Blason  Abdij Saint-Joseph de Clairval

F-21150 Flavigny-sur-Ozerain

Frankrijk


[Cette lettre en français]
[This letter in English]
[Dieser Brief auf deutsch]
[Esta carta en español]
[Questa lettera in italiano]
19 juni 2002
Maand van het H. Hart


Dierbare Vriend van de Abdij Saint-Joseph de Clairval,

Op de eenstemmige kreet van de lijdende mensheid: «Geluk, waar ben je?» antwoordde een beroemde prediker: «Het geluk heb ik gezocht in de wereld van elegantie, in de duizeling van bals en feestgedruis; ik heb het gezocht in het bezit van goud, in de opwinding van het spel, in de intieme omgang met beroemde mensen, in alle genoegens van de zinnen en de geest... De meeste mensen vergissen zich in het eigenlijke wezen van het geluk en ze zoeken het daar waar het niet is... Het geluk wordt bemind en Jezus Christus, het enig mogelijke geluk, wordt niet bemind... O, mijn God! Hoe is het mogelijk? De Liefde wordt niet bemind! Waarom? Omdat men haar niet kent. Van alles wordt studie gemaakt, behalve van haar... O, u allen die naar mij luistert, moet het juist een Jood zijn die christenen komt smeken Jezus Christus te aanbidden?... Maar, zo zal men zeggen: «Ik geloof niet in Jezus Christus». Ik geloofde evenmin en juist daarom was ik zo ongelukkig!»

De naam van deze predikant is Hermann Cohen, geboren op 10 november 1821 te Hamburg. Zijn familie staat in hoog aanzien onder de twintigduizend Joden van de stad. Uit de kleine Hermann groeit een vrome jonge man. Hij zingt graag in het Duits de kerkliederen en psalmen. Hij voelt zich van nature niet zo op zijn gemak in een wereldlijke maatschappij: hij verkiest het mysterie dat de nog bewaard gebleven eerbiedwaardige riten omringt, bijvoorbeeld lezing van de Bijbel in het Hebreeuws vanaf een perkamenten rol die in een schitterende stof is gewikkeld.

Hermann en zijn broer Albert worden naar een protestantse middelbare school gestuurd. Het feit dat ze bij de Joodse gemeenschap horen doet hen heel wat sarcastische opmerkingen incasseren. Maar met zijn superieure intelligentie plaatst Hermann zich weldra aan het hoofd van zijn klas en geniet de achting van zijn leermeesters en medeleerlingen. Zijn intellectuele vermogens zinken echter in het niet vergeleken bij zijn fantastische muzikale begaafdheid. Bedwelmd door het succes dat hij reeds op zeer jonge leeftijd boekt als pianist, kent zijn ambitie geen grenzen meer. Van zijn ouders die zich aanvankelijk terughoudend opstellen en zelf worden gekweld door zorgen over financiële tegenspoed, mag hij tenslotte zijn hart volgen en kunstenaar worden. Weldra vertrekt hij naar Parijs waar hij de favoriete leerling van de virtuoos Franz Liszt (1811-1886) wordt. De mondaine kringen van Parijs zijn verrukt van het succesvolle muzikale fenomeen van 13. Gecharmeerd door de revolutionaire utopieën, staat Hermann in korte tijd fel op de bres voor afschaffing van het huwelijk, voor de terreur, de bezitsdeling, de ongebreidelde genotzucht, enz. Georges Sand neemt hem onder haar hoede en spuit hem het gif in van haar ergste romans.

Onverwacht vlucht Liszt, samen met gravin Marie d'Agoult naar Zwitserland. Hermann besluit zijn meester te volgen; hij leeft in de intimiteit van dit onechte huisgezin en noemt het «subliem» dat deze vrouw de moed heeft «alles te verlaten, haar huis, haar moeder, haar man, haar kinderen, om aan haar hartstocht gevolg te geven». Hij kijkt reeds uit naar de dag waarop hij zelf een hartstocht zal ontketenen die in staat zal zijn evenzovele hindernissen uit de weg te ruimen. Terug in Parijs laat hij zich meeslepen door de hartstocht voor het spel en stapelt schuld op schuld. Zijn muzieklessen leveren hem geld op waarmee hij niet zijn schulden maar zijn pleziertjes betaalt. «Mij volledig overgeven aan al mijn grillen en fantasieën, dat was mijn leven, zo zal hij schrijven. Was ik er gelukkiger door? Mijn God, neen! Mijn dorst naar geluk die me verslond werd er niet door gelest». «Alle jongelieden die ik kende leefden zoals ik, op zoek naar genot waar het maar werd aangeboden, vurig verlangend naar rijkdom, teneinde aan alle neigingen gevolg te kunnen geven en al hun grillen te kunnen bevredigen. Aan God dachten ze nooit».

