van Frankrijk, verbrandt een jonge religieuze, zuster Marie-Louise Durand, haar gezicht bij de ontploffing van een met kokend water gevulde hogedrukpan die te snel op koud marmer wordt neergezet. Kin, lippen en oogleden zijn volledig van hun huid beroofd. De arts die met spoed is opgeroepen dient haar een injectie met een kalmerend middel toe en overdekt haar gezicht met verband. «Het is zeer ernstig, zegt hij. Roept u mij op als u het vannacht te kwaad krijgt. Zullen de brandwonden sporen achterlaten? Hoe wilt u dat die geen sporen achterlaten?» De Superieur van het Huis, de eerwaarde Ghika, bidt geruime tijd aan de voet van het ziekbed en heft vervolgens de hand op om haar te zegenen en trekt zich tenslotte terug. De volgende dag constateert de arts zeer verbaasd dat de weefsels van de huid zich weer hebben vastgezet, dat de ogen opengaan en de oogleden niet meer zijn gezwollen. Drie dagen later is de patiënte volledig genezen. Dertig jaar later zal haar zus Suzanne zeggen: «Voor mij staat het wonder buiten kijf». Bij de dood van Zuster Marie-Louise, in 1974, waren haar konen nog rose en glad als van een kind. Wie is de priester wiens geloof van God deze bovennatuurlijke genezing heeft verkregen?

«Om nog orthodoxer te worden»

Het vijfde kind van prins Jean Ghika en Alexandrine Moret de Blaremberg, Vladimir Ghika, wordt geboren in Constantinopel op 25 december 1873. Hij ontvangt de sacramenten van het Doopsel en het Vormsel in de orthodoxe Kerk waartoe zijn ouders behoren. Vanaf 1657 hebben tien prinsen van Ghika geregeerd in Moldavië of in Walachije; de laatste was de grootvader van Vladimir, Gregorius V.

In 1878 lukt het de jonge staat Roemenië, die zestien jaar tevoren tot stand is gekomen door Moldavië bij Walachije te voegen, zich te bevrijden van het Ottomaanse juk en wordt een koninkrijk. Jean Ghika wordt tot ambassadeur in Parijs benoemd waar hij sterft in 1881. Prinses Alexandrine laat dan haar zonen Vladimir en Déméter inschrijven in een lyceum in Toulouse. Daar er in die stad geen orthodoxe parochie is, vertrouwt ze hen toe aan een gouvernante die hen iedere zondag meeneemt naar een protestantse kerk. Afgestoten door de kilte van de hervormde dienst, ontdekt Vladimir door zijn vrienden van het lyceum het katholiek geloof; hij verlangt er vurig naar met hen zijn eerste communie te doen, maar zijn moeder zegt verontwaardigd: «Denk aan je voorouders! Jij, afstammeling van Grieks-orthodoxe prinsen, wil jij een verrader worden?» Geruime tijd later zal hij bekennen: «Ik heb zestien jaar gewacht alvorens een beslissing te nemen; hoe langer ik wachtte, des te meer raakte mijn ziel in vuur en vlam. Zelfs 's nachts leefde die roepstem in mij!»

Na met glans zijn studie in Parijs te hebben afgesloten, wordt Vladimir in 1895 aangetast door angina pectoris en moet hij afzien van een carrière in de diplomatie. In 1898 voegt hij zich bij zijn broer Déméter die op de Roemeense ambassade in Italië is benoemd. De zes jaren die hij in Rome heeft doorgebracht zal hij benoemen als «een tijd waarin het katholiek geloof zich meester maakte van mijn geest en mijn hart». Hij begrijpt dat de christelijke eenheid slechts mogelijk is onder het gezag van de Paus, opvolger van de Heilige Petrus. «Nee, denkt hij, ik ben geen afvallige; ik geloof in deze katholieke Kerk die mijn voorouders hebben verlaten, niet bewust van een breuk, niet bewust van de schat die ze verloren». Op 13 april 1902 wordt hij officieel toegelaten tot de katholieke Kerk door kardinaal Mathieu, aartsbisschop van Toulouse, op bezoek in Rome. De Roemeense kranten echter veroordelen deze gang van zaken en beschuldigen prins Ghika van verraad, «hetgeen, zoals hij later zal bekennen, mij veel verdriet heeft gedaan». Later zal hij een orthodoxe monnik die hem vroeg waarom hij katholiek was geworden, eenvoudig antwoorden: «om nog orthodoxer te worden!» Daar hij zich graag geheel aan God wilde geven, denkt Vladimir Ghika erover om priester te worden, maar hij stuit daarbij op de weerstand van zijn moeder die in hoogste instantie tussenbeide komt. Paus Pius X zelf raadt de jongeman dan aan zijn plan uit te stellen uit respect voor de prinses; hij kan ook als leek werken met Gods heerlijkheid voor ogen. Vladimir behaalt een doctoraat in de theologie aan het Minerva Instituut van de Dominicanen in Rome en vervolgt zijn studie met politieke en godsdienstige geschiedenis van Roemenië.

De liturgie van de naaste

In 1904 ontmoet Vladimir in Saloniki een bewonderenswaardige, van oorsprong Italiaanse religieuze van de H.Vincentius a Paulo, Zuster Pucci. Zij sluit zich bij hem aan in zijn apostolaatswerk voor de zieken en de stervenden. Weldra sticht hij in Boekarest met eigen vermogen een kliniek van de Dochters van Liefde, waarvan Zuster Pucci de eerste Overste wordt. Een honderdtal «Liefdadigheidsdames», behorende tot de Roemeense hogere kringen, neemt deel aan dit door missionaire geestdrift bezielde werk. Dokter Paulesco, jonge, zeer kundige en vurig katholieke arts, biedt gratis zijn diensten aan terwijl de prins bij de zieken de taak vervult van catechismusleraar. Er worden meer dan 200 consulten per dag verleend, de huisbezoeken op zondag niet meegerekend. Voor hij een zieke of arme gaat bezoeken, bidt Ghika dit gebed: «Heer, ik ga op bezoek bij een van hen die U andere U-zelven hebt genoemd. Maak dat het ogenblik dat ik bij hem zal doorbrengen in een poging hem goed te doen, voor hem zowel als voor mij vruchten van eeuwig leven zal mogen dragen».

In 1913 zet prins Ghika met Zuster Pucci een hospitaal voor besmettelijke ziekten op, het Sint-Vincentius Hospitaal voor slachtoffers van de cholera. Daarvoor gaat hij, vergezeld van religieuzes, de zieken tegemoet in de streken die aan de Donau grenzen. Hij zet zich geheel en al in voor iedereen, voortdurend op gevaar af de ziekte zelf op te lopen. Om een transplantatie op het verbrande gezicht en lichaam van een verongelukte mogelijk te maken geeft hij zelfs een deel van zijn huid weg: «Wie zich voor anderen afstroopt, kleedt zich met Christus; niets brengt God dichter bij dan de naaste», pleegt hij graag te zeggen. Voor Vladimir Ghika beperkt de zorg voor de armen zich niet tot eenvoudige filantropie: wanneer die voor de liefde Gods wordt verricht is het een ware daad van godsdienst die hij de «liturgie van de naaste» noemt. «In de grote familie van de mensheid kunnen, zoals Christus het wil, alle vormen van lijden van de enen (of ze nu materieel, moreel of geestelijk zijn) dankzij God ongedaan gemaakt, verlicht of op zijn minst worden verminderd door de goedgeefsheid van de anderen».