De kwelling van God

Als zoon van Israël echter draagt hij de kwelling van God zonder het te weten met zich mee. Maar die kwelling ervaart hij met zijn levendige kunstenaarsgevoeligheid die sterker is dan de rede. Later schrijft hij dan: «alles lukte me met een ongelooflijk succes: de Faubourg Saint-Germain nam me in haar kring op... mijn geest werd in beslag genomen door alle verleidingen der wereld. Ik had echter geen tijd om over dat bestaan dat in de ogen van zoveel mensen zo begerenswaardig is na te denken en in werkelijkheid was ik altijd ongerust». In feite is hij de slaaf van zijn kwade hartstochten: «O, die afschuwelijke slavernij! Die heb ik op mijn beurt ervaren: ik was gekneveld en geketend aan de ijzers der galeislaven!... Ik begreep dat ik de ijzers moest doorbreken... en ik kon het niet».

Zo is het met hem gesteld, op de leeftijd van 26, wanneer op een vrijdag in de meimaand 1847 prins de la Moskova hem verzoekt hem te willen vervangen aan het hoofd van een amateurkoor voor de plechtigheden van de Mariamaand in de Parijse Sainte-Valère kerk. «Ik heb «ja» gezegd, uitsluitend uit liefde voor de muziekkunst en om de voldoening een goede dienst te verlenen. Toen het ogenblik van de Zegening met het Heilig Sacrament was gekomen, voelde ik me door iets ondefinieerbaars aangedaan. Buiten mijn wil om werd ik meegesleept om me voorover te buigen. Toen ik de vrijdag daarop weer terugkwam was ik op precies dezelfde manier onder de indruk en werd plotseling door de gedachte bevangen katholiek te worden».

Doordat hij zich door iets aangetrokken voelt dat hem steeds weer terugvoert naar die kerk is hij kort daarop in de gelegenheid meerdere malen, met een innerlijke vreugde die van al zijn vermogens bezit neemt de mis bij te wonen. In een poging het mysterie dat hij in zichzelf ontdekt te begrijpen neemt hij contact op met een katholieke priester, eerwaarde Legrand. Deze luistert met milde welwillendheid naar hem. De manier waarop ik door hem werd ontvangen «nam ogenblikkelijk een van de diepst ingewortelde vooroordelen in mijn geest weg. Ik was altijd bang geweest van priesters!... Ik kende ze alleen uit romans waarin ze worden voorgesteld als onverdraagzame mannen die voortdurend de mond vol hebben van dreigementen met excommunicatie... En hier zat ik naast een ontwikkeld man, bescheiden, goedhartig, open, alles verwachtend van God en niets van zichzelf!»

Een ongekende rust

Op 8 augustus bevindt hij zich vervolgens in Ems (Duitsland) om er een concert te geven en woont de zondagsmis bij in de kleine katholieke kerk van die stad. Op het ogenblik dat de Heilige Hostie wordt opgeheven kan hij een stroom van tranen niet bedwingen. «Spontaan, bijna intuïtief, begon ik tegenover God aan een algemene biecht van alle enorme fouten die ik sedert mijn kinderjaren had begaan: ik zag ze voor me uitgespreid bij duizenden, afzichtelijk en afstotend... Ik voelde echter ook een ongekende rust aan die haar balsem verspreidde over mijn ziel, dat de God van Barmhartigheid mij ze zou vergeven, dat hij medelijden zou hebben met mijn oprecht berouw, mijn bittere smart... Ja, ik voelde dat Hij mij genadig zou zijn en dat Hij bij wijze van boete mijn vast besluit Hem boven alles te beminnen en me voortaan tot Hem te bekeren, aanvaardde. Bij het verlaten van die kerk in Ems was ik reeds in mijn hart christen...».

Wanneer hij bedenkt dat hij zijn «eucharistische bekering» te danken heeft aan de Heilige Maagd Maria, besluit hij haar een zeer bijzondere hulde te brengen. Bij zijn terugkomst in Parijs stelt hij zich onder de leiding van de eerwaarde Legrand. Deze doet zijn best vast te stellen of het om iets van voorbijgaande aard gaat of dat het een diepgaande levensverandering betreft. Daarna brengt hij Hermann in contact met de priester Théodore Ratisbonne, bekeerde Jood, die zich wijdt aan apostolaatswerk ten gunste van Joden. In de kapel van dit Werk, Notre Dame de Sion in Parijs, ontvangt Hermann het Doopsel op 28 augustus 1847, feestdag van de heilige Augustinus die hij als patroon heeft gekozen. Op 8 september doet hij zijn eerste Communie. Weldra zal hij dagelijks te communie gaan.

«Laat jullie speelgoed achter!»

Hermann zou dadelijk afscheid willen nemen van de wereld en in een klooster intreden, «om er zich uitsluitend nog in dienst van de Heer te stellen», maar hij heeft een berg schulden terug te betalen, wat twee jaar in beslag neemt. Op een middag in november 1848 gaat hij de kapel binnen van de Karmelietessen in de Denfert-Rochereaustraat in Parijs. Het Heilig Sacrament staat er een hele nacht ter aanbidding uitgesteld. Daar komt hij op het idee «een vereniging te stichten die uitstelling en nachtelijke aanbidding van het Allerheiligst Sacrament en herstel van de beledigingen die het zijn aangedaan tot doel heeft». Ontstaan op 22 november 1848, brengt de vereniging, met instemming van het Vicariaat Generaal van Parijs haar leden voor het eerst ter nachtelijke aanbidding bijeen in de nacht van 6 op 7 december, in de Notre-Dame des Victoires-kerk, in vereniging met de Heilige Vader Pius IX, die naar Gaète is gevlucht. In zijn geluk wendt Hermann zich tot zijn vrienden van weleer: «Kom toch naar dit hemelse banket dat is bereid door de eeuwige Wijsheid. Kom en laat jullie speelgoed en jullie hersenschimmen achter... Vraag aan Jezus het witte kleed van de vergeving en met een nieuw hart, met een zuiver hart, les jullie dorst aan de heldere fontein van zijn Liefde». Geleidelijk aan verbreidt de vereniging zich in de hele wereld. Zij bestaat nog altijd.

Na zijn schulden te hebben ingelost is Hermann vrij. De genade van God trekt hem naar de Orde der Karmelieten. Reeds bij zijn doop heeft hij het verlangen te kennen gegeven het scapulier van Onze-Lieve-Vrouw van de Berg Karmel te mogen ontvangen. Tussen Hemelvaart en Pinksteren van het jaar 1849 leest hij tijdens een retraite het leven van de heilige Johannes van het Kruis. Deze ontdekking maakt dat zijn voornemens onherroeplijk vast komen te liggen. Op 16 juli 1849, feestdag van Onze-Lieve-Vrouw van de Berg Karmel, neemt hij afscheid van zijn familie en begeeft zich naar het klooster van Agen, vervolgens naar dat in Broussey, dicht bij Bordeaux, waar het noviciaat plaatsvindt. Een maand later schrijft hij aan zijn moeder: «De religieuze orde waarin ik ben ingetreden is ontstaan temidden van de Joden, 930 jaar voor Jezus Christus: zij is door de profeet Elias uit het Oude Testament op de Berg Karmel in Palestina gesticht. Het is een orde van echte Joden, kinderen van de profeten die op de Messias wachtten, die in hem hebben geloofd toen hij is gekomen. Tot op de dag van vandaag hebben ze voortbestaan, leven op dezelfde wijze, met dezelfde lichamelijke ontberingen en dezelfde geestelijke genietingen als zo»n 2800 jaar geleden. Nu nog dragen zij de naam van Orde van de Berg Karmel. De religieuzen worden onderscheiden in hen die zijn voortgekomen uit de hervorming van de heilige Teresia van Avila en de heilige Johannes van het Kruis, ongeschoeide karmelieten genaamd... Tot die tak behoor ik... Waarom deze levensvorm beoefenen? Ter navolging van het leven dat Jezus Christus heeft geleid toen hij is gekomen om de mensen te redden door zijn lijden, gehoorzaamheid, vernederingen, armoede en kruis...Dat is het leven dat ik heb gekozen».