Priester van het diocees Parijs

Na de eerste wereldoorlog vestigt Vladimir zich in Parijs waar zijn broer is benoemd tot ambassadeur van Roemenië. Prinses Alexandrine, zijn moeder, is overleden in 1914. Opnieuw is voor de prins de vraag van het priesterschap aan de orde; Ghika aarzelt: zou hij niet meer goed kunnen doen door een voorbeeld van een christelijke leek te zijn? Een ziel van stil gebed, Violette Sussmann, brengt verheldering met deze woorden: «Een enkele door u opgedragen mis zal voor de zielen oneindig veel meer doen dan al het goede dat u met uw daden zou kunnen doen als u in de wereld blijft». Jean Daujat, een van zijn leerlingen merkt hierbij op: «Hetgeen prins Ghika heeft doen besluiten priester te worden is enkel en alleen het geloof en de oneindige doeltreffendheid van de Mis, sacrament van onze Verlossing, voor de bekering en de heiliging van de zielen; het geloof in de superioriteit van de Mis boven iedere andere vorm van menselijke daden». De onschatbare waarde van de Heilige Mis zal in herinnering worden gebracht door het Tweede Vaticaans Concilie: «Telkens wanneer wij het kruisoffer waardoor Christus als ons paaslam is geslacht, op het altaar vieren, wordt het werk van onze verlossing voltrokken... De gewijde taak van de priesters vervullen zij echter vooral in de eucharistische eredienst, waarbij zij in de persoon van Christus handelend optreden, zijn mysterie afkondigen en de offeranden van de gelovigen met het sacrificie van hun Hoofd verbinden. Inderdaad, het enige sacrificie van het Nieuw Verbond, dat van Christus namelijk, die zich eens en voor altijd als onbevlekt Offerlam aan de Vader opdraagt, stellen zij tegenwoordig en passen zij toe in het sacrificie van de Mis tot aan de komst van de Heer» (Constitutie Lumen gentium, n. 3 en 28); de Katechismus van de Katholieke Kerk voegt daar met betrekking tot de priesters aan toe: «Uit dit ene offer put heel hun priesterlijk dienstwerk zijn kracht» (KKK, n. 1566).

Vladimir wordt priester gewijd door de aartsbisschop van Parijs op 7 oktober 1923 en ontvangt het voorrecht de mis volgens twee rites op te dragen, de Latijnse en de Byzantijnse. Op de keerzijde van zijn wijdingsprentje staat een gebed voor eenheid van de Orthodoxe Kerk en de Kerk van Rome en voor de bekering van Rusland. De eerwaarde Ghika is geen onopvallende verschijning: zeer mager, doordringende ogen, lange wapperende manen en een lange witte baard doen hem er op zijn vijftigste uitzien als een grijsaard. Hij is een «heilige uit een kerkraam, een levende icoon» zeggen zij die hem van nabij hebben gezien. Degenen die zijn mis bijwonen zijn erdoor aangedaan: hij lijkt er het lijden van Christus aan het kruis opnieuw te beleven. Wanneer hij wordt benoemd tot directeur van de Kapel van de buitenlanders in de rue de Sèvres in Parijs, wordt hij gedreven door een grenzeloze ijver: voor hem is «iedere nood die wij op onze weg tegenkomen een bezoek van God». Zijn program: «Ga hem opzoeken die niet durft verwachten. Geef aan hem die je niet vraagt, bemin hem die jou afwijst». Bij het biecht afnemen is hij het werktuig van talloze bekeringen, zelfs onder duivelvereerders en occultisten; tijdens zijn ambtsuitvoering ervaart hij hoe ontzettend lelijk de zonde is maar ook hoe wonderbaar schoon de kracht is van de barmhartige genade van Christus.

Van het cachot van Auberivenaar de barak van Villejuif

De eerwaarde Ghika wenst een religieuze sociëteit op te richten. Paus Pius XI geeft toestemming voor de stichting in 1924. Men vestigt zich in een oude cisterciënzer abdij in Auberive, in het diocees Langres. De gebouwen die tot voor kort waren ingenomen door een strafkolonie staan op instorten. De stichter geeft aan de drie eerste postulantes de beste ruimtes en bewaart een oud cachot voor zichzelf.

Het experiment van Auberive loopt echter uit op een mislukking: de levensomstandigheden zijn er te slecht. Bovendien kan de stichter wiens gezondheid meerdere malen een verblijf in een sanatorium behoeft de communauteit geen duurzaam elan inblazen. Zij wordt ontbonden in 1931; haar leden zullen in andere religieuze instellingen de vruchten plukken van de in Auberive ontvangen genaden. Hoewel het echec hem verdriet heeft gedaan verliest de eerwaarde Ghika echter niet de moed. Hij schrijft: «Van belang is niet zozeer hetgeen we doen als wel de manier waarop we het doen; niet hetgeen zich voordoet als wel de manier waarop we het tot ons laten komen». Intussen heeft hij zich aan een nieuw project gewijd: als missionaris leven op de misdeeldste plek van de Parijse voorsteden, daar waar «Gods afwezigheid» de meest tragische vorm aanneemt. In 1927 had hij in Villejuif een terrein gevonden in een door voddenrapers bewoonde krottenwijk; de dichtsbijzijnde kerk is op twee kilometer afstand. Hij bouwt daar een houten barak van negen bij drie meter, zonder verwarming, die dienst kan doen als kapel. Het staat vast dat ze zich daar zullen vestigen maar de eerwaarde Ghika vertrouwt een van zijn medewerksters toe: «Ik ben afschuwelijk terneergeslagen». Niet zonder de nodige hoon en kwaadwillige bejegeningen, wint hij langzaam maar zeker het vertrouwen van de bevolking, te beginnen bij de kinderen. Hij komt er rond voor uit wie hij is en wat zijn apostolisch doel is: «Wij brengen de blijde boodschap; wat dat betreft mag men niet de geringste twijfel koesteren».

Dichtbij de barak woont een wreedaardig antiklerikale anarchist die ernstig ziek is. Zijn vrouw is stoelenmatster. Op zoek naar een voorwendsel om eens kennis te maken, vindt de eerwaarde Ghika bij vrienden een stoel die moet worden gemat en meldt zich bij zijn buren. Wanneer hij hem ziet barst de anarchist uit in een stroom van verwensingen gericht tegen de «zwartrokken». De priester hoort hem rustig aan en wanneer zijn belediger er het zwijgen toe doet legt hij vriendschappelijk de hand op diens schouder. «Raak me niet aan, roept de anarchist. Als ze ons zouden zien, zou men kunnen denken...Wat denken? Dat we vrienden zijn! We zijn meer dan dat: wij zijn broeders», en de priester loopt naar buiten en laat een met stomheid geslagen man achter. Hij komt meerdere keren terug om naar zijn stoel te informeren...en met zijn anarchist te kletsen die hij geleidelijk aan weet te temperen en die een zuster van O.-L.-Vr.-Tenhemelopneming in alle discretie komt verzorgen. Enige tijd later laat de zieke de eerwaarde Ghika roepen en vraagt hem naar de laatste sacramenten. De missionaris moet Villejuif echter na twee jaar om gezondheidsredenen verlaten. Weldra zal er een grote kerk verrijzen op de plek waar zijn barak stond.

Alles voor allen

In 1931 kent Pius XI aan de eerwaarde Ghika de titel toe van apostolisch protonotarius; de nederige priester wordt tegen zijn zin in Monseigneur Ghika. Hij zet een apostolaat voort dat hem tot in Japan en Argentinië zal voeren, waarheen de goddelijke Voorzienigheid hem beliefde op te roepen. In september 1939 verkrijgt hij van de aartsbisschop van Parijs de toestemming om zich te vestigen in Roemenië, dat wordt overstroomd door Poolse vluchtelingen die willen ontkomen aan de Russische of de Duitse bezetting. In Boekarest werkt hij onvermoeibaar door onder vluchtelingen, zieken, gevangenen, slachtoffers van bombardementen. Niet in staat ieder leed te verhelpen, doet hij zijn best duidelijk te maken dat «smart voor de christen voor alles een bezoek van God is, een getrouw bezoek». Zijn apostolaat richt zich eveneens op de Grieks-orthodoxe geestelijkheid die hij door middel van lezingen bekend maakt met het katholicisme en in het bijzonder de Roemeense Grieks-katholieke Kerk, ontstaan in 1698 uit de acte van verbond van de orthodoxe Kerk van Transsylvanië met Rome; op 23 maart 1991 heeft Paus Johannes Paulus II dit verbond gekwalificeerd als «een gelukkige en gezegende gebeurtenis». De Grieks-katholieke Kerk behoudt de liturgie naar Griekse ritus in de Roemeense taal. In 1948, vóór de communistische vervolgingen, telde zij zes bisschoppen, 1700 priesters, 2500 plekken van eredienst en meer dan anderhalf miljoen gelovigen. In onze dagen beleeft zij een ware wedergeboorte.