Op 6 oktober 1849 wordt Hermann ingekleed onder de naam Broeder Augustinus-Maria van het Allerheiligst Sacrament. De regel van het noviciaat is zwaar. Broeder Augustinus-Maria levert er zich edelmoedig aan over. Zijn grootste offer is dat hij zich geleidelijk aan het roken en koffie drinken ontzegt. Wanneer men hem zag en hoorde, hield men hem voor de zachtste, rustigste en vriendelijkste man van de wereld. Maar toch, zelfs met een glimlach op de lippen, kookt zijn bloed soms van woede. Hij heeft ook een neiging tot spotternij die te wijten is aan een scherpzinnig waarnemen van al wat belachelijk is, maar daar schijnt niemand een vermoeden van te hebben gehad, want tijdens de recreaties is hij altijd een en al blijheid en welwillendheid jegens zijn medebroeders en Jezus is met genoegen zijn onderwerp van gesprek. Hij legt zijn geloften af op 7 oktober 1850 en op paaszaterdag 1851 wordt hij priester gewijd. In die dagen bidt hij intens voor de bekering van zijn familie. Zijn gebed zal zijn vruchten afwerpen want meerdere naaste familieleden, met name zijn zuster, zullen het katholieke geloof aannemen.

In juni 1852 wordt de eerwaarde Augustinus-Maria uit preken gestuurd in verschillende steden, met name Lyon, Marseille, Parijs, Luik, Berlijn en Genève... Door zijn van de liefde tot God vlammende betogen bekeren de zielen zich en voelen zich aangetrokken tot de biecht, tot een vurige devotie jegens de heilige Maagd en de Eucharistie. Sommigen vragen om te worden gedoopt, weer anderen gaan in een klooster.

«Wij zijn gelijk lepralijders»

In Parijs begint hij zijn preek zo: «Broeders, mijn eerste daad na het beklimmen van dit christelijk spreekgestoelte moet een openlijke erkenning van ongelijk zijn vanwege het aanstootgevende gedrag waaraan ik me vroeger zo jammerlijk heb bezondigd in deze stad. Met welk recht, zou u kunnen zeggen, komt u hier preken, u die wij hebben zien baden in de modder van een schaamteloze onzedelijkheid en openlijk alle mogelijke misvattingen hebben horen verkondigen? Ja, broeders, ik beken dat ik gezondigd heb tegen de Hemel en tegen u... Ik ben dan ook in een boetekleed gehuld naar u gekomen... De Moeder van Jezus heeft mij de Eucharistie onthuld, ik heb Jezus leren kennen, ik heb mijn God leren kennen en weldra werd ik christen. Ik heb om het heilig Doopsel gevraagd en het heilig water is over mij gestroomd. Ogenblikkelijk waren al mijn zonden, die afschuwelijke zonden van vijfentwintig jaar wangedrag uitgewist. En mijn ziel was terstond zuiver en schuldeloos. God, broeders, heeft me vergeven... Zult ook u me niet vergeven?» Meerdere mensen, onder wie metgezellen uit zijn losbandige leven van vroeger worden geraakt door zijn woorden en bekeren zich.

In al zijn preken geeft Augustinus-Maria blijk van zijn liefde voor de Eucharistie. Deze inspireert hem tot een nieuw Werk. Wanneer hij een keer in Ars komt, spreekt hij erover met de Pastoor, de heilige Jean-Marie Vianney: «Meneer Pastoor, heeft u ook niet gemerkt dat wij veel vaker bezig zijn God om weldaden te vragen dan Hem te danken voor de weldaden die wij reeds van Hem hebben ontvangen? Ja, wij zijn gelijk de lepralijders die genezen opstappen zonder dank u wel te zeggen. Zouden we niet een Werk op kunnen zetten dat tot doel zou hebben God voortdurend dank te brengen voor de stroom van weldaden die Hij over de wereld uitstort? Ja, u heeft gelijk. Doet u dat, God zal u zegenen».