Onder de rode ster

Het sovjetleger valt Roemenë binnen in de maand augustus 1944 en geleidelijk aan komt er een communistisch regime tot stand; in december 1947 wordt er een «volksrepubliek» uitgeroepen. Het jaar daarop verordent Stalin de onderwerping van de orthodoxe Kerk en de opheffing van de Grieks-katholieke Kerk die onder dwang wordt aangesloten bij het Roemeens-orthodoxe patriarchaat. Voorts wordt in 1948 nog de geldige munt opgeheven zonder enige schadeloosstelling; het betekent een volledig bankroet van de landeigenaren en de renteniers; hongersnood breekt uit. Prins Déméter is nooddruftig geworden en gaat in ballingschap. Maar Vladimir kan er niet toe komen de vervolgde Roemeense christenen in de steek te laten: «Als God me hier wil hebben, zal ik hier blijven», zegt hij, wel bewust van het lot dat hem wacht op kortere of langere termijn.

Mgr. Ghika wordt uit zijn geplunderd huis gezet en daarna uit het Sint-Vincentius a Paulo Hospitaal. Dan vlucht hij naar een zolderwoning waar hij zijn apostolaat van mensen opbeuren, bekeren en dopen voortzet in weerwil van de strenge politiecontrole. Hij ontvangt talloze orthodoxen in de katholieke kerk terwijl katholieke bisschoppen en priesters aan de lopende band worden gearresteerd. Hij doopt ook talloze Israëlieten. Hij eet echter weinig en zijn gezondheid gaat zienderogen achteruit. Maar, door naastenliefde op de been gehouden, brengt hij de raad die hij zelf heeft gegeven in praktijk: «Vooral wanneer je je volslagen krachteloos voelt onder de last van een groot verdriet is het goed anderen die verdriet hebben te gaan troosten. Zichzelf weggeven op zulke momenten wanneer men zelf niets meer is, wanneer men zelf van binnen leeg is, is werkelijk een beetje God geven...en Hem vinden».

«Ik geloof meer in Uw goedheid dan in hetgeen mij doet lijden»

Wanneer Mgr. Ghika op 18 november 1952 aan het ziekbed van een stervende wordt geroepen wordt hij onderweg door twee politieagenten in burger gedwongen in een auto te stappen.; hij wordt in hechtenis genomen in een militaire gevangenis waar twintig andere «verdachten», priesters en leken zich de volgende dag bij hem voegen; allen worden beschuldigd van spionage voor het Vaticaan! Mgr. Ghika zit daar bijna een jaar, in onderkleding en zonder verschoning. In de loop van meer dan tachtig nachtelijke verhoren wordt hij geslagen en geranseld en zodanig gemarteld dat hij een tijdlang niet kan horen en zien. In zichzelf zegt de martelaar telkens opnieuw: «Heer, ik geloof meer in Uw goedheid dan in hetgeen me in werkelijkheid doet lijden, meer dan in mijn marteling». De beulen openen een ander register en beloven hem de vrijheid als hij afziet van het verbond met Rome en een «priester van de vrede» wordt door met het regime te collaboreren: hij weigert vastberaden. In zijn Gesprek over lijden had hij geschreven: «Men lijdt in de mate dat men liefheeft. De kracht van het lijden is even groot als de kracht waarmee we liefhebben. Maar God waakt in de nacht over zijn kinderen. Hij is de grote wacht van alle nachten, nachten van het vlees, van het verstand, van het hart, nachten van het kwaad waarvan de duisternis ieder uur neerdaalt over de smart verdurende mensheid. Wie kan zeggen met welk een liefde Hij over ons waakt? Deze liefde bezit een naam en een eigenschap. Het is een oneindige liefde».