Drie trappen

In een preek ontwikkelt hij zijn theorie inzake het dankgebed: «De eerste trap is die van het hart: daarin moet de herinnering aan de blijken van buitengewone barmhartigheid van de Heer jegens ons worden gegrift. De tweede trap voert ons naar loven, prijzen en bezingen van de ontvangen weldaad».Het liturgisch gebed, in het bijzonder de Psalmen en het Te Deum, is de beste bron van dankgebed, want «de Heilige Geest zelf heeft ze geschreven». Maar «door de goddelijke Eucharistie en door Haar alleen zullen wij waardig onze schuld aan dankbaarheid jegens God kunnen inlossen. Dat is de derde en hoogste trap in het dankgebed... O, mijn God, wanneer ik u die Hostie van lof en liefde aanbied, laat u weer die vaderlijke stem vanuit hoog in de hemel klinken die over Jezus neerdaalde: Gij zijt mijn Zoon, mijn veelgeliefde: in U heb ik welbehagen (Mc 1, 11)».

Het praktisch resultaat ervan is dat in Lyon, in 1859, aangemoedigd door paus Pius IX, een broederschap van dankzegging wordt opgericht om « dank te brengen aan de Eeuwige Vader voor diens gaven, vooral voor die welke bij uitnemendheid de Gave Gods is, de Eucharistie; om de verschrikkelijke ondankbaarheid van de meeste mensen die vergeten dat ze God erkentelijkheid zijn verschuldigd te compenseren; God danken voor hen die geen dank zeggen».

Overeenkomstig het ideaal van de Karmel, streeft Augustinus-Maria naar de diepgaande eenzaamheid van de woestijn om zich nog meer aan het stille gebed te kunnen overgeven. «Het belangrijkst is geen smaak te krijgen in de wereldse dingen, zegt hij altijd, en juist het dagelijkse stille gebed heeft als uitwerking dat wij over het aangename van al die dingen uit de droom worden geholpen en dat in ons het verlangen naar alleen Jezus wordt aangewakkerd. De God van liefde is naijverig: hij wil alleen regeren, bemind, gesmaakt en begeerd worden». Wanneer hij dicht bij Tarasteix, op 20 km van Lourdes, een groot stuk grond midden in de bossen vindt, koopt hij het en laat er individuele kluizenaarswoningen op bouwen. In werkelijkeid zal hij er weinig gebruik van maken. Op verzoek van kardinaal Wiseman namelijk kiest de Paus hem uit om de orde van de Karmelieten in Engeland nieuw leven in te blazen: «Ik zend u uit, zegt deze tegen hem, om Engeland te bekeren, zoals een van mijn voorgangers de monnik Augustinus uitzond». Er is in dit land nog geen enkel klooster teruggekomen sinds het schisma van Hendrik VIII (1491-1547). Op 15 oktober 1863, feestdag van de heilige Teresia van Avila, vestigt Augustinus-Maria voorlopig enkele uit Frankrijk gekomen Karmelieten in een klein huis in Londen. Als gevolg van zijn preken, geven meerdere Engelsen de wens te kennen toe te treden tot de katholieke Kerk. In 1863 neemt voor de eerste keer sinds drie eeuwen een Engelse novice het heilig kleed van de Karmelieten aan. In september 1864, ongeveer twee jaar na de aankomst van Augustinus-Maria in Engeland, zijn er zeven huizen van aanbidding, waarvan twee in Londen, in volle activiteit.

In 1868 verkrijgt Augustinus-Maria eindelijk van zijn oversten de toestemming naar de «Heilige Elias woestijn» in Tarasteix te gaan. Hij wordt echter door een nieuwe beproeving bezocht: een oogziekte die zo ernstig is dat hij moet worden geopereerd. Hij stelt zijn vertrouwen in de Heilige Maagd en houdt een novene aan de grot van de verschijningen en wast er iedere dag de ogen met het water uit de wonderbare bron. Op de negende dag is hij plotsklaps en volledig genezen: het is een overduidelijk wonder. Hermann Cohen is de eerste op wonderbare wijze in Lourdes genezen Jood. Hij keert terug naar Tarasteix waar hij zich voor goed hoopt te vestigen. Maar het uur van zich terugtrekken in de woestijn zal niet slaan: in mei 1870 wordt hij voor drie jaar benoemd tot eerste raadsman van de Provinciaal Kloosteroverste en tot novicenmeester: hij vertrekt dus naar Broussey. Op 19 juli van hetzelfde jaar verklaart Frankrijk de oorlog aan Pruisen. Een maand later komt het regime van Napoleon in het kielzog van de nederlaag bij Sedan ten val. Haat ten aanzien van Pruisen en haat ten aanzien van religie maakt zich meester van de Fransen. De geliefde ontschoeide Karmeliet, vereerd en geliefd in heel Frankrijk wordt «vervolgd van stad tot stad in zijn dubbele hoedanigheid van monnik en Duitser». Hij gaat naar Grenoble waar nog niet lang geleden zijn begeesterende woorden de menigten hadden veroverd. Hij wordt er voor een spion aangezien: hij ontsnapt ternauwernood aan de dood. Uiteindelijk komt hij behouden aan in Genève waar de bisschop hem de zorg toevertrouwt voor een groep Frankrijk ontvluchte vrouwen en bejaarden, vijf à zeshonderd in getal en verstoken van iedere godsdienstige bijstand.