Trouw aan Gods voorkeurentot in de marteldood

Op 24 oktober 1953 staat Mgr. Ghika voor zijn rechters, onwankelbaar en onvermurwbaar, terwijl hij niet meer weegt dan 50 kilo bij een lengte van 1m76. Na een schijnproces wordt hij tot drie jaar eenzame opsluiting veroordeeld en in een cachot gegooid van de gevangenis van Jilava waarin het vocht van de muren droop en waar 240 gevangenen bij elkaar zijn gepropt. Sommigen geven hem hun kleren, allen verdringen zich om hem heen en profiteren ervan dat hij priester is. Hij preekt, vertelt zijn herinneringen en op de gezichten die hem omringen glanst een weinig vreugde. Hij had geschreven: «Als je de smart van anderen op je weet te nemen, zal de Heer jouw smart op zich nemen en die de zijne maken, dat wil zeggen werkzaam voor jouw heil... Gelukkig zij die God liefhebben want het komt zelfs niet meer in hen op zich af te vragen of ze gelukkig of ongelukkig zijn». Iedere dag bidt hij de Rozenkrans en leert zijn metgezellen «in gezelschap van Maria deze menselijke en tegelijk goddelijke Rozenkrans, welke een beeld is van ons leven, met vreugde te bidden: de Rozenkrans van ons Heil, gemaakt van onze dagelijkse beproevingen, onze genaden en onze overwinningen». Hij geeft over het algemeen de helft van zijn portie eten aan de hongerigen. Vaak spreekt hij over de zin van het lijden: «Als God ons hier heen heeft gevoerd is dat om ons onze zonden te vergeven en ons hieruit beter tevoorschijn te laten komen». Hoewel Mgr. Ghika de Mis niet kan opdragen, is het somber cachot een kerk geworden. De bewakers kunnen niet begrijpen waar de vreugde en vrede vandaan komen die de gezichten uitstralen. Een getuige herinnert zich: «In die man heb ik de ware vrijheid gezien. Nog nooit heb ik haar in die mate bij een ander waargenomen. Voor hem bestonden de muren van de gevangenis niet. Hij was vrij, omdat hij de wil van God deed». Het gebrek aan frisse lucht in de overbevolkte ruimte, het gebrek aan elementaire hygiëne en voedsel, de verschrikkelijke kou van de winter van 1953-54 putten zijn krachten uit maar niet zijn moed. In januari 1954 wordt Mgr.Ghika arbeidsongeschikt verklaard en overgebracht naar de verpleegafdeling waar hij langzaam, in voortdurend gebed de geest geeft. Men hoort hem zeggen: «Heer, verlaat mij niet. Uw Liefde omhels ik om over de haat van mijn vijanden te zegevieren...». Hij geeft zijn leven weg voor de Kerk en voor Roemenië. Op 17 mei ontslaapt hij in de Heer. «Onze dood, had hij geschreven, moet de belangrijkste daad van ons leven zijn. Maar God kan wel eens de enige zijn die dat weet...».

Het zaligverklaringsproces van Mgr.Ghika is lopende. Wij hopen dat de prins spoedig wordt verheven tot de heerlijkheid der altaren samen met de Roemeens-katholieke bisschoppen die in 1945 in functie waren en die allemaal in de gevangenis of in ballingschap zijn omgekomen zonder hun geloof te hebben verloochend. Op reis in Roemenië, heeft Paus Johannes Paulus II op 8 mei 1999 een Mis opgedragen volgens Byzantijns-Roemeense ritus; in zijn preek verklaarde hij: «Ik ben hier om eer te betonen, zonen van de Grieks-katholieke Kerk die sedert drie eeuwen getuigt, ten koste van soms ongehoorde offers, van uw geloof in de Eenheid. Ik kom naar u toe om uitdrukking te geven aan de erkentelijkheid van de katholieke Kerk... U heeft een getuigenis gegeven van de waarheid die vrij maakt...Ik kom terug van het katholieke kerkhof van deze stad: ik heb uw bekende en onbekende martelaren aangeroepen die uw voorspraak zijn bij onze Vader die in de Hemel is».

Voor deze martelaren zijn er voortaan geen muren of zware deuren meer. Zij genieten voor altijd de volmaakte en onfeilbare vrijheid welke de aanblik van God van aangezicht tot aangezicht ons verschaft. Mogen zij onze voorspraak zijn opdat wij zoals zij verdienen het geluk zonder einde te smaken.

Dom Antoine Marie osb

Om het Blad van de Abdij Saint-Joseph de Clairval te publiceren in een tijdschrift, blad... of on het internetsite of een website te plaatsen, is een toelating vereist. Deze dient te worden aangevraagd per E-Mail or bij http://www.clairval.com.

Index der Briefe  - Home Page

Webmaster © 1996-2017 Traditions Monastiques