Maar op 24 november1870 vertrekt hij op verzoek van de bisschop van Genève naar Berlijn en krijgt vergunning om te gaan werken als aalmoezenier in Spandau, op 14 km van de hoofdstad, waar het meer dan vijfduizend Franse gevangenen ontbreekt aan kleding, voedsel en vooral geestelijke bijstand; velen zijn ernstig ziek... Hij wint snel de harten van die gevangenen. Hoewel hij zich vooral ontfermt over hun lijdende zielen, zet hij zich niet minder met liefde in voor de leniging van hun lichamelijke noden. Hij slaagt erin hun kisten met kleren te bezorgen die hen bestand maken tegen de ijzige Pruisische kou in het hart van de winter; hij verkrijgt ook onontbeerlijk aanvullend voedsel. Iedere dag draagt hij de Mis op en preekt voor enkele honderden soldaten. Dankzij zijn onuitputtelijke goedheid komen velen naar hem toe om te biechten; een maand na zijn aankomst hebben 300 soldaten de Heilige Communie ontvangen... Maar bij een dergelijk werkrythme gaat de reeds wankele gezondheid van de eerwaarde Augustinus-Maria verder achteruit.

Een dodelijk risico

Op 9 januari 1871 dient hij twee gevangenen die zijn aangetast door de waterpokken het Heilig Oliesel toe. Daar de spatel ter zalving van de stervenden met de heilige olie op dat moment ontbreekt, strijkt de priester zonder aarzelen de olie met de hand uit, ondanks een schaafwond aan zijn vinger waardoor hij zijn leven riskeert voor het eeuwig heil van zijn twee lammeren. Hij loopt de ziekte inderdaad op. Op 15 januari is zijn toestand zo verslechterd dat hij op zijn beurt de sacramenten der stervenden ontvangt om vervolgens met vaste stem het Te Deum en het Salve Regina te zingen; daarna bidt hij het De profundis. Wanneer men hem de dag daarop aankondigt dat zijn einde nabij is verschijnt er op zijn gezicht een onuitsprekelijke vreugde. Op de avond van 19 januari biecht hij in alle vrede en ontvangt de Heilige Communie. «Nu, o mijn God, zegt hij, leg ik mijn ziel terug in uw handen». Dit zijn zijn laatste woorden. Zijn rustige ademhaling gaat door tot de volgende morgen tien uur wanneer hij de laatste adem uitblaast terwijl de zuster die bij hem waakt op zijn verzoek het Salve Regina zingt.

De eerwaarde Augustinus-Maria van het Allerheiligst Sacrament is de voorzanger van de Eucharistie geweest. Moge wij hem navolgen met een vurige liefde tot de H. Eucharistie zoals de Heilige Vader ons daartoe aanspoort: «De Kerk en de wereld hebben grote behoefte aan de verering van de Eucharistie. Jezus wacht op ons in dit sacrament van de Liefde. Laten wij ons niet de tijd ontzeggen om Hem tegemoet te gaan in de aanbidding, in de open en van geloof vervulde aanschouwing ter herstel van de ernstige tekortkomingen en misdrijven van de wereld. Moge onze aanbidding nimmer ophouden!» (Johannes Paulus II, brief Dominicæ cenæ, van 14 februari 1980).

Wij bidden voor al uw intenties en speciaal voor uw overledenen.

Dom Antoine Marie osb

Om het Blad van de Abdij Saint-Joseph de Clairval te publiceren in een tijdschrift, blad... of on het internetsite of een website te plaatsen, is een toelating vereist. Deze dient te worden aangevraagd per E-Mail or bij http://www.clairval.com.

Index der Briefe  - Home Page

Webmaster © 1996-2017 Traditions Monastiques